Gesprekken met Seth I-II-III


Aantekeningen bij hoofdstuk 5



Dovnload 1.87 Mb.
Pagina7/30
Datum17.08.2016
Grootte1.87 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   ...   30

Aantekeningen bij hoofdstuk 5
1. Zie Robs aantekeningen over de effecten van de overstroming in 1972 in hoofdstuk 8 in Het wezen van de persoonlijke werkelijkheid. Tussen haakjes, het is interessant dat mijn losbladige aantekenboeken van de cursussessies van Seth op de onderste plank van mijn volle boekenkast had­den gelegen toen de overstroming toesloeg; zo waren mijn droomaanteken­boeken ook in de onderste la van mijn nachtkastje gestopt. Alhoewel het wa­ter zowel het nachtkastje en al mijn boeken bedolf en ruïneerde, waren noch de droomaantekenboeken, noch de cursussessies beschadigd - toen ik ze uit hun modderige planken opgroef, ontdekte ik dat hun bladzijden niet eens nat waren, zelfs al waren de kaften van alle dingen smerig. Natuurlijk waren de cursusaantekenboeken vastgeklemd op hun plank, dus alleen de druk kan het water eruit hebben gehouden, maar al mijn andere boeken waren door en door nat. De droomboeken (met spiraal) die gewoon de een op de ander ge­legd waren, waren onbeschadigd in een la vol modder!

2. Het wezen van de persoonlijke werkelijkheid. Specifieke, gedetailleerde methoden voor het ontdekken en veranderen van overtuigingen, daar gaat het boek van Seth over en men zou het moeten lezen voor een diepgaand be­grip van deze stelling.

3. Op dit moment heeft Richie een baan met een tienurige werkdag en zegt dat hij eindelijk de `bevrediging van werk' begrijpt.

4. Carl zeilde ten slotte de Atlantische Oceaan over met zijn tweede vrouw; terwijl ik dit schrijf, wonen ze in Griekenland, stuurvergrendeling kennelijk intact.

5. De Prix de Rome is een prijs die jaarlijks in de schone kunsten (beeld­houwwerk, muziek, schilderen, schrijven) wordt gegeven door Amerikaanse juryleden. Een winnaar van iedere categorie gaat een jaar naar Rome en krijgt daar een studio en zijn levensonderhoud vergoed.

6. Zie hoofdstuk 13 van Het wezen van de persoonlijke werkelijkheid voor een volledige discussie over deze overtuigingen in verband met de `staat van genade', persoonlijke en collectieve overtuigingen en de persoonlijke en so­ciale ervaringen.
6. Terug naar ESP: leven en dood en soortgelijke vreemde gebeurtenissen
Portret van grootmoeder Mullin (1887- 1972)
Hoe kwam die lieve ovale dame

aan de muur terecht

als goedkope vierkante kleurenfoto

in mijn boek, gekreukt

vormloos als een zak

met sigaretten en kaartjes

en tenslotte verloren

in haar eigen weerspiegeling?


Occulte mensen maken reizen

buiten het lichaam en zodoende

weten zij zichzelf

eeuwig­


Wat zijn de reizen van het lichaam?

Welke truc ontgaat onze geest

zodat we nooit weten

Wie die lieve ovale dame was?


Foto's -

je staart en staart

Een hint, als vluchtig aroma –

een stem, als déjà vu­ –

ritselingen in een lege kamer.
SMW
De foyer van het oude hotel was vol en galmde van het lawaai van een rock band. Wat eens beschouwd werd als een chique accommodatie voor aankomende treinpassagiers, was nu slechts een gewone bar vlakbij het verlaten station van Elmira. Jane en Rob en ik zaten aan een tafeltje vlakbij de dansvloer iets te drinken en te kijken naar de mensen die dansten en ronddraaiden in de wervelende lichten. Nu en dan stonden Ja­ne en Rob op om mee te doen en dan lachten ze omdat ze (res­pectievelijk vóór in de veertig en vijftig) het oudste paar op de dansvloer waren. Het was een leuke en gezellige avond; het la­waai een prettige onderbreking van het eenzame werk. Rob pakte onze glazen op en ging nog wat te drinken halen. Het duurde tien minuten; toen twintig. Was het aan de bar zó vol? `Hij is zeker met iemand in een geanimeerd gesprek geraakt', zuchtte Jane toegevend. Eindelijk kwam Rob met onze drank­jes, hij moest zich door de menigte wringen. En ja hoor, vlak achter hem liep een somber uitziend man van midden twintig die een glas bier in zijn hand had en zich zenuwachtig langs groepjes mensen drong.

Rob gaf ons onze glazen en ging aan de andere kant van de tafel zitten, hij gebaarde de jongen om tussen Jane en mij te gaan zit­ten. `Hij heeft De Seth-materie gelezen', zei Rob heel onschul­dig. Brad - zoals ik hem zal noemen - zakte in de stoel en stelde zich met een mengeling van vriendelijkheid en diepe bedroefd­heid voor. Lichamelijk was hij een echte krachtpatser - zijn spieren dik in de mouwen van zijn zwarte t-shirt. Maar hij was gespannen en ongerust. De band hield een pauze en in de ver­minderde herrie vertelde Brad ons dat hij net was teruggekeerd van zijn dienstplicht in Vietnam waar al zijn idealen schijnbaar voor eeuwig waren vernietigd. Hij had geen baan. Hij wist niet wat hij met zichzelf aan moest. Hij zwalkte maar wat rond zoals veel soldaten in die situatie, verloren, met pijn van binnen; maanden waren voorbijgegaan en hij kon er zich niet van los­maken. Hij dronk gulzig zijn bier. Jane rookte een sigaret ter­wijl ze naar Brad luisterde en de menigte gadesloeg. Plotseling keek ze naar mij. Op dat moment voelde ik die vreemde menta­le tinteling en een grote hoeveelheid beelden stormde mijn geest binnen. Zij stonden, dat wist ik, in verbinding met Brads jeugd en recente militaire ervaringen.

`Wel Brad', zei Jane op dat moment. `Ik krijg een paar impres­sies en... ik weet niet, ik kan het verkeerd hebben, maar wat ik krijg is dat...' en ze beschreef in detail een incident dat Brad in Vietnam was overkomen.

Ongelooflijk, het was precies hetzelfde incident waar ik op was gekomen.

`Ja, dat is zo', onderbrak ik Jane's laatste woorden, `en daar­naast was er...' ik vulde andere details aan terwijl ze door me heen snelden. `En wacht, wacht, daar is het! Dat hangt samen met een periode in je jeugd toen je ongeveer drie jaar was en...' Ik zag Brad met een grote strenge vrouw, gekleed in een modi­euze witte japon, peuter Brad op de grond zittend aan haar voeten en huilend. De scène werd duidelijker, de betekenis daarvan schreeuwde in mijn hoofd; de woorden tuimelden naar buiten, de een na de ander haast vlugger dan ik ze kon uit­spreken.

Jane's ogen waren helder en waakzaam. `Ja, en dat heeft ook te maken met een vrouw met wie je ging, voor Vietnam...' onder­brak Jane, terwijl ze doorging met een beschrijving van de de­tails van die verhouding - waar wij beiden bij tussenpozen steeds iets aan toevoegden.

Brad staarde ons van de een naar de ander aan, zijn mond hing open.

`Ja, zo is het', bleef hij roepen. `Hoe weet je - waar haal je deze dingen allemaal vandaan?' Jane en ik waren ons nauwelijks be­wust van zijn reactie. Maar we deden het, er was een gevoel van nauwkeurigheid, van juistheid omtrent die impressies dat niet te loochenen was. Wij waren er echt door gepakt. De informa­tie was specifiek; data, namen, scènes - sommige, vooral de Vietnam-scènes niet erg prettig. Wij zoomden in op de achter­grond van zijn moeilijkheden, maar ook op een paar van zijn gelukkigste ogenblikken en raadden hem aan zich te concen­treren op die `betere' herinneringen. Rob zat alleen maar te luisteren.

`Wacht, ik krijg iets anders', zei ik ademloos. `Het is een scène - ik krijg iets van jou, Brad, in de tijd van de eerste kolonisten in dit land; ik bedoel de allereersten - iets over een vrij man, een man die in de gevangenis is geweest, een man genaamd John en nog wat - John Redfield, Wrenfield, zoiets...'

`Ja', kwam Jane ertussen. `Ik zie hem ook - en iets over een ei­land, of een plaats die op een eiland lijkt - zoals, jij was er een van een groep onder dit militaristische leidertype; je was zo'n beetje geronseld om deze groep kolonisten te organiseren om­dat daar eerder mislukte pogingen toe waren ondernomen.' `Ja, en iets over datje deel had genomen aan die eerste kolonis­ten in Virginia of daar ergens die verdwenen, weet je, de Roa­noke kolonie (1) en over je - God die met hen verdween...' `Juist', zei Jane `en je zit nu nog steeds met het dilemma van het laffe opvolgen van orders, zoals in je militaire dienst, maar je weet wat je eraan moet doen en je haat jezelf ervoor...' Terwijl ze vlug doorpraatte, voegde Jane er nog een paar kleine details aan toe over Brads connectie met dat kolonistenzelf, inclusief namen, data, en plaatsen waarvan ze dacht dat ze in historische archieven nagekeken konden worden.

Tegen die tijd zat de arme Brad met grote verbaasde ogen te kijken. Heen en weer gingen we als een stel razende pingpong­spelers. Ten slotte zei Brad dat alles wat we over zijn achter­grond hadden gezegd juist was; het klopte allemaal. `De histori­sche dingen', zei hij `klonken goed', maar hij moest echt weg. Terwijl hij zijn bierglas pakte en opstond merkten we voor het eerst hoe geschokt hij was.

`Dank je, echt, dank je wel, jullie hebben me goed geholpen', mompelde hij.

`Ik moet nu gaan, maar dank je wel...' Hij haastte zich weg en verdween door de gelagkamer.

Rob schudde zijn hoofd tegen ons. `Jullie tweeën joegen dat ar­me joch de stuipen op het lijf, zei hij overdreven streng. `Wat hebben jullie hem aangedaan?' En echt, als ik op dat incident terugkijk, moet ik toegeven dat we niet erg aardig waren, door maar door te blijven gaan ondanks Brads duidelijke ontzetting. Gelijktijdige, juiste, persoonlijke indrukken van twee volko­men vreemden? Het was griezelig, zelfs voor ons - omdat, hoe opgewonden we ook waren over de overeenkomsten, het ons zoals gewoonlijk meer vragen dan antwoorden gaf. Omdat on­ze indrukken van zijn verleden uit dit leven dat hij zich herin­nerde en waarover wij niets wisten, juist waren, was er dan een reden om te veronderstellen dat de `historische' stof minder juist zou zijn? Maar waar was de informatie vandaan geko­men? Was Brad in zijn sombere stemming, als een wanhopige s.o.s. aan het uitzenden? Zou onze opsomming van zijn eigen verleden aan zijn behoeften beantwoorden? Of hadden Jane en ik gewoon gereageerd op Brads muurvaste wanhoop door een paar mogelijkheden die inherent zijn aan de psyche te laten zien? De dagelijkse gebeurtenissen, de gewone en de vreemde, waren de echte hoekstenen van Jane's ESP-cursus. Uit het per­soonlijke leven van de cursisten ontspon zich op dinsdagavond een gewoon gesprek over wat we de afgelopen week hadden gedaan.

Seths eigen commentaar domineerde zelden de hele avond en was daarentegen een deel van het cursusgebeuren. De weken die we besteedden aan het hardop lezen van het nog niet gepu­bliceerde manuscript van Het wezen van de persoonlijke werke­lijkheid, waren de enige waarin we direct als klasproject uit een van Seths werken lazen. Dit was met andere woorden, geen groep die zich wijdde aan pagina 275 van onze verzameling hymnen. Het was wel een groep die het dagelijks leven leerde zien als `medium' zelf. Onze opvattingen over wat het paranor­male en het bovennatuurlijke uitmaakte (naast dat wat het zo­genaamde wereldse vormde) ondergingen radicale verande­ringen. Ons dagelijks leven werd wonderlijker; onze waarne­ming verscherpte met een zeker nieuw soort alertheid. Hoe verrassender was een juiste voorspelling dan de helderziend­heid van de lente? Ja, hoe kon je ESP indelen?

Zoals we in hoofdstuk 2 zagen, hadden veel cursisten een ach­tergrond die rijk was aan vreemde ervaringen. Nadine Renard was iemand wier volwassen leven een grote hoeveelheid rare voorvallen bevatte, waarvan niet het minste de muzikale talen­ten van haar jongste zoon betreft.

In 1967 kochten Nadine en haar man een sierlijk stenen huis in een van Elmira's mooiste buurten. Hoewel het maar vijftien jaar oud was, was het gebouw door de oorspronkelijke eige­naars bestemd als pension. `Toen we er echter de eerste dag in­trokken', zegt Nadine `rook ik een nare lucht en voelde ik een geest en ik ging zitten en huilde - ik wilde weg. Ik voelde altijd een geest in het huis. Mijn driejarige zoon Steve zag een "geest" in zijn slaapkamer. De slaapkamer aan de voorkant was altijd ijskoud - verwarmingsmonteurs konden geen mankementen vinden. Het tochtte af en toe en voorwerpen verplaatsten zich. Een twintig kilo wegende koperen lamp draaide op de tafel rond. De rolgordijnen in de studeerkamer, de muziekkamer van de oorspronkelijke bewoners, werden 's nachts van hun rollers getrokken. Op een dag vloog er een moersleutel door de kelder en viel vlak naast mijn voeten. In die tijd verschenen mij veel personen (inclusief) mijn overleden tante... die het jaar daarvoor aan een hersentumor was overleden.

Ik had in die tijd veel reizen buiten het lichaam...'

Toen de Renards in dit huis woonden, werd Nadine's zoon Mark geboren. `Hij was een erg moeilijke en vroegrijpe baby', zegt Nadine. `Hij zong met twee maanden en praatte met zes maanden. Toen hij drie jaar was, begon hij na de basisnoten ge­leerd te hebben, piano te spelen en toen begon hij pas goed! Hij speelde het ene muziekboek na het andere door en gaf me voortdurend les over Bach en Beethoven, over waarom ze be­paalde soorten muziek hadden geschreven; of hij stopte mid­denin een stuk en vertelde me wat die passages moesten uit­drukken - op driejarige leeftijd! En hij had gelijk en hij kon dat allemaal niet weten - hij haalde zijn verhaal ergens uit de lucht; hij kon het niet opzoeken. Dat deed hij ook in zijn muzieklessen en zijn leraren vielen praktisch van hun stoel! Dit was echt een geval van een wonderkind...' Toen hij vijf jaar was, gaf Mark klassieke pianorecitals en demonstreerde een geperfectioneer­de techniek. ('De eerste keer vond ik het zo gênant - hij wist daarna niet hoe hij zijn jasje dicht moest ritsen!' vertelde Nadi­ne aan de cursisten.) (2) Intussen voorspelde mijn op een na oud­ste zoon precies wanneer de post kwam.'

Nadine en haar man verkochten hun huis met zijn vreemde nukken in 1969. Later hoorden ze dat de oorspronkelijke be­woners allebei in dat huis gestorven waren en ook een alcoho­listisch familielid `dat in de kelder stierf of gek werd'. Nadine dacht dat het huis en de vreemde `paranormale' eigen­schappen van haar gezin op een of andere manier verstrengeld waren, mogelijk elkaar stimulerend met een of ander soort on­bekende energie. Er werd nooit iets bewezen van Nadine's huis, maar omdat iedereen kon zien dat haar zoon het wonder­kind was zoals Nadine zei, twijfelde niemand van de cursus aan haar beschrijvingen van andere gebeurtenissen.

Nadine's griezelhuis was een buitengewone ervaring, maar door de cursusjaren heen deden andere leden een paar onge­wone dingen met hun bewustzijn. Gert Barber begon met 'spie­geltrances' te experimenteren - starend in een spiegel terwijl ze in alfa of diepere staten ging - en al gauw berichtte ze dat ze het vermogen had ontwikkeld om andere gezichten dan die van haarzelf in de spiegel te zien. Een, zo vertelde ze, was een pries­ter met een litteken op zijn gezicht en dit beeld werd binnen een paar seconden nadat ze haar alfatrance was begonnen scherp. Terwijl de visie van een `priester met een litteken op zijn ge­zicht' verdacht veel leek op het perfecte trauma van een gewe­zen non, vertelde Seth aan Gert dat ze eens priester was ge­weest' ...en dat is een van je frustraties, in Ruburts bewoordin­gen!' voegde hij eraan toe. `Je doet het echter heel goed met die visualisatie van de verschillende delen van het zelf.' Seth gaf Gert toen wat inzicht in haar kloosterrelatie met een andere non. `Je zou je gevoelens van affectie op een priester geprojec­teerd hebben (in plaats van op een andere non) maar dit beang­stigde je nog meer omdat de relatie met een man een gevoel van dreiging inhield voor jou', zei Seth haar.

`Je projecteerde ze niet op iemand die ze ook beantwoorden kon, zie je, onvoorwaardelijk... dat soort relatie wilde je niet. Je verborg je alleen in de gedachten over zo'n relatie... met een man, watje niet op je durfde nemen. Mannen in het algemeen.' Gerts spiegelbeelden (hoe inzichtelijk ook) konden zeker als griezelig beschouwd worden, maar ik ben ervan overtuigd dat dit soort beeldprojectie gewoon is - behalve dat de meeste mensen zulke incidenten óf vergeten, hun betekenis wegratio­naliseren, óf ze om te beginnen nooit herkennen voor wat ze zijn.

Neem nu bijvoorbeeld iemand die ik regelmatig in het open­baar zag.

Nu zie ik hem, voor mijn geestesoog, even duidelijk als ik hem twintig jaar geleden voor het eerst zag - op, uitgerekend, de plaatselijke bowlingbaan.

Ik ben veertien jaar, lid van de bowlingclub van de middelbare school. Ongeveer veertig meisjes zijn aan het bowlen, gillend, schreeuwend en op en neer springend - ze vullen het gebouw met het lawaai en de uitgelatenheid waarmee kinderen op zaterdagmorgen een spel spelen. Ik rol mijn bal over de baan waar hij met een boog in de goede hoek terechtkomt. Die och­tend leerde ik die worp voor het eerst. Zo fijn en zo zeker als een haai naar zijn prooi duikt, zoomt de bal op de kegels in. Pats! Wankelend in volmaakte geometrie vallen de kegels op de grond. Alle negen!

Ik draai me om, een blos op mijn wangen van de opwinding van dat ogenblik en ik zie hem daar staan, aan de andere kant van de banken van het team en hij lacht naar me. Hij is een oude man met een lange bruine jas tot op zijn enkels, hij houdt zijn versleten bruine hoed in zijn oude rimpelige handen. Zijn juk­beenderen steken uit in zijn droge fluweelzachte huid. Een paar slierten grijs haar zijn over zijn schedel gelegd. Ik grinnik terug. Hij knikt, zijn mond opent in een glimlach; hij wuift even met zijn rechterhand. De mensen haasten zich achter hem heen en weer.

Ik wacht tot mijn bal terugkomt; dit is de tiende beurt en ik moet weer gooien. Ik pak mijn bal, gooi hem; dit keer verdwij­nen alle kegels behalve een. Ik draai me om om naar de oude man te lachen en hij kijkt naar me met veel plezier; en ik weet dat hij dol op me is, dat hij alleen is gekomen om mij te zien. Minuten later is hij verdwenen. Maar hij komt wel een jaar lang bij bijna iedere bowlingmatch waarin ik speel opdagen om te kijken. We wuiven en lachen altijd tegen elkaar. En ik heb nooit de moed om naar achteren te lopen en met hem te praten. Jaren later, bij een reunie van mijn middelbare-schoolklas, vroeg ik aan een van de vrouwen die met mij in dat team bowlde of ze zich de dag herinnerde waarop ik haar een oude man aanwees. `Ik weet niet meer wat je over die oude man zei, maar ik herinner me wel dat ik je vroeg wie hij was', zei ik haar.

`Welke oude man?' zei mijn klasgenoot. `Ik herinner me niet een oude man gezien te hebben...'

Wat me toen echt niet meer verbaasde.

De herinnering aan die oude man - zijn grote, volkomen onge­schikte bruine jas en zijn vriendelijke lach - achtervolgde me jarenlang. Wie was hij, dat hij op bowlingbanen verspreid over de hele stad Elmira verscheen? Intuïtief wist ik dat hij met mij verbonden was op een manier die niet is uit te leggen - tot ik op een dinsdag in 1970 impulsief besloot om Seth te vragen wie de oude man was. Seth keek me droog aan toen ik de vraag stelde. `Hij was een waarschijnlijk zelf van je grootvader', antwoordde Seth, terwijl hij mijn onsamenhangende uitleg onderbrak. `Hij bleef met je in contact en jij kon hem zien vanwege je eigen ver­mogens. Hij merkte jou op evenals jij hem kon waarnemen en in zijn waarschijnlijkheid vroeg hij zich af wie je was - maar hij mocht je graag.'

Ik knipperde met mijn ogen. De gestalte van de oude man viel gewoon precies op zijn plaats; ja dit was precies die oude man. Hij had er zelfs zo uitgezien als mijn grootvader er een jaar of twee voor zijn dood had uitgezien. `Hij was een deel van je grootvader dat je grootvader zoals jij hem kende niet kon zijn en hij was op velerlei wijze veel vrijer dan je grootvader. Nu had hij een hobby, hij maakte kleine poppen', ging Seth ver­der, achteroverleunend in Jane's stoel en met duim en wijsvin­ger tegen Jane's kin tikkend. `Deze poppen waren van hout en daarin projecteerde hij al zijn creatieve energie en hij maakte een pop die op jou leek en hij noemde die Susan zonder ooit te weten waar hij de naam vandaan haalde. Hij wist niet dat het jouw naam was of wie je was. Hij woonde in zijn werkelijkheid in Duitsland. Hij werd in 1831 in zijn werkelijkheid geboren en stierf in 1897. Maar jij kon hem zien. Als hij zich buiten het li­chaam bevond, projecteerde hij zich op jouw werkelijkheid. We zullen je er meer informatie over geven als we kunnen.'* (Maar Seth heeft het, althans tot nu toe, nooit gedaan.) De tranen stonden in mijn ogen. Hoe oneindig waren de biologi­sche banden van je erfenis, dat een grootvader en zijn klein­dochter konden communiceren over hun verkozen werkelijk­heden heen?

En Jezus Christus! dacht ik, toen Seth zich terugtrok, wat zou er gebeurd zijn - als ik gewoon naar die oude man was toegelo­pen en met hem gepraat had!!?

Geloof me, ik heb mezelf vele, vele keren verweten dat ik het niet gedaan had. Op een latere cursusavond vroeg ik hoopvol aan Seth of ik in mijn leven meer te maken zou krijgen met die waarschijnlijke persoon van het zelf van mijn grootvader. `Ja', zei Seth, `ik antwoord bevestigend'.(** Zie aanhangsel 3.)

Nu let ik erop dat ik een hoekje van mijn innerlijke radar `open houd' voor iedere aan­wijzing dat deze figuur weer opduikt - ofschoon ik er enigszins aan twijfel dat hij nog steeds in die versleten oude bruine jas ge­kleed zal zijn. (3)

Maar nogmaals, ik denk dat dit soort ervaring algemener is dan wordt verondersteld. Op een avond in 1971 kreeg ik een tele­foontje van Bernice Zale, die op de universiteit mijn kamerge­note was. De avond daarvoor, zei ze, was er iets geks gebeurd met haar man Donald. De Zales waren met vrienden uit eten gegaan en zaten aan de bar van het restaurant toen Don, die al weken had geworsteld met een paar moeilijke beslissingen be­treffende zijn carrière, de groep verliet en naar een lege stoel in een hoek van de bar ging.

Bernice zei dat ze hem had laten gaan zodat hij even alleen kon zijn met zijn problemen maar dat ze een paar minuten later op­keek en Don in een geanimeerde conversatie zag - met zich­zelf! Vertederd lachend had ze hun vrienden erop gewezen. Maar toen ze die avond naar huis reden, zei Bernice dat ze Don was gaan plagen omdat hij midden in een restaurant tegen zich­zelf had zitten praten en Don had boos en verbaasd gerea­geerd. `Wat bedoel je, praten tegen mezelf?' had hij gevraagd. `Mijn hemel, ik praatte de hele avond met die oude man.' `Welke oude man?' vroeg Bernice in de war. `Ik zag helemaal geen oude man, je zat er alleen.'

Stomverbaasd had Don tegen haar geschreeuwd om `op te houden met van die stomme grapjes te maken'. Bernice zei dat ze er heel wat moeite mee had gehad om Don te overtuigen dat ze niet bezig was met een ingewikkelde komedie. Don had een `heel aardige oude man' ontmoet en er een aantal uren mee ge­praat en wat Don betreft was de oude man even echt als Berni­ce en hun vrienden. `Don zei dat hij om de een of andere reden al zijn problemen voor deze oude man had uitgestort', zei Ber­nice. `Hij zei dat hij niet wist waarom hij dacht dat het een vreemde zou interesseren maar de oude man luisterde heel aandachtig en stelde hem een paar intelligente vragen die tot nadenken stemden. De vent zei geen enkele keer zoiets van "Doe dit of doe dat" - alleen de soort dingen die Don intuïtief kon begrijpen en waarvan hij kon denken: "Ja, dat is natuurlijk zo". Don zei dat het leek alsof die oude man hem zijn hele leven gekend had.'

Kort daarna nam Don de besluiten die hem een succesvolle ad­ministratieve baan in het maatschappelijk werk bezorgden. En ik herinnerde me Bernice's verhaal over de `onzichtbare' oude man tijdens een cursusdiscussie een paar weken later over kernovertuigingen en de betekenis achter fysieke objecten. `Het scheppen van individuele-zelfsymbolen', mijmerde ik hardop toen Seth een korte voordracht over het onderwerp af­rondde. `Dat is wat Donald Zale bij die gelegenheid in de bar deed, is het niet?'

`Dat was het inderdaad', zei Seth lachend.

`Maar dan was hijzelf die oude man', concludeerde ik.

`Dat was hij ook', herhaalde Seth. `Jullie staan zo dicht, sommi­gen van jullie, bij een begrip van wat niet onder woorden ge­bracht kan worden en toch kan ik jullie geen duwtje geven om­dat het uit jullie zelf moet komen.' Seth zei toen dat hij zich be­wust was geweest van Dons ervaring en `hem uit de "moeilijk­heden" had geholpen' hoewel hij er niet over uitweidde - en ik vroeg er niet naar.

Ik stuurde een kopie van het afschrift met Seths commentaar naar Donald en Bernice; en het denkbeeld dat Dons geheim­zinnige begrip tonende oude man een personificatie van hem­zelf zou kunnen zijn, bleek heel acceptabel en logisch voor hen beiden.(4)

Deze waarnemingen - zoals de jeugdervaringen van veel cur­sisten - doen me aan een andere belevenis denken uit mijn tie­nerjaren en waarvoor Seth een ander soort, de nieuwsgierig­heid opwekkende uitleg had. Ik schrijf het hier vanwege de blij­vende interesse voor niet-geïdentificeerde vliegende voorwer­pen (UFO's) en vanwege de implicaties in Seths antwoord wat betreft de bron van althans een paar van die voorwerpen. Ik was toen veertien of vijftien jaar. Mijn vriendin Evelyn en ik wandelden op een zomermiddag over de weg naar mijn huis. Het was een mooie dag; de zon was warm en de lucht helder. We slenterden voort en praatten over vliegende schotels - hoe bestaat het! - en wat dat toch wel zou kunnen zijn. Plotseling keek ik naar de dennebomen die vlak bij de tuin van mijn ou­ders langs de weg stonden - en daar zag ik het: een enorm ovaalvormig voorwerp, blauw van boven en lichtgeel van onderen, ging langzaam boven de boomtoppen heen en weer. Het maakte geen geluid.

`O, mijn God!' gilde ik, terwijl ik Evelyns arm vastpakte. `Kijk eens! Kijk eens! Daar is er een - een vliegende schotel!' Evelyn keek naar boven en pakte toen mijn arm vast. `O, nee toch, j e hebt gelijk', riep ze. `Het is waar, het is waar!' We holden de straat af om onder het ding te komen - het hing niet meer dan zes meter boven de bomen ongeveer even ver van de plaats waar wij stonden. Terwijl wij holden, bleef het boven de boom­takken voortgaan over het huis van mijn ouders en ten slotte naar de heuvels rond de dichtstbijzijnde horizon - waar het een paar seconden bleef hangen en toen plotseling en scherp achter de bomen naar beneden dook.

Wij waren er dicht genoeg bij geweest om het duidelijk te zien - en het was geen weerballon (die ik eerder gezien had) of een be­stuurbare luchtballon. Het was zacht, stil en standvastig ge­weest toen het zich door de zomerlucht bewoog. Mijn ouders waren binnen en hadden het niet gezien - en we konden ook nooit iemand anders vinden die het gezien had. In 1974 herinnerde een verhandeling van Seth over 'lettervor-men' en de taal Sumari mij aan dat ding dat door mijn tiener­lucht zweefde. Ik wachtte op een gelegenheid om Seth erover te vragen en kon het niet laten mezelf uit te lachen toen ik het me herinnerde; nu deed het me denken aan de plastic bus Silly­Putty waar mijn zoon mee speelde, ovaalvormig, blauw van bo­ven en geel van onderen. 'Seth?', onderbrak ik ten slotte. `Eh, nu we het over de vorm van dingen hebben, zou je mij enig idee kunnen geven van wat dat ding was dat mijn vriendin en ik in de lucht zagen toen ik ongeveer veertien jaar was? Ik bedoel', grijnsde ik `het was geen Silly-Putty-blik hè?'

Seth keek me even aan en zei ernstig: `Nee dat was het niet. Maar zijn vorm zal veranderen.'

Zijn vorm zal... wat?? dacht ik. `Nou de reden dat ik het vroeg', stamelde ik -'ik dacht dat het enig verband zou kunnen heb­ben -'

`Het houdt verband - voor je iets anders vraagt - met een ge­beurtenis in wat jij denkt dat de toekomst is en iets van je toe­komstig bevattingsvermogen had te maken met de manier waarop je dat voorval in je verleden waarnam', zei Seth.

`O', antwoordde ik terwijl ik dacht aan Evelyns aandeel in de gebeurtenis. `O, dan had het ook betrekking op mijn vriendin?' vroeg ik.

`Inderdaad', zei Seth droog. `Dat is alles wat ik je op dit moment vertel maar je moet beseffen dat het voorval niet alleen in het verleden bestond maar in de toekomst; en op een zekere ma­nier was het een teken dat van een toekomstig zelf naar het ver­leden werd gestuurd.' Daarmee trok Seth zich terug; een ander soort UFO, dacht ik, die achter de horizon van Jane's paranor­male heuvels duikt. Seth had een keer eerder in de cursus com­mentaar geleverd op UFO's, in 1971, tijdens een bespreking over de `pulserende aard' van atomen en het verband met rap­porten over vliegende schotels en uittredingen. `In bepaalde opzichten komt dit bij sommige gebeurtenissen met jullie vlie­gende schotels voor, want jullie hebben niet zo'n voertuig zoals dat watje denkt waar te nemen. Ik heb het alleen over bepaalde gevallen waar jullie bezoekers vanuit andere werkelijkheden hebben.

Wat er gebeurt is dat er een poging wordt gedaan om camoufla­gewerkelijkheden uit te wisselen', ging Seth verder. `De wezens die jullie planeet binnenkomen, kunnen daar niet als zichzelf verschijnen. Omdat hun atomaire structuur niet dezelfde is als die van jullie, moeten er vertekeningen plaatsvinden wil er enig contact mogelijk zijn. Zodoende krijg je een bepaald stel waar­nemingsgegevens. Dan probeer je uit te knobbelen wat er ge­beurt - maar de waarnemingsgegevens betekenen dat de ge­beurtenis al enigszins is vertekend, zie je. De fysieke voertuigen die vaak worden waargenomen, zijn jullie interpretatie van de gebeurtenis die feitelijk plaatsvindt.'
`Onze vriend hier', zei Seth met humor terwijl hij op Ned wees, `zou best als een UFO in een ander werkelijkheidsaspect kun­nen optreden, zie je, en de bewoners bang maken. Jullie verge­ten dat het bewustzijn het enige ware voertuig is. Er is geen stukje van je bewustzijn dat in jou gevangen zit. Het materiali­seert in het een of andere aspect. Ik gebruik het woord "mate­rialiseert" omdat het jullie wat zegt, maar het is vertekend om­dat het aan een verschijning in materie doet denken. Maar alle werkelijkheden zijn - zoals jullie weten - niet fysiek. Het is bijvoorbeeld theoretisch mogelijk voor ieder van jullie om je be­wustzijn te verspreiden en deel te worden van ieder voorwerp in deze kamer - of om alle kanten op te vliegen om jezelf in de ruimte te verspreiden - zonder j e gevoel van identiteit te verla­ten. Dit is in jullie opvattingen niet praktisch, maar velen van jullie doen het om verkwikking te krijgen als je slaapt. Het be­wustzijn heeft juist door zijn kenmerken de taak waar te ne­men. Dit is het soort bewustzijn zoals je er altijd over denkt. Je kunt het je niet voorstellen zonder waarneming, in jullie be­grippen; en toch kan het bewustzijn vitaal en levend zijn zonder jullie idee van waarneming. Het laatste deel van die zin is be­langrijk.(5)

ESP... griezelige gebeurtenissen. Maar waarom griezelig? Waarom gescheiden van een reeks geaccepteerde gebeurtenis­sen bestempeld als normaal? Waarom zou een gekwelde ex­soldaat geen ontmoeting zoeken die hem tot nieuwe vragen over de kwaliteit van de werkelijkheid zou leiden? De zich ont­wikkelende vermogens van een jong meisje zouden natuurlijk naar een liefdevolle ontmoeting met een grootvaderfiguur lei­den en daardoor helpen haar begrip over persoonlijkheid en gewaarwording zelf te vormen. Een jongeman die zich zorgen maakt over zijn toekomst, kan zich gemakkelijk wenden tot zijn eigen `toekomstige' zelf, gepersonifieerd door een `wijze oude man' en een vrouw met dubbelzinnige seksuele verlan­gens kan inderdaad die dilemma's objectiveren door een man­nelijk spiegelbeeld - en dan gedwongen worden daar een uitleg voor te zoeken. Hoe kunnen we dan zulke inherente vermo­gens zo zorgeloos classificeren en opbergen en ze bestempelen als ESP of als UFO's en ze zo buiten het gebied zetten van wat wij de praktische zintuigen vinden? Toch was het meer door het duidelijke zicht op de gewone da­gelijkse gebeurtenissen dan door het paranormale dat de cur­sisten echt de oppervlakte van wat bewustzijn inhoudt, begon­nen los te woelen.

In juni 1973 beschreef Rudy Storch een reeks ongelukken die hem in de loop van zo'n twee weken was overkomen.

Ten eer­ste, zei Rudy, had hij iedere keer als hij een mes oppakte per ongeluk in zijn vingers gesneden. Toen waren hij en een mede­cursist, Lauren Delmarie, betrokken bij een klein auto-onge­luk. Maar het spectaculaire hoogtepunt van dit alles was de vo­rige week gebeurd, vlak na Jane's cursus, toen de New York­groep naar een cafetaria reed om een paar hamburgers te halen voor de vijf uur durende terugtocht. Rudy, die totaal niet oplet­te, was dwars door de spiegelglazen deur van het restaurant ge­lopen - met brekend glas over zichzelf en de vloer. Ofschoon Rudy niet ernstig gewond was, had de ervaring hem kennelijk geschokt.

`Iemand die stenen door spiegelglas gooit is één ding en iemand die erdoorheen loopt is iets anders!' zei Seth, terwijl Rudy wijn voor zichzelf en een paar anderen begon in te schenken. `O, Seth, eh - gebeurde dit omdat ik helemaal waanzinnig ben of kwam het misschien door bepaalde overtuigingen die ik had?' vroeg Rudy vanaf zijn positie op de grond. `Je weet het antwoord op die vraag - want natuurlijk zijn er overtuigingen mee gemoeid', antwoordde Seth, naar voren leu­nend in Jane's stoel.

`Nou, ik heb daarover nagedacht en ik heb een paar antwoorden gevonden', zei Rudy. `Ik zou het je niet gevraagd hebben, maar ik heb me nu zo vaak bezeerd..." Het probleem-oplossen gaat ook door in jullie opvattingen!' brulde Seth terwijl hij Ru­dy onderbrak.

Rudy keek met zijn grote droevige ogen en voortdurende grijns de kamer rond waarbij hij een gezicht trok van `O, hemel! Daar gaan we weer!' Toen keerde hij zich weer naar Seth die gedul­dig zat te wachten. `Nou, toen ik me voor het eerst in mijn li­chaam sneed, kwam ik tot de conclusie dat dit kwam door mijn angsten', zei Rudy. `Ik had overtuigingen dat het universum vol met kwaad en gevaar was en dat ik deze werkelijkheid aan het scheppen was. Dus toen dacht ik dat als ik die overtuiging er letterlijk uithaalde, ik nooit gewond zou raken en dat mijn li­chaam in één verband onkwetsbaar was voor gevaar omdat ik mijn eigen werkelijkheid schep... ofschoon... er is eh, een ge­zond-verstandsniveau...'

Seth leunde plotseling naar voren en tikte op Rudy's voor­hoofd. `Jij wilt je dapperheid bewijzen en stelt jezelf nog steeds op de proef!' zei Seth. `Je vindt het fijn dat je met zo weinig last de proef doorstond. Het lijken, naar jij denkt, inwijdingsriten voor mannelijkheid. En dit is gekoppeld aan de ideeën die je had over een psychische inwijding. "Kijk eens: ik liep door glas en ik leef! Ik heb maar een paar schrammen - Heil mij!" De vol­gende keer wil je op hete kolen gaan lopen!' De klas brulde van het lachen, maar Rudy zat met open mond, zijn wijnglas in de hand. `Wees je gewoon bewust van je eigen overtuigingen op dat gebied en dan zul je dat soort problemen niet meer hebben', ging Seth verder. `Denk er echter aan hoe je vrienden hierover denken en hoe je erover praat en wat voor gebeurtenis het was - en onze vriend Rudy liep door glas! Denk aan de aandacht die je kreeg!

Nu geef ik je terug aan de festiviteiten en ik stel voor dat je een goed glas wijn drinkt. Maak je geen zorgen. Wees je alleen be­wust van je overtuigingen en besef dat je naast de lichamelijke schrammen, in jouw opvattingen, een heleboel attentie kreeg en dat wilde je.

Ik geef je nu terug aan de klas', zei Seth tegen de anderen. `Ik wil dat hij (Rudy) verteert wat ik gezegd heb!'

Seth trok zich terug en onmiddellijk ging er een dozijn stem­men op om Jane te vertellen wat er gebeurd was. Verschillende mensen brachten ongelukjes naar voren die hen die week wa­ren overkomen. Priscilla Lantini had een stukje uit haar enkel gestoken toen ze het gras maaide. Ik had mijn teen tegen een steen gestoten en dacht even dat hij gebroken was. Betty DiAn­gelo zei dat ze haar vinger aan een aardappelschiller had gesne­den toen ze het avondeten klaarmaakte. Maar we gaven toe dat niets het kon halen bij Rudy's ruit-trotserende prestatie. `Ik kan me toch niet voorstellen wat voor cadeautjes ik eruit kreeg', zei Rudy. `Bedoelt Seth dat vijf sneden en een blauwe plek cadeautjes zijn?' Rudy keek met overdreven onschuld naar Jane.

'Seth-lokkertje! Seth-lokkertje!' schreeuwde iemand.

`Laat ik dit ophelderen', antwoordde Seth terwijl Jane gehoor­zaam in trance glipte. `De aandacht was een cadeautje! En schaam je er niet voor - jullie willen allemaal aandacht! Jij ver­trouwde jezelf echter ook niet in de fysieke werkelijkheid. Je vertrouwde er niet op dat je zou overleven. Je vertrouwde je li­chaam niet. Je spookte rond in het universum! Je wilde een soort bewijs datje gewond zou kunnen worden en kon overle­ven - een soort diep vertrouwen in de innerlijke integriteit van je fysieke wezen dat de stimulans kon verschaffen - dat het li­chaam zichzelf kon genezen.

Er waren nog andere overtuigingen die ermee in verband ston­den - het gevaar, zoals jij erover denkt, was onzichtbaar. Daar­om gaf je jezelf, door de ervaring, het vertrouwen dat je door onzichtbare gevaren kon reizen en er met maar een paar blau­we plekken uit kon komen - dat zelfs gevaren die je niet kon zien, overwonnen konden worden; dat je inderdaad kon over­leven.

Op een ander niveau heeft dit te maken met onzichtbare over­tuigingen, want daar had je aan zitten denken. Je kunt ook door onzichtbare overtuigingen reizen.' `Zonder ze zichtbaar te maken?' vroeg Rudy. `Het effect werd goed zichtbaar!!' brulde Seth bij het lachgebul­der van de klas.

Seth lachte naar ons allen en wees met zijn vinger naar Rudy. `De ervaring had op veel niveaus zin... maar ieder ongeluk - en dit geldt voor jullie allemaal - is geen toeval', ging Seth verder.

`Je goede of je slechte gezondheid is geen toeval. Dit heeft alle­maal een betekenis voor je. Onze vriend liep niet toevallig door een spiegelruit. Het was geen kosmisch of speciaal ongeluk waar hij in betrokken was.

Als je in je vinger snijdt, is dat geen toeval. Als je je teen stoot, is het geen toeval. Als je griep krijgt of een virus, is het geen toe­val. Als je een chronische lichamelijke kwaal hebt, is dat geen toeval. Als je creatief bent, is het geen toeval. Als je goed nieuws krijgt, is het geen toeval. Als je goede dingen overko­men, is het geen toeval.

Jij vormt je werkelijkheid en dit geldt over de hele linie van je bewustzijn tot de kleinste molecule in Laurens oog!'

Bob, een ander lid van de New York-groep zei hardop: `Ik dacht net aan mijn motorongeluk. Het was in wezen hetzelfde. Het is waar dat ik een heleboel problemen oploste, maar ik kan er niets aan doen dat ik denk dat ik dezelfde problemen had kunnen oplossen zonder zoiets radicaals te doen.'

`Misschien ga je de problemen nu op bewuste niveaus oplos­sen', zei Seth tegen hem. `Alleen wanneer je je eigen overtuigin­gen niet bewust onder ogen wilt zien en ze moedig wilt aanvaar­den en onderscheid maakt, gebeuren er schijnbaar onbewuste ongelukken; als je plotseling niet zo snel bent als had gemoeten; of als je reacties plotseling niet zo goed zijn; als er een auto aan­komt die daar niet had moeten zijn. Ieder van jullie heeft zijn ei­gen manier, en een gebeurtenis die van buitenaf afschuwelijk lijkt, kan van binnenuit gezien, vanuit je persoonlijk gezichts­punt, iets heel anders zijn.'

Toen Seth sprak over deze symbolische maar `afschuwelijke' gebeurtenissen, dacht ik aan een cursusavond in 1970 toen de arme, gevoelige Rachel Clayton huilend het verhaal van een huiselijke tragedie had verteld. De week daarvoor had ze Tab­by, haar kat, naar buiten gelaten en hij was overreden door een auto. `Ik hield zoveel van die kat', fluisterde ze, haar gezicht nat van tranen. `Hij was de aardigste, liefste kat die er was. Ik be­grijp het niet. Waarom zou hij me willen verlaten? Wat heb ik gedaan? 0, ik had hem die avond nooit uit moeten laten gaan!' We leefden allemaal heel erg met Rachel mee - ze had vele ma­len over haar grappige, lieve kat gesproken. Ik herinner me dat Seth die avond doorkwam met zeer zorgvul­dige gebaren; voor de verandering vouwde hij Jane's bril voor­zichtig dicht, legde hem zorgvuldig op de koffietafel, schikte Ja­ne's lichaam met bestudeerde netheid in de stoel. `Sta je me toe een paar woorden tot je te spreken?' vroeg hij Rachel met zorg­vuldige ouderwetse beleefdheid. Rachel snoot haar neus en zei niets. `Ik wacht op je antwoord', zei Seth vriendelijk. `Het zij verre van mij om tegen je te spreken als je liever niet wilt horen wat ik te zeggen heb.'

`Ik luister', zei Rachel op berustende toon.

`We hebben wel enthousiastere reacties gehad', antwoordde Seth met een ondeugend vleugje van zijn gebruikelijke zelf. `Welnu, dit is een inleiding. De rest volgt als je er klaar voor bent en als je woedend op me wordt, laat ik er Ruburt voor op­draaien! Dus luister!'

Rachel kruiste haar armen en wachtte af.

`Welnu, het bewustzijn is een mooi gepersonifieerd onzeker ding', begon Seth. `Je kunt het niet echt zien of voelen of aanra­ken en toch ken je zijn eigenschappen. De kat leerde je weer lief te hebben en weer open te staan. Je stond ook op het punt je met de kat in je huis te verbergen en de fysieke werkelijkheid te negeren. De liefde die was opgewekt, moet op andere gebieden gericht worden -`Maar -'sputterde Rachel in protest. `- en jij mag praten als ik klaar ben, maar voor deze keer doe ik mijn "zegje"', ging Seth verder. `De kat wekte je liefde. Jij wist dat dit ging gebeuren en jij koos de middelen. Welnu, daardoor gaf je ook liefde aan het dier en wekte in dat dier eigenschappen die het eerder niet had. Met andere woorden, jij verbreedde de groei van zijn eigen gewaarzijn en bewustzijn. Jij verhoogde het, simpel gezegd. Het bewustzijn van de kat groeide en ont­wikkelde zich. Jij leerde hem communicatie. Nu heb ik het niet over fysieke communicatie, maar jij opende zijn gewaarzijn. Ofschoon het jou op dit moment misschien tra­gisch voorkomt, is het een feit dat de ware tragedie zou zijn ge­beurd als de kat, in jullie opvattingen, was blijven leven en er­voor had gezorgd dat jij erin genesteld werd, in je hoekhuis, en je liefde eerder naar binnen had gericht naar het dier dan naar buiten, want er zijn mensen die je liefde nodig hebben. Wanneer je bijvoorbeeld overweegt te hertrouwen of als je kinderen je dat opdringen dan denk je aan jezelf, zei Seth tegen Rachel. `Je denkt niet aan degenen die liefde en genegenheid nodig hebben en die eenzamer zijn dan jijzelf, die geen kinde­ren hebben en die niet alleen genegenheid zoeken, maar de eenvoudige beleefdheid die iemand anders kan tonen door hun bestaan te erkennen. Je was niet in staat die liefde naar buiten te vertalen of te transformeren. Tegelijkertijd verbreedde je het bewustzijn van het dier; het werd meer dan het was. Zijn be­wustzijn was klaar om te vertrekken en een andere vorm aan te nemen. Nu zal ik je later meer informatie hierover geven en ik zal je wat raad geven die je al of niet kunt aannemen, zoals je wilt.

Er is niets verkeerd en veel goed aan het houden van dieren. Maar wanneer je van een ding zo sterk houdt dat het anderen begint uit te sluiten, moet je oppassen... Welnu, het dier ging verder, zoals een kind het huis verlaat en opgroeit. Jij hielp bij de evolutie van zijn bewustzijn en gaf het toen zijn vrijheid. Je zult zijn bewustzijn weer in een andere vorm tegenkomen. Jij wist het en ik doel niet op schuld', zei Seth weer nadrukke­lijk tegen Rachel. `Je wist wat er ging gebeuren toen je het dier uitliet. Het dier voelde geen pijn, het verliet zijn lichaam on­middellijk. Jij hielp bij de ontwikkeling van zijn bewustzijn en hij hielp jou je liefde weer op te wekken. Maar zoals het dier zijn vorm veranderde, zo moet ook deze weer opgewekte liefde om zich heen gaan kijken. Er zijn mensen die snakken naar vriendschap en die geen liefde hebben gekend. Wanneer jij laat weten, telepathisch, datje gewaarzijn van gevoeligheid en lief­de weer ontwaakt is, kunnen anderen het merken en komen er als op een licht op af. Het zal zijn weg vinden en anderen aan­trekken die het nodig hebben.'

In de week die volgde op zijn woorden over Tabby's dood, her­haalde Seth zijn woorden over `toevallen' toen de klas een overstroming in Oost Pakistan waarbij duizenden mensen wa­ren gedood, besprak. `In de natuur is geen toeval', begon hij. `Als je de mogelijkheid aanvaardt van het minste, kleinste, on­betekenendste toeval, dan open je inderdaad de doos van Pan­dora, want logisch gesproken kan er dan niet maar één klein toeval bestaan maar een universum waarin toevallen geen uit­zondering maar regel zijn. Een universum waarin je bewustzijn daarom, logisch gesproken, een combinatie is van een toevalli­ge samenklontering van atomen en moleculen zonder reden of oorzaak, die in het niets zullen verdwijnen net zoals ze uit het niets te voorschijn zijn gekomen.

Als je dat denkbeeld eenmaal aanvaardt, zie je, dan moet je als je goed doordenkt het denkbeeld accepteren van een willekeu­rig, toevallig universum waarin je afhankelijk bent van ieder toeval, waarin geest of doel weinig betekenen, waarin je afhan­kelijk bent van alle willekeurige gebeurtenissen waardoor 300.000 mensen van de planeet kunnen worden geveegd, ge­woon naar de kuren van een toevallige gebeurtenis. En als dat het universum is waarin je gelooft te leven, dan is het inderdaad een afschuwwekkend en triest universum', ging Seth verder met zware luide stem. `In dat universum heeft het indivi­du weinig hoop, want hij zal terugkeren naar het niets waar zijn willekeurige fysieke creatie vandaan kwam. Volgens die ge­dachtenlijn, als je dit doordenkt, werd een groep atomen en moleculen toevallig tot bewustzijn en zang ontvonkt en keert dan terug naar de chaos waar ze vandaan kwam; en het indivi­du heeft geen controle over zijn lot, want het kan ieder moment door het willekeurig lot - waar hij geen zeggenschap over heeft - aan de kant worden geveegd. Dit alles kun je op het gewone leven betrekken. Als je denkt dat je hoofdpijn hebt gewoon omdat je hoofdpijn hebt; of je botst tegen een deur gewoon omdat je tegen een deur botst; of je hebt een ongeluk gewoon omdat je toevallig op een bepaalde tijd op een bepaalde plaats was; wanneer je je ooit machteloos voelt dan denk je dat er ongelukken gebeuren en dat je er geen con­trole over hebt.

Het enige antwoord is dat je individueel en en masse de fysieke gebeurtenissen schept. En zoals ik steeds weer heb gezegd, jul­lie vormen de fysieke werkelijkheid die je kent.' `Weet je', herinnert Rudy zich van Seths uitleg van het ongeluk, `eerst was ik niet tevreden met Seths uitleg. Ik kon gewoon niet begrijpen wat hij bedoelde met te zeggen dat ik "cadeautjes" kreeg met dat lopen door een deur! Ik bedoel maar, ik stond daar bloedend als een rund uit de sneden in mijn hand en knie en een vent in een hokje zegt tegen me: "Wees maar niet bang jong, als je naar het ziekenhuis gaat snijden ze alleen je been er maar af'- tussen haakjes - mijn knie moest negen hechtingen hebben!

Ik kan me herinneren dat we net van de cursus kwamen en ik voelde me echt vol enthousiasme' herinnert Rudy zich. `Echt gelukkig, weet je, op en neer springend. Toen - wham!!! Zoiets als een ongelooflijke slag, letterlijk. Ik zat daar in het restau­rant, zo'n beetje zwevend en denkend: God, als mij dit kan overkomen als ik mijn eigen werkelijkheid schep, wat komt er dan nog meer? Alsof ik tegen mezelf zei: Zie eens wat er ge­beurt als je de teugels laat vieren en jezelf durft te vertrouwen? Je wordt neergeslagen. En de eigenares van het restaurant wond zich maar op over haar ruit.

Toen raakte Seth me echt met de kern van dit alles - dat ik me (in het voorval) bezighield met onzichtbare overtuigingen. Dat dit het was dat ik op me had genomen; dat ik mijn eigen energie niet vertrouwde; dat ik er bang voor was en voelde dat mijn ei­gen energie me kon vernietigen. En het is waar dat ik me vlak nadat het gebeurde griezelig opgelucht en gelukkig voelde! Alsof ik had uitgevonden dat ik kon overleven; dat ik erop kon vertrouwen dat mijn lichaam niet beschadigd werd ondanks zo'n verschrikkelijk ongeluk - en Seth had het juist daarover!'

`Bedek de persoonlijke dagelijkse aspecten van je leven niet met vooropgezette ideeën over wie je bent, wat je bent, waar je bent en waarom je bent', zegt Seth in deel 2 van The 'Unknown' Reality. `Word je bewust van de oorspronkelijke aard van ieder gegeven ogenblik zoals het bestaat. Vergeet wat je verteld is over tijd en ruimte. Weiger ideeën te accepteren die de dimen­sie van je eigen natuurlijke wezen beperken. Nogmaals, de on­bekende werkelijkheid is wat jij bent.(6)




1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   ...   30


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina