Gerrit Tiemens



Dovnload 136.7 Kb.
Datum20.08.2016
Grootte136.7 Kb.




Gerrit Tiemens,

Medewerker HCC,

locatie Arnhem en Zevenaar


Zevenaar, 29 september 2008

Inhoudsopgave


1. Geschiedenis 4

2. Wie bestuurt het internet? 5

3. Hoe werkt internet? 5

3.1 Packet switching 5

3.2 IP 6

3.3 TCP 6

3.4 Domeinnamen 7

3.5 DNS 7



4. De browser en de Web-server 7

4.1 De URL 7

4.2 HTTP en HTTPS 8

4.3 Hypertext, HTML en actieve content 8

4.4 HTML 9

4.5 Het HTTP-protocol 10

4.6 Cookies 11

4.7 Cache 13



5. E-mail 14

5.1 Geschiedenis 14

5.2 Hoe werkt e-mail? 15

5.3 Enveloppe, headers en inhoud van berichten 16

5.4 De inhoud van een email-bericht 16

5.5 De enveloppe 17

5.6 Headers in email-berichten 17

5.7 Het SMTP-protocol 17

5.8 Multimedia mail: MIME 18

5.9 Het ophalen van de post: POP en IMAP 22

5.10 Karakteristieken van POP 22

5.11 Het POP-protocol 23

5.12 Beperkingen van POP 23

5.13 Het IMAP-protocol 23

5.14 Hotmail 24

5.15 Spamming 24

5.16 Virussen 24

6. Informatie vinden op Internet 24


Internet
In deze lezing zullen bepaalde begrippen en termen nader worden uitgelegd en er zal een poging gedaan worden om op hoofdlijnen inzicht te geven in de werking van Internet en e-mail.

1. Geschiedenis


De geschiedenis van Internet begint in 1969 toen een experimenteel netwerk tussen een viertal computers in gebruik werd genomen. Deze computers vormden de eerste knooppunten van het ARPAnet (Advanced Research Project Agency), een project van het Amerikaanse Ministerie van Defensie. Dit netwerk bestaat nog steeds. Voor de militairen was het niet zozeer van belang dat er verbinding tot stand kwam tussen computers, dat was al eerder op kleine schaal gedaan, maar wél dat de verbindingen duurzaam waren. Ook bij calamiteiten moest uitwisseling van informatie tussen knooppunten mogelijk blijven. Bij het ontwerp is er dan ook van uit gegaan dat een netwerk niet altijd betrouwbaar of niet volledig beschikbaar was.

Dit uitgangspunt geldt nog steeds voor Internet en blijkt zeer nuttig te zijn. De eerste computers die op ARPAnet werden aangesloten, stonden in onderzoekscentra en bij universiteiten. Deze centra beschikten vaak over een eigen lokaal netwerk. Door deze lokale netwerken te koppelen aan de knooppunten van het ARPAnet ontstond al vrij snel een uitgebreid netwerk met duizenden gebruikers.

De verbindingen en computers die voor Defensie belangrijk waren, werden afgeschermd van de rest en wat overbleef vormde de basis van een academisch netwerk. Hiermee was Internet feitelijk geboren, hoewel het nog jaren zou duren voordat de naam Internet zijn intrede deed en de gebruikte methodes van communicatie door andere netwerken werden overgenomen en ondersteund.
De echte groei van het netwerk begon pas midden jaren ‘80. Dat was de tijd waarin het LAN (Local Area Network) razend populair werd. Er ontstond een behoefte om LAN’s uit de hele Verenigde Staten (VS) aan elkaar te knopen en daarbij werd het ARPAnet als verbindingsmiddel (backbone) gebruikt. In veel van deze local area netwerken werd gewerkt met Berkeley UNIX-systemen. Deze UNIX-systemen waren voorzien van de TCP/IP-netwerkprogrammatuur waar ook in het ARPAnet mee gewerkt werd. De opkomst van UNIX, TCP/IP en het Internet zijn gedeeltelijk parallel verlopen.

De groei van het Internet werd ook in de hand gewerkt door het ontstaan van verschillende andere netwerken naast het ARPAnet. Bekende netwerken die in de jaren ’80 ontstonden waren onder andere het NSFnet in de VS en EUnet in Europa. Het Amerikaanse NSFnet was een door de National Science Foundation opgezet netwerk dat diende om (aanvankelijk 5) supercomputercentra met elkaar te verbinden en dat in de jaren ’80 uitgroeide tot het belangrijkste computernetwerk in de VS. EUnet is een netwerk dat tientallen landen in Europa met elkaar verbindt. Al snel werden allerlei koppelingen gelegd tussen het ARPAnet, NSFnet en andere netwerken en zo ontstond het Internet: een overkoepelend netwerk van allerlei aan elkaar geknoopte netwerken.


Het internet kan gezien worden als een wijd vertakt wegenstelsel: grote backbone (ruggengraat) netwerken zijn de ‘snelwegwegen’ die allerlei regionale lokale ‘provincieweggetjes’ met elkaar verbinden.
Zoals gezegd de laatste jaren is de ontwikkeling van het Internet in een stroomversnelling gekomen. Het aantal aangesloten netwerken loopt in de vele tienduizenden en het aantal aangesloten computers is gestegen van een paar duizend halverwege de jaren ’80 tot vele tientallen miljoenen op dit moment. Alle soorten systemen komen voor op het internet: van PC’s met Windows, Apple/Macintoshes en UNIX-systemen tot mainframes en supercomputers. De gemeenschappelijke factor van al die systemen is dat ze ondersteuning hebben voor de TCP/IP-netwerkprogrammatuur. Dat is een techniek waar het Internet op gebouwd is. Een van de belangrijkste redenen voor het succes van het Internet is dat TCP/IP tegenwoordig voor ieder type computer beschikbaar is.
Door de enorme aanwas van nieuwe abonnees is de belasting van het Internet in korte tijd explosief toegenomen. Daar komt nog bij dat de moderne multimediatoepassingen voor een veel zwaardere belasting van het netwerk zorgen dan de tekstgeoriënteerde toepassingen waar enkele jaren geleden nog mee gewerkt werd. De belasting van het netwerk ia weliswaar fors toegenomen, maar daar staat tegenover dat de bandbreedte (de capaciteit) van veel belangrijke netwerken enorm is toegenomen. Nederlandse netwerken als die van UUNET, KPN en Surfnet ontwikkelen zich tot Gigabit-infrastructuren.
Toegang tot Internet verkrijgt men middels een organisatie die toegang tot het netwerk verschaft. Dergelijke organisatie worden Internet Service Providers (ISP) genoemd. Een ISP beheert zij eigen netwerk, dat een onderdeel van Internet vormt.

De laatste jaren zien we in toenemende mate het gebruik van centrale knooppunten waar diverse ISP’s kunnen ‘inprikken’. Het voordeel van een dergelijke organisatie is dat er minder onderlinge koppelingen tussen ISP’s nodig zijn. De centrale knooppunten noemt men Internet Exchanges (IX) of Network Access Points (NAP). Een bekende Europese Internet Exchange is de Amsterdam Internet Exchange.



2. Wie bestuurt het internet?


Niemand is de 'eigenaar' van het internet. Zoals al eerder gezegd bestaat het internet uit de aaneengekoppelde netwerken van vele bedrijven, organisaties, universiteiten en overheden. Er zijn diverse organisaties die gezamenlijk de verdere ontwikkeling van het internet uitstippelen:
Het World Wide Web Consortium (W3C), onder leiding van de uitvinder van het web Tim Berners-Lee bepaalt de standaards van HTML en andere zaken die met het world wide web te maken hebben.

De techniek van het internet wordt verder ontwikkelt door de Internet Architecture Board (IAB), samen met de Internet Engineering Task Force (IETF) en de Internet Engineering Steering Group (IESG).

De Internet Society (ISOC) is een groep van personen, bedrijven, non-profit organisaties en overheid, die een toezichthoudende rol speelt.

De Internet Corporation for Assigned Names and Numbers (ICANN) is een non-profit bedrijf dat verantwoordelijk is voor het beheer van domein namen en IP-nummers. In Nederland is dat de Stichting Internet Domein Registratie (SIDN).



3. Hoe werkt internet?


Dit onderdeel is een wat technisch verhaal over internet. Communicatie tussen computers is een complex en veel omvattend onderwerp dat een aantal hoogwaardige specialismen kent. Hier krijgt u een vereenvoudigd beeld geschetst van deze techniek.
Alle communicatie tussen computers kent twee belangrijke componenten: kabel en protocollen, met andere woorden
Verbinding = kabel + protocol
Een kabel is de (meestal) fysieke hardware-koppeling tussen de computers die op verschillende wijzen kan zijn aangelegd. In de vorm van een glasvezelkabel of twisted pair (UTP). Maar het kan ook via radiogolven. Dit deel van de verbinding draagt het signaal naar de andere computer. In het geval van de PC-gebruiker is dit meestal de telefoonlijn met modem of het lokale netwerk (LAN).

Een protocol is het software-deel van de verbinding. De verzender en de ontvanger moeten het bericht op een uniforme wijze behandelen. Aan de ene zijde wordt het bericht vertaald in (elektronische) signalen en aan de andere zijde wordt het terug vertaald. Dit moet op elkaar aansluiten.

Vergelijk dit met de manier waarop mensen met elkaar praten. Mensen gebruiken spraak (geluid als kabel) om woorden over brengen. Maar als de spreker en de luisteraar voor elkaar onbekende talen (protocollen) spreken, is er van communicatie geen sprake. Het eenvoudigst is om alles af te handelen met hetzelfde protocol (taal), maar vaak is dat niet haalbaar.

In Amerika is dit veel eenvoudiger dan in de Europese Unie. Zoals in Brussel veel vertaalwerk wordt verricht, zo worden ook in Internet op een aantal plaatsen signalen vertaald van het ene protocol naar het andere. Dit loopt via zogenaamde gateways waarmee een verbinding tussen twee verschillende netwerken mogelijk wordt. Gebruikers merken niets van deze vertaling (conversie). Het is alsof het netwerk een geheel vormt.

Het aardige van het gebruik van protocollen is dat je kunt combineren (opstapelen). Hierdoor kan een complex communicatieprobleem worden opgesplitst in een aantal eenvoudige deelproblemen die elk met een apart protocol worden opgelost. Door de protocollen aan beide zijden na elkaar toe te passen komt toch en juiste communicatie tot stand.

3.1 Packet switching


Hoewel we via telefoonlijnen Internet op kunnen en het mogelijk is om aan de hand van een nummer een verbinding met andere computers tot stand te brengen, is het niet juist om Internet te vergelijken met een telefoonsysteem. In een aantal opzichten is het beter om het te vergelijken met het systeem van postbezorging.

Wat is het wezenlijke verschil?

Bij een verbinding tussen twee telefoontoestellen worden in een aantal centrales lijnen zo verbonden dat er als het ware een speciale kabel loopt van het ene toestel naar het andere. De kabels zijn dan alleen door deze toestellen te gebruiken, zolang het gesprek duurt. Dit is vaak een inefficiënt gebruik van de capaciteit van de lijnen. Dit is een zogenaamd circuit switched netwerk, wat wil zeggen dat tijdens een verbinding een deel van het netwerk speciaal is toegekend aan één circuit. Tegenwoordig worden, met speciale technieken, dan ook vaak verschillende gesprekken over één lijn gevoerd. In wezen is het echter nog steeds een punt-naar-punt verbinding.

Bij een postverbinding is dit allemaal wat losser georganiseerd. Een bericht wordt in een envelop gestopt met daarop het adres van de ontvanger. Deze enveloppen worden afgeleverd bij een postkantoor of de dichtstbijzijnde brievenbus en vervolgens worden ze vervoerd naar het gewenste adres. Daar wordt hij afgeleverd en de geadresseerde opent de envelop en neemt kennis van het bericht. Hier is dus geen sprake van een punt-naar-punt verbinding. Dit is een zogenaamd packet switched netwerk. Berichten gaan in pakketten naar hun plaats van bestemming en er zijn geen delen van het netwerk gereserveerd voor één enkele verbinding. Berichten van gebruikers/verbindingen worden door elkaar verzonden via dezelfde routes en aan de ontvangende kan gesorteerd.

Bij communicatie via Internet is een vergelijking met het postsysteem het beste.
Wij gaan nu stap voor stap bekijken hoe een bericht via Internet wordt getransporteerd.

Internet is een zogenaamd packet switched netwerk en, zoals we al gezien hebben, is de structuur van het netwerk die van een net van netwerken. Waar de deelnetwerken zijn verbonden, is een verbindingsstation (een router) geplaatst. Deze stations spelen een belangrijke rol bij het doorgeven van berichten. Elk pakket krijgt twee adressen, het verzendadres en het afleveradres. Aan de hand van deze adressen weet een station hoe het pakket moet worden verwerkt en via een aantal tussenstappen komt het pakket dan op zijn plaats van bestemming.

De route die een bericht volgt, hoeft niet altijd dezelfde te zijn. Machines in het netwerk kunnen uitvallen of tijdelijk zwaar belast worden. In zo’n geval kunnen de routers dit opmerken en een andere route kiezen voor het bericht.

3.2 IP


Het gebruik van de adressen is vastgelegd in een aantal spelregels die het Internet Protocol (IP) vormen. Dit is zoiets als een norm voor de afmetingen van een envelop om een brief. Om de verwerking efficiënt te laten verlopen, is in het Internet Protocol een beperking opgelegd aan de grootte van een pakket. Een pakket bevat tussen 0 en 1500 tekens.

Om een bericht te kunnen versturen, moet de gebruiker het adres kennen. In het Internet Protocol bestaan adressen uit een combinatie van cijfers, elk tussen de 0 en 255. Bijvoorbeeld 131.211.80.17, met de cijfers van elkaar gescheiden door punten. Elke computer die is aangesloten op het internet heeft een eigen, uniek nummer, het zogenaamde IP-nummer.

Het is voor mensen niet eenvoudig om deze cijfercombinaties te onthouden. Vergissingen bij het typen zijn snel gemaakt. Daarom kunt u ook werken met meer zinvolle namen, bijvoorbeeld www.hcc.nl.
De basis IP-protocol is eenvoudig. Meer dan de adressering en de maximum lengte van 1500 tekens is er niet geregeld.

Alle overige zaken moeten in een volgend protocol geregeld worden en er is een aantal mogelijke problemen:



  • door fouten kunnen berichten verloren gaan;

  • door storingen kunnen berichten worden verminkt;

  • vaak zijn berichten langer dan 1500 tekens.



3.3 TCP


Het protocol dat voor deze zaken een oplossing moet bieden, is het Transmission Control Protocol (TCP). Dit protocol is niet zo eenvoudig, maar we beperken ons tot de hiervoor genoemde problemen.

Als u een groot bericht wilt verzenden, dan zorgt TCP dat het in kleine brokken wordt gesplitst. Elk deel wordt in een TCP-envelop geplaatst en de belangrijke informatie, zoals het volgnummer, komt in de envelop. Deze TCP-envelop met inhoud wordt in een IP-envelop geplaatst en aan het netwerk aangeboden. Aan de ontvangende kant wordt eerst de TCP-envelop uit de IP-envelop gehaald en vervolgens het bericht, of deel er van, uit de TCP-envelop. Dit is een voorbeeld van het stapelen van protocollen.

Zijn alle deelberichten overgebracht, dan kan het TCP-protocol van de ontvanger het bericht reconstrueren. Als de volgorde van ontvangst anders is dan bij het verzenden, doordat deelberichten langs verschillende wegen op hun bestemming zijn gekomen, dan wordt dat hier opgelost.

Als een deelpakket tijdens de verzending verloren gaat, dan wordt dat na enige tijd opgemerkt door het ontvangend TCP-protocol. Dit kan dan een melding terug sturen met een verzoek om het ontbrekende deel opnieuw te sturen.

Behalve een volgnummer, wordt op de TCP-envelop ook een zogenaamd controlegetal geplaatst dat wordt berekend aan de hand van de inhoud van het (deel-)bericht. Als bij ontvangst van het bericht deze berekening een andere uitkomst geeft dan de waarde van het verstuurde controlegetal, dan betekent dit dat het bericht is verminkt. Dan stuurt het ontvangende TCP-protocol een verzoek aan de afzender om het (deel-)bericht opnieuw te sturen.

Het TCP-protocol geeft de communicatie degelijkheid en zorgt voor een betrouwbare verbinding. TCP wordt zó vaak in combinatie met het IP-protocol gebruikt dat de beide namen meestal in één term gevat wordt: TCP/IP.



3.4 Domeinnamen


Een domein naam (in het Engels Domain Name) is het adres van een organisatie, bedrijf of persoon op het internet. Een domein naam is een betekenisvolle en makkelijk te onthouden roepnaam voor een IP-nummer.
Als voorbeeld nemen we de naam van www.hcc.nl. Deze bestaat uit drie onderdelen:
nl geeft aan dat de website onderdeel is van het Nederlandse gedeelte van het internet. Dit gedeelte heet officieel het top-level domain.

HCC is de unieke naam van deze website binnen het top-level domain .nl. Dit gedeelte heet officieel het second-level domain. Meestal wordt de combinatie van een second-level domain en een top-level domain aangeduid als de domein naam.

www is de naam van de server die gebruikt wordt om de website mee te verzorgen. Dit wordt officieel het third-level domain genoemd.

Grote bedrijven hebben soms meerdere servers die samen de web site vormen, met namen als www, www2, www3, etcetera.

Maar een third-level domain is niet verplicht. De mailinglist dienst ServiceMail.nl heeft bijvoorbeeld als adres servicemail.nl.
Domein namen moeten uniek zijn op het internet. Voor elk top-level domein is een organisatie aangewezen die de namen binnen haar eigen werkgebied beheerd. In Nederland is dat dus de Stichting Internet Domein Registratie (SIDN).

3.5 DNS


Afkorting van Domain Name Service. Systeem dat uit een groot aantal computers bestaat en dat ervoor zorgt dat alle op internet aangesloten domeinnamen beschikbaar zijn. DNS vertaalt de IP-adressen naar domeinnamen en vice versa. Een DNS-server is een computer die dit werk verricht.

4. De browser en de Web-server


Zoals alle Internet-toepassingen is ook het Web volgens het client-server systeem opgebouwd. De Web-server biedt informatie aan, de Web-client neemt informatie af. Er zijn vele Web-servers in gebruik, voor de meest uiteenlopende platforms.
Om met het Web te werken is een Web-client nodig. Een Web-client wordt ook wel een browser (bladerprogramma) genoemd. In de beginjaren kwamen er allerlei fraai klinkende namen op de markt, zoals Cello, Viola en het meest bekende Mosaic. Op dit moment is Microsoft Internet Explorer de meest gebruikte browser. Daarnaast zijn er ook nog andere browsers, zoals:

Mozzilla FireFox (http://www.mozilla.com/);

Opera (http://www.opera.com/) en

Crazy Browser (http://www.crazybrowser.com/).

Safari (http://www.apple.com/nl/safari)

4.1 De URL


Een browser kan allerlei soorten informatie benaderen: niet alleen Web-servers, maar vaak bijvoorbeeld ook ftp-servers. Elk stukje informatie in het Internet heeft een adres: een zogenaamde Uniform Resource Locator (URL). Een URL is een verwijzing naar een stukje informatie ergens op het Internet. Om informatie in het Internet te kunnen benaderen moet u de URL van de informatie kennen.
Enkele voorbeelden van URL’s.
Hypertext-documenten op Web-servers hebben een URL die begint met http://, zoals bijvoorbeeld: http://www.hcc.nl/.
De aanduiding http staat voor HyperText Transfer Protocol, het protocol dat gebruikt wordt voor de communicatie tussen browser en Web-server.

Soms wordt in de vermelding van een Web-adres het beginstuk http:// weggelaten. De meeste browsers plakken dat stuk er dan automatisch voor. Het hoort er dus wel degelijk bij!


Nieuwsgroepen hebben een URL die begint met news:.
Bestanden op ftp-servers hebben een URL die begint met ftp://, bijvoorbeeld: ftp://ftp.nl.net/pub/comp/pc/eudora.exe. Dit adres verwijst naar het programma eudora.exe. Dit programma kan gedownload worden vanaf de computer ftp.nl.net, waar het in de directory /pub/comp/pc staat.
Samenvattend: een URL bestaat uit een typeveld (het gedeelte voor de dubbele punt) en een hostnaam (na de dubbele punt). Soms komt er ook nog een filenaam in de URL voor.
URL’s worden op verschillende momenten gebruikt:

  • Elke browser biedt de mogelijkheid om het adres (de URL) van de informatie die u wilt benaderen simpelweg in te tikken.

  • Elke hypertext-link correspondeert met een URL. Wanneer een hypertext-link geselecteerd wordt, zal dus een URL benaderd worden.



4.2 HTTP en HTTPS


De communicatie tussen browser en Web-server verloopt via het HTTP-protocol (HyperText Transfer Protocol). Dit kan worden afgeluisterd. In situaties waarin vertrouwelijke informatie (bijvoorbeeld bij internetbankieren) over het Web verstuurd moeten worden, kunt u gebruik maken van de SSL-technologie (Secure Sockets Layer). Deze zorgt voor encryptie (versleuteling) van het datatransport en voor authenticatie van client en server. Wanneer http gecombineerd wordt met de SSL-techniek, spreekt men van HTTPS (HTTP Secure).

4.3 Hypertext, HTML en actieve content


De informatie die een Web-server aanbiedt bestaat uit hypertext-documenten. Hypertext is een mechanisme waarmee vanuit documenten verwezen kan worden naar andere documenten. Daarvoor zijn in een document zogenaamde hypertext-links (ook wel hyperlinks genaamd) opgenomen: dat zijn de verwijzingen. In een hypertext-document kan de lezer snel heen en weer springen door het volgen van de hypertext-links. Bovendien is het mogelijk dat een hypertext-link doorverwijst naar een ander document, zodat er heen en weer gesprongen kan worden tussen verschillende hypertext-documenten.
Wanneer een browser een Web-server benadert, stuurt de server een hypertext-document terug. De volgende stappen vinden plaats:

  1. De browser vraagt een document op van de Web-server.

  2. De Web-server stuurt het gevraagde document terug. Dit document bevat allerlei hypertext-links. Dat kunnen verwijzingen zijn naar andere documenten op dezelfde Web-server, maar het kan ook een hypertext-link zijn naar een andere computer op het Internet.

  3. De gebruiker selecteert een link.

  4. De browser vraagt het document op dat correspondeert met de door de gebruiker geselecteerde link.

Het speciale van het Web is dat het idee van hypertext wordt gebruikt in een wereldwijde netwerk-omgeving. Documenten, databases en menustructuren uit het hele Internet zijn op deze manier met elkaar verbonden tot een groot ‘Web’. Vandaar ook de naam World Wide Web (WWW).
In het Web hoeft een hypertext-link niet altijd te verwijzen naar een tekstdocument. De informatie achter een hypertext-link kan ook bestaan uit een plaatje, een film of een audiofragment. Wanneer het idee van hypertext gecombineerd wordt met dergelijke multimedia-informatie spreekt men van hypermedia.
De hypertext-documenten die een Web-server aanbiedt zijn geschreven in een speciale taal: de Hypertext Markup Language (HTML).
Er zijn de laatste jaren naast het gebruik van HTML diverse andere technieken ontwikkeld die via het Web aangeboden informatie sterk verlevendigen:

  • Sites kunnen voorzien worden van multimedia plug-ins zoals Shockwave en Flash. Om dergelijke sites te kunnen bezoeken, dient de plug-in tevoren op het client-systeem geïnstalleerd te zijn.

  • Met behulp van Java en ActiveX kunnen programma’s ingebouwd worden in Webpagina’s. Deze programma’s (Java-applets of ActiveX-controls) worden via het Web opgehaald en automatisch geactiveerd op het client-systeem. Men noemt dit active content: de inhoud is niet statisch maar levend. Dit geldt ook voor het gebruik van plug-ins, maar daar is de situatie zo dat deze tevoren op het client-systeem geïnstalleerd dienen te zijn, terwijl dat bij active content niet nodig is: de Java- en ActiveX-programma’s worden vanzelf opgehaald via het Web. De Java-technologie wordt zowel door Netscape Navigator als door Microsoft Internet Explorer ondersteund, terwijl de ActiveX-technologie alleen door Microsoft Internet Explorer native ondersteund wordt.

  • HTML-pagina’s kunnen worden voorzien van scripts: stukjes programmacode in speciale scripting-talen zoals JavaScript en VBScript. Toepassingen van dergelijke scripts zijn bijvoorbeeld het openen van nieuwe windows, het dynamisch veranderen van fonts en of/kleuren, het controleren van door gebruikers ingevulde formulieren voordat deze verzonden worden. Men spreekt van client-side scripting, omdat de scripting-commando’s door de client (browser) worden uitgevoerd. Er bestaat dus ook sever-side scripting.

Er zijn meerdere scripting-talen in omloop en is er dus geen standaard op dit gebied. JavaScript komt uit de hoek van Netscape. Microsoft heeft zijn eigen variant, dat is JScript.



4.4 HTML


Web-documenten worden geschreven in HTML (Hypertext Markup Language). Een HTML-document is een tekstbestand. Tussen de ‘echte’ tekst staan echter allerlei speciale aanduidingen: zogenaamde markup-tags. Met deze aanduidingen maakt de Web-server aan de browser duidelijk wat de eigenschappen van een bepaald stukje tekst zijn.
Een voorbeeld van een klein HTML-document:

























Welkom
















Welkom



















welcome to my homepage


Klik op Intro voor meer informatie over mijzelf.


Onder Foto's vindt u een overzicht van foto's die ik gemaakt heb, maar

ook foto's uit de schoenendoos..

Onder Downloads vindt u informatie over lezingen die ik gegeven heb voor

de HCC afdeling Arnhem.

Onder Links vindt u een aantal interessante hyperlinks naar andere websites.

Heeft u vragen of opmerkingen, stuur mij een e-mail. Mijn e-mail adres

is: gerrit@gtiemens.nl.















De spreuk van deze week:




Ook hoogvliegers moeten van tijd tot tijd landen.

bijgewerkt



25-04-2004




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina