Gelukkig door te lijden



Dovnload 19.7 Kb.
Datum23.08.2016
Grootte19.7 Kb.

Gelukkig door te lijden


12 juli 2008 | Het Financieele Dagblad
Jabik Veenbaas

De Zwitserse filosoof Alexandre Jollien werd zwaar gehandicapt geboren. Uitgerekend hij schreef het boek 'Blijdschap als levenskunst', dat onlangs verscheen. 'Toen ik eenmaal gelukkig was, miste ik de strijd. Ik miste het doel in mijn leven'

Het succes is de Zwitserse filosoof Alexandre Jollien (32) bepaald niet komen aanwaaien. Hij overleefde zijn geboorte maar amper - de navelstreng zat om zijn hals gewikkeld. Daarom is Jollien nu spastisch; hij spreekt moeilijk en hij is ernstig motorisch gestoord. Drinken doet hij door een rietje en af en toe maakt hij ongecontroleerde bewegingen. Op vierjarige leeftijd belandde hij in een internaat voor gehandicapten en tot zijn zeventiende zou hij in dergelijke instellingen blijven wonen. Met grote moeite leerde hij zichzelf lopen. En tegen het advies van zijn artsen in, leerde hij ook typen.

Er leek een toekomst op de sociale werkplaats voor hem weggelegd: sigarenkistjes maken, dat werk. Maar een aalmoezenier die dicht bij zijn internaat woonde, liet hem kennismaken met filosofie. Op aanraden van deze Père Morand las de jonge Jollien de grote filosofen en ging hij later zelfs filosofie studeren. Jollien bleek bovendien te beschikken over bijzondere literaire gaven. In 1999 verscheen zijn autobiografie, Eloge de la faiblesse, waarvoor hij twee prestigieuze prijzen ontving van de Académie Française. In 2002 kwam zijn tweede boek uit, Le métier d'homme. Zijn werk verkoopt bijzonder goed. Le métier d'homme verscheen in verschillende talen en er gingen inmiddels maar liefst 100.000 exemplaren van over de toonbank. Jollien werd een graag geziene gast in televisieprogramma's. Beroemde denkers als Michel Onfray en André Comte-Sponville prijzen Jolliens werk, en zijn lezingen worden drukbezocht. Onlangs verscheen zijn meest recente boek in het Nederlands: Blijdschap als levenskunst. Een filosofische zoektocht naar geluk.

Reflectie

Jollien spreekt over filosofie als zijn 'geheime tuin', een plek waar hij zich kan terugtrekken en van een afstand op zijn leven kan reflecteren. Die reflectie bracht hem juist ook weer terug bij de anderen: bij zijn gehandicapte vrienden uit het internaat. Dankzij de filosofie kon hij meer van hun vriendschap genieten, zich meer openstellen. Zijn debuut Eloge de la faiblesse bevat opmerkelijke observaties. Waarom zijn mensen met zware fysieke beperkingen vaak blijmoedig van aard, terwijl je zou verwachten dat ze juist heel somber zouden zijn, vroeg Jollien zich bijvoorbeeld af. Volgens hem heeft dat een aantal oorzaken. Allereerst komen gehandicapten voor hun zwakheid uit. Met hun lotgenoten proberen ze iets van hun leven te maken. Uit pure noodzaak doorbreken ze hun isolement. Bovendien zijn ze meer gericht op het innerlijk leven van de mens en dat is tenslotte waar het echt om gaat. Daarom zijn lijden en vreugde wel degelijk verenigbaar, meent Jollien. 'Daarmee wil ik overigens niet zeggen dat mijn gehandicapte vrienden per definitie volwassener of wijzer zijn. Ze hebben natuurlijk geen keus. Ze moeten zich wel richten op het innerlijk met hun beperkte fysieke mogelijkheden. En ze moeten hun zwakheid wel aanvaarden. Voor hen is het het lijden of de dood.'

Jarenlang moest Jollien vrijwel alles in het leven bevechten. Gedurende deze zware tijd putte hij inspiratie uit filosofen die hem strijdvaardig maakten. In Eloge de la faiblesse voert hij een denkbeeldig gesprek met Plato's leermeester Socrates. Socrates leerde Jollien een innerlijke dialoog te voeren waardoor hij zichzelf beter leerde kennen. Volgens Socrates kun je je door redeneren wapenen tegen vooroordelen. Het gaat erom wie je bent, niet om wat je hebt of wat je doet, zo zegt de oude Griekse filosoof.

Daarna richtte Jollien zich op de stoïcijnen. Van hen leerde hij om sterk en taai te zijn. Ook Nietzsche vergezelde hem gedurende een bepaalde fase van zijn leven. 'Ik hou van Nietzsche. Hij leerde me te blijven vechten, om het fatalisme van me af te werpen, en om mijn lichaam opnieuw te waarderen. Nietzsche zegt dat alle denken uitdrukking is van het lichaam. Dat geldt ook voor het lichaam van een gehandicapte. Hij leerde me zo de schoonheid van het lijdende lichaam in te zien. Nietzsche is een excellent psycholoog en een uitstekend diagnosticus. Hij legt de vinger precies op de zere plek. Zo ziet hij bijvoorbeeld haarscherp dat medelijden wreed en hypocriet kan zijn.'

Medelijden. Als gehandicapte heeft hij dat vaak moeten ondergaan. 'Ik ben extra gevoelig op dit punt. Medelijden is iets anders dan compassie', vindt Jollien, 'het is vernederend.' Jollien verwijst naar Spinoza, een van zijn favoriete denkers. 'In het medelijden komt de droefheid eerst, zegt Spinoza. Laat ik dat met een voorbeeld illustreren. Op televisie zie ik mensen sterven in Afrika, en ik heb medelijden, maar ik heb ze niet lief. Compassie is anders, dat komt voort uit liefde. Ook liefde kan treurig maken, maar de waardigheid van mensen blijft gerespecteerd.'

Grote vreugde

Na de jaren van innerlijke worsteling lukte het Jollien een zelfstandig leven op te bouwen, buiten de beschermde muren van het internaat. Zijn boeken kregen succes en tijdens een verblijf in Dublin leerde hij Corine kennen, een Zwitserse vrouw die door Ierland reisde. Wederzijdse kennissen hadden hen met elkaar in contact gebracht, zodat er iemand zou zijn op wie hij in geval van nood terug kon vallen. In 2004 trouwde hij met haar. De erkenning in de vorm van twee prijzen van de Académie Française was ook erg belangrijk voor Jollien. Zo wist hij dat zijn autobiografie niet alleen maar de moeite waard was om sentimentele redenen.

Gek genoeg kreeg hij het moeilijk toen hij gelukkig werd. In 2004 werd zijn dochter Victorine geboren. Hij was blij over deze gebeurtenis en tegelijk was het ondraaglijk. Hij zou onbekommerd gelukkig moeten zijn, maar hij was het niet. Jollien miste de strijd. 'Mijn dagelijkse gevecht in het internaat gaf het leven ook zin. Hoewel ik niet bij mijn ouders woonde en fysieke beperkingen had, wilde ik gelukkig zijn. Dat was mijn doel in het leven. Ongelukkig zijn, dat was mijn grote vijand. Toen Victorine werd geboren, verdween de vijand. Mijn horizon verwijdde zich plotseling enorm. Ik voelde grote vreugde, maar die was zo nieuw voor me dat ik niet ten volle kon genieten. Geluk was altijd iets wat in de toekomst lag, iets wat moest worden veroverd. En nu moest ik leren om het geschenk te aanvaarden, om in het heden te leven.'

Jollien typeert zijn nieuwste boek Blijdschap als levenskunst dan ook als een 'naoorlogse' filosofie, een filosofie voor de vredestijd. Het boek bestaat voor een groot deel uit eigenzinnige brieven aan belangrijke denkers. Jollien schrijft aan onder anderen Boëthius, Epicurus, en aan de grote Nederlandse wijsgeer Spinoza en aan Etty Hillesum. De Vertroosting van de filosofie van Boëthius leerde Jollien dat een mens die werkelijk gelukkig wil zijn, eerst zijn verdriet en woede moet toelaten. 'Nadat ik uw eerste gedicht had gelezen, waarin uw verdriet losbarst', laat hij Boëthius weten, 'heb ik mij aan een verwarrende oefening gewaagd: de wrok in mij toe te laten. Ik was vooral stomverbaasd over de heftigheid en de bitterheid die loskwamen. Natuurlijk moest God het ook ontgelden.'

Zijn tirades werkten reinigend. 'De beledigingen maakten plaats voor oneindige tederheid. Ik begreep dat onder een verwijt een hartstochtelijk verlangen naar liefde kan schuilgaan. Dat mijn bittere verwijten uiteindelijk de keerzijde vormen van een wens.'

Schopenhauer en Spinoza leerden Jollien dat het hele menselijke leven doordrongen is van begeerte. Schopenhauer beschouwt hij, net als Nietzsche, als een bevrijdende diagnosticus. Hij spreekt hem dan ook respectvol aan: 'U neemt een geduchte en ijdele eis weg: het absolute willen dat me kwelt, zal ik nooit kunnen bevredigen. Beroofd van de illusie dat de honger naar het absolute en naar stabiliteit, kortom naar alles, definitief kan worden gestild, verwelkom ik wat er in het onvolmaakte heden op me afkomt.'



Tragisch leven

Bij Schopenhauer vond Jollien de diagnose, bij Spinoza en Etty Hillesum uiteindelijk de remedie. Over die laatste twee is Jollien lyrisch enthousiast. 'Spinoza maakte me duidelijk dat ik mijn begeertes niet moest veroordelen, maar aanvaarden. Dat was een openbaring. Hij liet me zien dat begeerte een motor kan zijn, een weg naar de vrijheid. Het verlangen naar vrijheid was voor mij altijd een grote impuls geweest. Maar ik maakte de fout dat ik me door mijn verbeelding liet meevoeren, dat ik net als anderen wilde zijn. Spinoza leerde me om mijn eigen verlangens en dus mijn eigen leven te accepteren.'

Jolliens belangrijkste inspiratiebron was Etty Hillesum. Zij werd in de Tweede Wereldoorlog naar Westerbork gebracht waar ze baby's moest aankleden die naar Auschwitz werden getransporteerd. Ze raakte niet verbitterd, ook niet toen ze zelf werd weggevoerd naar het vernietigingskamp. 'Ik zie het leven in essentie als tragisch. We zijn alleen wanneer we lijden. Ook als ik veel vrienden heb, ben ik alleen als ik lijd. Maar dat betekent niet dat het leven treurig is. Integendeel. We kunnen een blijmoedige houding aannemen tegenover het leven, zelfs tegenover het lijden, we kunnen het leven met blijdschap aanvaarden. Dat is de les van Etty Hillesum.'

Blijdschap als levenskunst bevat ook een brief die niet aan een denker gericht is, maar aan de Dood. De Dood heeft stevig huisgehouden in het leven van Jollien. Op jonge leeftijd verloor hij een van zijn gehandicapte vrienden. Ook moest hij afscheid nemen van zijn leermeester in de filosofie, de aalmoezenier Morand. En in 1999 overleed zijn vader, met wie hij een goede band had. Jollien haalt dan ook flink uit in zijn brief: 'Ik betreur jouw manieren, jij die alles om je heen verwoest [...] Vroeg of laat zet je het mes in mijn tijd en sabel je mijn ambities, mijn plannen en mijn hoop neer.'

Toch kun je van deze nietsontziende verwoester ook iets leren. 'De dood leert ons om onze individualiteit te relativeren. Inzien dat jouw bestaan niet noodzakelijk is om het universum te laten functioneren, geeft je een gevoel van vrijheid.' Hij beschrijft hoe hij soms expres hele middagen in bed blijft, om zich in het sterven te oefenen: 'Ik houd op te bestaan en laat beetje bij beetje mijn ambities en dromen achter me. Ik ontdoe me voor even van niet te realiseren verwachtingen, van spijtgevoelens en idiote plannen.' Aan het slot van zijn brief kan hij de Dood laten weten dat hij hem nodig heeft om het wonder van het leven op waarde te schatten.

Jollien schetst geen beeld van irreëel en onbereikbaar geluk. Hij pretendeert niet dat hij het lijden kan wegnemen. Maar hij heeft van zijn soms merkwaardige correspondentievrienden wel geleerd om het hele leven en daarmee ook het lijden te aanvaarden. Het kernwoord in zijn slotbrief is: oké. 'Maar dat is geen berusting, geen fatalisme, absoluut niet. Als je akkoord gaat met het leven, leef je vollediger. Ik vergelijk het wel eens met het schaakspel. Dat spel kent duidelijke regels en daar moet je je aan houden. Je weet dat jij en de jouwen sterfelijk zijn en dat het leven tragische kanten heeft. Maar binnen deze beperkingen kun je je strategie bepalen, je vrijheid verwerven.'

Tegenwoordig ziet hij zijn handicap niet meer als een last, maar als roeping. 'Ik wil mijn roem op een verantwoordelijke manier gebruiken en iedereen ervan laten profiteren. Zo ga ik binnenkort voor een project van kinderhulporganisatie Terre des Hommes naar Nepal. Ik wil iets voor anderen betekenen. Dat is de essentie van roem: in staat zijn om aan anderen te geven. Anderen helpen en ze laten zien hoe de filosofie je tot steun kan zijn.'



Blijdschap als levenskunst Een filosofische zoektocht naar geluk
Vertaling Mieke Maassen, uitgeverij Ten Have, 192 blz., euro 17,50



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina