Geschiedenis van de democratische rechtsstaat in Nederland antwoorden Oriëntatie Opdracht 1



Dovnload 257.26 Kb.
Pagina2/3
Datum17.08.2016
Grootte257.26 Kb.
1   2   3

Opdracht 7

a De vorsten zijn plaatsvervangers van God op aarde ('droit divin'). Dus alleen God kan over de besluiten van de vorst oordelen.

b De titel betekent letterlijk 'over de geest van de wetten'. Montesquieu ziet een samenhang tussen de wetgeving enerzijds en de inrichting van de maatschappij anderzijds. Montesquieu bepleit aanpassing van wetten aan fysieke en sociale factoren (klimaat, staatsvorm, geografie, productiewijze, godsdienst en gewoonten).

c


  • om het gevaar af te glijden naar het despotisme te keren

  • scheiding van machten werkte in Engeland goed

  • macht kan alleen door macht in toom gehouden worden

  • om de vrijheid te garanderen en willekeur te voorkomen

  • er zouden anders ondeugdelijke wetten kunnen komen

  • de rechter zou verdrukker kunnen worden

d Met de lettres de cachet kon de koning iedere tegenstander zonder vorm van proces gevangen laten zetten. De koning beheerste dus de rechterlijke macht. Er was sprake van willekeur en geen eerlijke rechtspraak.

Opdracht 8

De uitvoerende macht ligt bij de president.

De wetgevende macht ligt bij het Congres.

De rechtsprekende macht ligt bij het Hooggerechtshof.

De machten houden elkaar in evenwicht:

De president kan een veto uitspreken over een aangenomen wet.

De president benoemt rechters van het Hooggerechtshof.

Het Congres stelt de wetten vast die door de president worden voorgesteld.

Het Congres moet de benoeming van rechters goedkeuren.

Het Hooggerechtshof beoordeelt of wetten in overeenstemming zijn met de grondwet.

Het Hooggerechtshof beoordeelt of besluiten van de president in overeenstemming zijn met de grondwet.

Opdracht 9

a Door het maatschappelijk verdrag is een hogere vorm van vrijheid mogelijk: de vrijheid van de politieke samenleving. Dat is alleen mogelijk door volkssoevereiniteit, het aan allen in gelijke mate toekennen van het hoogste gezag. De wetgevende macht ligt bij het volk als geheel. Dit mag niet overgelaten worden aan volksvertegenwoordigers.

b Er is een algemeen belang waaraan iedereen zich volledig ondergeschikt maakt. Dit ontstaat door de vereniging van alle individuele burgers op gelijke wijze in de algemene wil.

c Totalitaire leiders streven naar een volledige ondergeschiktheid van het volk aan een algemeen belang. Zij beroepen zich op het feit dat hun positie en hun beleid de uitdrukking zijn van de door het volk aangegeven algemene wil. Tevens zal degene die weigert zich aan de algemene wil te onderwerpen, door heel het politieke lichaam daartoe gedwongen worden.

d Rousseau zegt nadrukkelijk dat het hoogste gezag niet kan worden overgedragen aan een enkeling of een groep. Er is in dat geval geen sprake van legitieme wetgeving. Bovendien moet de algemene wil steeds opnieuw uitgedrukt worden, wat bij een totalitair regime niet gebeurt.

Opdracht 10

Wel: Rousseau betoogt dat het hoogste gezag bij het volk moet liggen. Hij was voorstander van een directe democratie waarbij de volksvergadering beslist over de wetgeving.

Niet: Een democratie betekent in de praktijk lang niet altijd een bestuur van de besten. Het geeft minderheden recht op een eigen mening. Rousseau was voorstander van een bestuur van de besten en vond dat dwang toegestaan was om mensen te onderwerpen aan de algemene wil.

Opdracht 11

a In Groot-Brittannië vindt door de industrialisatie grootschalige productie van consumptiegoederen plaats. Hierdoor ontstaat er een behoefte aan een afzetmarkt. Om die te creëren is Smith voorstander van vrijhandel. Zijn boek is een pleidooi voor een zo groot mogelijke economische vrijheid.

b In de tijd van de industrialisatie zag Smith alleen arbeid gericht op de voortbrenging van stoffelijke diensten als productief. Vandaar dat hij zelfs de vorst en de burgerlijke en militaire overheden als niet productieve werkers zag. Zij droegen niet bij aan de welvaart van het land, maar werden onderhouden met een deel van de productie van anderen.

c Smith geloofde dat eigenbelang, vooral geldelijk gewin, de voornaamste drijfkracht is bij het economisch handelen. Overheidsingrijpen is een belemmering van het eigenbelang. Daarom moet de staatstaak tot het minimaal aanvaardbare beperkt worden.

d Fabriekseigenaren, want zij zijn verantwoordelijk voor grootschalige productie.

e Staat met zo weinig mogelijk overheidsbemoeienis. De staat heeft een beperkt aantal staatstaken, zoals het handhaven van de veiligheid en de rechtsorde. Op dit moment kun je in Nederland niet spreken van een nachtwakersstaat. Door sociale wetgeving is de overheidsinvloed veel groter geworden dan in de negentiende eeuw.



Opdracht 12

a De boodschap is dat absolutisme en economisch liberalisme zorgen voor een oneerlijke verdeling van voedsel (de machtigste en de sterkste) en dat het marxisme (socialisme) zorgt voor een eerlijke verdeling van voedsel.

b Een aanhanger van Adam Smith zal het een subjectieve prent vinden omdat het een negatieve voorstelling geeft van het economisch liberalisme. Hij zal het eigenbelang veel positiever beoordelen. Met de kritiek op het absolutisme zal hij het eens zijn geweest, vooral omdat de koning geen productieve bijdrage levert. Wat betreft het socialisme zal hij van mening zijn dat dit systeem te weinig het eigenbelang stimuleert. Als je iedereen gelijk behandelt zal zijn productiviteit afnemen.

Opdracht 13

a Marx' uitgangspunt was het historisch materialisme. De bezitters van materie in een bepaalde samenleving bepaalden hoe de staat werd bestuurd.

In de tijd van het feodalisme bepaalden de adel en de geestelijkheid (de grondbezitters) hoe de staat werd bestuurd.

In de tijd van de industrialisatie bepaalden fabrikanten (censuskiesrecht) hoe de staat werd bestuurd.

b Dit is een maatschappij waarin het bezit eerlijk verdeeld is. Er was geen onderdrukking meer mogelijk en de staat kon worden afgeschaft.

c De USSR, China, Cuba en Noord-Korea.

d Ter beoordeling van de docent.

e Voordelen: de gelijkheid tussen mensen.

Nadelen: het gebrek aan stimulans als alles toch eerlijk wordt verdeeld.

De conclusie zal wellicht zijn dat Marx' ideaal een utopie is.



Opdracht 14

a + b


Machiavelli:

Visie op de rol van de staat: voorstander van een krachtige, sluwe alleenheerser

Zichtbaar in huidige politiek: niet in Nederland, wel in totalitaire staten

Hobbes:

Visie op de rol van de staat: voorstander van sterk en effectief gezag (absolutisme)

Zichtbaar in huidige politiek: absolutisme niet, wel zijn sommige politieke leiders voorstander van een krachtig bestuur

Spinoza:

Visie op de rol van de staat: voor democratie en vrijheid van meningsuiting

Zichtbaar in huidige politiek: in alle politieke partijen; merk op dat vaak in namen van politieke partijen het begrip democratie is verwerkt

Locke:

Visie op de rol van de staat: iedereen heeft grondrechten, de overheid moet verantwoording afleggen

Zichtbaar in huidige politiek: alle partijen vinden dit; zie artikel 1 van de grondwet; de ideeën zijn vooral uitgedragen door het liberalisme

Montesquieu:

Visie op de rol van de staat: scheiding der machten

Zichtbaar in huidige politiek: dit idee is in Nederland doorgevoerd; de regering voert uit, het parlement neemt wetten aan en de rechterlijke macht is onafhankelijk

Opmerking: In Nederland heeft ook de regering veel invloed op de wetgeving, dus van een strikte scheiding is geen sprake.

Nederland kent nog steeds een tweekamerstelsel, maar dit is sinds 1848 niet meer gebaseerd op de tegenstelling adel-burger.


Rousseau

Visie op de rol van de staat: voorstander van een directe democratie en een bestuur van de besten

Zichtbaar in huidige politiek: een voorbeeld van directe democratie is het referendum; D66 streeft naar uitbreiding van democratie (gekozen burgemeester)

Een bestuur van de besten kent Nederland niet. Zie bijvoorbeeld de salarissen van ministers, die zijn lager dan in het bedrijfsleven.



Smith

Visie op de rol van de staat: deze moet zo klein mogelijk zijn, economisch liberalisme

Zichtbaar in huidige politiek: deze gedachten worden (in beperkte mate) uitgedragen door liberale partijen

Marx

Visie op de rol van de staat: de staat is in handen van de bezitters van productiemiddelen; die zorgt voor de behartiging van hun belangen; na een dictatoriale overgangsfase volgt een klassenloze maatschappij.

Zichtbaar in huidige politiek: een klassenloze maatschappij is nergens tot stand gekomen; in communistische landen is men blijven steken in de dictatuur van het proletariaat; communistische partijen zijn er niet meer in Nederland; sociaaldemocratische partijen: PvdA en SP

Over de invloed van de bezitters van productiemiddelen is een aardige discussie mogelijk door te wijzen op het spekken van de verkiezingskassen van deelnemers aan de presidentsverkiezingen in de VS.

Hoofdstuk 3

Opdracht 1

In een rechtsstaat gelden de wetten voor alle inwoners, ook voor de overheid en iedereen is voor de wet gelijk. Bovendien is iedereen in de gelegenheid om naleving van deze wetten af te dwingen. De rechterlijke macht ziet daarop toe en is hierbij onafhankelijk van de overheid. De overheid legt verantwoording af en dit alles is vastgelegd in de grondwet.



Opdracht 2

a In het volgende tekstgedeelte: 'zij verraden het volk en beroven het van de vrijheid die zij volgens Gods ordinantie behoren te beschermen'.

b Er werd een beroep gedaan op vanzelfsprekende waarheden, onder andere op de overtuiging dat mensen van de Schepper bepaalde onvervreemdbare rechten hadden meegekregen en dat ze allen gelijk geboren waren. Een vorst (het staatsbestuur) moet zich ten overstaan van zijn volk kunnen verantwoorden voor zijn daden. Dit is de basis voor het idee van de rechtsstaat. Als de vorst niet aan dit principe voldoet mag het volk in opstand komen.

c Op grond van deze denkbeelden mocht Willem van Oranje zich verzetten tegen het beleid van Filips II. De invloed van Calvijns denken is terug te vinden in de Acte van Verlatinghe. Uit het verzet tegen Spanje ontstond de Unie van Utrecht en in 1588 de Republiek der Verenigde Nederlanden.



Opdracht 3

a Locke, Montesquieu en Rousseau.

John Locke pleitte voor grondrechten.

Montesquieu was voorstander van de 'scheiding der machten'. Onder scheiding van machten verstond Montesquieu dat er een scheiding moest komen tussen diegenen die het land bestuurden (uitvoerende macht), diegenen die in het land de wetten maakten (wetgevende macht) en diegenen die rechtspraken (rechtsprekende macht).

Rousseau was voorstander van volkssoevereiniteit. Onder volksoevereiniteit verstond Rousseau dat de hoogste macht in het land in handen moest zijn van het volk.

b Grondrechten beschermden de burgers tegen de staat. Ze zorgen voor rechtsgelijkheid.

Scheiding der machten maakt onafhankelijke rechterlijke controle mogelijk.

Bij volksoevereiniteit moet de overheid verantwoording afleggen aan de bevolking.

c Grondrechten beschermen de burgers tegen de staat. Ze zorgen voor rechtsgelijkheid.

Scheiding der machten maakt onafhankelijke rechterlijke controle mogelijk.

Bij volksoevereiniteit moet de overheid verantwoording afleggen aan de bevolking.

Opdracht 4

a Burgers, u wordt al twee eeuwen lang bedrogen door heerszuchtige lieden ('de Oranjes'), die net doen alsof zij uw vrijheid en belangen dienen en u in werkelijkheid een erfelijk juk opleggen.

b De regenten verboden zowel het bezit als het lezen van dit opruiende pamflet. Op verspreiding van het pamflet stond levenslange verbanning. Er was dus geen vrijheid.

c Prins Willem V, half gekleed, half naakt. Enerzijds was hij legeraanvoerder, anderzijds een persoon die vaak te diep in het glaasje keek. Op de achtergrond een koets en een belegerde stad.



Opdracht 5

Uitgangspunten van deze Staatsregeling waren de gelijkheid van alle burgers voor de wet, de scheiding van de machten en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht. Deze zou 'zonder onderscheids des persoons' rechtspreken, op basis van voor het gehele land geldende rechtsregels. Daarmee werd Nederland een rechtsstaat.



Opdracht 6

De Franse Revolutie zorgde voor de ondergang van de feodale samenleving en van de standenmaatschappij. In de Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger waren vrijheid en gelijkheid van burgers voor de wet opgenomen.

Napoleon heeft gelijkheid van de burgers voor de wet in de Code Civil vastgelegd. Rechtspraak werd openbaar en er kwamen regels voor een eerlijke rechtspraak. Deze regels zijn overgenomen in het Nederlandse Burgerlijk Wetboek, dat nog steeds geldt.

Opdracht 7

Thorbecke was voorstander van een klassieke rechtsstaat, waarin de klassieke grondrechten werden vastgelegd, die de burger moesten beschermen tegen overheidsbemoeienis. Om willekeur te vermijden was het noodzakelijk om de bevoegdheden van de staat in wettelijke regels vast te leggen. Deze bevoegdheden lagen bij de ministers, die verantwoording moesten afleggen aan het parlement.



Opdracht 8

a De liberalen waren aan de macht en die werden gesteund door de werkgevers. Zij waren uiteraard tegen werkstakingen en werkten opheffing van het verbod tegen.

b De prent is gemaakt naar aanleiding van het succes van de Eerste Spoorwegstaking door de socialist Hahn. Dat kun je zien aan de volgende elementen:


  • de arbeider is groot en machtig afgebeeld

  • de kapitalisten sjorren aan zijn broek

  • de arbeider houdt de treinen tegen, de stakingen zijn een succes

c De eerste spoorwegstaking was een succes, want de werkgevers moesten toegeven aan de eisen van de arbeiders. Toen de regering Kuyper staken daarop wettelijk strafbaar wilde maken voor ambtenaren en werknemers in bepaalde sectoren waaronder de spoorwegen (de zogenaamde dwang- of worgwetten) werd een algemene werkstaking de kop ingedrukt bij de spoorwegen. De dwang- of worgwetten werden goedgekeurd door de Tweede Kamer. De verbittering daarover binnen socialistische kringen was groot.

Opdracht 9

NB Het is belangrijk om bij het opgeven van de opdracht uit te leggen wat hippies waren en waarom de Elsevierredacteur koos voor de titel een hippie-grondwet voor zijn artikel over de grondwet van 1983)

a Er worden nieuwe grondrechten toegevoegd, zoals het discriminatieverbod (art. 1), vastlegging van de onaantastbaarheid van de persoonlijke levenssfeer en het menselijk lichaam, algemene vrijheid van meningsuiting en de sociale grondrechten (verplichting van de overheid om werkgelegenheid, bestaanszekerheid en een schoon milieu te bevorderen).

Daarnaast zijn belangrijk:


  • verlaging van de minimumleeftijd om Kamerlid te worden tot 18 jaar

  • invoering van gelijktijdige verkiezingen van alle Eerst Kamerleden voor vier jaar

  • de mogelijkheid om bij wet het kiesrecht voor de gemeenteraden open te stellen voor inwoners die geen Nederlander zijn

  • bovendien werd het verbod tot het opleggen van de doodstraf opgenomen in de grondwet

b Het artikel verscheen in 2005. In 2005 werd veel kritischer nagedacht over de maakbare staat dan in 1983. De sociale grondrechten geven een veel te grote rol aan de overheid, die voor spreiding van welvaart zou moeten zorgen, voor verbetering van het leefmilieu en voor bijvoorbeeld maatschappelijke en culturele ontplooiing en voor vrijetijdsbesteding. Grondrechten werden traditioneel vastgelegd om de burger tegen de staat te beschermen en desnoods tegen andere burgers. Maar de Grondwet van 1983 ademt een tijdgeest waarin de overheid zich op zeer politieke, tijdgebonden gronden nieuwe grondwettelijke taken toedicht. In de praktijk waren deze taken nauwelijks waar te maken. Daarnaast beperkte het antidiscriminatieartikel wellicht de mogelijkheden om negatief gedrag bespreekbaar te maken. De misdaad en fraudebestrijding hebben bovendien veel hinder gehad van de privacyartikelen. De schrijver concludeert: 'Onze Grondwet van 1983 is dus een tijdgeestgrondwet, een staatsbemoeienisgrondwet, een wet die de geest ademt van Nieuw Links, van hippie, van provo en van multiculti, een grondwet waar nodig in gewied moet worden en waarvan de grondlegger, de liberale heer Wiegel, eigenlijk als eerste afstand zou moeten nemen.'

c + d Eigen antwoord van de leerlingen.



Opdracht 10

Het zijn niet de vrouwen zelf die eisen stellen, maar kinderen die iets voor hun moeder vragen. De idee dat een vrouw in de eerste plaats moeder is, past bij een tijd waarin het moederschap nog gezien werd als eerste taak van vrouwen. De vrouwenemancipatie beoogde juist om ook andere kwaliteiten van vrouwen te benadrukken.



Opdracht 11

De eerste feministische golf (1870-1920) was gericht op het verwerven van vrouwenkiesrecht, betere opleidings- en beroepsmogelijkheden en een betere rechtspositie.

Bekende vertegenwoordigsters waren Aletta Jacobs (de eerste vrouwelijke arts na haar studie aan de Rijksuniversiteit van Groningen) en Wilhelmina Drucker. Zij richtte in 1889 de Vrije Vrouwen Vereeniging op, waaruit zich in 1894 de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht ontwikkelde.

De tweede feministische golf (1965-1975) was gericht op gelijke kansen op de arbeidsmarkt, seksuele bevrijding van de vrouw (recht op de pil), economische zelfstandigheid en herverdeling van de zorgverantwoordelijkheid. Een belangrijk actiepunt was het recht op abortus ('baas in eigen buik'). Bekende actievoersters waren Hennie de Swaan in Dolle Mina en Hedy d'Ancona en Joke Smit in Man Vrouw Maatschappij.



Opdracht 12

a Door discriminatie te verbieden benadruk je de gelijkheid van alle inwoners.

b In een rechtsstaat gelden de wetten voor alle inwoners, ook voor de overheid, en iedereen is voor de wet gelijk. Bovendien is iedereen in de gelegenheid om naleving van deze wetten af te dwingen. De rechterlijke macht ziet daarop toe en is hierbij onafhankelijk van de overheid.

Gelijkheid van alle personen voor de wet is een uitgangspunt van de rechtsstaat. Discriminatie is een aantasting van gelijke behandeling en dus in strijd met het idee van de rechtsstaat. Dankzij dit artikel mag iedereen die zich in Nederland bevindt, de naleving van dit uitgangspunt via de rechterlijke macht juridisch afdwingen.



Hoofdstuk 4

Opdracht 1

Ondaatje studeert rechten in Utrecht en is in 1783 een van de oprichters van het exercitiegenootschap Pro Patria et Libertate. Deze burgerwacht moest tegenwicht bieden aan het door regenten beheerste Utrechtse stadsbestuur.

Als het vroedschap (stadsbestuur) een nieuw lid wil benoemen, blijkt deze persoon een tegenstander van de Patriotten. De Patriotten, die de vriendjespolitiek zat zijn, protesteren heftig tegen de benoeming. Ondaatje wordt onderhandelingsleider en houdt de regenten voor dat ze moeten buigen voor het volk, waaraan ze hun positie te danken hebben. De regenten geven aanvankelijk toe en de bevolking keert huiswaarts. Zodra het gevaar geweken is verbieden zij echter elke vorm van samenscholing. Zij beginnen bovendien een lastercampagne tegen Ondaatje. Dit wakkert het verzet weer aan. Er worden enkele pogingen gedaan om het vroedschap te dwingen in te stemmen met de invoering van een democratisch reglement en het komt opnieuw tot een opstand, bij het stadhuis in 1786. Ondaatje is dit keer vastbesloten om niet op te geven. Na enkele maanden stuurt de schutterij de vroedschap naar huis en komt een Patriotse raad aan de macht. Dit duurt niet lang, want in 1787 valt het Pruisische leger ons land binnen. Ondaatje vlucht naar het buitenland.

Opdracht 2

a In de Nationale Vergadering ontstonden grote tegenstellingen over welke personen kiesrecht mochten krijgen en over de staatsvorm. Na meer dan een jaar overleg werd het moeizaam bereikte compromis verworpen. Na een staatsgreep kregen radicale Unitarissen de macht in handen..Hun tegenstanders werden uit de Nationale Vergadering gezet. Vervolgens was binnen drie maanden de grondwet gereed. Nederland werd een eenheidsstaat. Op locaal niveau werden maatregelen echter vaak geboycot. In 1801 werd de grondwet, na opnieuw een staatsgreep, buiten werking gesteld. Een nieuwe grondwet verzwakte de positie van de Nationale Vergadering.

b Feit: soldaten zijn teruggestuurd naar hun kazernes.

Meningen: Bataafse 'vernieuwing'; vervolgt 'vredig' haar bezigheden.

De beschrijving wordt gegeven door een aanhanger van de Unitarissen. Hij vindt de resultaten een vernieuwing en wil de onrust zo veel mogelijk verzwijgen.

c Gewezen kan worden op de uitbreiding van het kiesrecht. De uitsluiting van de Oranjeklanten en de Federalisten was terecht. Dit waren bewegingen die pasten bij de situatie van voor 1795: toen was er geen democratie. De sociaaleconomische onafhankelijkheid was noodzakelijk om niet omgekocht te worden bij het stemmen.

d Thorbecke was ook voorstander van een eenheidsstaat. Hij was bovendien voorstander van censuskiesrecht (sociaaleconomische onafhankelijkheid), maar wilde verder niemand vanwege zijn politieke opvattingen uitsluiten.

Opdracht 3

a 'de bondgenooten trekken op Utrecht': hiermee werden de Russische en Pruisische troepen bedoeld, die Oranjegezind waren.

b 'de zee is open': er kwam een einde aan het Continentale Stelsel, Napoleon had alle handel met Engeland geblokkeerd.

c 'alle partijschap heeft opgehouden': de tegenstellingen tussen Oranjegezinden en Patriotten zijn achter de rug.

d 'alle de aanzienlijken komen in de regering': het bestuur kwam weer in handen van de rijke burgers en de adel.

e 'de oude tijden komen weerom': de machthebbers van voor 1795 zijn weer terug. Men speelde hierbij in op de anti-Franse gevoelens die verband hielden met de inlijving bij Frankrijk.



Opdracht 4

a De vorstenhuizen van voor de Franse Revolutie of de Napoleontische oorlogen keerden weer terug op de troon.

b Tijdens het Wener Congres kwamen alle Europese vorsten bijeen om de nieuwe grenzen te bepalen in Europa. Men hoopte waarborgen te scheppen tegen nieuwe revolutionaire stromingen.

c Koning Willem I regelde veel via Koninklijke Besluiten. De ministers waren bovendien verantwoording schuldig aan de koning en niet aan het parlement. De overheid werd dus niet democratisch gecontroleerd. De koning oefende ook invloed uit op de rechters, zodat van machtenscheiding geen sprake was. Ook Willem II, die in 1840 zijn vader opvolgde, had zeer grote invloed op het bestuur.



Opdracht 5

  • De angst voor een revolutie die een einde zou maken aan het koningshuis. Toen in 1848 in Frankrijk, Wenen, Boedapest en Berlijn opstanden tegen de monarchie uitbraken, sloeg Willem II de schrik om het hart. Zou ook in zijn land een opstand uitbreken?

  • De onvrede bij de liberalen over de machtspositie van de koning.

  • De economische problemen, werkloosheid, prijsstijgingen (voedselrelletjes).

  • De invloed van de zogenaamde Lilliputters en radicale journalisten zoals Van Bevervoorde.

Opdracht 6

De ministers werden verantwoordelijk. Zij konden ter verantwoording worden geroepen als het parlement het oneens was met het hun beleid. Het parlement kreeg meer rechten: wetgevende rechten, zoals het recht van amendement, en controlerende rechten, zoals het recht van interpellatie en het recht van enquête. De macht verschoof van de koning naar het parlement. De leden van de Tweede Kamer werden voortaan rechtstreeks gekozen. De leden van de Eerste Kamer werden gekozen met getrapt of indirect kiesrecht via de Provinciale Staten.

De grondwet versterkte de invloed van de bevolking op het bestuur van het land, maar door het censuskiesrecht was er nog geen sprake van een democratie.

Opdracht 7

a De Aprilbeweging. Het conflict gaat tussen de koning en het kabinet-Thorbecke. Het gaat over de toepassing van de grondwet van 1848 (het recht op 'vrijheid van kerkelijke organisatie').

Het kabinet Thorbecke, voorstander van scheiding tussen kerk en staat, wil het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in Nederland niet verbieden. Koning Willem III vaart echter zijn eigen koers en laat zijn sympathie blijken voor protesten tegen het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in Nederland. Hij weigert het adres met een door het kabinet gedicteerde afwijzende reactie op de protesten te beantwoorden. De koning zou de ministeriële verantwoordelijkheid moeten accepteren, maar dat doet hij dus niet Als hij evenmin bereid is hierop terug te komen, treedt het kabinet-Thorbecke af.

b De kwestie Mijer. Bij deze kwestie verzette de Tweede Kamer zich tegen de benoeming van de minister van Koloniën, Pieter Mijer, tot gouverneur-generaal van Nederlands-Indië. De minister had namelijk juist de begroting met daarin een nieuwe koloniale politiek door de Tweede Kamer gehaald. De regering (koning en ministers) vonden dat de Tweede Kamer zich hier niet mee had te bemoeien. Op advies van het kabinet stuurde de koning de Tweede Kamer naar huis. Het ging dus in dit geval om een conflict tussen de Koning en de Tweede Kamer.

c De kwestie Luxemburg. De Luxemburgse kwestie ontstond toen Koning Willem III in 1867 Luxemburg aan Frankrijk wilde verkopen. Toen Bismarck, de eerste minister van Pruisen, dit vernam liet hij de Nederlandse regering weten dat dit een aanleiding tot oorlog kon zijn. Onmiddellijk nam de minister van Buitenlandse Zaken van Nederland het initiatief tot een conferentie over de status van Luxemburg. Tijdens deze conferentie werd een verdrag gesloten waarin de neutraliteit van Luxemburg werd gegarandeerd. De liberalen in het parlement vonden dat minister Van Zuylen met zijn eigenmachtige optreden in deze zaak de Nederlandse neutraliteit in gevaar had gebracht. De Kamer wenste dat het kabinet aftrad. Het kabinet wilde, gesteund door de koning, gewoon blijven zitten. De Tweede Kamer stemde de begroting voor Buitenlandse Zaken af. Dit had tot gevolg dat een kwade Willem III het parlement ontbond. Het nieuw gekozen parlement verwierp echter bij motie de ontbinding van het vorige parlement en stemde opnieuw tegen de begroting. Dit had uiteindelijk tot gevolg dat het kabinet opstapte. Het betrof dus een conflict tussen de regering enerzijds en de Kamer anderzijds. Na dit conflict gold de vertrouwensregel, de ongeschreven regel welke inhoudt dat een minister, staatssecretaris of het kabinet moet aftreden als zij niet langer het vertrouwen genieten van het parlement.

Opdracht 8

Op Noordeinde staat het werkpaleis van de koningin. Het geheim van Noordeinde slaat op de invloed van koning Beatrix op het beleid van de regering. Deze invloed blijft in verband met de ministeriële verantwoordelijkheid geheim. Toch kan de koningin wel degelijk invloed uitoefenen. Dit is bijvoorbeeld mogelijk tijdens kabinetsformaties, omdat zij dan de informateur en formateur mag aanwijzen. Bovendien heeft koningin Beatrix wekelijks een gesprek met de minister-president. De minister-president zwijgt over de inhoud.



Opdracht 9

Deze bron geeft informatie over de angst voor het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie. Terwijl de bisschoppen zich in processie bewegen richting de stadspoort van Utrecht, slaan de burgers op de vlucht. Een aantal dominees probeert de stadspoort te laten instorten. Het insect verwijst wellicht naar een mogelijke insectenplaag.



Opdracht 10

a De leer die alle staatsgezag afwijst.

b In de kamer opereerde Domela als enige sociaaldemocraat als eenling. Hij werd door de andere Kamerleden als een soort melaatse behandeld. Hij raakte dusdanig teleurgesteld in de mogelijkheden om de arbeidersbelangen te verdedigen, dat de SDB in 1893 besloot om voortaan actie te gaan voeren buiten het parlement.

Buiten de Kamer kreeg Domela steeds meer waardering voor acties van ongeschoolden. Hij raakte steeds meer overtuigd van de mogelijkheden van een algemene werkstaking. Dit zou een middel zijn voor het op gang brengen van de socialistische revolutie.

c Een deel van de leden van de SDB bleef voorstander van de parlementaire weg en begon een eigen partij.

d Nee, de SDAP hield een gewelddadige omwenteling voor onvermijdelijk als eenmaal de socialistische arbeiders de parlementaire meerderheid hadden veroverd (in 1918 geloofde Troelstra nog in de mogelijkheid van een socialistische revolutie).



Opdracht 11

a


  1. Als er algemeen kiesrecht zou komen en het districtenstelsel bleef gehandhaafd, dan zouden de liberalen veel zetels verliezen.

  2. Ze meenden dat het stelsel van evenredige vertegenwoordiging meer mogelijkheden bood voor een op beginselen gevoerde verkiezingsstrijd.

  3. Er waren technische bezwaren tegen het districtenstelsel. Inmiddels waren de verschillen tussen de bevolkingsaantallen van de districten groot geworden. Dus niet iedere stem was evenveel waard.

  4. Stemmen op de verliezende partijen gingen verloren. De Tweede Kamer was dus geen eerlijke afspiegeling van de stemverhoudingen.

b

Voordelen;



  • Bij dit stelsel tellen alle stemmen die in het gehele land worden uitgebracht mee.

  • Kleinere of nieuwe partijen kregen de kans om hun stem te laten horen.

Nadeel: De afstand tussen kiezer en gekozene werd groter.

c


  • Men wil de afstand tussen kiezer en gekozene kleiner maken.

  • Het verlevendigt het politieke debat.

  • Het maakt de afstand tussen Den Haag en de regio kleiner.

  • Er blijven slechts enkele, grote partijen over en dat vergemakkelijkt het vormen van een regering.

Opdracht 12

Stelling 1: Als je naar de bepalingen kijkt dan zijn deze een ondersteuning geweest voor de vastlegging van grondrechten en de gelijkheid tussen man en vrouw.

Stelling 2: Na de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog groeide het besef van de noodzaak van Europese samenwerking. De opkomst van supermachten als de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie maakte duidelijk dat er alleen voor een Verenigd Europa een rol als derde macht zou overblijven.

Stelling 3: Europese wetgeving gaat boven nationale wetgeving. Dat betekent dat de Nederlandse wetten aangepast moeten worden als zij strijdig zijn met Europese wetten. In de praktijk kan ons parlement besluiten die zijn genomen op Europees niveau moeilijk terugdraaien. Dus de democratische controle op de besluitvorming neemt af.



Opdracht 13

a Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten



  1. recht op zelfbeschikking voor de volken

  2. gelijke rechten van mannen en vrouwen

  3. recht op leven (mogelijke uitzondering: doodstraf)

  4. verbod op folteringen en wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing

  5. verbod op slavernij en dwangarbeid

  6. recht op vrijheid en veiligheid van de persoon, verbod op willekeurige arrestatie of gevangenhouding

  7. menselijke en waardige behandeling van gevangenen

  8. recht op vrije verplaatsing en vrije vestiging

  9. bescherming van vreemdelingen

  10. gelijkheid voor de rechter, vermoeden van onschuld, garanties voor verdachten

  11. geen straf dan door een wet (ook geen terugwerkende kracht)

  12. recht op erkenning door de wet

  13. recht op privacy

  14. vrijheid van denken, geweten en godsdienst

  15. recht op vrije meningsuiting

  16. verbod op propaganda voor oorlog en racistisch geweld of discriminatie

  17. recht op vreedzame vergadering

  18. vrijheid van vereniging en vakbond

  19. bescherming van het gezin en het huwelijk

  20. bescherming van minderjarigen

  21. recht op openbaar leven (o.a. deelname aan verkiezingen)

  22. gelijkheid voor de wet

  23. rechten voor minderheden (cultuur, godsdienst, taal)

EVRM:

  1. recht op leven

  2. verbod op martelen

  3. verbod op slavernij en dwangarbeid

  4. recht op vrijheid en veiligheid

  5. recht op een eerlijk proces

  6. geen straf zonder wet (legaliteitsbeginsel)

  7. recht op privacy

  8. vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst

  9. vrijheid van meningsuiting

  10. vrijheid van vergadering

  11. recht op huwelijk

  12. recht op daadwerkelijk rechtsmiddel

  13. verbod op discriminatie

b Wat opvalt is de grote mate van overeenstemming.

c Een verdrag gaat boven de grondwet. Landen zijn dus gebonden aan de inhoud van verdragen. Door internationale verdragen voelen steeds meer landen zich gebonden aan de inhoud, bovendien kunnen andere landen medeondertekenaars op de inhoud van de afspraken wijzen.



Opdracht 14

Stelling 1: De Europese samenwerking en eenwording is belangrijk geweest voor de democratie in Europa.

Mogelijke argumenten voor:


  • Landen voelen zich steeds meer gebonden aan de internationale verdragen die allerlei democratische rechten vastleggen.

  • Om lid te kunnen worden van de Europese Gemeenschap/Unie moet men aan bepaalde democratische voorwaarden voldoen.

  • Het Europees Parlement is een internationaal democratisch platform.

  • Landen leren van andere landen door internationale samenwerking en overleg.

Argumenten tegen:

  • Steeds meer zaken worden per wet geregeld in Europees verband.

  • Europese besluiten kunnen moeilijk op nationaal niveau worden afgestemd. Dus is er veel minder controle op wetgeving.

  • We kiezen democratisch ons parlement, het Europees parlement heeft nauwelijks bevoegdheden. Dus is er minder democratische controle.

Stelling 2: Het Europese verdrag van juni 2007 is een belangrijke bijdrage aan de democratisering van Europa.

Mogelijke argumenten voor:



  • De Europese Unie mag zich niet bemoeien met diensten van algemeen belang. Het gaat hier dan om huisvestingsbeleid, volksgezondheid en veel dat te maken heeft met de sociale zekerheid. Dus deze aangelegenheden blijven in handen van de deelnemende landen zelf, met de democratische controle die daar bij hoort.

  • Er komt een nieuwe stemmenweging die meer rekening houdt met de omvang van de bevolking van een lidstaat, maar door tegenstand van de Polen komt die pas in 2014.

  • Om de democratische controle te versterken krijgen de nationale parlementen meer invloed. Er komt een 'gele kaart'-procedure. Dat houdt in dat als een derde van de nationale parlementen een voorstel van de Europese Commissie niet ziet zitten, omdat ze vinden dat het beter nationaal dan Europees kan worden geregeld, de Commissie haar voorstellen moet aanpassen en duidelijk moet maken waarom een voorstel voor Europese regelgeving nodig is.

  • Op aandringen van Nederland is er ook een 'oranje kaart'-procedure: als meer dan de helft van alle nationale parlementen een voorstel van de Commissie niet wil, dan moet de Commissie besluiten of het voorstel van tafel gaat. Zet de Commissie alsnog door, dan moet de Raad van Ministers met 55% van de stemmen, of een meerderheid in het Europees Parlement, het hele voorstel schrappen.

  • Ook het Europees Parlement krijgt meer te zeggen. Op het gebied van landbouw, structuurfondsen, handelsbeleid en deels voor justitie, migratie en politiezaken heeft het Europees Parlement medebeslissingsrecht gekregen. Dat wil zeggen dat het ook op die terreinen net zoveel te zeggen krijgt als de Raad van Ministers, en voorstellen kan blokkeren.

  • Als Europese burgers meer dan één miljoen handtekeningen weten te verzamelen over een onderwerp dan moet de Europese Commissie met een voorstel over dat onderwerp komen.

Mogelijke argumenten tegen:

  • Op een aantal gebieden verliest een deelnemend land zijn vetorecht. Er wordt dan gestemd met gekwalificeerde meerderheid.

  • Het aantal vertegenwoordigers van een land in het Europees Parlement daalt licht.

  • In de Europese commissie wordt het aantal leden teruggebracht tot twee derde van het aantal lidstaten. Na 2014 moet elk land het een op de drie zittingsperiodes zonder landgenoot in de Commissie doen. Dat betekent dat niet ieder land vertegenwoordigd is in de Europese Commissie

Hoofdstuk 5

Opdracht 1

Tijdens de Bataafse Republiek werd gestreefd naar meer eenheid in Nederland. Een middel hiertoe was het onderwijs. Door de schoolwet van 1806 kregen alle schoolgaande kinderen hetzelfde onderwijs, op basis van algemeen christelijke waarden. Leerstellig onderwijs zou zorgen voor verdeeldheid en was daarom niet toegestaan.



Opdracht 2

  • Gelovigen waren tegenstander van openbaar onderwijs waarbij alle schoolgaande kinderen hetzelfde onderwijs kregen.

  • Het openbaar onderwijs ging uit van algemeen christelijke waarden. Over deze waarden werd verschillend gedacht door protestanten en katholieken.

  • De grondwet van 1848 bood de mogelijkheid om protestantse of katholieke scholen op te richten, omdat daarin vrijheid van onderwijs werd vastgelegd. Op basis van deze grondwet kwam er in 1857 een nieuwe schoolwet, opgesteld door een liberale regering. Deze wet maakte het weliswaar mogelijk om protestantse en katholieke scholen op te richten, maar de staat verleende geen subsidie aan deze scholen. Ouders die hun kinderen naar bijzonder onderwijs stuurden moesten dit zelf bekostigen. Via de belastingen betaalden zij bovendien mee aan de financiering van het openbaar onderwijs.

Opdracht 3

Binnen de Liberale Unie ontstonden grote tegenstellingen over uitbreiding van het kiesrecht en de sociale kwestie.

In 1894 scheidden de conservatieven zich af in een groepering die in 1906 de Bond van Vrije Liberalen ging heten. De conservatieve oud- of vrije liberalen stonden tegenover de gematigd vooruitstrevende Liberale Unie. Zij hielden grotendeels vast aan het negentiende-eeuwse economische liberalisme (laissez faire).

De voorstanders van algemeen kiesrecht en sociale wetgeving scheidden zich in 1906 af als vrijzinnig democraten. De VDB was een links-liberale partij, die in 1901 werd opgericht. In zekere zin is zij als voorloper van D66 te beschouwen.



Opdracht 4

Het betekent: tegen de beginselen van de Franse Revolutie. Een belangrijk beginsel van de Franse Revolutie was volkssoevereiniteit. De antirevolutionairen waren echter voor soevereiniteit van God..



Opdracht 5

a Tijdens het interbellum hadden de confessionele partijen samen een meerderheid in de Tweede Kamer. Dit was het gevolg van het algemeen kiesrecht en het stelsel van evenredige vertegenwoordiging..

b Tijdens de crisistijd ontstond de roep om een sterke man aan het hoofd van een krachtdadige regering (vergelijk Duitsland). De ARP wilde op deze wijze Colijn aan het roer van de Nederlandse staat verbeelden.

c Colijn leek een krachtiger leider dan Mussert, en de verzuiling hield de Nederlanders gebonden aan hun eigen partij.



Opdracht 6

Omdat het Nederlandse politieke landschap altijd gekenmerkt is door sterke confessionele partijen. Deze wisten hun aanhang door de verzuiling krachtig aan zich te binden. Veel arbeiders stemden dus op een confessionele in plaats van een socialistische partij.



Opdracht 7

a Op 11 en 12 november laat Troelstra zich meeslepen door de revolutiewaan. Op 17 november blijkt dat een revolutie kansloos is. Troelstra geeft dit toe op het SDAP-congres.

b Marx had een wereldrevolutie voorspeld en bovendien zag hij oorlog als laatste fase van het kapitalisme. Toen in 1917 een communistische revolutie in Rusland uitbrak, gevolgd door een revolutie in Duitsland (november 1918), leek het er op dat zijn ideeën uitkwamen. Vooral de ontwikkelingen in Duitsland maakten veel indruk (tekst 3). Ook in Nederland was er enige onrust in het leger en in de Rotterdamse haven.

c


  1. Het gaat allemaal om personen met een linkse politieke signatuur.

  2. Troelstra was leider van de SDAP, de parlementaire stroming binnen links. Wijnkoop en Roland Holst waren communisten, een revolutionaire stroming binnen links. Beide stromingen bestreden elkaar soms fel.

Opdracht 8

a


  • De Tweede Wereldoorlog vormt het begin van een nieuwe periode, die aan enkeling en gemeenschap nieuwe eisen stelt.

  • Het Nederlandse volk heeft een geestelijke vernieuwing nodig, gevoed uit levende bronnen van christendom en humanisme.

  • Fundamenteel in deze vernieuwingswil is de eerbied en verantwoordelijkheid voor de mens, die slechts in dienst aan een hechte, rechtvaardige en bezielde gemeenschap tot ontplooiing komt (personalistisch socialisme).

  • Christelijke antithese en de klassenstrijd zijn geen vruchtbare beginselen meer voor de oplossing van de maatschappelijke vraagstukken van het heden.

b Veel politieke leiders werden tijdens de oorlogsjaren ondergebracht in gijzelaarskampen. De gezamenlijke internering in vijandelijke omgeving schiep ruimte om te discussiëren over een andere Nederlandse samenleving na de oorlog. Zou er niet een einde moeten komen aan de hokjesgeest en politieke verdeeldheid die Nederland hadden gekenmerkt tijdens het interbellum? Deze denkbeelden leidden onmiddellijk na de bevrijding tot de oprichting van de Nederlandse Volksbeweging.

c Aanvankelijk was er veel enthousiasme voor de nieuwe denkbeelden. De PvdA werd opgericht als doorbraakpartij. Zowel de bisschoppen als de protestantse leiders vertrouwden meer op de kracht van de verzuiling dan op de vage denkbeelden van de doorbraak. De PvdA werd niet de grootste partij bij de verkiezingen. Dat werd de KVP.



Opdracht 9

a KVP-poster: In de jaren vijftig was het gezin de hoeksteen van de samenleving. De vrouw werd vooral gezien als moeder. Vooral in confessionele en met name in katholieke kringen werd dit benadrukt.

VVD-poster: De VVD benadrukte de liberale vrijheid. Vooral de VS waren een voorbeeld van economisch liberalisme. Het Vrijheidsbeeld symboliseerde de vrijheid in de VS. In de jaren vijftig was de herinnering nog levendig aan de bevrijding in 1945, waarbij de VS een hoofdrol speelden.

b De PvdA koos het portret van Drees, omdat hij als premier populair was en stond voor een degelijk beleid. Door het doorbraakdenken werd de nadruk bij posters niet langer gelegd op socialistische programmapunten.



Opdracht 10

De Nederlandse samenleving veranderde snel tijdens de jaren zestig. De welvaart veroorzaakte ontkerkelijking en ontzuiling. Een belangrijke factor was ook de komst van de televisie. Daardoor verminderde de greep van één zuil op al zijn leden. Dit werkte door in de politiek: er kwamen steeds meer mensen die niet steeds op een en dezelfde partij stemden: de zwevende kiezers.



Opdracht 11

Door de opkomst van de zwevende kiezer moesten de grote partijen zich bij elke verkiezingen opnieuw waarmaken. Dit schiep bovendien ruimte voor nieuwe partijen en voor meer invloed van burgers op besluitvormingsprocessen: de 'participatiedemocratie'. Vooral in de links-radicale beweging ontstond een stroming die de burgers direct wilde laten deelnemen aan de politieke besluitvormingsprocessen.. Door de toenemende welvaart kreeg men in de jaren zestig oog voor de kwaliteit van het bestaan. Binnen het idee van de participatiedemocratie speelde fundamentele maatschappijkritiek vaak een belangrijke rol.



Opdracht 12

  1. Door de samenwerking tussen CDA en PvdA kwam er ruimte voor de Socialistische Partij.

  2. Door de paarse coalitie was er ruimte voor de kritiek van Pim Fortuyn en zijn felle debatstijl.

  3. Ook de oprichting van Groen Links past in het zoeken naar consensus. In de jaren zestig en zeventig lag de nadruk veel meer op de ideologische verschillen tussen de verschillende radicaal-linkse stromingen.

Opdracht 13

a


  • 'wij willen doorbreken': een hernieuwde poging tot doorbraak (van de tegenstelling progressief-conservatief)

  • 'een nieuwe democratie': meer participatiedemocratie, rechtstreeks gekozen minister-president en burgemeester

  • 'een nieuw kiesstelsel': zie bovenstaande en herinvoering van het districtenstelsel

  • 'openheid': geen achterkamertjespolitiek

b Door de burger veel meer inspraak te geven en bijvoorbeeld de burgemeester rechtstreeks te laten kiezen zou de burger politiek veel meer gaan zien als iets dat bij hemzelf hoorde. Het idee was dat ieder deelnam in elke vorm van beleid dat zijn dagelijks leven op de een of andere manier beïnvloedde.

c Ter beoordeling van de docent.



Opdracht 14


Ontwikkelingen

Verkiezingsuitslagen + achtergronden

de mislukking van de doorbraak

1946 + 1948: PvdA kleiner dan confessionele partijen; verzuiling keerde terug door houding geestelijke leiders

het einde van de rooms-rode coalitie

1956: PvdA groter dan KVP; 1959: na 3 jaar verkiezingen en KVP weer groter; tegenstellingen over economisch beleid nemen toe

de invloed van de jaren zestig

1967: Daling confessionele partijen: ontzuiling; stijging klein links: radicalisering; opkomst D66

de gevolgen van de polarisatie

1972 en 1977: stijging PvdA en VVD; gevolg van de nacht van Schmelzer, polariserende leiders Wiegel en Den Uyl

de reden voor de oprichting van het CDA

1971 en 1972: sterke daling KVP en CHU; reden: ontkerkelijking

de reden voor de oprichting van Groen Links

1986: sterke daling aanhang kleine linkse partijen

de opkomst van de SP

2002 en 2006: explosieve groei; PvdA kiest voor consensuspolitiek

het kortstondige succes van de lijst Pim Fortuyn

2002: tweede partij; 2006: geen zetels

Opdracht 15

a Hij vond dat zij te weinig kritisch waren geweest over het functioneren van de overheid, te weinig hadden gedaan in verband met de islamisering van de samenleving en hij hekelde de achterkamertjespolitiek

b Hij was een krachtige persoonlijkheid, authentiek (openlijk homoseksueel), maar ook gevoelig. Hij was vlijmscherp in het debat, met duidelijke uitspraken.

c Toen na de dood van Pim Fortuyn zijn aanhangers in de Tweede Kamer en zelfs in het kabinet kwamen, bleek hun grote verdeeldheid. Ook ontbrak het bij veel leden van deze partij aan politieke ervaring.



Opdracht 16

Ter beoordeling van de docent.

Afsluiting

Samenvatten

Opdracht 1


Tijd van Steden en Staten

1000-1500

De opkomst van de stedelijke burgerij en de toenemende zelfstandigheid van de stedelijke burgerij.

Persoonlijke vrijheid ontstaat in de stad: De landsheren gaven de steden en hun inwoners stadsrecht. De persoonlijke vrijheid had daarin kracht van wet.

Tijd van Ontdekkers en Hervormers

1500-1600

Het conflict in de Nederlanden dat resulteerde in de stichting van de Nederlandse staat.


Gewetensvrijheid als grondslag voor de opstand: Om hun verzet te rechtvaardigen beriepen de opstandelingen zich op oude rechten en privileges die in de loop der eeuwen door adel, steden of gilden waren verworven. Dit werd zichtbaar in de Unie van Utrecht, de Apologie en de Acte van Verlatinghe.

Tijd van Regenten en Vorsten

1600-1700

De bijzondere plaats in staatkundig opzicht en de bloei in economisch en cultureel opzicht van de Nederlandse republiek.


Gewetens- en persvrijheid in de Republiek: Het klimaat van algemene vrijheid in de Republiek was vooral mogelijk doordat zowel een sterke centrale burgerlijke overheid als een machtige geestelijkheid ontbrak.

Tijd van Pruiken en Revoluties

1700-1800

De democratische revoluties in de westerse wereld, met als gevolg discussies over grondwetten, grondrechten en staatsburgerschap.

De Bataafse tijd en vrijheden: In deze periode kwam de eerste grondwet tot stand: de Staatsregeling.

Tijd van Burgers en Stoommachines

1800-1900

De voortschrijdende democratisering, met de deelname van steeds meer mannen en vrouwen aan het politieke proces.

De strijd voor politieke rechten:

Deze resulteerde in de grondwet van 1848, die de invloed van de bevolking op het bestuur van het land vergrootte.



Opdracht 2


Machiavelli

Alleen een krachtige sluwe alleenheerser kan corruptie en strijd om de macht voorkomen.

Hobbes

Voorstander van sterk en effectief gezag (absolutisme).

Locke

Iedereen heeft grondrechten, de overheid moet verantwoording afleggen.

Montesquieu

Scheiding der machten.

Rousseau

Voorstander van een directe democratie en een bestuur van de besten.

Smith

Voorstander van economisch liberalisme.

Marx

De staat is in handen van de bezitters van productiemiddelen. Dit zorgt voor onderdrukking en leidt tot een revolutie. Na een dictatoriale overgangsfase volgt een klassenloze maatschappij.


Opdracht 3


Actor / factor

Tijd

Invloed van de actor / factor

Actor Calvijn

1533

Rechtvaardiging verzet tegen de overheid.

Actor Joan Derk van der Capellen tot den Pol

1580

Verzet tegen machtsmisbruik door stadhouder en regenten.

Factor Staatsregeling


1598

Begin rechtsstaat: gelijkheid van alle burgers voor de wet, de scheiding van de machten en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht.

De steden moesten hun stadsrechten inleveren en verloren daardoor ook hun bevoegdheid tot rechtspreken. Op het platteland raakten de heren niet alleen hun heerlijke rechten kwijt, maar ook de rechtsmacht in hun gebied.



Factor Code Civil

1804

Door de inlijving bij Frankrijk in 1810 werd de Code Civil in ons land ingevoerd die in 1838 vervangen werd door het Burgerlijk Wetboek. De rechtsstaat kreeg een juridische grondslag.

Factor Liberalisme

19e eeuw

Liberalen waren voorstander van de nachtwakersstaat: Zij vonden dat het optreden van de overheid beperkt moest worden tot een aantal basistaken.

Factor Sociale kwestie

Vanaf eind 19e eeuw

Opbouw sociale rechtsstaat, verzorgingsstaat door sociale wetgeving en opname sociale grondrechten.

Factor Vrouwenemancipatie

Vanaf eind 19e eeuw

Strijd voor politieke, sociaaleconomische en juridische gelijkstelling van vrouwen.

Opdracht 4


Titel

Wel/geen bijdrage aan uitbreiding democratie

De Patriotse Revolutie 1785-1787


Een tijdelijke bijdrage: voor het eerst kwam er onder invloed van de bevolking democratische stadsbesturen.

Monarchie en parlement


Eerst niet, later wel.

De besluitenregering van koning Willem I was ondemocratisch. Door de grondwet van 1848 werd de koning onschendbaar en kreeg het parlement het laatste woord. Koning Willem III accepteerde dit pas na een aantal conflicten.



Socialisten en algemeen kiesrecht



Wel.

Vooral de SDAP voerde een felle strijd voor algemeen kiesrecht. Een initiatiefwet van de VDB zorgde voor algemeen vrouwenkiesrecht.



Liberalen en het kiesstelsel



Wel.

De liberalen waren voorstander van invoering van het stelsel van evenredige vertegenwoordiging. Hierdoor kwam er een eerlijke afspiegeling van de stemverhouding.



Internationale samenwerking en democratie



Wel.

In internationale verdragen werden democratische grondrechten vastgelegd. De Europese integratie heeft de democratie in Europa bevorderd. Echter: het democratisch gat vormt een bedreiging voor de democratie in de lidstaten.




1   2   3


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina