Geloven in een God die gebeurt



Dovnload 15.68 Kb.
Datum24.07.2016
Grootte15.68 Kb.
Geloven in een God die gebeurt

Samenvatting van de lezing op dinsdag 7 oktober van 20u. tot 22u. door ds. Klaas Hendrikse, vrijzinnig predikant in de protestantse gemeenten van Middelburg en Zie­rikzee. In 2007 verscheen zijn boek: 'Geloven in een God die niet bestaat. Manifest van een atheïstische dominee'. Harm Bosscher

Waarom ik dit boek schreef

Ik ben ruim 25 jaar predikant nu. In de loop van al die jaren heb ik vaak reacties ge­kregen in de zin van: 'Ik wist niet dat het zo ook kon'. Dat was dan met name bij ge­legenheden waarbij mensen die niet gewend zijn in een kerk, geconfronteerd werden met een predikant, met name bij uitvaarten en huwelijken. De meeste gelovige men­sen zijn grootgebracht met het idee dat geloven in God automatisch betekent dat God bestaat. Mijn boodschap is niet dat dit niet mag, maar dat het niet hoeft. Voor mij is het niet-bestaan van God voorwaarde om in God te kunnen geloven. De men­sen die ik bij het schrijven van mijn boek voor ogen heb gehad zijn 'dolende zielen', dat zijn mensen die tegen God aanlopen, die zondags van alles horen, waarvan ze denken jaaa... is dat wel zo? En mensen buiten de kerk die met een grote boog om God heenlopen, meestal omdat ze er vroeger tegenaan gelopen zijn. Lezers die het zo goed niet meer weten, die twijfelen aan het bestaan van God en die zich afvragen wat er nog te geloven blijft als God niet meer hoeft te bestaan.

Ook heb ik bezorgdheid over de kerk zelf: de uitstraling is middeleeuws. Er worden taal en gewoonten gehanteerd die voor buitenstaanders niet te begrijpen zijn. De kerk maakt een karikatuur van zichzelf en van zijn of haar gelovigen. Ze zwijgt over het bestaan van God, er wordt omheen gedraaid of de vragen worden verzwegen. Daarmee worden de gelovigen niet serieus genomen of in de kou gezet. Gevolg is dat de kerken leeg lopen. Als dat zo doorgaat, zitten er over een of twee generaties alleen nog maar orthodoxen in de kerk. Mijn boodschap aan de kerk is: ''Richt je niet op 16e eeuwse belijdenissen maar op 21e eeuwse mensen.
Als predikant atheïst zijn

Ik geloof in een God die niet bestaat. Als God bestaat, dan moet hij ergens zijn en dat noem ik heidendom. De gebruikelijke voorstelling is dat er zich ergens een wezen bevindt met de naam God en dat je daar ook iets van kunt merken. Ik heb in mijn le­ven nog maar heel weinig mensen gesproken die daar iets van hebben gemerkt. An­dersom wel: dat je aan het leven ervaringen opdoet die je God zou kunnen noemen. Ik denk dat het zo ook is begonnen: menselijke ervaringen waar aan later het woord God is verbonden. Redenering van andere theologen is dikwijls': God bestaat niet, maar hij 'is'. Dat noem ik 'bellen blazen'. Dat God bestaat wordt niet bevestigd, het wordt ook niet ontkent, maar in mist gehuld. Als God niet bestaat op de manier waarop we normaal het woord 'bestaan' gebruiken, noem het dan ook anders.

Dat God niet bestaat is een a-theïstisch standpunt. Een theïst is iemand die gelooft in God als een persoonlijk wezen dat over eigenschappen bezit, zoals almacht, alomte­genwoordigheid, barmhartigheid. Een a-theïst is een niet-theïst en ontkent dat (die) God bestaat. Sommige atheïsten verwerpen iedere gedachte aan God. Zij zetten zich meestal af tegen een godsbeeld uit hun jonge jaren dat de gemiddelde gelovige allang achter zich heeft gelaten. Maar, een atheïst hoeft geen godloochenaar te zijn. Evenzo is een gelovige lang niet altijd iemand die zondermeer aanneemt wat er in kerken over God wordt beweerd. Een atheïst kan wel degelijk een gelovige zijn. Ik ben niet de enige: ik ontken God niet; ik ontken een bepaalde opvatting van God. Ik geloof dat wat het christendom van God heeft gemaakt, niet bestaat. Die bewering dat de God van het christendom niet bestaat en oorspronkelijk ook niet bestond, doe ik met de bijbel in de hand.
De joods-christelijke traditie

Het niet-bestaan van God is het unieke van de joods-christelijke traditie, of zou dat moeten zijn. De naam van de God van Israël, 'Jahweh', komt voor het eerst voor in het boek Exodus als Mozes oog in oog staat met het brandend braambos in het ver­haal over de uittocht uit Egypte. Het boek Genesis bestaat uit latere toevoegingen. Het verhaal van Abraham en Isaäk bijvoorbeeld is er later voorgeplakt. Je kent mis­schien het verhaal. Abraham die Isaäk moet offeren. Op het moment dat hij het mes op de keel van zijn kind zet, krijgt hij te horen: 'Laat maar, het hoeft niet, nu weet ik dat jij gehoorzaam bent.' Als je die tekst in het Hebreeuws leest, zul je zien dat de godsnaam tot aan dat moment 'Elohim' is, een meervoudsvorm. Dat is de naam van de goden van wie op dat moment min of meer afstand werd genomen. Het is een engel van Jahweh die zegt: 'Ho, dat doen wij niet'. De boodschap daarvan is: we zijn het stadium waarin wij kinderen offeren voorbij, dat doen we niet meer, neem maar een geit'.

Historisch gesproken duikt Jahweh dus pas op bij Mozes en dat braambos. U kent het verhaal: Mozes ziet die struik branden en God spreekt. Hij krijgt te horen dat hij zijn volk moet gaan uitleiden. Als zijn volk dan zal vragen wat dat voor een God is, stelt God zichzelf voor met de woorden: 'Ik ben die ik ben' of 'Ik zal zijn die ik zal zijn' of 'Ik zal er zijn'. Dit zijn allemaal termen, in nederlandse vertaling, die niet specifiek zijn voor God. Daar hoef je geen God voor te zijn om dat te kunnen zeggen. De vraag: 'Hoe is je naam, God?', is van alle tijden. Het antwoord is mythologisch. God heeft nooit iets gezegd, ook niet tegen Mozes. Dit verhaal is pas zeven eeuwen later opgeschreven. In dat mythologische antwoord zit zeven eeuwen uitgerijpte en be­proefde geloofservaring. Dat maakt het juist zo mooi en zo geloofwaardig. Op het moment dat het verhaal wordt geschreven, was het allemaal al achter de rug. Niet alleen de uittocht, maar ook de intocht, het beloofde land, de richteren, de koningen, de vijanden, de ballingschap, het was allemaal al geweest. Daarna pas hebben ze zich rekenschap gegeven van hun geschiedenis en van wat God daarin voor hen betekende. Dan moet je je voorstellen dat ze na die zeven eeuwen over God niets meer konden zeggen dan: 'Ik zal er zijn' of in mijn vertaling: 'Ga maar, dan ga ik met je mee.' Dat is niet een naam, maar de verwoording van een ervaring. Er zit een voorwaardelijkheid in. Niet: 'Ik ga met je mee, reken er maar op'. Nee: 'Gá maar, dán ga ik met je mee'. Als je niet gaat, dan dus niet. Er is niet iets, als jij niet op weg gaat. Als jij niets doet, dan gebeurt er ook niets.
Van gebeurtenis naar ervaring

Geloof kun je hebben, als een opvatting. Bij geloof hoort grijpen, vasthouden, een gesloten hand. Geloof begint altijd bij God en mensen moeten maar zien uit te vinden hoe ze zich tot die God verhouden. Geloven is een manier van zijn: je hebt niet iets, maar je bent het, je leeft het. Bij geloven hoort loslaten, een open hand. Je zou kun­nen zeggen, dat je heel veel geloof moet kunnen loslaten om te kunnen geloven. En ik weet dat heel veel mensen dat vanuit hun eigen leven kunnen nazeggen. Dat be­tekent dat iemand die iedere zondag braaf naar de kerk gaat of die de christelijke leer van voor naar achter onderschrijft, daarmee natuurlijk nog niet gelovig is. Albert Schweizer heeft dat heel mooi gezegd: je wordt ook geen auto als je in de garage gaat staan. Jouw woord 'God' zegt niets over God, maar over jou. God verandert omdat jij verandert, de betekenis ligt nooit vast.

Geloven begint bij mensen, bij jou en mij, gewoon bij het alledaagse leven, met twee benen op de grond. Het antwoord op de vraag hoe of wat jij gelooft blijkt dus niet uit de opvattingen die je hebt, maar uit je manier van leven. Hoe je omgaat met wat er om je heen en met jou gebeurt. Dat beschrijf ik als het vermogen om van een ge­beurtenis, een ervaring te maken én daar op te kunnen vertrouwen. Dan komen we in de buurt van de oorspronkelijke betekenis van ons woord 'geloven'. Vertrouwen doe je niet op basis van wat je ooit hebt geleerd, maar door wat je hebt ervaren. Jij gelooft op jouw manier door wat er in de loop van je leven in jouw rugzak is gekomen aan ervaringen. Dat gaat nog je hele leven door, maar je mikt er ook regelmatig weer van alles uit.

In mijn boek gebruik ik de term 'volwassen-afhankelijkheid', het besef dat je leven geen eigen fabrikaat is, dat jij jezelf niet gelukkig kan maken, dat je uiteindelijk ook bent aangewezen op het geduld en de mildheid van een paar mensen om je heen. Anders gezegd: dat wat voor jou werkelijk van waarde is, dat je dat alleen maar kan worden gegeven. Vertrouwen is ook een sprong doen, je kwetsbaar maken. je over­geven: 'ík heb er wel vertrouwen in'. Vertrouwen is die overgave zelf. Of jij dat kunt, hangt af van wat er in je rugzak zit. Het verschil tussen gelovigen en ongelovigen hangt ervan af of je aan een ervaring het woord 'God' verbindt. Voor een gelovige is 'God' een woord dat het vertrouwen kan gronden. Een niet-gelovige zal zeggen: 'Ik heb de kracht gevonden om ...' Een gelovige zal eerder zeggen: 'God heeft mij de kracht gegeven om ...'


Raakbaar willen leven

Geloven gaat niet zo maar, daar is meer voor nodig: openheid, verwondering. Ik ge­bruik liever de term 'raakbaarheid', het gaat om de vraag of ik raakbaar wil leven. Dat is iedere dag weer een opgave en dat lukt natuurlijk lang niet altijd. Als het maar niet uit je bewustzijn verdwijnt. Mijn favoriete voorbeeld daarbij, is het journaal kijken. Waar kijk je naar? Explosies, af- en- aanrijdende ambulances, overstromingen, hon­gerende kinderen. Op het moment dat je iets ziet dat je werkelijk raakt, schei je uit met eten en heb je waarschijnlijk ook geen zin meer. Dat is wat ik bedoel met niet op het niveau van de gebeurtenis blijven hangen, maar op het ervaringsniveau. Ik heb de afgelopen maanden heel veel brieven gekregen. Soms val ik helemaal stil, tot tra­nen toe geroerd. Dan kan ik niet meer een standaardreactie sturen. Ik wordt letterlijk aangesproken en ik moet daat iets mee. Zo definieer ik een ervaring: het doet iets met jou en jij doet er iets mee.



Soms zeggen mensen: ik ervaar God in de natuur. Maar is dat een ervaring of mag je dat gewoon mooi vinden?. Als mensen zondags in de kerk braaf zitten te bidden voor de nood van de wereld en daar verder niets mee doen, dan stelt dat niet zo erg veel voor. Dan kan je wel gekalmeerd of getroost de kerk uit gaan, maar dan had je het net zo goed niet kunnen doen. Tenzij je gelooft dat God dat dan wel regelt ver­der. In het verhaal van de uittocht staat over God geschreven dat hij de ellende van zijn volk heeft gezien en is afgedaald als de bevrijder. Maar het houdt wel in dat wij het moeten doen. Als het niet over jou en mij gaat, kan het niet over God gaan. God bestaat niet, maar God gebeurt of kan gebeuren. Bij dit gebeuren zijn altijd mensen betrokken die er iets mee doen. God gebeurt niet zonder mensen: 'Als jij gaat ..., dán trek ik met je mee.'


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2016
stuur bericht

    Hoofdpagina