Gen. 5: 22: En Henoch wandelde met God…



Dovnload 77.14 Kb.
Datum16.08.2016
Grootte77.14 Kb.

Gij zult mijn getuigen zijn…


 

Gen. 5:22: En Henoch wandelde met God…


2 Kon 4:9: Zie nu, ik heb gemerkt dat deze man Gods heilig is….

Hand. 1:8: Maar gij zult ontvangen de kracht des Heiligen Geestes, die over u komen zal, en gij zult mijn getuigen zijn…

 

Ik wil deze avond inleiden door een citaat voor te lezen uit een zeer lezenswaardig boek van Archibald Alexander. Het boek heet: ‘Thougts on religious experience’ (gedachten over geestelijk ervaringen). Hij beschrijft in het boek een droom over de wederkomst van een zekere John Flatcher (1729-1785). Deze droom gaat als volgt:



 

Plotseling werd de hemel donker en de wolken pakten zich op een verschrikkelijke en majestueuze manier samen. Een stem als de donder en een bazuin die tot de ingewanden van de aarde doordrong klonk: ‘Sta op, gij doden, en kom uit uw graven!’ Onmiddellijk gaf de aarde en de zee haar doden en het universum was vol met levende mensen die met miljoenen tegelijk uit hun graven verschenen. Maar wat een verschil tussen deze mensen! Sommige vervuld van wanhoop probeerden zich tevergeefs in hun graven te verbergen en riepen: ‘Bergen valt op ons en heuvelen bedenk ons voor het aangezicht van de Heilige Rechter.’ Andere stegen met vleugelen als van een Seraf boven de aarde stegen waar hun strijd gestreden was en waar hun overwinningen waren uitgevochten. Sereniteit (d.i. rust of kalmte) straalde van hun gezichten, vreugde sprankelde in hun ogen en de waardigheid was op elke gelaatstrek te lezen. Mijn verbijstering en schrik werden echter nog verdubbeld toen ik mij zelf opmerkte tussen degenen die opgestaan waren temidden van deze ontelbare schare. Ik zag met verschrikte ogen de aardbol vergaan en de hemelen werden door de vlammen verteerd. De brandende elementen vergingen.

 

Maar wat voelde ik toen ik de Zoon des Mensen zag, Die op de wolken verscheen, in alle glans van Zijn heerlijkheid, gekroond met de klederen van genade en ook omgeven door de verschrikkingen van Zijn gerechtigheid. Tienduizenden en duizenden gingen voor Hem en miljoenen drukten zijn voetstappen. De gehele schepping zweeg. De goddelozen werden veroordeeld en verdoemd. Het vonnis werd uitgesproken. De wind voerde hen weg terwijl de aarde zich opende en een gapende kloof hen verslond en zich boven hen sloot. Op dat zelfde tijdstip zag ik Hem op de troon en Hij riep uit: ‘Komt in, gij gezegende des Vaders en beërft het koninkrijk dat voor u bereidt is van de grondlegging der wereld af.’ ‘Gelukkige kinderen van God’, riep ik uit, ‘u bent verhoogd met triomf te samen met uw Verlosser en mijn verblinde ogen zullen spoedig het gezicht van jullie verliezen in de glans van het licht dat jullie omgeeft. Ellendige die ik ben, wie kan de woorden vinden om de verschrikking van mijn situatie uit te drukken.’



 

Een strenge en verzengende blik van de Rechter, toen Hij verdween, stak door mijn hart. Mijn angst en verwarring waren zo extreem dat toen de hemelse Persoon vanuit de hemelse gewesten mij als volgt aansprak: ‘Gij luie dienstknecht, wat doet u hier? Wilt u voorwenden dat u de Zoon van God volgt, Die u slechts met uw lippen hebt gediend, terwijl uw hart verre van Hem was? Toon mij het zegel van uw verlossing en de waarheid van uw verlossing. Onderzoek uw hart en zie of u kunt vinden een ware liefde tot God en een levend geloof in Zijn Zoon. Vraag uw geweten: “Wat waren de motieven van mijn zogenaamde goede werken?” Was het niet trots en eigen liefde? Waren zij er niet de bron van? Ziet u niet dat meer de vrees voor de hel dan de vrees om God te bedroeven u weerhield van de zonde. Na die woorden zweeg Hij een ogenblik, terwijl Hij mij gadesloeg en op mijn antwoord scheen te wachten. Maar overtuiging en vrees sloten mijn mond. En dus vervolgde Hij Zijn betoog.

 

‘Weerhoudt niet langer de eer die God toekomt. Gods bevelen op aarde waren: ‘Bekeert u tot Hem met geheel uw hart en wordt een nieuw schepsel. Waakt en bidt!’ Dat was het bevel van de Zoon van God, maar i.p.v. dit te doen en uw zaligheid te werken met vrezen en beven, hebt u de slaap van de gerustheid geslapen. Maar op dit moment slaapt u niet in die toestand van traagheid en geestelijke dood. Het Woord van God en Zijn knechten spoorde u aan en de bewegingen van Zijn genade trachten u te verlossen. Maar dit alles kon u niet bewegen tot geloof. Nu, wordt de tijd door de eeuwigheid verzwolgen. Er is nu geen plaats van berouw meer… U hebt willens en wetens geweigerd de genade te verheerlijken in Christus Jezus. Ga dan weg, gij boze en luie dienstknecht! En verheerlijk God in Zijn gerechtigheid.’



 

Toen Hij die woorden gesproken had verdween Hij. Op datzelfde moment voerde de wind mij weg, opende de afgrond haar mond, van waaruit de vreselijkste kreten klonken. Een wervelwind van rook omgaf mij. De beroering van mijn geest in mijn lichaam wekte mij op. De verschrikking die door niets te evenaren is en waarvan zelfs de herinnering mij nog steeds doet huiveren.

O, hoe gelukkig voelde ik mij toen ik ontwaakte en bemerkte dat ik nog steeds in het heden der genade was en de dag der zaligheid. ‘O, mijn God’, zo riep ik, ‘geef dat deze droom mij voortdurend zal beïnvloeden in mijn gevoelens en in mijn gedrag. Mag het een krachtige stimulans blijken te zijn om me onophoudelijk voor te bereiden op de komst van mijn grote Meester.’

 

Listige pijlen van satan

Misschien is het wel zo, dat de duivel gezegd heeft tegen zijn demonen: ‘Ga vanavond mee en ga kijken wat daar in Langbroek gebeurd. Want op zich is het helemaal niet erg dat daar mensen komen luisteren naar het Woord van de Allerhoogste. En het is op zich ook niet erg als de mensen het mooi vinden of dat ze er door getroffen worden. En het is ook nog niet zo gevaarlijk als ze er door ontroerd worden.

Máár….als ze zouden gaan beloven om die God te zoeken. Of nog sterker: als ze zich met een hartelijk voornemen zouden voornemen om die God te zoeken, dan, ja pas dan op! En probeer dan alle wapens in stelling te brengen, om hun gedachten af te leiden. Om allerlei dingen in hun gedachten te brengen waardoor hun aandacht afgetrokken wordt van God en van Zijn Woord. Want als ze echt onder de indruk komen van de eeuwigheid. Als ze nu eens echt gaan zien hoe gewillig Christus is om hun ziel te verlossen. Dan…ja dan is het heel gevaarlijk. Want dan zijn ze bij wijze van spreken vlak bij die overgave aan Immanuël. En als ze zich aan Hem overgeven, dan is het voor ons duivelse demonen verloren. Dan hebben wij een prooi minder voor in de hel. Want dan zullen ze Hem verheerlijken. Dan zullen zij drinken van Zijn bloed. En je weet het, demonen, het bloed van Christus, reinigt van alle zonden (1 Joh. 1:7b). Dus, wees op je hoede en kijk, onderzoek en speur naar mensen die echt getroffen worden.’

 

Nee, niet die eventjes getroffen worden. De duivel is niet bang voor mensen die zeggen: ‘Het was een indrukwekkende avond. Het waren indringende woorden en het zet me echt tot nadenken.’ En morgen(middag) is alles weer over. Ja, u weet het dan nog wel. En misschien weet u ook nog wel dat u toen onder de indruk was, maar daar bleef het bij…



 

De duivel is bang voor geloof dat vruchten voorbrengt

De duivel stuurde van die vogels die het zaad wegpikten. Want hij weet ook wel, dat als dat zaad wortel gaat schieten en als de distels het niet lukt om het zaad te verstikken, dat het dan zal opgroeien. En als het niet op een rotsachtige grond gelegen is, maar als het daar in de goede aarde terechtkomt, dat het dan ook vruchten voortbrengt. En daar is de duivel bang voor!

Geloof me, de duivel is voor geen ander geloof bang dan alleen voor het geloof dat vruchten voortbrengt.

De duivel is niet bang voor mensen die getuigen: ‘Jezus is mijn Heiland’, terwijl er niets van waar is. De duivel is ook niet bang voor mensen die zeggen: ‘Ja, maar je kunt zomaar niet zeggen: ‘Jezus is mijn Heiland, want dan moet er een groot wonder in je ziel gebeuren’. (Daar kijkt de duivel niet van op, want dat weet hij ook wel…) En de duivel is ook niet onder de indruk van mensen die elkaar proberen te overtroeven met hun bevindingen.

 

Weet je waar de duivel bang voor is? Voor iemand die zijn binnenkamer invlucht en die als 16-jarige denkt: ‘Heere, ik heb mijn ganse ziel zo bevlekt en bemodderd, dat ik niet kan geloven dat U mij nog zalig kunt maken. Maar toch…Heere, als U alle zonden kunt vergeven en als het waar is, dat het bloed van Jezus Christus reinigt van ALLE zonden, Heere dan smeek ik tot U. Was mijn ziel wit, doe het Heere! Ik kan niet geloven dat U het doet, want ik ben het niet waard, maar ik kan U niet missen, Heere. Ik kan mezelf niet bekeren, maar daarom bid ik tot U. Wilt U het doen, Heere?’



Dat zet, om het zo te zeggen, de duivelse demonen in beweging. Als hij iemand ziet die God aanspreekt op Zijn Woord. Hij vindt het alleen maar fijn als mensen zeggen: ‘Nou, ik hou niet van die pleiters.’ De duivel denkt: ‘Als ze God, maar niet heilig lastig vallen met Zijn eigen Woord. Bijvoorbeeld zoals Jakob ‘Ik laat U niet gaan, tenzij dan dat Gij mij zegent’ Ja, want dat is het bidden dat de hel verovert. Zijn hier zulke mensen in ons midden?

Hoe moet ik getuigen zijn?

We hebben gelezen in Hand 1:8 ‘En gij zult mijn getuigen zijn’. Maar wat ging daaraan vooraf? ‘Maar gij zult ontvangen de kracht van de Heilige Geest en Die zal over u komen’ Die zult u niet uit de hemel trekken. Die komt niet in u, als u zegt: ‘Zo, ik neem Jezus aan’. Nee, ‘Die zal over u komen’. Als u knielt voor Christus. Als dat gebeurt, dan hoef ik eigenlijk helemaal geen lezing meer te houden over: ‘Gij zult mijn getuigen zijn’. Wat zal ik dan nog vertellen over getuigen zijn? Wat moet ik daar nog over zeggen, als God met Zijn Heilige Geest je hart vervult. Dan hoef je toch niet meer na te denken over de vraag: ‘Hoe zal ik getuigen?’

Moet je daar een cursus voor gaan volgen? Dacht je dat Elisa een cursus: ‘Hoe zal ik heiligheid uitstralen?’ gevolgd had? Nee, natuurlijk niet! Die man was heilig. Die leefde uit God in Christus. Daar deed beroep op. Dat was een man die dat worstelen met God kende.

 

Ja, maar…

Ik hoor al iemand zeggen: ‘Ja, daar heb je het nu hè, dat worstelen met God. Dat wordt in ons niet gevonden. Dat doet de mens niet uit zichzelf.’

Nee, zo is het’, zegt de duivel, ‘dat doet de mens niet uit zichzelf. Blijf nog maar lekker zitten zo. Blijf dat nou maar vooral denken. Als je maar niet gaat inzien dat Christus gewillig is om dode zondaren levend te maken.’ (Dode zondaren en niet half levende!)

‘Ja, maar’, zegt u, ‘dat is het nu juist, ik voel me zo’n dode zondaar.’ Ja, en wat dan?

‘Dan is er voor jou geen redding’, zal de duivel antwoorden. ‘want je moet eerst waar berouw hebben.’ En wat klinkt dat goed. Wat klinkt dat bevindelijk. Wat klinkt dat zuiver. ‘Je moet eerst een èchte verbrokenheid hebben, want misschien heb je wel een wettische verbrokenheid en je moet een evangelische verbrokenheid hebben. Je moet eerst Gods recht gezien hebben. Je moet eerst dit… en je moet eerst dat….’

En ik weet het ook wel in alles zit een kern van waarheid, maar weet je wat de duivel nu doet? Die gaat met (delen van) de waarheid zo aan de haal, dat die mensen het gezicht beneemt op Christus.

Maar weet je wat ik niets liever doet? Christus zo uitstallen, dat mensen die doder dan dood zeggen: ‘Nochtans krijg ik hoop, dat ik harde, koude zondaar bij die Christus welkom ben.’

 

Volhardend begeren

Hoe kwam Elisa eigenlijk aan die voortreffelijk geest? Hij ging met Elia op pad. Elia zei tot drie keer toe: ‘Blijf nu hier, Elisa. Ik moet opgenomen worden.’

Zei Elisa toen: ‘Nou, ja goed, daar heb ik begrip voor. Als u dat dan liever hebt, gaat u dan maar alleen verder.’ Zei Elisa dat?

Nee, het was een man Gods. Hij zei: ‘Zo waarachtig als de Heere leeft, ik zál u níét verlaten.’ Dit gebeurde tot drie keer toe. Elia zag a.h.w. wel in dat hij Elisa niet van zich af kon schudden. Hij zag dat het bij Elisa echt was. En toen mocht Elisa horen: ‘Elisa, zeg het maar, begeer wat ik u doen zal.’

Dat is wat…Dat is een heerlijkheid. Dat zou toch eens een afgezant van Christus tegen u zeggen. ‘Begeer wat ik u doen zal.’ Wat zou u zeggen? Elisa zei: ‘Dat toch twee delen van uw geest op mij zijn.’ Dat was nog eens een begeerte, want zelfs Elia moest zeggen: ‘Gij hebt een harde zaak begeerd.’ Maar hij kreeg het! Kreeg hij het om het volharden? Nee, maar omdat God gebeden wil zijn.

‘Ja, maar’, zegt u, ‘ik ben zo bang dat het dan door een soort werkheiligheid komt. En dat je de mensen gaat aanpraten dat ze maar genoeg moeten bidden om het te ontvangen.’

 

Wat moet ik dan zeggen? Moet ik zeggen dat God een soort Allah is. Dat je kunt bidden en smeken wat je wilt, maar dat je het nooit kunt weten. Is God zo? Wat een verderfelijke leugen! God is een God van Zijn Wóórd. En die Hem aanspreekt op Zijn Woord, die zal ondervinden wie Hij is. De duivel vindt het wel goed, dat we denken dat je kunt bidden, smeken en pleiten wat je wilt, maar dat je het toch nooit zeker kunt weten.



‘Misschien houdt God Zijn Woord aan mij niet, want ik ben het zo onwaardig.’

Meent u dat echt of niet? U kunt wel duur doen. U kunt wel zwaar en vroom doen, maar het gaat om de waarheid. Voel je het ècht dat je het niet waard bent? Waarom ben je het dan niet waard?

 

‘Nou, we zijn allemaal van één lap gescheurd’, zegt u. Ook dat klinkt weer zo geweldig, maar vóél je dat ook? Voel je dat je hart (zeg het maar eerlijk tegen God) alleen maar hongert en dorst naar de zonde? Zeg het maar eerlijk? Is het zo dat vele van u moeten zeggen: ‘Ja, nu zit ik hier wel zo mooi, zo deftig, maar weet je, dat op weg hier naar toe in mij zulke vuile, goddeloze gedachten opkwamen, dat ik ze hier tegen niemand zou durven zeggen. Maar God heeft ze gezien. Ik riep uit: ‘Heere, er zit niet veel, maar alléén maar zonde en ongerechtigheid in mij. Is het zo?



Ga dan rechtstreeks tot Christus! En zeg: ‘Heere, hier ben ik. Ik kan U niets anders geven, dan enkel zonde, maar als het waar is (en het is waar!) dat U een Zaligmaker bent van verlorenen (en dus niet van halfverlorenen of bijna geredden), dan bied ik mezelf U aan. Red mij Heere!’

 

Ben ik wel uitverkoren?

Zou aHijHij Hij zulke mensen redden? ‘Ja’, zegt u, ‘als hij verkoren is, dan wel.’ O, o, o zie je dat de duivel zelfs het Woord Gods ter hand neemt om mensen het zicht op Christus te ontnemen. Want wat staat er nu in Gods Woord?

Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat iedere uitverkorene….? Nee! Opdat een ieder die in Hem gelooft! ‘Ja, maar’, zegt u, ‘degene die echt geloven, dat zijn de uitverkorenen.’

 

Goed, daar doe ik ook niets van af! Wees maar niet bang, want als er geen uitverkiezing was, bleef de hemel leeg. Zeker waar! Als God niet trok, kwam er niemand in de hemel. Maar even hard waar is, dat een ieder die gelooft in Christus, een ieder die ondanks (of misschien wel dankzij) al zijn zonde zich vasthecht aan Christus en die zegt: ‘Heere, ik vuile zondaar, ik kan U niet meer missen’, die zal vergeving ontvangen. ZAL!



‘Ja, maar’, zeggen de mensen, ‘u bent zo iemand die het wonder er uit wilt halen.’ Als u dat wilt doen, dan moet u dat maar doen, maar ik doe het niet! En ik wil het ook niet! En God doet het ook niet.

 

Nochtans!

Ik las pas in Ezechiël 16 en toen riep ik voor mezelf uit: ‘Heere, nu heb ik nog nooit in het Oude Testament (misschien op Jeremia 3 na) een hoofdstuk gelezen waarin U op zo’n weergaloze, indrukwekkende en ontroerende manier Israëls zonden, ontrouw en afval beschrijft en nochtans zegt: ‘IK ZAL UW OVERTREDINGEN WEGDOEN.’

Als u uzelf daar nog boven kunt verheffen of als u uzelf beter voelt dan de mensen die daar (of in Jer. 3) beschreven worden, ja dan heeft u niets aan Christus. Inderdaad, dan hebt u gelijk.



En dan heeft u inderdaad ook geen verlangen om van Hem getuigen. Alhoewel, misschien toch, bijvoorbeeld om van de mensen gezien te worden. ‘Al hun werken doen zij om van de mensen gezien te worden. Wee u, gij geveinsden.’

 

Van de mensen gezien te worden. Door je getuigen, door je spreken, door vroom te praten over Christus en de bekering, zodat de mensen om u heen denken: ‘Nou, die kan er heel wat van, waarschijnlijk, of in ieder geval zal hij er niet helemaal vreemd aan zijn. En zo gloei je van trots, want je gaat zo graag door als een bekeerde man of vrouw. Maar wat zegt God? ‘Al wat hoog is voor de mensen, is een gruwel voor Mij’ Een gruwel! Wat wilt u Christus dan geven?

 

Hij is vol van genade

Wilt u zalig worden? ‘Och, ja’, zegt u, ‘met mijn ganse hart zal ik willen weten dat ik bij Hem mocht aankloppen’. Als ik eens hoorde dat Hij tegen mij riep: ‘Jij, kom jij tot Mij.’ Als ik eens wist dat Hij, de eeuwige, almachtige en heilige God, gewillig was om mij op te vangen in Zijn doorboorde, bloedige handen. Als ik dat wist, dan zal ik vluchten tot Hem!

En waarom doet u dat nu niet?

‘Omdat ik twijfel of Christus wel gewillig is om mij te ontvangen. Misschien zal Hij zeggen: ‘Nee, zondaar u bent te vuil voor Mijn handen, u mag zich niet begeven in Mijn doorboorde handen.’

Maar wat leert ons het Woord? Johannes zegt: ‘We hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van een Eniggeborene van de Vader, vol van genade en waarheid. Hij is vol van genade. Als Hij dan vol is van genade en waarheid, dan betekent het dat Hij het meent als Hij nodigt.

Hij is anders dan wij, want wij denken vaak: ‘Nu moeten wij hem ook maar eens een keer uitnodigen, want we zijn nu al een paar keer bij hem op de koffie geweest.’ En zeggen we dan: ‘Als je zin hebt dan kom je maar eens langs, hoor.’ Maar diep in je hart hoop je het dat hij het niet doet. Zo zijn wij. Huichelachtig, hè?

Maar als God zegt: ‘O, alle gij dorstigen, kom tot Mij of die tot Mij komt, zal ik geenszins uitwerpen’, dan is het niet zo dat Hij a.h.w. met eerbied gesproken zegt of denkt: ‘Maar, Ik hoop niet dat die of die komt, want die is te vuil, te gemeen of te laag…’ Nee, nee! Als die Vader in de gelijkenis van verloren zoon staat Hij met eerbied gesproken op de uitkijk om te zien welke verloren zonen of verloren dochteren het niet langer buiten Hem kunnen houden.

 

Het Woord alleen is genoeg

John Flatcher kreeg voor zijn bekering die droom en voelde hierdoor wie God was. De droom stond als een onuitwisbare indruk in zijn hart gegrift. Nu moet je niet bidden of je ook een droom krijgt, omdat je het anders niet gelooft. Als je iets meer wilt hebben dan het Woord, dan ben je een afgodendienaar. Wil je nog meer dan het Woord?

‘Ja’, zegt u, ‘weet je wat ik wil. Ik wil dat één bepaald bijbelvers met zoveel kracht in mijn hart komt, dat ik a.h.w. een stem hoor (want zo is het bij mijn oma ook gegaan) en dat ik dan kan zeggen: ‘Ja, dit is de waarheid’. Zo zal ik het willen.’

 

Een afgodendienaar ben je! ‘Wat? Ik een afgodendienaar? Ik wens bekeerd te worden?’ Ja, maar wel op uw manier! U schrijft God de wet voor hoe Hij u moet bekeren. Petrus zegt: ‘Wij hebben het profetisch woord, dat zeer vast is.’ Wat wilt u meer dan het Woord?

‘Ja, maar’, zegt u, ‘weet je waar ik zo bang voor ben, zo krijg je van die verstandsgelovigen’. O, bent u daar zo bang voor? Dan zult u wel hard evangeliseren! Of niet?

Want, ja dan gaat u natuurlijk alle mensen waarschuwen die met een verstandsgeloof op de loop gaan.

 

Bent u zo bewogen dan? ‘Ja, want het gaat om de eeuwigheid’, zegt u. Bent u echt bewogen? Zou ik dan mogen vragen waaruit dat dan blijkt? Bent u ’s zondags na de preek wel eens echt bewogen?



‘Ja’, zegt u ‘ik mag wel eens vertellen wat God aan mijn ziel doet.’

Dat kan ook wel eens hoogmoed zijn.

 

Bewogen met uw naaste

Bent u echt bewogen? Zelfs Jona, een kind van God, was niet bewogen en ging precies de andere kant op dan God wilde.

Velen denken: ‘Heere, U hebt mijn lieflijk omhelsd en U hebt al mijn zonden achter Uw rug geworpen. En nu zal ik heel de wereld inroepen hoe groot U bent voor zo’n duivels kind, als ik ben.’ Dat dacht je toch toen die liefde van God in je hart kwam? Toen u Christus zag dacht je toch: ‘Nu zal ik a.h.w. de hele wereld afreizen om van U te vertellen’? Maar hoe is het nu?

‘Ja’, zeg je, ‘soms kan ik niet meer geloven dat ik echt bekeerd ben geworden. Soms is mijn hart zo koud en onbewogen dat ik denk dat het bij mij nooit echt is geweest.’ Weet je waarom dit gebeurt? God laat je dan stoten op de rotsen van je eigen oude mens. Zodat je uitroept: ‘Ik ellendig mens!’

Is dat het doel? Nee, maar God laat u uw oude mens zien, zodat het het middel is waar doorheen je nog vaster en hechter Christus zult omhelzen. Zodat je de nieuwe Adam a.h.w. met al je krachten die in je zijn zult omklemmen en omhelzen.

 

Hoe langer je met Christus leeft en net als Henoch wandelt met God, hoe meer je zult zien dat je wandelt met de duivel. Zo doet God het.



‘Ja, maar, Heere zitten er zulke afgronden van goddeloosheid in me?’

‘Ja’, zegt de Heere, ‘en Ik laat het allemaal stukje voor stukje zien. Ik zal je in de binnenkamers brengen. En Ik zal nog dieper graven, zodat je nog meer hoogmoed, huichelarij, onreinheid en leugenachtigheid tegenkomt. En Ik laat dat allemaal zien zodat u leert hoe volmaakt Christus bij u past.

- Uw leugenachtigheid en Zijn oprechtheid.

- Uw reinheid en Zijn reinheid.

- Uw onbewogenheid en Zijn bewogenheid.

Zo leer je zien hoe volmaakt Christus bij een verlorenen past.

 

Dat zie je niet alleen in het begin, hoor? Die mensen heb je ook en dat is een valstrik! Men zegt dan: ‘Ik heb Jezus op Golgotha aangenomen en nu ga ik met de Heilige Geest de handen uit de mouwen steken en aan de slag.’



Dat is een grote vergissing en dat wordt een frustratie. Ik hoop dat je gauw struikelt en gaat afvragen en uitroepen: ‘Heere, is er wel ooit een lichtstraaltje van Uw Heilige Geest in mij gekomen.’ En ik hoop dat je weer onmiddellijk terugspoedt naar Golgotha en dat je daar blijft. Dat je daar blijft en dat je daar altijd blijft om vanuit Golgotha uit te zien naar de werking van de Heilige Geest.

 

Het werk van de Heilige Geest

En wat doet die Heilige Geest dan? Die gaat Christus verheerlijken! Het is een dwaling om te denken dat de Heilige Geest na de bekering in het middelpunt komt. Het wonderlijke werk van de Heilige Geest is dat Hij Christus in het middelpunt wilt hebben. Ook daarin is Hij een voorbeeld voor Gods kinderen. Hij duwt Zichzelf a.h.w. weg en Hij stuwt Christus vooruit. De Heilige Geest ziet niets liever dan dat een christen steeds maar weer rondom Christus cirkelt, zoals de maan om de aarde cirkelt. Om zo altijd daar te blijven, starend op Christus’ doorboorde handen. Altijd maar weer zuchtend: ‘Ja Heere, die doorboorde handen en dat bloed kostte mijn redding. Zo’n groot God-Mens was nodig om dit mens te verlossen.’

 

De Heilige Geest geeft ook een verlangen om te getuigen. Soms probeert u het zelf, hè? Dan probeert u uzelf te verkwikken en zelf te getuigen, maar dan lukt het helemaal niet.



Dan denkt u bijvoorbeeld op maandagmorgen: ‘Nu heb ik gisteren zo’n mooie preek gehoord, daar ga ik wat van vertellen op mijn werk. Als al die andere collega’s weer beginnen te braken over dat voetballen of andere smerige praat, dan zal ik eens gaan vertellen wat ik heb meegemaakt in de kerk.’’

Je had zo’n goed plan en je was er zovol van en je bad zelfs nog: ‘Heere, wilt U mij helpen (maar je bedoelde eigenlijk: ‘Heere wilt U mij helpen om het zelf te doen).’ En wat gebeurde die dag op het werk? Het ging niet! Het lukte helemaal niet.

En op een andere keer toen je dacht: ‘Heere, ik kan het niet en ik durf het ook niet!’ En ziet daar! Je had het niet gedacht, voorbereidt of gepland, maar Christus vervulde met Zijn Heilige Geest je hart en je sprak heel vrijmoedig over Hem…

 

Hoe staat het met de gezinnen?

Dat kan overigens ook niet anders. Probeer maar eens een kaars aan te steken en zeg maar eens tegen die kaars: ‘Geef geen licht!’ Dan kunt u brullen en schreeuwen, maar als u een kaars aansteekt dan geeft hij licht. Zo is het ook met een christen. Als een mens tot bekering komt, dan geeft hij licht. Dat kan niet anders.

Hij/ zij zal altijd een voorbeeld zijn. Trouwens ieder mens is een voorbeeld. Alle vaders zijn een voorbeeld voor hun kinderen. Wat wilt u vaders dat de kinderen op uw sterfbed zeggen? Moeten ze straks zeggen: ‘Papa, u had altijd zoveel te vertellen over God, de kerk en Zijn liefde, maar ik heb het nooit aan u gezien.’

‘Mama, u sleepte mij a.h.w. naar de kerk, want het móést zij u, maar ik heb nooit aan u gevoeld dat u echt bewogen was. Als ik naar de disco wilde had u gelijk een Bijbeltekst…’

 

Vaders en moeders (en ik heb het ook tegen mezelf) hoe wilt u dat uw kinderen denken als ze later langs uw graf lopen? O, dat ze zouden moeten zeggen: ‘Papa, ik heb altijd zo gescholden op uw geloof, maar ik kan niet zeggen dat u geen kind van God was. Als ik aan u denk, dan veroordeelt het mij, want daar was liefde en gunning in uw hart. O, u kon wel eens boos en vertoornd wezen over dat wat ik wilde, maar ik voelde liefde bij u.



 

Laat het zo zijn als bij die vrouw die tegen haar man over Elisa sprak. Ze zei: Man, ik heb gemerkt, dat die man die altoos bij ons doortrekt, heilig is.

‘Ja, maar’, zegt u, ‘dat kwam ook omdat hij een profeet was. Dat kwam omdat hij zoveel vertelde over God.’

Vast en zeker, maar buiten dat merkte ze het aan hem. Niet alleen aan zijn mond, maar ook aan zijn handen. Ze merkte het aan dat wat die deed en waar hij heenging. Hij straalde het uit (om het zo maar te zeggen)! Dat is getuigen!

 

Wat is getuige zijn?

Wat is eigenlijk getuigen? Als je de concordantie erbij pakt en je kijkt bij het woord ‘getuige’ of ‘getuigen’, dan zie je hele rijen teksten staan. Bijvoorbeeld: ‘De hemelen zijn getuigen’ of ‘God is mijn getuigen’ (Job) of ‘in de mond van twee of drie getuigen’.



Dit betekent eigenlijk dat die getuigen a.h.w. helpen om te zeggen dat het waar is wat gezegd wordt. Getuigen is dus niet zo zeer vertellen hoe het met jezelf gaat of wat God aan jou heeft gedaan. Het gevaar is dan dat jezelf weer in het middelpunt komt. Getuigen is zeggen dat God waar is! Hem verhogen. Het gaat niet over uw weg, maar over Gods weg. In de preek moet het ook niet gaan over de bekeringsweg, maar over de Weg, de Waarheid en het Leven. En ik weet ook wel dat er heel veel onderwijs in kan zitten om te vertellen hoe God vanuit het Woord gehandeld heeft met Zijn kinderen. Zeker! Maar o wee als de aandacht van Christus wordt afgeleidt en als de christen in het middelpunt komt.

Moeilijkheden van getuigen zijn

‘Ja, maar’, zegt u, ‘ik vind het toch zo moeilijk om te getuigen, want u moest eens weten wat er allemaal in ons eigen gezin afspeelt. U moest eens weten hoe moeilijk het is bij ons op school of bij mijn collega’s. Ik durf mijn mond eigenlijk niet open te doen. Het is zo moeilijk!’

 

Ik was pas rondom Pasen bij een benzinepomp. De pompbediende zei nadat ik afgerekend had: ‘Kijk eens meneer, het bonnetje, wat zegeltjes en alstublieft een cadeautje.’



‘Hè, wat zal het zijn?’, dacht ik bij mezelf. Het bleek een paaseitje te zijn. Toen dacht ik bij mezelf: ‘Dat is nu ook wat, moet ik dan nu aannemen?’ Ik wil niet overdreven doen, maar op dat moment was het voor me: ‘Nee, Pasen is geen chocolade. Pasen is voor mij dat Christus de dood heeft overwonnen!

Maar, tjonge jonge, voordat dat eruit is, hè? Mensen wat is dat moeilijk. Terwijl die man je niets doet. Je hoeft maar heel eenvoudig te zeggen: ‘Nee, meneer, dank u. Pasen is voor mij dat Christus de dood heeft overwonnen.’

Het is zo eenvoudig, maar wat moeilijk hè? Waarom? ‘Nou, dan denkt die meneer: ‘Tjonge wat een gek zeg…’ Vind je dat moeilijk?

 

Vervolgde christenen ons tot voorbeeld

Laten we in onze gedachten eens naar de vervolgde kerk gaan. Daar was eens een samenkomst. En er waren allemaal christenen bij elkaar. Nou ja, op het eerste gezicht leken het allemaal christenen. Er waren dus kerkmensen bij elkaar en sommigen daarvan waren christenen. Dat is beter gezegd. En toen kwam plotseling de communistische geheime dienst, bewapend met geweren, binnen. En die zeiden: ‘Zo, geef die bijbel eens even van de kansel. Geef die bijbel.’ En de voorganger uit die kerk gaf de bijbel. Toen legden ze die open bijbel op de drempel van de buitendeur van de kerk. En toen zeiden ze: ‘Iedereen die over die bijbel heenloopt en er op spuugt, die gaat vrijuit; die mag zo naar buiten. Maar als je er niet overheen loopt en je spuugt er niet op, dan schieten we je dood. Dan ben je gelijk in de hemel, want dat willen jullie toch?’ Vreselijk hé?

En toen gebeurde het. Er kwam iemand aanlopen. En die dacht bij zichzelf: ‘Tsja, ik heb een gezin. Dat kan God toch niet zo bedoelen. (hij zat in een vreselijke tweestrijd) Ja, ik loop er toch maar overheen. God weet wel dat ik het ten diepste niet meen.’ En hij is er zo overheen gelopen en heeft er op gespuugd. En hij heeft misschien wel gebeden terwijl die spuugde: ‘Heere, vergeef het me.’

En een ander die deed net of die spuugde. Nou, die mocht er ook over. Die mocht ook vrijuit. En op een gegeven moment kwam er een meisje van achttien jaar. Ze kwam bij de bijbel en ze knielde voor de bijbel neer. Ze pakte haar zakdoek uit haar rok en ze wiste al het speeksel af van de bijbel en ze zei: ‘O Heere, zou ik op dit Woord spugen? Zou ik Uw bloed onrein achten? Nooit. Want Gij zijt voor Mij gekomen Heere Jezus. Ik loof U. Halleluja.’ En op dat zelfde moment werd ze dodelijk getroffen door een kogel. En zo werd ze in de eeuwige heerlijkheid opgenomen. Maar het heeft haar wel haar leven gekost. Ze heeft betaald met haar bloed.

 

Willen wij dat ook? (Ik zeg altijd aan het begin van iedere lezing dat ik het op z’n minst net zo hard tegen mezelf heb als tegen u) Willen we dat echt? Weet u wat ik eens hoorde van iemand die een spreekbuis was van de verdrukte kerk? Hij zei: ‘Ik heb verteld tegen de vervolgde christenen achter het ijzeren gordijn dat jullie christenen uit het Westen voor hen bidden.’ Nou dat vonden ze heel fijn, maar weet je wat ze ook terug hadden gezegd? ‘We vinden het heel fijn dat jullie voor ons bidden, maar zeg tegen die christenen in het Westen dat wij ook voor hen bidden. We bidden dat ze staande mogen blijven temidden van alle weelde en luxe.’



Die mensen wisten het wel. Zij hadden natuurlijk in de gevangenis gevoeld hoe goed het was om verdrukt te worden. Ze hadden Christus in de gevangenis nog meer nodig gehad.

Ze hebben in de gevangenis iets van de hemel op aarde gesmaakt. Ze ervaarden dat de christenen in het Westen zo weinig verdrukking hadden en daarom dachten ze: ‘Als ze maar staande blijven, want ze hebben misschien nog maar zo weinig van Christus gezien.’ ‘Ik sloeg, eer ik werd verdrukt, het dwaalspoor in.’ Of: ‘Heere het is goed voor mij verdrukt te zijn geweest.’

 

Met Jozef in de gevangenis

En wat denk je dat Jozef gevoeld heeft? Jozef wilde ook zo graag getuigen, maar kwam uiteindelijk wel in de gevangenis terecht. Onschuldig. Wat zal de duivel, die slang uit het paradijs, in zijn hart gesist hebben? Wat zal de duivel tegen Jozef gezegd hebben toen hij in de gevangenis op zijn knieën ging? ‘Jozef, ga je nou nog door met bidden? Kijk eens naar de dank van jouw God voor je getrouwheid. Is dat nou je God? Wat is Hij machtig zeg...’

Jozef begreep er natuurlijk niets van met zijn verstand. Hij kon met zijn verstand niet begrijpen wat God hiermee voor kon hebben, maar in zijn hart zei hij met Job: ‘En ik weet, mijn Verlosser leeft. Al kan ik het met mijn verstand niet begrijpen, ik zal toch op Hem bouwen. Hij heeft mij nog nooit teleurgesteld.’ En wat was het gevolg? ‘En Jozef was dertig jaar toen hij voor het aangezicht van de Farao stond.’ Hij had prachtige dromen, maar kwam uiteindelijk door de gevangenis heen bij de Farao terecht.

 

Misschien zit er hier ook wel iemand in de gevangenis. Misschien zijn er hier ook wel mensen die zeggen: ‘Ik wil God zo graag dienen, maar alles loopt tegen. Ik begrijp er niets meer van. Ik krijg verdrukking op verdrukking en teleurstelling op teleurstelling. Ik schreeuw één groot vraagteken omhoog. Ik zeg met Job: ‘Heere, ik schreeuw geweld.’, maar er is geen antwoord. Wat moet ik doen?’ Dan zegt de duivel: ‘Weet je wat je nu moet doen? Dan moet je zeggen: ‘Het zal waarschijnlijk niet in Gods raad liggen om mij te geven wat ik smeek.’ Stop maar met bidden.’ Maar wat zegt Christus door Jacob heen? ‘Heere, ik laat u niet gaan, tenzij dat Gij mij zegent.’ En dit heeft God zo graag, hé. Dat we Hem ‘dwingen’ en zeggen: ‘Heere, ik weet, ik ben het niet waard. En ik heb Uw genade weer verzondigd (ook na ontvangen genade) en toch kan ik u niet missen, Heere. Want ik weet niet waar ik anders heen moet.’

 

Geen godsdienst in de ganse kosmos zegt dat er een God naar beneden is gekomen om voor de zonden te sterven. Al die andere goden zeggen: ‘Doe je best en werk jezelf omhoog en misschien bereik je zo de laatste sport van de ladder wel’, maar onze God zegt: ‘Ik kom naar benden. Ik verlaat de hemelse heerlijkheid en Ik zal die zondaren zelf omhoog trekken. Ik zal ze redden.’



En zo mogen wij het uitroepen: ‘Heere, tot Wien zullen wij anders heengaan? Gij hebt de woorden van het eeuwige leven.’

 

Schaamte om te getuigen

En gij zult Mijn getuigen zijn’ betekent niet dat je het zelf volbrengen moet. Gij zult is een belofte. Het zál gebeuren net zoals een kaars licht gaat verspreiden als u hem aansteekt.

En toch is het zo ontzettend moeilijk, hé? Wat moeten we dan doen? Laten we allereerst alle valse schaamte voor de Heere belijden.

Overigens kan het ook zo zijn dat u zich zo schaamt, omdat u verachterd bent in de genade. In die eerste tijd, net na uw bekering, dacht u er niet eens over na wat ze er van zouden vinden. Uw hart was er vol van dat het vanzelf ging. Maar op een gegeven moment bent u slordig geworden in het bidden, traag in het waken en onoplettend in het lezen.

 

En als je dan gelezen hebt en het doet je niets zeg dan: ‘Heere, nu heb ik een hoofdstuk gelezen, maar het doet geen kracht. Ik kan de Bijbel nog niet lezen omdat U nog niet gesproken heeft (Ja, God heeft wel gesproken, maar mijn hart zit zo dicht). Maar Heere, ik wil Uw stem verstaan. Spreek Heere, Uw knecht hoort.’



Je behoort er geen genoegen mee te nemen als je dag in dag uit bezig bent zonder dat je hart vervuld is met God. Het gaat erom dat u heel teer leeft met God, zoals Henoch.

En dan moeten we niet zo gaan praten: ‘Ik heb vorig jaar wel eens iets mogen smaken.’ Als dat zo is bij u dan is het niet zo best.

Ja’, zegt u, ‘maar er staat toch: ‘Het volk van God heeft het maar een weinig tijds bezeten.’ Dat staat er inderdaad, maar als u zulke teksten maar niet gaat gebruiken om de genade van God te verdonkeren. Want er staat immers in het Woord: ‘Doch God is machtig alle genade in u overvloedig te doen zijn.’ Daar mogen we God toch op aanspreken? Zeg maar tegen de Heere: ‘Heere, zie hier lees ik het. U bent machtig om alle genade overvloedig te doen zijn.’ U bent machtig om mij de genade van de vrijmoedigheid, de genade van het getuigen, maar ook de genadegave van het zelfverloochenen te geven.

 

De mensen staan hier niet voor in de rij, maar de gave van zelfverloochening is ook een grote genadegave van de Heere God. Wij hebben liever de gave waardoor we vooraan komen te staan, waardoor we belangrijk worden, maar vraag vooral aan de Heere om de gave van zelfverloochening. Dat het oude-ik gedood mag worden, steeds weer opnieuw.



 

De oude mens

Paulus zegt niet: ‘Geef die oude mens af en toe maar een tik.’ Nee, hij zegt: ‘Doodt dan uw leden die op de aarde zijn.’ De Hebreeënbriefschrijver zegt niet: ‘Strijdt best eens een beetje tegen de zonde.’ Nee, hij zegt: ‘Jullie hebben volgens mij nog niet geleerd om ten bloede toe tegen te staan, strijdende tegen de zonde.’

Is dat een nieuwe wet waardoor de mensen toch weer in een soort kramp terechtkomen? Nee! Bij Christus moet u zijn. Dat is het. We moeten bij Christus terechtkomen om zo vanuit Hem te getuigen en te spreken over Hem.

‘Ja, maar’, zegt u, ‘dat is nu mijn probleem. Ik ben nog niet bij Christus en daarom kan ik ook nog niet getuigen.’

 

Doet het pijn als u dat zegt? Is dat uw verdriet?’ ‘Nee’, zegt u, ‘daar heb ik geen verdriet van. Het doet me geen pijn.’ Het is zogezegd een nuchtere conclusie dat u nog niet in Christus bent. Het is verschrikkelijk dat we dat zomaar nuchter kunnen constateren. Terwijl God zo vol van liefde gezegd heeft: ‘Laat Mij de hel ingaan, zodat mensen behouden kunnen worden.’ Christus staat gereed om alle zondaren te ontvangen. Terwijl u vuil en zwart bent zegt u toch nuchter en onbewogen: ‘Nee, ik ben nog niet bij Christus?’ Dat is wat…!



‘Nou, dan zal er voor mij wel geen hoop wezen’, zeg je misschien.

Jawel! Ga met dat harde en dode hart, zoals die vrouw uit Sunem dat deed met haar dode zoon, tot Christus en zeg: ‘Heere, hier heeft U mijn dode hart. Maak het levend naar Uw goedertierenheid…’

 

God zegene zijn Woord!



 

 

VRAGENBEANTWOORDING

 

 


  1. 1.     Hoe maak je het Evangelie duidelijk aan iemand die veel voorspoed meemaakt?

 

Laat ik allereerst zeggen dat ik het altijd moeilijk vind om op sommige vragen een antwoord te geven. Het gevaar is groot dat ik een soort vast recept uit ga schrijven en dat je precies gaat zeggen wat ik je meegeef. Maar het probleem is dat het helemaal niet goed kan overkomen en dat het helemaal niet werkt. De Heere maakt gebruik van de authenticiteit van de persoon zelf!

 

Wat is altijd het beste als je in confrontatie bent met een ander? Gewoon heel eenvoudig net als Nehemia aan de Heere vragen: ‘Heere help me!’



Juist ook bij die collega bij wie het zo voor de wind gaat. Wat is dat moeilijk hè? Vooral bij zo iemand die God niet nodig heeft en die zo tevreden met zichzelf is.

 

‘Zo meneer, ik heb een folder voor u. Daar kunt u gratis een Bijbel mee aanvragen.’



‘Een wat? Een Bijbel? Ik hoef helemaal geen Bijbel.’

‘Ja, maar dat is het belangrijkste Boek wat er is!’

‘Belangrijkste Boek? Helemaal niet! En trouwens, waarom zou ik het dan moeten lezen?’

‘Nou, mevrouw, als ik het even heel kort moet samenvatten: ‘Er staat in de Bijbel dat we de Heere Jezus nodig hebben voor de vergeving van al onze zonden.’

‘Wat zegt u? Zonden? Ik doe helemaal geen zonden. Ja, ik doe wel eens wat verkeerd, maar om te zeggen dat ik zo zondig ben…’

 

Het bovenstaande voorbeeld herken je toch? (Tenminste ik ga er vanuit dat je ook vaak probeert om je medemensen ervan te overtuigen dat ze Christus nodig hebben).



Dan voel je jezelf, in elke situatie eigenlijk weer opnieuw, lam geslagen. En toch is zo’n situatie ook wel weer nuttig, want juist op zo’n moment zeg en vraag je (terwijl je gewoon met iemand in gesprek bent): ‘Heere help me, want ik kan het niet!’

 

Ten tweede: soms (!) kan het goed zijn, om te vertellen hoe je zelf ook eerst dacht alleen met het aardse (mooi huis, gezond lichaam, mooie baan, etc.) gelukkig te zijn.



 

Ook kun je de mensen er bij bepalen dat er een dag komt dat ze zich niet meer gezond voelen of dat er een dag komt dat ze misschien opeens weggenomen worden uit het leven en dan voor God komen te staan.

En ik weet ook wel dat de mensen dat dan gewoon lachend afdoen door bijv. te zeggen: ‘Nou daar geloof ik helemaal niets van. Dood = dood. Er is nog nooit iemand terug gekomen.’ En zo nog een heel scala aan argumenten.

Maar ik moet u zeggen dat ik steeds meer en meer moet leren om me dan niet in allerlei bochten te gaan wringen om die ander er van te overtuigen dat het zo is als jij het zegt. We willen dan als het ware de mensen verstandelijk gaan overtuigen. We moeten leren om stellend te zijn. Te tuigen.

 

Door gewoon te zeggen: (en misschien klinkt dat wel hoogmoedig, maar dan mag je er eerlijk bij zeggen dat je het niet hoogmoedig bedoeld) ‘Of je het gelooft of niet, maar het is zo! Als je echt wilt geloven dat we van de apen afstammen, dan kun je dat wel doen, maar het is niet zo. Er komt toch een dag dat je eigen lichaam tegen je getuigt.’



 

Er was eens een keer een man in Hoorn aan wie ik een foldertje gaf die vroeg: ‘Wat is dat? Waar is dat van?’

‘Nou dat moet u maar lezen, meneer.’ Hij ging het even lezen en zei: ‘Nou, dat hoef ik niet, want denken jullie dat God bestaat? In deze wereld? Nou, roep maar, schreeuw maar, Hij hoort niets!’

Toen voelde ik me ook even zo lam geslagen, maar ik kreeg toch de vrijmoedigheid en stelligheid om toen te zeggen: ‘Nou meneer, voel maar, u leeft. Ik voel uw hartslag. U leeft. God bestaat!’

We moeten leren om stellend te spreken. God bestaat en heeft Zijn Woord gegeven waarin Hij zegt wie Hij is.

 

En tenslotte kan het soms helpen, als God het zegent, dat je iets vertelt van je eigen ellendigheden, die je op je pad kreeg en waardoor je Christus nodig kreeg. Dat kan, maar ik stel het niet als regel.



 

2. Als je bij jezelf de nuchtere constatering hebt, dat je buiten Christus bent en met zoveel goede voornemens weer gaat zoeken. Hoe houd je dit dan vol als zo koud en kil blijft?

 

Weet je hoe lang (of liever gezegd hoe kort) je dit moet volhouden? Je moet het zo kort volhouden dat je tegenover de Heere zegt: ‘Heere, ik zal u niets meer beloven. Want iedere keer kom ik mijn belofte niet na.’



Daar wil de Heere je hebben. Dat je gewoon uitgeput raakt van al je beloven. Waarom? Omdat je anders daarmee te kennen geeft dat je toch nog iets verwacht van je eigen bidden of van het proberen om je hart wat zachter te maken.

 

Nee, ga rechtstreeks tot Christus. God verwacht van ons niet dat we zelf ons hart eerst wat zachter of ontvankelijker maken. De Heere zoekt en nodigt dode en verloren zondaren.



Ja, maar’, zeg je, ‘dode zondaren kunnen uit zichzelf toch niet komen.’ Als mensen dat tegen me zeggen, dan ga ik daar niet eens op in. Want weet je wie Christus is? Hij zegt in Jeremia 3 (en lees maar na tegen welke mensen God dan spreekt): ‘Gij nu hebt met vele boeleerders gehoereerd, keer nochtans weder tot Mij, spreekt de Heere.’ Hij zegt dus: ‘met vele boeleerders gehoereerd.’ Zulke mensen nodigt Hij! Zijn deze mensen dood in de zonden en misdaden, ja of nee? Jeremia zegt aan het eind van dit zelfde hoofdstuk (vers 23 en 25): ‘Wij liggen in onze schaamte, en onze schande overdekt ons, want wij hebben tegen de Heere, onzen God, gezondigd. Zie, hier zijn wij, wij komen tot U, want Gij zijt de Heere, onze God. Waarlijk hebben wij het tevergeefs verwacht van de heuvelen en de menigte der bergen.’

‘Waarlijk en tevergeefs heb ik het verwacht van mijn eigen (bekeer)pogingen, maar nochtans komen wij tot U Heere. Heere ik val voor U neer. Zo onwillig als ik ben en toch smeek ik U Heere, Gij Zone Davids, ontferm U mijner.’

Zal Hij het doen? Hij zal het gewis en zeker doen. Lees de evangeliën er maar op na. Heeft de Heere ooit: ‘Nee!’ tegen iemand gezegd, die dit gebeden heeft? ‘Ja, de Kanaänese. vrouw’, zegt u. Wat zei de Heere Jezus van deze vrouw? ‘O, vrouw groot is uw geloof.’ Want wat deed ze? Ze kleefde vast aan God Zelf. Ze was er van overtuigd dat Gods Wezen zo was, dat Hij haar niet weg kon stoten. Dat is geloof!

 

3. In het begin van het nieuwe leven stroomde ik als het ware over in mijn getuigen. En nu moet ik persen om een woord eruit te krijgen. Wat moet ik hier aan doen? Wat is er gebeurd in mijn leven dat ik, als het ware niet meer overloop van God en Zijn woord.

Het zou kunnen dat je misschien teveel gesteund hebt op je bekering. Misschien ben je wel hoogmoedig en trots geworden op je bekering. Misschien ben je wel slordig geworden in je gebedsleven. Misschien heb je wel toegegeven aan ‘kleine ’(die wij dan zogenaamde kleine zonden noemen) zonden. Karakterzonden. Gewoontezonden. Lievelingszonden. Seksuele zonden. Zonden die niemand weet en niemand ziet. Misschien verontreinig je je gedachten wel.

Want al deze dingen verwoesten je geestelijk leven. En dat weet de duivel ook maar al te goed.

Weet je wat Paulus wat dit betreft zou zeggen: ‘Onderzoek nou eens je eigen leven. Waarin ben je slordig geworden? Ben je stiekem wat meer wereldgelijkvormiger geworden? Kun je misschien toch wat teveel meedoen met de wereld?’

 

Onderzoek je leven en vraag het maar aan de Heere. Hij zal antwoord geven.



 

4. Hoe moet ik met mensen in mijn omgeving omgaan die trouw kerkelijk zijn en steeds maar zeggen: ‘Het begint niet bij Jezus, maar bij de zondekennis.’

 

Wat moeten we anders zeggen dan: ‘Ga tot Hem, Die de woorden van het eeuwige leven heeft. Onderzoekt de Schriften die van Hem getuigen.’



Wat zegt Christus zelf over mensen die niets anders deden dan Hem tegenstaan? Wat zei Hij over het godsdienstige en vrome bolwerk Jeruzalem? ‘O, Jeruzalem, Jeruzalem, hoe menigmaal heb Ik u bij een willen vergaderen, zoals een hen haar kuikens.’ Wat zegt Christus over hen die met al hun vroomheid Christus wilden tegenstaan? ‘Ik zal u zo graag onder Mijn vleugelen willen sluiten, maar…gij hebt niet gewild.’

 

5. Wat moet ik doen als ik in verwarring raak? Ik hoor zondags namelijk een prediking die anders is dan de woorden uit uw lezing. Hoe kom ik van het gevoel af dat uw lezing niet klopt met de Bijbel?

 

Doe als de gemeente van Berea. Kijk maar of het zo is. Onderzoek de Schriften. Lees en onderzoek het Woord. Ik kan wel zeggen dat het zus of zo is, maar het beste kan ik u verwijzen naar de Bron.



 

door Evang. M.C. Schreur



Uitgesproken op een Levensbronavond te Langbroek

20 april 2001



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina