Geschiedenis en cultuur van de Angelsaksische Landen



Dovnload 114.36 Kb.
Pagina1/3
Datum22.07.2016
Grootte114.36 Kb.
  1   2   3
"Geschiedenis en cultuur van de Angelsaksische Landen". Van Angelsaksisch Engeland tot Groot-Brittannië (410-1901). – 2007-2008.
Op het schriftelijk examen krijgen de studenten voor dit partim uit de onderstaande vragen twee vragen ter beantwoording.
1.

Verklaar het verband tussen het huwelijksbeletsel ‘aanverwantschap wegens huwelijk’ en de breuk

van de Engelse Kerk met Rome.
In 1527 was Hendrik VIII reeds achttien jaren gehuwd met Katharina van Aragon en slechts één dochter, Maria, had de kindertijd overleefd. De vrees dat de nieuwgestichte Tudor-dynastie zou uitsterven bij gebrek aan een mannelijke erfopvolger achtervolgde Hendrik VIII. In 1509 was zijn huwelijk mogelijk gemaakt dank zij een pauselijke dispensatie, waarbij voorbijgegaan werd aan het kerkrechtelijk verbod om een schoonzuster te huwen. Nu beweerde de koning dat zijn geweten bezwaard werd door de onregelmatigheid van zijn huwelijk. Zijn verlangen naar een annulatie van zijn huwelijk met Katharina werd aangescherpt door zijn hevige hartstocht voor Anne Boleyn. In 1527 droeg Hendrik VIII Kardinaal Wolsey op om van paus Clemens VII de nietigverklarking van zijn huwelijk te bekomen. Toen in 1529 nog geen beslissing gevallen was, raakte Hendriks geduld tegenover zowel de paus als Wolsey ten einde en nam hij de zaak in eigen handen. Zich verlatend op Thomas Cranmer en Thomas Cromwell, riep Hendrik het Parlement op om te zetelen en gedurende zeven jaren zou deze zitting dienst doen als ’s konings instrument om zijn openlijk trotseren van de paus te schragen. In 1533 had de paus nog steeds geen toegevingen gedaan en Anne Boleyn was zwanger. De gevolgen zijn welbekend. Hendrik VIII besloot de onafhankelijke rechten en bevoegdheden van de Kerk in Engeland te doen gelden. De val van Wolsey en de wetgeving van het Reformatie-Parlement (1529 – 1536) stelden een einde aan de banden van Engeland met de Universele Kerk, maakten een periode van bijna duizend jaar ongedaan en schiepen – door ze officieel te herkennen – de Koninklijke Suprematie over de twee kerkprovincies van Canterbury en York. Thomas Cranmer, bondgenoot van de koning, werd benoemd tot nieuwe aartsbisschop van Canterbury (1532 – 1555) en de Engelse kerkelijke rechtbank verleende Hendrik diens langgewenste annulatie van zijn huwelijk met Katharina van Aragon. Hendrik huwde Anne Boleyn en in september 1533 beviel zij van een dochter, Elizabeth (1533 – 1603). In 1534 werd de breuk met Rome volkomen toen het Parlement van ’s konings wege de wet uitvaardigde dat Hendrik VIII het soeverein hoofd was van de Kerk van Engeland (‘Supreme head of the Church of England’), waarbij het gezag van de paus uitgesloten werd (Act of Supremacy, 1534). De monarch van Engeland werd het opperste gezag in geestelijke en wereldlijke aangelegenheden.
2.

De wetgeving van het Reformatie-Parlement (1529-1536) zal in 1535 één beroemd slachtoffer

maken, met name Thomas More.


  1. Wie was Thomas More?

De Lord Kanselier van Hendrik VIII.




  1. Bij welke specifieke Reformatie-wet en welke concrete toepassing ervan kon More zich niet

neerleggen en waarom?
De Act of Supremacy hield in dat alle ambtenaren nu verplicht waren om een eed (‘Oath of Supremacy’) af leggen om de koninklijke suprematie over de Engelse kerk te erkennen. Thomas More was katholiek en weigerde Hendrik VIII te zien als het hoofd van de kerk in plaats van de paus.
3.

De Engelse ‘gentry’.


a. Welk causaal verband is er tussen de ontbinding van de kloosters onder Hendrik VIII en de

opkomst van de ‘gentry’?


Tegenover Hendrik VIII was zijn Parlement gul met wetten maar gierig met geldtoelagen. In 1535 werd Cromwell tot hoofd (vicaris-generaal) van de Engelse Staatskerk benoemd. Hij zag zijn kans schoon om ten behoeve van zijn koning niet enkel de Kerk te besturen maar om er ook daadwerkelijk de eigendom van op te eisen: in vier jaren vaagde hij moeiteloos nagenoeg 800 kloosters van de kaart in Engeland. Hendrik VIII verkocht twee derden van het kerkelijk grondbezit aan zijn vrienden, wat de aanleiding werd tot de opkomst van nieuwe, invloedrijke families (de nieuwe gentry) die aldus economische belangen hadden bij de breuk met Rome.


  1. Hoe stond de ‘gentry’ tegenover de ‘enclosure movement’ en wat waren de sociale gevolgen?

De beweging voor omheining (‘enclosure movement’) — het scheppen van privélandeigendom


— startte, omstreeks 1485, tijdens het bewind van Hendrik VII, de eerste Tudor-koning, en ging verder tot het midden van de 17de eeuw. Feodaal grondbezit hield een zeggenschap in van de gemeenschap. Het land was niet de eigendom van een bepaald individu in onze moderne betekenis. De aanspraken werden ingeperkt door zekere verplichting tegenover anderen wat de toegang tot het land
betrof. Toch verdrong het idee van individuele eigendom geleidelijk dat van inspraak van de gemeenschap en dit naarmate de profijtzoekende landeigenaars hun eigen gronden omschakelden tot weidegronden voor schapen om aldus wol naar Vlaanderen te kunnen exporteren. Niet alleen waren de nieuwe landeigenaars zich goed bewust van de winstmogelijkheden van de schapenfokkerij, zij wensten al evenmin zich te laten verstrikken in de traditionele banden tussen landeigenaars
en pachters. Zij hadden er geen moeite mee om zittende pachters op te zeggen en akkers in weiden om te vormen. De Kroon zelf had zich de gronden van de Kerk toegeëigend en gaf zelf aldus het voorbeeld om niet te veel wroeging te voelen over de "oude tijd". De landeigenaar hoefde niet eens rechtstreeks zijn pachters op te zeggen. Door de meentgrond — het "common land" — in te palmen, bereikten zij even effectief, zij het onrechtstreeks,hetzelfde doel. Kleinschalige akkerbouw liet toe te overleven mits de veestapel van de pachters kon grazen op de meentweide of wanneer
timmer- en brandhout op de gemene grond gesprokkeld kon worden samen met andere aanvullingen voor het levensonderhoud. Maar zodra de meentgronden omheind waren, stonden de pachters geen
weidegronden meer ter beschikking voor het vee. Hierdoor verschrompelde akkerbouw als economische bedrijvigheid tot een randverschijnsel. De ‘gentry’ slaagde erin de meent door schuttingen te omheinen omdat de oude feodale gewoonten hun leefkracht verloren hadden.
c. Welke partij koos de ‘gentry’ in het 17de-eeuwse debat rond ‘parlementair voorrecht’ tegenover

‘koninklijk prerogatief’ en waarom?


De gentry koos de kant van het Parlement, dus voor het ‘parlementair voorrecht’, en dit omdat de leden van de gentry die deel uitmaakten van het Lagerhuis van de koning vervreemd waren.
4.

In de les bekeken wij samen de documentaire (A History of Britain – Series 1) gemaakt door de

historicus Simon Schama over de regering van Elizabeth I (zie samenvatting op minerva onder

‘Lesmateriaal’).

Schama stelt dat zowel de lichamen van Elizabeth I als van Mary I Stuart beslissend waren in de

creatie van ‘Magna Brittannia’ of ‘Great Britain’. Verklaar dit nader.


Schama stelt dat beide Elizabeth I en Mary Stuart belangrijk waren voor de unificatie van Engeland en Schotland tot ‘Great Britain’. Als Shama het heeft over ‘the body of the queen’, dan heeft hij het zowel over Elizabeth als over Mary Stuart. Elisabeth was ‘the body politic’, de staat. Ze was een uitzonderlijk politicus die precies aanvoelde wat bij het publiek zou aanslaan en wat niet. Ze beheerste de kunst van het publiek spreken, en bezat een bijna mannelijke autoriteit. Elizabeth hield ook erg veel van de aandacht die ze kreeg. Mary Stuart was het fysieke lichaam. Zij bracht immers die nieuwe koning van Engeland, Jakob IV van Schotland, I van Engeland, voort. Shama stelt dat een huwelijk tussen Elizabeth en Mary Stuart een goede zaak voor Engeland geweest zou zijn.
5.

Een tegenfeitelijke redenering of counterfactual reasoning gaat uit van de veronderstelling dat een

bepaalde gang van zaken plaatshad die tegen de feitelijke gang van zaken ingaat. Deze redeneringen

nemen de vorm aan van ‘Wat, als…?’ of ‘What, if…?’.

Pas die tegenfeitelijke redenering toe op Engeland vanuit de veronderstelling dat het huwelijk van

Maria Tudor vruchtbaar was en de gevolgen van haar eventueel kinderloos overlijden niet waren

ingecalculeerd binnen parlementaire wetgeving.
Mary Tudor was getrouwd met Filip II van Spanje (Zoon van Karel V). Bij een kinderloos overlijden van Mary Tudor zou Filips II de vorst worden en aldus over beide Engeland en de Nederlanden regeren. Moest het gebeuren dat uit hun huwelijk kinderen zouden komen, zouden zij zowel Engeland als de Nederlanden in handen hebben en zou het katholicisme misschien de overheersende godsdienst van Engeland worden.
6.

De eerste twee Stuarts op de Engelse troon verkozen te regeren met gunstelingen.


a. Wie waren die gunstelingen onder respectievelijk de eerste en tweede Stuart op de Engelse troon?
Bij Jakob I was dit George Villiers, een knappe jongeman jegens wie hij een homofiele geneigdheid had, die in 1623 tot hertog van Buckingham gemaakt werd. Hij behield zijn overwicht ook tegenover de volgende vorst, Karel I, als raadgever. Na de moord op Buckingham in 1628 vertrouwde Karel I sterk op aartsbisschop Laud als zijn voornaamste raadgever, die in 1633 aartsbisschop van Canterbury werd tot 1645.
b. Waarom konden die twee Stuarts het Parlement zo gemakkelijk een actieve inbreng in het politieke

leven ontzeggen?


Tijdens de regering van Jakob I en de eerste jaren van dat van Karel I kwam het Parlement er nooit aan toe door voortdurend gekibbel met de Koning en door tijdrovende procedures om Buckingham te doen aftreden. Hierna regeerde Karel I van 1629 tot 1640 zonder het Parlement samen te roepen, omdat hij er enkel een tribune voor vervelende opposanten in zag.
c. Leg uit welke de betekenis was van de ‘Bill of Rights’ voor het Engelse Parlement.
Deze wet bevatte specifieke inperkingen van het koninklijk gezag. De uitvoerende kroon moest zich verantwoorden jegens het Parlement, terwijl het Parlement ook rekenschap verschuldigd was aan een nationaal kiezerskorps dat zich in twee partijen uitte, Tories en Whigs. De Parlementen zouden regelmatig jaarlijks vergaderen en de kroon verloor de controle over het bijeenroepen ervan.

Door deze beperkingen in de Bill of Rights werd een eindpunt gemaakt aan het groot twistpunt van de soevereiniteit, die geplaatst werd in het Parlement. De kroon mocht wel blijven gebruik maken van patronage tegenover de leden van het Hogerhuis om het beleid te manipuleren. Patronage wou zeggen dat de koning het recht had om bepaalde mensen te benoemen, meestal mensen die hij persoonlijk kende, of die hem goed gezind en trouw waren.


7.

Uitkomen voor en verdedigen van de eigen mening alsook tolerantie voor een andere mening zijn

minstens sedert de 17de eeuw verworvenheden binnen de Engelse en later Britse maatschappij.

Leg uit in welke mate godsdienst daarin bepalend was.


In het begin was er een zware strijd tussen de verschillende godsdiensten: de Katholieken, de Protestanten van de Kerk van Engeland en de Puriteinen. Maar na verloop van tijd evolueerde men naar een systeem waarin de verschillende religies naast elkaar bestonden. Er was wel nog discriminatie (zoals door de Test Act), maar je kon een ander geloof hebben dan dat van de koning zonder op de brandstapel te vliegen.
8.

Tijdens de regering van Jakob I vond het laatste grote complot van de Engelse rooms-katholieken

plaats tegen de bestaande staatsorde in Engeland.


  1. Om welk complot gaat het en hoe werd het verijdeld en bestraft?

Het Buskruitverraad (Gunpowder Plot) van 1605. Dit was het plan van Guy Fawkes en nog een aantal rooms-katholieke samenzweerders om op 5 november koning en parlementsleden met 36 vaten buskruit de lucht in te blazen. Het werd verijdeld doordat één van de samenzweerders een ander katholiek parlementslid had verwittigd om niet op die dag naar het parlement te gaan. Hij verwittigde de autoriteiten en deze doorzochten de kelders waar ze Guy Fawkes vonden bij het buskruit dat hij net wou aansteken.


b. In welke mate maakt dit complot nu nog deel uit van het Britse collectieve geheugen?
Elk jaar is er nu een Britse feestdag op 5 november genaamd Guy Fawkes Nacht (beter bekend als Kampvuurnacht en soms Vuurwerknacht).
9.

In de les bekeken wij samen de documentaire (Battlefield Britain, zie samenvatting op minerva onder

‘Lesmateriaal’) gemaakt door de Britse journalist Peter Snow en zijn historicus-zoon Dan Snow over

de slag van Naseby. Peter en Dan Snow stonden in het bijzonder stil bij de professionalisering van

het leger en de uitbouw van het ‘New Model Army’:


  1. In welke tijdscontext situeert zich de uitbouw van dit leger en wie was de vijand?

Ten tijde van de regering van Karel I. In 1942 ontketent hij zelf een eerste burgeroorlog en het parlement zich verdeeld in twee kampen: de Royalisten of Cavaliers, die de koning steunen, en de Parlementariërs of Roundheads, die het volk steunen. Het leger, en dus het ‘New Model Army’ dat wordt uitgebouwd staat onder bestuur van Oliver Cromwell.




  1. Welk aandeel had het Engelse parlement in dit professionalisme?

Na de slag van Newbury in 1644, die een complete warboel was onder slechte bevelhebbers en een tekort aan organisatie, streeft Cromwell naar professionalisering van het leger en zorgt ervoor dat in het Parlement twee wetsontwerpen (bills) worden ingediend.

1e bill: creatie van een “National army” ter vervanging van de locale militia.

2e bill: leadership based on ability, not class. Dit betekende dat voortaan noch de leden van het Lagerhuis noch deze van het Hogerhuis als bevelhebbers konden optreden, enkel alleen omdat zij parlementariërs waren (lessen van Newbury geleerd).


c. Voor wie gold die parlementaire wetgeving niet en waarom?
De tweede bill sloot Cromwell zelf uit als opperbevelhebber, aangezien hij een MP was. In zijn plaats kwam Sir Thomas Fairfax, een ervaren militair, aan het hoofd van het leger te staan. Op vraag van de manschappen werd er echter een uitzondering gemaakt voor Cromwell en hij werd benoemd tot bevelhebber van de cavalerie.
10.

Het politiek gedachtegoed van de ‘Levellers’ was zijn tijd ver vooruit.




  1. Geef een drietal voorbeelden van de opvattingen zoals door hen verdedigd.

Zij eisten de zitting van jaarlijkse, zelfs halfjaarlijkse parlementen, een herverdeling van de zetels in verhouding tot de bevolking en algemeen stemrecht voor mannelijke gezinshoofden.


b. Hoe stond Cromwell hier tegenover?
In de zomer van 1647 liet Oliver Cromwell de rol van bemiddelaar tussen de verschillende partijen varen en stelde zich resoluut op in de partij van het leger. Cromwell en zijn generaals stelden een compromis-tekst op (‘Head of Proposals’) om op basis hiervan de natie te vrijwaren van zowel koninklijk absolutisme als van de democratische republikeinse opvattingen zoals verdedigd door de Levellers en de Diggers, die beiden vele aanhangers in het leger telden. Dit gematigd voorstel werd echter afgewezen door zowel de Koning als het Parlement.
11.

“Perhaps more important than whether he was a good guy or a bad guy was whether he made a

difference to our history, and there the answer has to be a resounding yes. It was in Cromwell’s brief

period in power that we would see something like the shape of a modern English State and

government coming into view” (Simon Schama’s Live Chat, 22/5/2001 na uitzending door BBC van de documentaire “A History of Britain – Series 2”).

Vul met eigen commentaar in welke die realisaties zijn, die hun tijd ver vooruit waren.


Onder het bewind van Oliver Cromwell werd er voor het eerst (en ook het laatst) in Engeland een geschreven grondwet opgesteld, genaamd het ‘Instrument of Government’, waarin Cromwell werd aangesteld als rijksvoogd (Lord Protector). Toen de kroon hem werd aangeboden, weigerde hij die.

Ook streefde Cromwell naar een politieke unie van Engeland, Ierland en Schotland.

Hoewel hij zelf zeer diep gelovig was, was hij tolerant op godsdienstig vlak in Engeland, waarbij hij zijn tijd ver vooruit was.
12.

Van de drie grote hedendaagse politieke partijen (Labour, Conservatives en Liberals) waren er twee

reeds actief in de 17de eeuw. Geef de achtergronden aan waarin die twee partijen tot standkwamen.
De twee politieke partijen die reeds in de 17de eeuw actief waren waren de Conservatives (toen Tories) en de Liberals (toen Whigs). Het grote twistpunt dat het Parlement in twee groepen verdeelde, was de mogelijke troonsbestijging door een rooms-katholiek (en in het bijzonder Jakob II, de broer van Karel II). De eerste groep, die werd aangeduid met de naam Tories was koningsgezind en voorstander van de Engelse Staatskerk. Zij geloofden sterk in het goddelijk erfrecht op de troon, en vonden dat zij niets mochten veranderen aan het feit dat Jakob II koning zou kunnen worden.

Hier tegenover stonden de Whigs, die voorstanders waren van de beperking van de koninklijke macht, en verdraagzaamheid tegenover protestantse dissenters. Zij waren sterk anti-rooms-katholiek, en wilden niet dat Engeland een katholieke koning zou krijgen. Zij vonden dat de onderdanen het recht hadden om zich te verzetten tegen hun vorst. Indien de instemming van het volk door de regeerder verbeurd werd, dan werd de regering van het land samen met de verplichting tot gehoorzaamheid aan het koninklijk gezag ontbonden.

De Tories wonnen de grote Exclusion Crisis, waardoor Jakob II zijn kinderloze broer kon opvolgen, maar dit twistpunt had politiek veel grotere gevolgen.

Tijdens deze strijd zochten de beide groepen niet alleen aanhang binnen het Parlement zelf, maar ook in het hele land. Hierdoor groeiden deze groepen uit tot echte politieke partijen, die een brede, nationale basis hadden.


13.

Waarom waren Engelse ouders niet enthousiast over het ‘elopement to Scotland’ van hun dochter en

hoe werd dit probleem uiteindelijk opgelost?
Engelse ouders waren hier niet tevreden mee omdat ze dan kon trouwen met wie ze wou (uit verliefdheid), terwijl huwelijken in die tijd, zeker bij de rijkere klassen, een politiek en economisch middel waren, om twee families dichter bij elkaar te brengen. Engelse trouwlustigen sluiten clandestiene huwelijken in Gretna Green (net over de grens tussen Engeland en Schotland) tot 1939. In 1939 wordt in heel Schotland de “Scottish irregular marriage” afgeschaft en worden de wettige voorwaarden uniform doorheen Groot-Brittanië toegepast.
14.

In 1836 zijn de echtgenoot van Caroline Norton en Lord Melbourne verwikkeld in een proces over

‘criminal conversation’:


  1. Verklaar nader waarover een proces wegens ‘criminal conversation’ gaat.

De man klaagt de andere man aan voor ‘beschadiging van zijn vrouw’. Het gaat over overspel.


Sedert het einde van de 17e eeuw was het toepassingsveld van de notie van "misdrijf door

schending" uitgebreid tot de rechtszaak van een echtgenoot die schadevergoeding eiste van de minnaar van de echtgenote. De echtgenote werd beschouwd als beschadigd, zoals dit met een roerend goed kon gebeuren. Het misdrijf werd ‘criminal conversation’ genoemd. De zaak ging uitsluitend tussen twee mannen, de echtgenoot en de veronderstelde minnaar van de echtgenote. De echtgenote had niet het minste aandeel in de procedure, noch om te getuigen noch om getuigen op te roepen. De jury kwam doorgaans bijzonder snel tot een besluit: een overleg van een uur was uitzonderlijk.





  1. Leg uit waarom Caroline Norton niet wordt gehoord tijdens de rechtszittingen.

Zij bestond niet voor de wet, zij was een “legal non person”.




  1. Wat was de uitspraak en welke waren de gevolgen voor Caroline Norton?

De jury sprak Lord Melbourne vrij, zijn reputatie verbeterde en hij verliet Caroline. Haar reputatie was vernield, ze werd een “scandaleuze vrouw” genoemd. Haar echtgenoot verliet haar en ontnam haar haar drie zonen en gaf het hoederecht aan zijn eigen minnares.


15.

Het statuut van de Engelse gehuwde vrouw:


a. Leg uit welk het statuut was van de gehuwde vrouw volgens het Engelse gewoonterecht (English

common law) (sinds de 12de eeuw).


De vrouw had geen “wettelijke persoonlijkheid”, deze ging op in die van haar man. Het rationele hiervan was dat door het huwelijk in Gods ogen man en vrouw één lichaam vormden, dus één persoon in de ogen van de wet en slechts één fysiek persoon kon wettelijk die éne morele persoon vertegenwoordigen. En, gezien de man nu eenmaal als sterker aanzien werd dan de vrouw, was die éne fysieke persoon uiteraard de man. De vrouw kon dus zelf in geen proces betrokken worden, noch als aanlegster noch als verweerster, tenzij haar echtgenoot mede-betrokken was. Zij kon geen contracten tekenen tenzij haar echtgenoot mede-tekende. Zij kon geen geldig testament opstellen tenzij haar echtgenoot instemde met de beschikkingen. De echtgenoot oefende wettelijke rechten uit over de goederen van zijn echtgenote en de goederen die zij verwierf tijdens het huwelijk werden wettelijk zijn eigendom. Hij kon niet volledig haar onroerende goederen verkwanselen maar de opbrengsten ervan kwamen hem toe. Wat de vrouw zelf bezat, zowel wat ze spaarde voor het huwelijk als wat ze tijdens het huwelijk verdiende, kon de man benutten zoals het hem uitkwam. De man besliste waar het gezin zich vestigde, hij mocht zijn vrouw fysisch straffen en hij besliste hoe en waar de kinderen werden opgevoed. Wettelijk was de vrouw volkomen onmondig tegenover de beslissingen van haar echtgenoot. De combinatie van deze ‘common law’-beschikkingen en van de kerkelijke leer dat het huwelijk onontbindbaar was bracht mee dat vrouwen bij hun huwelijk ‘were despoiled of their money, goods and chattels … and condemned to prison for life’, zoals een verontwaardigd pamfletschrijver in 1855 het stelde.
b. Eind 19de eeuw werd dit gewoonterechtelijk statuut gewijzigd via wetgeving: over welke wijziging

gaat het en in welke mate verbeterde dit de positie van de gehuwde vrouw?


De ‘Married Women’s Property Act’ van 1870, waardoor een fictieve trust in het leven werd geroepen om een gehuwde vrouw beschikkingrecht te geven over een beperkt deel van haar inkomen, goederen en bezit.Dit beperkt deel waarover de gehuwde vrouw zou kunnen beschikken bestond uit ten eerste haar inkomsten als werkende echtgenote, ten tweede haar inkomsten uit aandelen, spaargeld, levensverzekeringspolissen en dergelijke, ten derde uit haar inkomsten uit legaten van minder dan £ 200 en uit erfenissen die haar toekwamen zonder testament.
In 1882 werd een nieuwe ‘Married Women’s Property Act’ ingediend, waarin de vrouw een eigen wettelijke persoonlijkheid zou krijgen met betrekking tot haar eigendom, loon en inkomsten, net als tot haar vermogen om contracten te sluiten, te dagen en gedaagd te worden en om verantwoordelijkheid te dragen voor haar onrechtmatige daden. Er werden opnieuw door het House of Lords meerdere beperkingen ingebouwd. Gehuwde en ongehuwde vrouwen stonden na de Act van 1882 nog altijd niet op gelijke voet wat eigendom betrof. De gehuwde vrouwen kregen wettelijke bescherming, maar niet wettelijke gelijkberechting.

c. Dankzij welk alternatief rechtssysteem konden gehuwde vrouwen reeds voor het einde van de 19de

eeuw van een betere rechtspositie genieten en waarom?
De billijkheid (equity, een systeem van regels, gebruiken en rechtbanken in verband met trusts en estates naast de wetgeving, uiteraard voorbehouden aan de vrouwen uit de hogere klassen die de nodige wettige documenten konden bekostigen om hun goederen onder trust of seperate estate te brengen).
16.

De ‘Divorce Act’ van 1857: echtscheiding (divorce) en scheiding van tafel en bed (separation)

Aan welke eeuwenoude ingewikkelde procedures maakte deze wetgeving definitief een einde?
1e mogelijkheid

Nietigverklaring van huwelijk op grond van huwelijksbeletsel


► Kerkelijke procedure (bij één van de kerkelijke rechtbanken in de kerkprovincies Canterbury of York)
● Proces voor kerkelijke rechtbank met verzoek tot “scheiding van tafel en bed” op grond van overspel, extreme wreedheid of verlating;
°° Betwist huwelijk niet ontbonden; kuisheid partners vereist nietigverklaring van huwelijk op grond van een huwelijksbeletsel zoals leeftijd, geestelijke (b.v. dwang) of seksuele onbekwaamheid (impotentie), bedrog (reeds gehuwd), enz.;
°° Betwist huwelijk aanzien als “niet plaatsgevonden”, dus mogelijkheid tot trouwen (niet “hertrouwen”) met nieuwe partner

2e mogelijkheid

Echtscheiding via Private Act of Parliamentary Divorce


► Burgerlijke procedure (bij het Hoger- en Lagerhuis van het Parlement)
Verzoek tot toekennen van “Private Act of Parliamentary Divorce” voorafgegaan door:
● Proces voor kerkelijke rechtbank met verzoek tot “scheiding van tafel en bed”
●● Proces voor common-law rechtbank met verzoek tot schadevergoeding wegens criminal conversation
Pas dan als derde stap:
●●● Verzoek tot echtscheiding indienen bij Hoger- en Lagerhuis van Parlement; goedkeuring van beide kamers nodig om via een “Private Act of Parliamentary Divorce” de echtscheiding te bekomen

  1. Describe how the effects of Mrs Thatcher’s government on British society were represented in protest songs of the 1980s.

British folk songs, as well as being good on love and laments, are particularly strong on protesting and grumbling. This tradition was embraced with vigour by punk songwriters, who desperately needed a new way to express their anger and frustration with 1970s and 1980s Britain. Punk protest and a new wave of angry British songwriters flourished in the worst of times: Thatcher’s Britain.

Shipbuilding’, by Elvis Costello & Clive Langer: this song is about the Falklands War (1982) which brought new work to the depressed shipbuilding areas of Britain, reducing unemployment, but this war also killed many British and Argentine soldiers and sailors. It has great resonance with the First World War.



< ‘back by Christmas’: in the First World War the British were convinced that the war would be ‘over by Christmas’. This phrase denotes the naivety about modern warfare which was typical of the British public at that time.

< ‘notifying the next of kin’: an official phrase used today to mean ‘telling the wife’ that a soldier has been killed. It distances the officials from the human cost of war.

< ‘Women and children’: traditional British idea that in a shipwreck, the women and children on board the ship would be given the first places in the lifeboats. ‘Women and children first’ signifies chivalry, self-sacrifice and bravery in the face of disaster. It also places the women and children in a community firmly in dependency, unable to look after themselves. The men are automatically placed in a forced position of protection and support.

< ‘Filled in’: to be beaten up

< ‘Telegram’: the arrival of a telegram during the First World War was a dreaded event: it would mean either that your son/husband/father had died, or that he was wounded and missing, or a prisoner. Because of this trauma, telegrams were for years regarded as bringing bad news only.

< ‘Picture postcard’: After it was realised that the war was going to take a long time, the British government and army imposed censorship on the soldiers: they were very restricted in how they could communicate with their families and friends. Letters were opened and read by the censor’s Office, and anything which could have given too much information was scored through with black ink, making it unreadable. The standard communication method was a pre-printed postcard, with sentences for the soldier to cross out as necessary. ‘I am well / quite well / getting better’, etc. Thus the public was kept in the dark about how many soldiers were dying, and what terrible conditions they were enduring.
It says here’, by Billy Brag (1985): It’s about political bias in British newspapers.
< ‘Short sharp shock’: notorious catchphrase used by Mrs Thatcher's government to denote the new form of criminal justice, where young offenders would be given a really tough time in an adult prison to scare crime out of them.

  1. Discuss how the British divide themselves and their society.


  1   2   3


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina