Gewasbescherming a


HOOFDSTUK 6 EMISSIE EN EMISSIE­BEPERKING



Dovnload 471.07 Kb.
Pagina5/6
Datum25.07.2016
Grootte471.07 Kb.
1   2   3   4   5   6

HOOFDSTUK 6 EMISSIE EN EMISSIE­BEPERKING


Onder emissie wordt het `weglekken' van middelen naar het milieu verstaan. Emissie kan het gevolg zijn van ongelukken of van opzette­lijke lozingen waarbij gewasbe­schermingsmiddelen in het milieu te­rechtkomen. In dit hoofdstuk beperken we ons echter tot de emissie die het gevolg kan zijn van normaal landbouwkundig gebruik. Het is voor de dagelijkse gebruiker belangrijk op de hoogte te zijn van verschil­lende emissievormen. De toepasser is zich dan meer bewust van de noodzaak emis­sie te voorkomen.


Voor drinkwater wordt duidelijk aangegeven hoeveel milligram van een bepaald bestrijdingsmiddel per liter in het water mag zitten en hoeveel van alle middelen bij elkaar.

Ook de bestrijdingsmiddelenwet, de Wet Verontreiniging opper­vlaktewa­ter, de Wet Bodembescher­ming en Het be­strijdings­middelenbesluit bevatten bepalingen op grond waarvan emissie van middel naar het milieu tot een minimum beperkt moet wor­den.


De gegevens uit dit hoofdstuk over de afzonderlijke emissie­routes komen voor het merendeel uit het Achter­gronddocument Emissie (1990), dat aan de basis ligt van het Meerjaren­plan Gewas­bescherming.

De omvang van het probleem





volle­grond­s­t­eel­ten

teelten on­der glas

totaal verbruik
emissie naar:

lucht


bodem en grond­water

oppervlaktewater


totaal in pro­centen:

totaal in ton­nen:



18700 ton

20-22%


2-4%

1-3%
23-28%

4300-4900 ton


1200 ton

51-52%


< 1%

4%
54-57%

650-680 ton



Tabel 6.1 De emissie naar lucht, bodem en water.

Tabel 6.1 geeft een beeld van de hoeveelheid bestrij­dings­middel die in 1987 in de lucht, de bodem, het grondwater en het oppervlakte­water be­landde. Cijfers kunnen misleiden. In de paragrafen hierna staat steeds vermeld hoeveel middel er in heel Neder­land via een bepaalde route verdwijnt. Ook de totale aantallen kunnen misleiden: een kleine­re sector heeft minder invloed op de totale emissie, maar de emissie van een bedrijf uit deze sector speelt een even grote rol voor het omrin­gen­de milieu als de emissie bij een bedrijf uit een grotere sector. Waar het uiteindelijk om gaat, is de situatie per bedrijf. Een andere vorm van mislei­ding ontstaat wanneer er alleen naar de aantal­len gekeken wordt. Immers, het veelgebruikte captan levert in verhou­ding minder problemen dan het veel minder gebruikte atrazin. De afbreek­baarheid van de middelen blijkt namelijk een belangrijke rol te spelen. Verder zijn de hoe­veelheden die per emis­sieweg opge­geven worden slechts indica­ties. Het gaat om zeer moeilijk meetbare proces­sen. De cijfers zijn niet meer dan ruwe schattingen. De routes worden behan­deld in volgorde van afne­mende omvang (landelijk bezien).



Route 1: verdamping van grondontsmet­tingsmiddelen
Grondontsmettingsmiddelen, bijvoorbeeld ter bestrijding van aardappel­moeheid, kunnen vanuit de grond verdampen. Vooral als de grond te nat is of bij een slecht afge­dichte toplaag komt deze vorm van emissie voor. De overheid probeert onder andere door de regulering van het gebruik van deze middelen deze emissievorm te beper­ken. Tot het jaar 2000 mag men eens in de vier jaar op een perceel een ontsmetting uitvoeren, daarna een keer per vijf jaar.

Voor de open teelten schat men de totale emissie op twintig. Dat is 2430 ton middel; in de kasteelten vijf­tig procent, dat komt overeen met 500 ton werkza­me stof.




Route 2: verdamping overige mid­delen
Bij andere middelen spelen twee vormen van verdamping een rol:

- tijdens en direct na het spuiten

- verdamping vanaf het gewas en vanaf de bodem.
In de buitenteelten verdwijnt een tot vijf procent van het middel in het milieu door verdamping tijdens of vlak na het spuiten. In de fruitteelt, waar andere middelen met andere apparatuur worden ver­spreid, rekent men op tien tot twintig procent (52 tot 292 ton).

Vanaf blad en bodem verdampt naar schatting zo'n twintig procent, dat is ongeveer 1400 ton.




Route 3: uitspoeling naar grondwater en drainwater
Bestrij­dingsmiddel op en in de bodem zakt gewoonlijk langzaam met het regen­water naar beneden, totdat het soms na jaren in het grondwater terecht­komt. Soms wordt een middel gebonden aan gronddeeltjes. Ook kan een middel afgebroken zijn voordat het in het grondwater terecht is gekomen. Deze emissie­vorm wordt dus vooral bepaald door de uitspoe­lingsgevoeligheid van een middel.

Middelen met beperkingen voor waterwingebieden zitten in deze catego­rie.

Men schat de totale emissie in de vorm van uitspoeling op 100 tot 400 ton.


Route 4: drift
Drift is het verwaaien van spuitdruppels tijdens een bespui­ting. Het komt ook in gesloten teelten voor in de vorm van spuitvloeistof die uit niet gesloten ramen of via kieren verwaaid. De spuitvloei­stof kan door verwaai­ing in aangrenzende sloten neerslaan, maar ook in andere gewassen, in na­tuurgebieden, tussen bebouwing enzovoort. De hoeveel­heid drift hangt vooral af van vijf factoren:

1 de druppelgrootte

Hoe kleiner de druppels, hoe makke­lijker ze verwaaien. De gebruiker kan in ieder geval door het kiezen van de juiste spuitdop en druk zijn apparatuur goed instellen (wanneer die goed onder­houden is);



2 de hoogte van de spuitboom of afstand van spuitdop tot de boom

Hoe groter de afstand tussen spuitdop en te bespuiten object hoe meer drift;



3 het weer

Op warme dagen en/of in droge lucht' krimpt' de spuit­druppel snel en verwaaid dan makkelijker. Waait het harder dan vier meter per seconde dan is bespuiting sterk af te raden. Maar ook met weinig wind bestaat er op zonnige dagen een risico: dan kan een luchtstro­ming omhoog ontstaan, waardoor de druppels langer in de lucht blijven;



4 de spuittechniek

Luchtondersteuning bij veldspuiten vergroot de neer­waartse druk, waardoor de zijwaartse druk (de drift) afneemt. Bij LVM technieken (Low Volume Mist) in de gesloten teelten zijn de deeltjes zo klein dat ze gemak­kelijk door kieren kunnen ontsnap­pen. Daarnaast bestaat de kans dat op het moment van afluchten (het openen van de ramen) nog niet al de spuitvloei­stof op de grond is gekomen en zo gemakkelijk naar buiten komt.



5 (bij de gesloten teelten) de afsluiting van de kas

Hoe goed is deze kas afgesloten tijdens het spuiten (ramen, kie­ren) en hoeveel tijd zit er tussen bespuiting en afluchten?




Route 5: reinigen van spuitapparatuur
Een spuitbeurt levert niet alleen verontreinigde spuit­appara­tuur op, maar meestal ook een restant spuitvloei­stof. Soms verspuit de gebrui­ker dit op het veld en soms bewaart hij het in de tank. Maar in een aantal gevallen loost hij dit restant ergens op het perceel of laat hij het langs een weg of kavelpad in de bodem of de sloot lopen. Dat betekent een extra belasting van het milieu. Naast dit overblijfsel van de be­spuiting bevat de tank standaard ook een hoeveelheid dood volume (het gedeelte uit de tank dat niet meer te verspuiten valt omdat het in de slangen en in de pomp zit). Vaak blijft dat gewoon in de spuitmachine zitten, maar soms moet het eruit: bijvoorbeeld wanneer na een onkruidbespuiting hetzelfde apparaat voor schimmel  of insectenbestrijding nodig is. Dit dood volume volgt dan meestal dezelfde weg als de andere restanten. Spuitres­tant en dood volume bedragen in de open teelten ongeveer één procent van het ver­bruik. Totaal schat men dat op deze manier 30 tot 70 ton middel in het milieu terecht­komt.

Verder maakt een boer of tuinder zijn spuit­machine gemiddeld drie tot vier maal per jaar van buiten schoon. Elke wasbeurt levert dan 100 tot 200 liter schoon­maak­water op. Ook dit water bevat restanten van de gebruikte bestrij­dingsmid­de­len. Het lozen van waswater in bijvoor­beeld het oppervlaktewater kan plaatselijk grote vis­sterf­te en sterfte van andere levensvormen in het water veroorzaken.




Route 6: afspoeling naar oppervlakte­water
Soms gebeurt het dat er zoveel neerslag valt dat het water niet snel genoeg de bodem kan in zakken. Het teveel aan water op de bodem spoelt naar lager gelegen stuk­ken op het perceel en stroomt uiteindelijk meestal de sloot in. Met dit water kan gewasbeschermingsmiddel in het milieu verdwijnen. Voor heel Nederland schat men deze emissievorm op 30 tot 40 ton.


Route 7: winderosie
Door verstuiven van grond kunnen gewasbeschermingsmidde­len zich verplaat­sen. Dit komt vooral in de veenkoloniën en Limburg voor.


Route 8: beheer van watergangen
In Nederland verdwijnt via deze route in zijn totaliteit niet zo veel bestrijdings­middel. Het gaat om enkele tonnen werkzame stof per jaar. Maar voor individu­e­le bedrijven en hun omgeving kan deze route wel degelijk een rol spelen. Wanneer een boer of tuinder ervoor kiest om zijn taludranden te be­spui­ten, dan ontstaat er ter plekke in die watergang een piekcon­centratie bestrij­dingsmiddel, die voor het leven in het water ­zeer ge­vaarlijk kan zijn.

Via deze route verdwijnen (in de open teelten) enkele tonnen bestrij­dingsmid­del per jaar naar het milieu.




Specifieke routes
Behalve via de algemene routes komt er nog bestrijdings­middel via enkele specifieke routes in het milieu. Voorbeelden zijn:
- restanten van dompelbaden in bloembollen- en pootaard­appelteelt,

- restanten voorbehandelingoplossingen bij siergewas­sen,

- condenswater in kasteelten,

- afloop van regenleidingen die ook voor het verspreiden van be­strijdingsmidde­len worden gebruikt.


Tabel 6.2 geeft een overzicht van de verschillende ontsnappingsrou­tes. De hoeveelheden zijn afgerond op hele tonnen werkzame stof. Ook geeft tabel 6.2 aan hoeveel elke route nu uiteindelijk bijdraagt aan de emissie door het totaal van de open gesloten teelten. De hoeveelhe­den zijn afgerond op hele tonnen en hele per­centages.
In deze tabel valt de enorme rol van de verdamping van zowel de grondontsmet­tings­middelen als de overige midde­len op: minstens 85 procent van de landelijke emissie in de open teelten verloopt via deze route. De gesloten teelten laten geen ander beeld zien.
De tabel is interessant om te zien hoe op landelijke schaal bestrij­dingsmiddel naar het milieu verdwijnt, maar zegt minder over de situatie op het bedrijf. Tabel 6.3 zal daarom de ondernemer zelf vermoedelijk wat meer zeggen. Daarin staan nogmaals de emissiepercen­tages. Anders dan in tabel 6.2 gaan deze percentages uit van het gebruik door de boer of tuinder (de gebruikte hoe­veelheid) en geven zij aan welk deel daarvan ontsnapt of verloren gaat. De getallen geven een indruk, ze zijn het resultaat van allerlei inschattingen: voor­zichtigheid is op zijn plaats.




Open teelten

Gesloten teelten

Route

Hoeveel­heid (ton w. stof)

Aandeel in tota­le emis­sie

in pro­centen



Hoeveel­heid

(ton w. stof)



Aandeel in tota­le emis­sie

in pro­centen



1 verdamping grond­ont­smettingsmiddelen

2430

53

500

75

2 verdamping bij spui­ten

111 - 398

2 - 9

21 - 43

3 - 6

verdamping gewas/bodem

1350 - 1420

30 - 31

85

13

3 uitspoeling

195 - 390

4 - 9

17 - 25

3 - 4

4 drift

115

3

-

-

5 reinigen

30 - 70

1 - 2

4

1

6 afspoeling

30 - 40

1

-

-

7 winderosie

1

<1

-

-

8 beheer watergan­gen

paar ton

<1

-

-
















Specifieke routes:













- restant dompelbad

2 - 5

<1

-

-

- voorbehandeling

-

-

4 - 5

1

- condensgoten

-

-

14

2

- afloop regenlei­ding

-

-

4

1

Totaal

4265 - 4870

100

649 - 680

100


Tabel 6.2 Omvang van de emissieroutes in heel Nederland


Route

Open teelten

(in procen­ten)



Gesloten teel­ten

(in procenten)



1 verdamping grondont­smettingsmiddel

20

50

2 verdamping bij spui­ten

1 - 5

5 - 10

verdamping b­oo­m+­fr­u­it:

10 - 20




verdamping gewas/bo­dem

20

20

3 uitspoeling

1 - 2

2 - 3

4 drift

1 - 2

0.1

5 reinigen

1%

1

6 afspoeling

0.3 - 0.4

-

7 winderosie

1.8

-


8 beheer watergangen

onbekend

-

Specifieke routes:







- restant dompelbad

onbekend

-

- voorbehandeling

-

onbekend

- condensgoten

-

10

- afloop regenleiding

-

onbekend

Tabel 6.3 Emissie als deel van de gebruikte hoeveelheid spuitmiddel
VRAGEN HOOFDSTUK 6
1. Wat wordt verstaan onder emissie?

2. Waarheen treedt emissie op?

3. Zie tabel 6.1

Waar naar toe vindt de grootste emissie plaats?


4. Noem 3 redenen waarom cijfers over aantallen zoals vermeld in tabel 6.1 misleidend kunnen zijn.

5. Welke 8 routes worden onderscheiden? Zet erachter in procenten hoe groot elke route is voor open teelten. Zie Tabel 6.2.

Zet dit in een grafiek (staafdiagrammen) uit.

6. Vul de volgende tabel in.


emissie- route

hoeveelheid hangt af

van


te beperken door

verdamping

grondontsmetting










verdamping overig







uitspoeling water








Drift







Spuittechniek







reinigen appara­tuur








afspoeling naar

oppervlaktewater










Winderosie







beheer watergan­gen












1   2   3   4   5   6


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina