Geschiedenis van de Nederlanden, boek van Blom. H1: Een lange aanvangsperiode



Dovnload 271.38 Kb.
Pagina13/13
Datum16.08.2016
Grootte271.38 Kb.
1   ...   5   6   7   8   9   10   11   12   13

H8. Nederland sinds 1830





  1. Een kleine nationale en liberale staat in Europa (1830-1870/1880)

Het Noorden alleen verder


Opstand in Zuiden zorgde voor grote vaderlandse reacties. Er is geen lib en kath oppositie. Maar met het stijgen v/de financiële lasten daalde de strijdlust. En ° er een lib oppositie tegen de koning, die uiteindelijk zal aftreden.

SITUATIE: Nederland: klein land, geen economische voorsprong meer, wel: het rijk en groots verleden was een inspiratiebron (kunst).



Internationale politiek: verhoudingen met België waren moeizaam

Hielden zich afzijdig, uitgezonderd in eco betrekkingen, er is een

tendens tot vrijhandel.

Economische en sociale verhoudingen


Financieel was het in de j30 en 40 moeilijk. Van Hall houdt een fin sanering. Hierbij komt een agrarische crisis en grote sociale gevolgen.

Echter: Nederland was rijk en welvarend, er was een beperkte eco groei, maar ze waren toch niet eco dominant.

WEL: zijn van betekenis i/d internationale handel en financiën

Agrarische sector was regionaal gedifferentieerd en sterk ontwikkeld. Gericht op

De export.

Veelzijdige nijverheid

Kolonies waren van grote betekenis: 1st: stelsel (Van Den Bosch) dat de bevolking

verplichtte tot diensten en leveranties. Hier komt later kritiek op => wijziging

tot exploitatie door particulieren.

Er was geen industrialisatie zoals in Engeland. Reden:



  1. geen grondstoffen aanwezig

  2. hoog loonniveau

  3. relatieve welvaart en eco groei => geen wijziging v/d tradities

  4. zwaartepunt eco: stedelijke en rurale renteniers

De standenverhoudingen waren dominant. De sociale hiërarchieën gecompliceerd en verfijnd. -> Nederland was niet achterlijk maar anders

De vestiging van het parlementair stelsel


1/ Willem I: autoritaire regeringsvorm + directe politieke invloed van koning

Maar: er was wens tot verandering in verhouding koning en ministers

Punt v/d controle v/d overheidsfinanciën

2/ Liberalen: wilden volledige ministeriële verantwoordelijkheid en een daling van de

politieke macht v/d koning. Waren echter te klein.

3/ grondwetswijziging van 1840: strafrechtelijke ministeriële verantwoordelijkheid

contraseign

4/ zeer ingrijpende grondwetwijziging door Willem II (lib + Thorbecke)



  • ministeriële verantwoordelijkheid

  • parlement bestaat uit 2 kamers

  • vrijheid van godsdienst, onderwijs, drukpers, vereniging en vergadering.

Wel: veel tegenstand

Moest nog op verschillende vlakken tot uitvoering komen.

Er was geen partij en fractie vorming. Er bestonden wel liberalen, conservatieven en

Conservatief-liberalen (de middengroep).

Willem III probeerde (1849) om alles terug te veranderen tot voor 1848, dit mislukt.

In de j 60 ontstaat hierdoor een groot conflict.

Liberalen: weinig staatsinterventie => gunstig voor de handel

De overheid had wel nog veel taken:



  1. defensie, gezagshandhaving, regeling rechtspraak

  2. infrastructuur

  3. armenzorg: meer voor kerk, weinig overheid

  4. onderwijs: omgekeerde v/d armenzorg. Zorgde voor conflict met kerk.



Godsdienstige ontwikkeling en schoolstrijd


Midden 19de eeuw: meeste Nederlanders waren lid v/d Nederlandse Hervormde Kerk of RK.

De eersten streefden ernaar om de dogmatische verschillen te verminderen.



  1. dominant was de Groninger Richting: ruime marge

  2. hiertegen: > Orthodox-Calvinistisch: 1/ afscheiding
    2/ Reveil: oa G Groen van Prinsterer:
    ontw christelijk historische of anti revolution-
    aire richting.
    < Modernisme: oa JH Scholten

RK kwamen naar buiten als één groep, waren wel veel interne tegenstellingen. Zij werden beter behandeld, ° ‘herstel der bisschoppelijke hiërarchie’. Tegenstanders: Aprilbeweging. Thorbecke moet aftreden.

POLITIEK: komt tot korte samenwerking tss katholieken en liberalen (vooral tegenstellingen op gebied van onderwijs).

De schoolstrijd was gecompliceerd: de scholen waren vaak godsdienstloos of religieus ondogmatisch. Tegen dit kwam er vooral reactie van de orthodox-protestanten.

Oplossing: a) oprichting openbare gezindheidscholen

b) Oprichting bijzondere scholen.

De eerste optie was niet haalbaar: 1/ 1ste schoolwet. De liberalen wilden scholen voor

Ontwikkeling en vooruitgang gebruiken.

2/ 2de schoolwet (Kapperijne v/d Capelle): stijging

kwaliteit. Grotere secularisatie.

De tegenstanders van godsdienstige scholen

richtten er eigen op.

Het hoofdpunt was de financiering van de bijzondere scholen. Hier kwam tegenstand v/d lib.



Nieuwe organisatievormen in politiek en samenleving


Door de schoolstrijd ontstonden politieke partijen. De conservatieven daalden in aantal en de liberaal-conservatieven hielden opmet bestaan. De liberalen worden dominant.

Versus: Godsdienstige geïnspireerde groeperingen: zgn confessionele partijen.



  1. Kuyper: wordt aanvoerder van een orthodoxe partij. Door schoolstrijd: ° Anti-
    schoolwetverbond => ° Anti-revolutionaire partij.

  2. Ook bij de katholieken: tegen de seculariserende tendensen . Strijd om culturele en sociale emancipatie van de eigen groep (cf. protestanten).

De beiden zijn verschillend maar in de jaren 70 komt het tot een samenwerking. Hierdoor ° er een nieuwe dynamiek bij zowel de liberalen als de confessionele partijen.


  1. De modernisering van Nederland (1870/1880-1918)

Economische en sociale dynamiek


1/ Economie: de bevolking steeg en de economie verbeterde in alle sectoren: Er komt een schaalvergroting en technologische en organisatorische vernieuwingen.

Er komt ook een verbetering van de internationale concurrentiepositie. MAAR: De welvaart bleef toch achter bij België en er was geen verbetering voor de onderste lagen van de bevolking. De gevoeligheid hiervoor steeg wel bij de hoogste lagen.

Nederland had een burgerlijk cultuurpatroon. De arbeiders profiteerden op de lange duur wel van de welvaart: de koopkracht steeg en er ° een dynamische eco. De scholing zorgde voor emancipatie.
2/ Sociaal: ° v/d Moderne arbeidersbeweging: twee soorten: revolutionair en reformistisch. Deze laatste zullen het halen (na mislukte algemene staking in 1903).

Concurrenten: arbeidersbeweging met religieuze inslag (in alle soorten). Ook hier discussie over actie en organisatie: > per beroep



< als werklieden.

Komt tot compromis. Op het Christelijk Sociaal Congres (1891) wordt de basis gelegd. Belangrijk is ook de encycliek Rerum Novarum.

Er ontstaat wel geen gezamenlijke interconfessionele vakvereniging.

Kerk en samenleving


Er was een grote religieuze herleving. Er kwam geen 1 Christelijke beweging, wel een samenwerking.

  1. katholieken: ene kerk, gaan als 1 groep naar buiten.
    sociale en culturele emancipatorische activiteiten en intensivering v/h
    geloofsleven was belangrijk.
    ° van afzonderlijke verenigingen voor verschillende sociale groepen.
    in de politiek hadden deze organisaties het moeilijk. In 1926 ° RK
    Staatspartij.

  2. Protestanten: zijn verdeeld
    1886: DOLEANTIE (splitsing): => ° Gereformeerde kerken in
    Nederland; Gereformeerde Bond i/d Nederlandse Hervormde Kerk;
    Vereniging van Vrijzinnig Hervormden.

Orthodox: Kuyper: veel activiteiten. Persoonlijke beleving geloof (‘particuliere en gemeene gratie’).

Sociaal: orthodox-protestanten waren dominant in lagere middenklasse, maar opvallend is toch wel een brede sociale spreiding.

Geografisch zitten ze in het gehele land.

Politiek: J 90 komt het tot een splitsing, aanleiding was de uitbreiding v/h kiesrecht.



Politieke strijd en verzuiling


° politieke partijen. Kenmerken:

  1. schaalvergroting

  2. intensivering van organisatie en communicatie

  3. democratie

De liberale burgerij was cultureel en maatschappelijk dominant.

Niet politiek (door confessionelen en socialisten)

[de godsdienstige verschillen worden opgelost door de anti-these van

Kuyper.


Rol en plaats v/d katholieken i/d maatschappij groeide maar de

emancipatie was soms beperkt.]

Politieke vraagstukken:


  1. schoolstrijd: subsidievraag

  2. uitbreiding v/h kiesrecht (vrouwenkiesrecht)

  3. sociale kwestie: ° sociale wetten onder druk van sociale ellende en onrust.

Liberale gedeelte v/d burgerij zag haar macht slinken maar door compromissen en door de tegenstellingen v/d tegenstanders konden zij de macht behouden.

+ de hechtheid en herkenbaarheid stegen van de orthodox-protestanten, de katholieken en de sociaal-democraten. Er ontstaat een vierdeling (later: verzuiling).



Nationale eenheid


Het gevoel van nationale eenheid steeg. Dit komt terug in de literatuur, muziek, schilderkunst, natuurwetenschappen en de historiografie.

Buitenlandse en koloniale politiek


Culturele expansie:

  1. morele voortreffelijkheid

  2. aanhalen v/d banden met de Boeren in Zuid-Afrika

  3. aanhalen v/d banden met de Vlamingen

  4. kolonies waren elementen van nationale trots. Kenmerken beleid: bemoeienis met politiek, bestuur en met de cultuur. De belangen gingen vaak goed samen. Bestuurlijk kwam men door de expansie in conflict met de inheemse heersers.
    Cultureel: > behoud inheemse cultuur
    < moderne ontwikkeling: “beschaving”
    Steunde op gevoel een “ereschuld” te vereffenen voor de exploitatie. = “ethische politiek” ondervond weinig tegenstand.


Nederland tijdens de 1ste Wereldoorlog

Had gevolgen ondanks de neutraliteit:



  1. sociale onrust (voedsel)

  2. vluchtelingen uit België

  3. wel: oplossing voor schoolstrijd en kiesrechtstrijd met de ‘pacificatie van 1917’. De sociale onrustkwestie was moeilijker op te lossen. Toelstrarevolutie: => oplossing: pro-Wilhelminabetoging en de positie van de sociaal-democraten verslechterde.




  1. Een burgerlijk-verzuilde samenleving (1918-1960)

Consolidatie in een tijd vol schokkende gebeurtenissen


1918-1960: diepe eco, pol en geestelijke crisis

De leidende positie van W-Europa is niet meer.

Dit heeft ook invloed in Nederland. Het is toch ook een tijd van stabiliteit, ontwikkeling consolidatie en uitbouw.

Economie: ontwikkeling

° gematigd of georganiseerd kapitalisme

groei!


Infrastructuur zet zich verder

Veelzijdigheid

Agrarische sector: crisis, herstel in 1950

De koloniale dimensie van de economie verdwijnt.

Constitutionele monarchie v/d parlementaire democratie blijft in stand. Hier komt wel kritiek op. (De parlementaire democratie is echter nooit bedreigd geweest).

De zuilen


De verzuildheid wordt verder uitgebouwd. Het komt wel nooit tot een volledige verzuiling.

Vierdeling: katholieken, orthodox-protestanten, sociaal-democraten en neutraal-liberalen.

De vrouwenorganisaties voegen zich (en worden ondergeschikt aan) in de zuilen.

Sport- en vrijetijdsorganisaties waren minder verzuild. De economie was dit informeel.

Onderlinge verschillen op:


  1. levensbeschouwelijke grondslagen

  2. interne verhoudingen

  3. samenhang

  4. levenswijze

1/ katholieken: de kerk staat centraal, de maatschappelijke organisaties zijn ook belangrijk.

Subsidiariteitsbeginsel

Anti liberalen en soc-demo

DOEL: organische samenleving; iedereen eigen rechten en plichten;

Samenwerking.

De katholieke arbeidersbeweging groeide in aantal.

2/ Orthodox-protestanten: verdeling, ook politiek

sociaal: aandacht maar leidde minder dan bij de katholieken tot

voorstellen om de samenleving te veranderen.

3/ sociaal-democraten: minderheidspositie => coöperatieve opstelling. Zo komt het tot een

meer geïntegreerde positie i/d burgerlijke samenleving

1946: SDAP wordt PvdA

4/ neutraal liberalen: tegen de verzuiling maar worden er ongewild toch 1.

De verhoudingen tss de zuilen waren min of meer stabiel. Opvallend is dat de onkerkelijkheid steeg (beïnvloedde de verhoudingen tss de zuilen niet).



Het verzuilde stelsel en het burgerlijk waardepatroon


Verzuiling = < gescheidenheid in de samenleving

> samenhang en samenwerking

a) elite speelde een belangrijke rol: overleg en compromis => PACIFICATIEpoltiek: vb in het
radiovraagstuk. Pacificatiepol was niet altijd zo’n goede werking.

Katholieken: konden nu ook minister-president worden (geen dominantie meer van prot.)

SDAP: wordt nu ook een partner (WOII)

b) distributiepolitiek van door loyale achterban gesteunde elites.

c) besef via zuil deel te zijn van de natie: verbondenheid met Oranjes groeide

d) deelgenoot van een burgerlijk patroon.



Economie, sociale problemen en overheidsingrijpen


Sociale kwestie = centraal maatschappelijk en politiek vraagstuk (rond 1900)

=> het overheidsingrijpen steeg, deze tendens wordt voortgezet na WOI

Er zijn af en toe conflicten, maar eigenlijk is het nog vrij rustig (~ overlegcultuur)

Jaren 30: grote invloed internationale depressie (verschillende oorzaken) => ingrijpen steeg

Wederopbouw en herstel van na WOII => ingrijpen steeg

Jaren 50: herstel eco: a) opgaande conjunctuur

b) Marshallplan

=> < investeringen

> sociale wetten

De verzuilde organisaties stegen maar de ordende rol van de overheid nam ook toe.



Nederland onder Duitse bezetting


Politieke en geestelijke crisis: a) bezetting

b) ° fascistische partijen: Nat. Soc. Beweging

(niet veel invloed door hoge graad verzuiling)

De bezetting gebeurde olv een Reichskommissar en had een dubbel doel:

1/ exploitatie van Nederland: is gelukt

2/ Nazificatie Nederland + uitroeien van de Joden (gelukt)

Er werd een begin gemaakt van de reorganisatie van Nederland.

° van VERZET: georganiseerd (direct en indirect) en via staking (vervoer Ned leger naar Dui)

Bij de bevrijding ° er een vernieuwingswil: men wou de verzuiling weg, maar dit mislukte.

WEL: bevrijding was belangrijk voor: a) traumatische effect

b) verandering Ned positie in de wereld:

einde neutrale politiek en einde koloniaal

rijk in Azië.

Buitenlandse politiek en dekolonisatie


Na WOII: inschrijving in VN, in de BENELUX en in Europese en Atlantische organisaties.

Reden:


  1. echec neutraliteitspolitiek

  2. economische overweging

  3. vrees voor Sovjet-Unie

Kolonie: Nederlands Indië werd door Japan veroverd. Vóór WOII waren er al verschillende tegenbewegingen aanwezig. Reactie: > rechten

< onderdrukking en strakke gezagshandhaving

Na WOII: willen ° koninkrijksverbond maar er is 1st nood aan herstellen gezag. => ° conflict dat Nederland verliest. Voor de betrokkenen was dit alles een traumatische ervaring.



Verhoudingen en vooruitzichten aan het einde van de jaren vijftig


Gunstiger, maar maatschappij van 1960 had nog veel dezelfde karakteristieken van als die van 1920. Er ontstaat verzet:

  1. tegen de verzuiling door liberalen, sociaal-democraten en sommige confessionelen

  2. tegen het burgerlijk waardepatroon door gematigden en individuen

  3. wetenschap en kunst

  4. kunstproductie: > weerspiegeling

< afzetten tegen, vb Cobra, avant-garde. Kregen meestal geen waardering.


  1. Naar nieuwe verhoudingen vanaf de jaren zestig

De vernieuwingsbeweging vanaf de jaren zestig


De trouw van Beatrix (’66): rookbom

° D’66


PvdA: nieuw links

Katholieken: ° nieuw Katechismus

TOCH: continuïteit en stabiliteit bleven kenmerken, de atmosfeer van verandering was

wel dominant.

Jaren 50:


  • Welvaartsexplosie

  • ° consumentenmaatschappij

  • sociale maatregelen worden uitgevoerd

  • verzuilde organisaties hebben te kampen met interne problemen

  • ° jeugdcultuur vs volwassen wereld

  • ° anti-establishmentcultuur

  • ° undergroundcultuur

~ internationale ontwikkeling (VS), maar Nederland was ook een voortrekker, vb Proovoo.

° permissive society:



  • vrouwenbeweging

  • nieuwe seksuele moraal

  • democratisering

  • koningshuis: discussie

  • buitenlandse politiek: discussie ivm ontwikkelingshulp en tegen Koude Oorlog

  • veiligheidsbeleid (Koude Oorlog)

  • natie is niet meer de vanzelfsprekende eenheid van staatsvorming

  • kerken: onkerkelijkheid steeg. Komt tot radicalisering en politisering in eigen kring. VB: RK kerk

  • massamedia spelen een belangrijke rol.

Oorzaak en gevolg? Moeilijk, wederzijdse beïnvloeding

Verklaring: samengaan van nieuwe (materiële welvaart , internationale oriëntatie groeide) en oude (verzorgingsstaat, verwetenschappelijking) ontwikkelingen.



Balans: ontzuiling en meer nadruk op individuele ontplooing


Hoge versnelling i/h proces van secularisatie. CONCREET:

1/ Ontzuiling:



  • geen vanzelfsprekend gevoel meer om te behoren tot één zuil

  • verkiezingen: grote wisselvalligheid, daling confessionele partijen. Afschaffen opkomstplicht heeft gevolgen.

  • Erosie verzuilde organisaties

  • Meeste kranten maken zich los v/d zuilen

  • Omroepwereld: andere variant (lossere binding)

  • Onderwijs en gezondheidszorg: niet, behalve: herkenbaarheid en aard van werkzaamheid daalde of verdween.

2/ het burgerlijke bleef in de samenleving. Er komt wel ruimte voor individuele ontplooiing. Heeft gevolgen op gebied van demografie en op de seksuele moraal.

Nieuwe problemen in het laatste kwart van de eeuw


Kabinet Den Uyl (1973, PvdA): vernieuwingstendensen gevolgen geven was moeilijk oa door oliecrisis (economie daalde): financiële grenzen en praktische problemen door grote bureaucratie.

Anti-kernwapenbeweging: tastte eigelijk de grote lijnen v/h beleid niet aan (einde KO wel, -> Srebrenica).

De vrouwenbeweging bleef heel actief toch was er minder verandering dan gehoopt.

Er zijn problemen met grondstofvoorraden en met het milieu

In het algemeen steeg het overheidsingrijpen, maar er is ook het onvermogen v/d overheid om adequaat en slagvaardig op te treden.
Kabinet Paars

Individuele burger: overheid wordt anonieme bureaucratische instelling

De politieke belangstelling daalt en er ° klachten over het verdwijnen v/d

Burgerzin.

Ook bezorgdheid over behoud van eigen (nationale) aard v/d samenleving en cultuur:

> minderheden



< Europese politiek en culturele amerikanisering

De veranderingen gebeuren niet gewelddadig: Reden: Nederland is klein, relatief rijk en traditie van compromissen.




Epiloog: eenheid in verscheidenheid in de Nederlanden

Eenheid in verscheidenheid


Belang geografische ligging: Delta Maas, Schelde en Rijn

Door het moeras ° v/e periferie: door het worden van de zee kreeg het een verbindingsfunctie => krijgen een centrale positie.

OOK: Nederlanden: worden eenheid, eeuw later is deze al terug verdwenen. De grenzen werden gevormd door toeval (bv opstand in Zuiden). Er is ook de taalgrens.

Bloei Nederlandse gewesten door ontwikkeling gevarieerde economie.



  • 17de eeuw: Republiek in N wordt centrum v/d wereldhandel
    late ME en vroege NT: door goede economie ook grote internationale pol rol.
    Engeland wordt de beschermer v/d Nederlanden

  • ook invloed v/d burgerij op: a) politiek institutionele verhoudingen: ° privileges in
    adel en landsheren.
    tolerantie was ingegeven door eco of bestuurlijk belang
    en was verre van volledig.
    b) cultureel gebied: pragmatisch en hoofdaandacht voor
    materiële cultuur.
    Men was ontvankelijk voor vreemde invloeden: door geografische ligging en door de samenstelling van de bevolking.

  • Religie speelde een belangrijke rol.



Verscheidenheid in eenheid


Verschuivingen van gewest naar gewest. Bestuurlijk-politiek zijn er tendensen tot eenwording, einde door de Opstand. De eco en cult oriëntering v/d gewesten liep oorspronkelijk ver uiteen.

De succesvolste dynastieke activiteiten vinden hun ontstaan in gebieden die buiten de Nederlanden liggen. De dynastieke politiek van Bourgondiërs kende veel verzet.



  • Het karakter verschilde: de hereniging sprak niet vanzelf: er waren moeilijk te overbruggen politieke, religieuze, economische en culturele verschillen.
    Twee oppositionele stromingen (kath en lib) vonden elkaar.

  • Ontwikkelingsgang verliep cf. Europese landen. Integratie burgerlijke cultuur, moderne verzorgingsstaat met neo-corporatieve trekken. Verschillen:
    a) België: pol en eco modernisering > Ned
    b) contacten waren schaars en koel
    c) België: nationaal gevoel was op eigen staat afgestemd
    d) etnisch-culturele problemen in België
    e) religieuze verhoudingen in Nederland
    f) de verzuiling was ook verschillend
    g) België: sociaal en pol machtsverschillen zijn veel duidelijker zichtbaar.

  • Buitenlandse politiek: beiden zijn neutraal, maar toch ° verschillen
    Nederland: Azië; België: Afrika
    Na WOII: BENELUX, NAVO, EEG
    < integratie als kleine landen in Europa
    > angst en gevaar voor verlies eigenheid







1   ...   5   6   7   8   9   10   11   12   13


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina