Gemeente van onze Heer Jezus Christus, Er is een tijd om te huilen en een tijd om te lachen



Dovnload 10.61 Kb.
Datum22.07.2016
Grootte10.61 Kb.
Gemeente van onze Heer Jezus Christus,
Er is een tijd om te huilen en een tijd om te lachen, lezen we in het bijbelboek Prediker (Pre­diker 3:4). Als we daar dieper over doordenken, betekent dat meer dan: soms moet je hui­len,soms lachen. Huilen en lachen drukken onze diepste emoties uit. Soms liggen ze ook dicht bij elkaar. Een lach van geluk en ook: tranen van geluk. Tranen van woede en ontzetting en een meedogenloze of wrede lach. Zowel de lach als de traan getuigen van sterke emoties, po­sitief of negatief. Toch is het zo, dat lachen meestal gevoelsmatig verbonden wordt met geluk en tranen worden in de regel geassocieerd met verdriet. Het een kan plotseling overgaan in het ander: Jantje huilt, Jantje lacht. Maar veelal verloopt de weg van huilen naar lachen als een proces. Terecht constateer Prediker: Er is een tijd om te huilen en een tijd om te lachen, maar zinniger is de vraag: hoe verloopt de weg tussen huilen en lachen? Wat zijn de dingen waarom mensen vaak moeten huilen of waarom ze plezier hebben? Hoe help je elkaar om huilen te boven te komen en een lach terug te krijgen?

Allereerst moeten we zeggen, dat wij in de regel proberen geluk te verwerven. We zijn op zoek naar de lach van tevredenheid. Maar we ontkomen niet aan de tranen, zichtbaar of van binnen. Voor dat verdriet kunnen veel redenen zijn: ziekte en dood in onze omgeving, verlies en verstoorde relaties. Toch moeten we zeggen: waar tranen worden gedroogd, verschijnt ook vaak weer een lach. Ik bedoel daarmee te zeggen: als er ruimte en begrip is, ontstaat er weer moed en opgewektheid om verder te gaan. Lachen en geluk hebben niet alleen te maken met wat je aan vrolijke dingen overkomt, maar ook met hoe mensen je steunen. Als je elkaar er­kenning, ruimte en waardering geeft, ontstaat er een lach, ondanks moeilijke dingen. En om­gekeerd: huilen is niet steeds het gevolg van verdrietige dingen die voorvallen, maar tranen hebben ook vaak te maken met miskenning en elkaar geen kansen geven, elkaar niet zien staan. Momenten van opluchting kunnen dáár ontstaan, waar je je verhaal kunt doen, waar je gehoord wordt.

Het brengt ons bij de kern van het verhaal van vanmorgen. Alles draait om lachen en verdrie­tig zijn: om twee vrouwen die geluk ervaren, maar die ook veel pijn lijden. En wat vooral aangrijpend is: het blijkt zo moeilijk om sámen gelukkig te zijn, want het geluk van de ene is verbonden met de tranen van de ander. En God? Waar staat hij? God is niet de bewaker van het geluk. Maar wel kun je het als een gave van hem zien, als mensen het echte geluk vinden. God maakt dat ik kan la­chen, zegt Sara. En wat de tranen betreft – de kern van dit verhaal is: de Eeuwige heeft ge­hoord: Isjma-el, Ismael. De Eeuwige heeft de stem van mijn verdriet ge­hoord. In de grootste eenzaamheid, het hart van de woestijn, opende hij mijn ogen voor een bron van nieuw leven. De ongelooflijke ervaring van Hagar.

Laten we het verhaal nagaan van de twee vrouwen van Abraham: Sara en Hagar: een verhaal van lachen en huilen. Het huilen zal wel bij Sara begonnen zijn. Ze kreeg geen kinderen. Dat kan een groot verdriet zijn, toen - en ook voor wie dat onder ons meemaken. Steeds maar wachten, steeds meer hoop verliezen en het tenslotte opgeven. Gelukkig kun je ook zonder eigen kinderen veel betekenen voor de mensen om je heen, ook voor de volgende generatie. Maar in het oude Israel was er rond kinderloosheid nog een ander verdriet. Als vrouw had je de taak het voortbestaan van de stam te garanderen. En als je dat niet kon, werd dat zelfs op­gevat als een ingrijpen van God. De Eeuwige heeft haar schoot toegesloten, werd er dan ge­zegd. God zou zijn zegen aan je onthouden hebben, zo dacht men. Dat maakte het allemaal nog pijnlijker.

Sara zal van binnen gehuild hebben. Abraham zag uit naar een groot nageslacht: als de sterren aan de hemel en de zandkorrels aan de zee. En zij had niets te geven. In haar wanhoop raadt ze Abraham aan dan maar Hagar als tweede vrouw te nemen. Het kind van Hagar zal dan gel­den als Sara’s kind. Dit moet intussen geweldig pijnlijk zijn. Jezelf onwaardig en verdoemd te voelen en dan je man aansporen tot intimiteit met een ander. En wordt nog erger. Abraham neemt Hagar als tweede vrouw. Ze raakt zwanger en dan verlies ze elk respect voor haar meesteres Sara. Letterlijk staat er: Sara was onbetekenend (kalal - onbetekenend zijn) in haar ogen. Ha­gar heeft nu een superieure lach en Sara, zal opnieuw van binnen gehuild hebben. En dan ge­beurt er iets heel tragisch. Sara zegt tegen Abraham: ‘Jij bent hier verantwoordelijk voor! Ik heb je mijn slavin gegeven. Maar nu ze weet dat ze zwanger is, heeft ze helemaal geen respect meer voor mij.’ (Genesis 16:5). Abraham antwoordt: ‘Het is jouw slavin. Je moet zelf weten wat je met haar doet.’ Sara treitert Hagar dan weg. Nu is het Hagar die huilt van verdriet. Ze vlucht weg, de wildernis in. Dan verschijnt een bode van de Eeuwige aan haar. Hij troost haar en zegt haar dat ze een zoon zal krijgen: Ismael. Op de plaats waar zij toen was, staat een put die herinnert aan wat hier gebeurde. Lachai-roi heet die put: dat betekent: de put van de Levende die mij ziet. Een heel bijzondere naam: de put van de Levende die mij ziet. Waar het verdriet het diepst is, word je toch gezien.

Het verhaal gaat verder. Hagar gaat tenslotte terug naar Abraham en Sara en kiest ervoor zich bescheiden op te stellen. Ze krijgt een zoon: Ismael. Dan vindt er een wonderlijke wending plaats. Er wordt Sara toegezegd dat ze toch nog zwanger zal worden. Haar reactie is een schampere lach: dat kan niet; stel je voor Abraham en zij… op zo’n hoge leeftijd… Een jaar later krijgt ze toch een kind. Ze noemen hem Isaak. En Sara’s cynische lach is veranderd in een echte, gulle lach, een lach van geluk.

Maar opnieuw wordt de lach van de een het verdriet van de ander. Ismael speelt met zijn jon­gere halfbroertje Isaak. Daarbij ziet Sara een spottende lach bij hem. In het hebreeuws vindt hier weer een woordspel plaats met het werkwoord ‘lachen’. Sara zegt: Ismael mag later niet een deel van de erfenis krijgen met Isaak. Ze geeft Abraham de opdracht om hem samen met zijn moeder Hagar weg te sturen. Deze keer zijn er tranen bij Abraham: je kunt toch niet je tweede vrouw met haar zoon, die ook jouw zoon is, wegsturen? Toch gebeurt het.

Dan volgt er een aangrijpende scene. Hagar en Ismael verdwalen in de woestijn. Er is geen water meer. Hagar kan niets anders doen, dan Ismael neerleggen onder een stuikje. Zelf neemt ze afstand, want ze kan het niet aanzien, dat haar zoon daar dood ligt te gaan. Tranen van spijt, verdriet, angst, wanhoop. Bittere tranen. Maar dan lezen we: God hoorde het stemgeluid van de jongen. Ook hier een woordspel in het Hebreeuws. Jisjma-el, de Hebreeuwse naam voor Ismael, betekent namelijk letterlijk: God heeft gehoord. God heeft, eerder al, het verdriet van Hagar gehoord toen Sara haar wegstuurde. Nu hoort hij het kermen van de jongen. Dan opent God Hagars ogen en ze ziet een put. Beiden zijn gered. Uit Ismael zal later een groot volk voortkomen.



Wonderlijke verhalen over twee vrouwen en hun kinderen. Ze zijn een prachtige verwoording van het grote geluk, maar ook het intense verdriet dat wij allen doormaken. Ze laten ook zien hoe mensen elkaar het lachen ontnemen en tot tranen drijven. Maar boven alles uit is de Eeu­wige die – zoals Sara zegt - maakt dat wij kunnen lachen, maar die ons ook ziet we alleen nog kunnen roepen vanuit de leegte van het leven: een stuikje in de woestijn.

Vandaag is het oogstdienst in de kerk. We hebben het niet gehad over fruit, groente en graan. We mogen natuurlijk wel heel dankbaar zijn, dat dat hier allemaal is. En er is nog veel meer. We hoeven niet alleen letterlijk te kijken naar de oogst. Alles wat wij mensen ondernemen in werk, vrijwillige activiteiten, zorg voor onze kinderen, kleinkinderen of anderen – het levert iets op, het leidt ergens toe. Ook dat kun je zien als opbrengst, oogst. En ook daarin kun je dankbaar zijn voor elke glimlach. En in dat opzicht kan het verhaal van vanmorgen ons veel leren. Als het gaat om de diepste gevoelens van mensen, ligt er een taak voor ons. En mis­schien is het wel dit: met anderen de weg gaan van tranen van gemis naar een lach van geluk. En een kernwoord zou dan die naam kunnen zijn van de zoon van Hagar: Ismael, Jisjma-el, ‘God heeft gehoord’. Zoals God hoort, kunnen ook wij horen. Dat is een van de meest waarde­volle dingen die we kunnen doen: luisteren wat mensen doormaken, tranen de ruimte geven. En samen lachen. Dat God, die ons hoort, ons zal geleiden op die weg.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina