Geografische vragen en werkwijzen



Dovnload 20.81 Kb.
Datum24.08.2016
Grootte20.81 Kb.


Geografische vragen en werkwijzen


hulpblad voor leerlingen
Hoe maak je goede aardrijkskundige vragen voor je onderzoek en op welke wijze voer je dat onderzoek uit?


Soort vraag

Centrale geografische vragen

Beschrijvend

(makkelijkst)



Waar is dat?

Wat is daar?

Hoe is dat daar?


Verklarend

(makkelijk)



Waarom is dat daar?

Waarom is dat daar zo?



Voorspellend

(moeilijker)



Hoe zal dat daar zijn?

Zal het daar zo zijn?



Waarderend

(moeilijker)



Hoe gewenst is het daar? Aan welke normen voldoet het daar?

Probleemoplossend

(moeilijkst)



Wat kan daar? Welke oplossingen zijn daar mogelijk? Op welke plekken is deze oplossing ook bruikbaar?

Controleer of je vraag voldoet aan de volgende eisen:




    1. Je vraag is voor iedereen duidelijk.

Bijvoorbeeld: ‘Is Noord-Brabant mooi?’ is geen goede vraag omdat ‘mooi’ heel veel kan betekenen. Denk maar aan mooi in de zin van architectuur, kunst, natuur, of cultuur.

    1. Je vraag is scherp.

(dus geen vaagheden of termen als ‘ongeveer’, ‘in het algemeen’, ‘waarschijnlijk’, ‘voldoende’, etc.). De vraag ‘In welke periode zal Noord-Brabant voldoende beschermd zijn tegen wateroverlast’ is niet juist. ‘Voldoende’ is veel te vaag.

    1. Je vraag is een open vraag.

(dus geen vraag waarop het antwoord ja, nee of een getal of een feit is).
Om een antwoord te vinden op de gestelde onderzoeksvraag ga je onderzoek doen. Een onderzoek gaat volgens een vast stappenplan. Bij aardrijkskunde is het belangrijkste hulpmiddel de kaart. Allerlei verschijnselen worden vaak bestudeerd aan de hand van kaarten en andere bronnen. Daarbij wordt gebruik gemaakt van geografische werkwijzen.
Schema Geografische werkwijzen







Geografische werkwijze

1

wisselen


van

analyseniveau


Aan verschijnselen deelverschijnselen onderscheiden of omgekeerd verschijnselen zien als een deel van een groter geheel.

Aan gebieden deelgebieden onderscheiden of omgekeerd een gebied zien als een deel van een groter geheel

2


wisselen

van


schaalniveau

Verschijnselen op verschillende schaal bekijken

Gebieden op verschillende schaal bekijken


3

dimensies onderscheiden

Aan verschijnselen meer dimensies onderscheiden

Gebieden op grond van meer verschijnselen karakteriseren

4


vergelijken

Overeenkomsten en verschillen aangeven tussen verschijnselen in verschillende gebieden

Gebieden vergelijken op grond van eenzelfde type verschijnsel

5


relaties leggen

Samenhang tussen verschijnselen bekijken (relateren - verticale relaties)



Samenhang tussen gebieden bekijken (relateren – horizontale relaties)

Naar: advies examenprogramma havo en vwo
Die geografische werkwijzen kunnen al in de hoofdvraag zijn verwerkt. Het kan ook tot uiting komen in de deelvragen of in de wijze waarop je de informatie verzamelt en verwerkt.
Voorbeelden:

Wisselen van analyseniveau. Wat is de verklaring voor de keuze van een Nederlandse boer om in Canada een bedrijf te starten als je kijkt naar zijn individuele beslissing en zijn bijzondere omstandigheden? Je bestudeert dan verhuizen op het laagste analyseniveau. Bij de bestudering op een veel hoger niveau van analyse, bijvoorbeeld de migratiestromen van Nederlandse boeren, komen er andere antwoorden (bijv. Boeren in Nederland hebben te maken met strenge wetgeving. Grondprijzen in Canada zijn goedkoper dan in Nederland).
Schaalprincipe. Wisselen van schaalniveau. Als je de overbemestingproblematiek alleen bekijkt voor de regio Oost-Brabant, dan zitten we met een groot milieuvraagstuk. Als je het bekijkt voor Nederland als geheel dan valt het eigenlijk nog wel mee. Er zijn ook grote gebieden waar absoluut geen sprake is van mestoverschotten, bijvoorbeeld omdat daar weinig veeteelt is en heel veel akkerbouw.
Dimensies. Een bespreking van de Schelde-problematiek vanuit economisch oogpunt leidt tot andere gezichtspunten: toename scheepvaart in aantal en diepgang vraagt om verdieping van de Schelde. Maar je kunt de Schelde-problematiek ook beschouwen vanuit andere gezichtspunten, met aandacht voor andere aspecten zoals veiligheid, visserij, recreatie.
Vergelijken. De overeenkomsten en verschillen bestuderen door bijvoorbeeld kaarten van dezelfde schaal met elkaar te vergelijken (vergelijk de hoogtekaart bijv. met de kaart grondsoorten).
Relaties. Bijvoorbeeld: ‘is er een verband tussen de bevolkingsspreiding in een gebied en het bodemgebruik?’ (verticale relaties = relaties tussen verschijnselen binnen een gebied) of ‘uit welk deel van Duitsland komende de meeste toeristen naar dit gebied?’ (horizontale relaties = relaties tussen gebieden).






De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina