Ggd-wijzer met kinderen gezondheid en veiligheid bij 4-12 jarige kinderen



Dovnload 1.83 Mb.
Pagina1/46
Datum27.08.2016
Grootte1.83 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   46


GGD-WIJZER MET KINDEREN


Gezondheid en veiligheid bij 4-12 jarige kinderen



GGD Eindhoven


Afdeling jeugdgezondheidszorg

Postbus 2357

5600 CJ Eindhoven

040-2384058

Colofon

Eindredactie: Toine Gribling, beleidsmedewerker afdeling Gezondheidsbevordering

GGD Eindhoven

De hoofdstukken over infectieziekten en hygiëne zijn geschreven door de Landelijke Coördinatiestructuur Infectieziektebestrijding - Den Haag

Met dank voor de medewerking, het lezen en herschrijven van teksten: Willemien de Blauwe, Mirjam van den Brand, Klien van de Burgt, Wilma van Hoogenhuyze, Marja de Jong, Saskia Laeijendecker, Karin van Mook, Jantien Noorda, Isabella Terpstra, Annette de Voogd, Lotty de Weert-Donders e.a.

Mei 2002



GGD-WIJZER MET KINDEREN VAN 4 – 12 JAAR



INHOUDSOPGAVE

Voorwoord


1. Algemene Inleiding
2. Gebruiksaanwijzing
A. BIOLOGISCHE FACTOREN
3. Normale groei en ontwikkeling

3.1. Lengte en gewicht

3.2. Ontwikkeling
4. Ontwikkelings- en functiestoornissen

4.1. Vroegtijdige signalering

4.2. Motorische ontwikkeling


    1. Spraak en taal

      1. Taalontwikkeling vanaf 4 jaar

      2. Spraak

      3. Stotteren

      4. Afwijkende mondgewoonten

      5. Heesheid

      6. Slechthorendheid

4.4. Sociaal-emotionele ontwikkeling

4.5. Gedragsproblemen voortkomend uit ontwikke­lings­stoor­nissen

4.5.1. Overbeweeglijkheid

4.5.2. Aandachtsstoornis

4.5.3. Contactstoornis
5. Infectieziekten en andere besmettelijke ziekten


    1. Wat zijn infectieziekte

5.1.1. Ziekteverwekkers

5.1.2. Waarom word de ene persoon wel ziek en de ander niet?

5.1.3. Weerstand


    1. Vaccinaties (Inentingen)

      1. Rijksvaccinatieprogramma

      2. Bijverschijnselen

      3. Vaccinaties buiten het Rijksvaccinatieprogramma

      4. Registratie van de vaccinatiestatus van de kinderen

      5. Ongevaccineerde kinderen op school

    2. Zieke kinderen op school

      1. Een ziek kind

      2. Afspraken met de ouders over het beleid bij ziekte

      3. Personen met een verhoogd risico op ernstig verloop van infectieziekten

    3. Wanneer schakel je de GGD in?

      1. Informatie

      2. Overleg en advies

      3. Wettelijk verplichte melding van infectieziekten (artikel 7 van de infectieziektewet)

    4. Beschrijving van infectieziekten.

      1. AIDS

      2. Bof

      3. Buiktyfus

      4. Diarree

      5. Difterie

      6. Dysenterie

      7. Griep (Influenza)

      8. Hand-, voet- en mondziekte

      9. Hepatitis A

      10. Hepatitis B

      11. Hersenvliesontsteking veroorzaakt door meningokokken

      12. Hersenvliesontsteking veroorzaakt door bacteriën (anders dan meningokokken)

      13. Hersenvliesontsteking veroorzaakt door virussen

      14. Hoofdluis

      15. Kinkhoest

      16. Koortslip

      17. Krentenbaard (impetigo)

      18. Legionellapneumanie (veteranenziekte)

      19. Mazelen

      20. Middenoorontsteking en loopoor

      21. Oogontsteking

      22. Paratyfus

      23. Pfeiffer, ziekte van

      24. Polio (kinderverlamming)

      25. Rodehond (rubella)

      26. Roodvonk (scarlatina)

      27. RVS-infectie

      28. Schimmelinfectie van de huid (ringworm, tinea capitus)

      29. Schurft (scabies)

      30. Spoelworm (ascaris, toxocara)

      31. Steenpuisten

      32. Tekenbeten en de ziekte van Lyme

      33. Tetanus

      34. Tuberculose (TBC)

      35. Verkoudheid

      36. Vijfde ziekte (erythema infectiosum, parvovirusinfectie)

      37. Voetschimmel (zwemmerseczeem)

      38. Waterpokken

      39. Waterwratten (mollusca contagiosa)

      40. Wormpjes (aarsmaden, oxyuren)

      41. Wratten (gewone wratten)

      42. Zesde ziekte (exanthema subitum)

    1. Veel gestelde vragen aan de GGD

      1. Algemeen

      2. Diarree

      3. Huiduitslag

      4. Ogen

      5. Oren

      6. Overige vragen

6. Overige ziekten en aandoeningen



    1. Allergie

      1. Voedselallergie

      2. Bronchitis en Astma

      3. Hooikoorts

      4. Eczeem

6.2. Epilepsie

6.3. Lui oog



    1. Slechthorendheid

    2. Suikerziekten

      1. Hyper glykemie

      2. Hypo-glykemie

7. Klachten



    1. Buikpijn

    2. Duizeligheid

    3. Hoofdpijn

    4. Hyperventilatie

7.5. Misselijkheid en Braken
B. FYSIEKE OMGEVING
8. Veiligheid

    1. Speelplaats

    2. Gebruikte spuiten rondom de school

    3. Schoolgebouw

    4. Calamiteiten

    5. Brandveiligheid

    6. Kijklijst Veiligheid

C. MAATSCHAPPELIJKE OMGEVING


9. Gezinsvormen

9.1. Kinderen uit onvolledige gezinnen

9.2. Adoptie gezinnen

9.3. Stiefgezinnen


10. Echtscheiding
11. Probleemgedrag

11.1. Probleemgedrag

11.2. Agressiviteit

11.3. Angst

11.4. Driftbuien

11.4.1. Driftbuien

11.4.2. Breath holding spell

11.5. Eenkennigheid

11.6. Huilen

11.7. Jaloezie

11.8. Koppigheid

11.9. Mokken

11.10. Nerveuze tics

11.11. Slaapproblemen

11.12. Het (te) stille kind

11.13. Wennen in het kindercentrum


12. Opvoeding en socialisatie

12.1. Opvoedingscultuur

12.2. Migrantenkinderen

12.3. Disfunctionele opvoeding


13. Kindermishandeling

13.1. Achtergrondinformatie

13.2. Het vaststellen van mishandeling

13.3. Vijf specifieke gevallen van mishandeling


14. Ziekte en overlijden

14.1. Dood en rouw in de groep

14.2. Een kind met kanker

14.3. Een zieke opvoeder


D. LEEFSTIJL
15. Hygiëne

    1. Wat is hygiëne

    2. Persoonlijke hygiëne

      1. Hoest- en nieshygiëne

      2. Handen wassen

      3. Toilethygiëne

      4. Menstruatie

      5. Bloedoverdraagbare aandoeningen en wonddesinfectie

      6. Het aanleren van hygiëne

    3. Een schone en gezonde omgeving

      1. Ventilatie

      2. Schoonmaken

      3. Desinfecteren van materiaal

      4. Watersystemen: legionellabeheersplan

      5. Zandbakken

      6. Huisdieren en ongedierte

    4. Overblijven

      1. Inleiding

      2. Voedselbereiding

      3. Hygiëne en voeding

    5. Gebruikte spuiten rondom de school

    6. Kijklijst hygiëne

16. Mondgezondheid

16.1. Wisselen

16.2. Cariës (tandbederf, gaatjes)



    1. Tandenpoetsen

    2. Fluoride

16.4.1. Fluoride basisadvies

    1. Tussendoortjes en traktaties

    2. Tandvleesontsteking

    3. Tandartsbezoek

    4. Beschadigingen van het melkgebit

    5. Beschadigingen van het melk – en blijvend gebit

    6. Beugels

17. Voeding en eetgedrag



    1. Gezonde Voeding

    2. Weinig trek of veel trek

    3. Anorexia Nervosa

    4. Boelimia Nervosa

    5. Spugen

    6. Miezenmuizen

    7. Lekkerbekken

17.8. Obstipatie

17.9. Diarree


18. Seksualiteit

18.1. Seksuele ontwikkeling



    1. Seksuele voorlichting

    2. Seksuele Vorming

    3. Seksuele mishandeling en seksueel misbruik




  1. Zindelijkheid

    1. Bedplassen

    2. Broekpoepen




  1. Verslavende middelen

    1. Alcohol

    2. Canabis en andere drugs

    3. Gokken

    4. Tabak




  1. Stress

E. GEZONDHEIDSZORG


21. De rol van de GGD

21.1. Jeugdgezondheidszorg

21.2. Jeugdtandzorg

21.3. GVO en Gezondheidsbevordering



    1. Bedrijfsgezondheidszorg / Arbo-dienst

    2. Algemene Gezondheidszorg

22. EHBO


22.1. Inleiding

22.1.1. De belangrijkste punten van de EHBO

22.1.2. EHBO-trommel

22.1.3. Regels en afspraken

22.2. Aanvallen

22.2.1. Benauwdheid

22.2.2. Bewusteloosheid

22.2.3. Flauwvallen

22.2.4. Hik

22.2.5. Shock

22.3. Botbreuk

22.4. Braken (Spugen)

22.5. Elektriciteit ongevallen

22.6. Gebitsbeschadiging

22.6.1. Tand door de lip

22.6.2. Afgebroken tand

22.6.3. Losgeslagen tand

22.6.4. Tand uit de kaak

22.6.5. Verplaatste tand

22.6.6. Overige klachten

22.6.7. Kaakbreuk

22.7. Gesloten verwondingen

22.7.1. Blaren

22.7.2. Builen en blauwe plekken

22.7.3 Kneuzing

22.7.4. Ontwrichting en luxatie

22.7.5. Verrekking

22.7.6. Verstuiking

22.8. Hersenschudding

22.9. Neusverwondingen

22.9.1. Bloedneus

22.9.2. Voorwerp in neus

22.10. Onderkoeling


    1. Oogletsel

22.11.1 Iets in het oog

22.11.2.Oogverwonding

22.12. Oorletsel

22.12.1.Voorwerp in het

22.13. Piemeltje tussen de rits

22.14. Spierkramp

22.15. Splinter

22.16. Verbranding

22.17. Verdrinking

22.18. Vergiftiging

22.19. Verslikking

22.20. Wonden

22.20.1.Bloedingen

22.20.2.Bijtwond

22.20.3.Ingescheurde nagel

22.20.4.Insectenbeten

22.20.5.Schaafwond

22.20.6.Scheurwond

22.20.7.Snijwond

22.21. Zonnesteek / warmte stuwing



  1. Adressen



VOORWOORD
Vanuit uw functie heeft u veelvuldig contact met kinderen; contacten die veelal heel plezierig zullen verlopen.

Soms echter kunnen deze contacten vragen oproepen, wellicht zelfs problemen, waarvoor u als professional een oplossing moet zien te vinden.

De vragen kunnen betrekking hebben op de gezondheid van de kinderen (uit recent onderzoek blijkt dat volgens ouders één vijfde van de kinderen een chronische aandoening heeft), hun gedrag, de opvoeding of gezinssituatie. Maar ook de omgeving waarin de kinderen verblijven kunnen vragen oproepen, evenals de noodzakelijke acties bij ongevallen.
Gezien de veel voorkomende vragen in dit kader vanuit kindercentra en scholen, heeft een aantal GGD’en (gezondheidsdiensten) in Nederland het initiatief genomen een handboek samen te stellen waarin we op de meeste van deze vragen antwoord proberen te geven.

GGD - Nederland stelt dit initia­tief zeer op prijs. GGD’en zijn immers hét preventie-instituut van de stad of regio. Dat betekent dat hij onder andere taken uitvoeren op het gebied van gezond­heidsvoorlichting en - opvoeding (GVO), jeugdgezondheidszorg, infectieziektebestrijding en medische milieukunde; taken, die een relatie hebben met uw werk.

Vandaar dat ook de GGD u hierbij de "GGD-wijzer met kinderen” aanbiedt.

Ik hoop en verwacht, dat deze samenwerking tussen u en de GGD ten goede komt aan uw doelgroep: de kinderen.

Voor verdere informatie kunt u natuurlijk contact opnemen met de GGD Eindhoven.
1. ALGEMENE INLEIDING
Dit handboek is gemaakt door medewerkers van samenwerkende GGD’en uit het hele land. GGD'en hebben de wettelijke taak om te zorgen voor bescherming en bevordering van de gezondheid van de burgers in hun gemeenten (Wet Collectieve Preventie Volksgezondheid).

Uit enquêtes (van het NIPO en het CBS) blijkt dat mensen zelf een goede gezondheid zeer waardevol vinden.

Gezondheid is echter niet iets dat een mens heeft of krijgt. Het is meer een toestand waarin men zich op een bepaald moment be­vindt. Die gezond­heidstoestand is het resultaat van verschillende bijdragen en inwerkende krachten. De WHO (World Health Organisation) gebruikt hiervoor het model van Lalonde (naar de voormalige Canadese minister van volksgezondheid). In dit model staat de onderlinge wisselwerking tussen verschillende factoren die de gezondheid beïnvloeden, de zogeheten gezondheidsdeterminanten, centraal.


  • Biologische factoren (erfelijke en aangeboren aandoeningen, beschadiging als gevolg van ziekte of ongeval)

  • gedragsfactoren (leefstijl, leefwijze, [on]gezonde gewoonten)

  • milieufactoren: fysieke omgeving (milieu-, luchtvervuiling, geluidshinder, woningkwaliteit, klimaat)

  • maatschappelijke omgeving (sociale contacten, relaties, [on]veilig voelen, werkloosheid, discriminatie).

  • gezondheids­zorg: toegankelijkheid van aanbod van expertise en voorzieningen zoals ziekenhuizen huisartspraktijken, medicijnen etc.

Al deze factoren hangen nauw met elkaar samen en beïnvloeden elkaar onderling. Dit complexe geheel bepaalt de gezondheid.

Een voorbeeld:

Als de biologische bagage "aanleg voor astma" (familiair) gecom­penseerd wordt door een fysieke woonsituatie zonder stof, vocht, huismijt en luchtverontreiniging en als daarnaast de luchtwegen niet ge­plaagd worden door ongezond gedrag zoals roken en indien de gezondheidszorgvoorzieningen zorgdragen voor een goede voorlichting en medicijnen kan iemand met astma zich gezond voelen en normaal functioneren.

Dit voorbeeld maakt duidelijk dat mensen zelf verantwoordelijkheid dragen voor hun gezondheid, maar dat ook anderen in hun omgeving medeverantwoordelijkheid dragen (denk bijvoor­beeld eens aan meeroken). Ook de overheid heeft verantwoordelijkheid; dit bijvoorbeeld voor vol­doende voorzieningen, maatregelen tegen luchtverontreiniging etc.

Ook kinderen kunnen, afhankelijk van hun leeftijd, geleidelijk aan steeds meer verantwoordelijkheid dragen voor hun eigen gezondheid; hij moeten dat wel leren. Opvoeders en leerkrachten hebben daarom een belangrijke taak bij het bewaken en bevorderen van de gezondheid van kinderen. Daarnaast heeft de overheid beschermende taken. De gezondheid van een kind is onontbeerlijk voor verdere groei en ontwikkeling, voor leer- en ontplooiingsmogelijkheden.

Deze GGD-wijzer met kinderen is bedoeld ter ondersteuning van al diegenen die in het "tweede milieu" van school medeverantwoordelijk zijn voor de gezondheid van kinderen. De wijzer geeft uitleg, advies en verwijzingsmogelijkheden over gezondheid.

De biologische bagage uit het model van Lalonde is terug te vinden in deel A onder de hoofdstukken over normale groei en ontwikke­ling, functiestoornissen en ziekten, alsmede onder aandoeningen.

De milieu-invloeden komen aan bod in deel B: Fysieke omgeving en veiligheid. In deel C: Maatschappelijke omgeving, gaat het om relaties waarbij de opvoeder een grote rol speelt.

Het gedrag komt aan de orde in deel D: leefstijl, waarbij ook gewoonten -goede en slechte- worden besproken.

De gezondheids­zorg is te vinden in deel E met de rol van de GGD, maar ook met een praktische handleiding voor eerste hulp bij ongelukken.



2. GEBRUIKSAANWIJZING
Het handboek dat voor je ligt bevat informatie over een veelheid aan onderwerpen die betrekking hebben op de gezondheid van kinderen van 4 tot 12 jaar.

Deze GGD-wijzer is voor een deel samengesteld uit reeds bestaande handboeken. Als leidraad is gebruik gemaakt van het handboek "School, jeugd en gezondheid" van GGD Flevoland en van "Hoe te handelen bij ..." van GGD Eindhoven en GGD Geldrop/Valkenswaard. Een aantal onderwerpen is specifiek voor dit handboek geschreven en daarnaast is met toestemming gebruik gemaakt van bestaande literatuur.

De indeling van dit handboek kent een bepaalde logica die overzichtelijk is weergegeven in de inhoudsopgave. In grote lijnen kenmerkt de indeling zich door een verdeling in 5 hoofddelen (A t/m E) die elk weer opgedeeld zijn in hoofdstukken (1 t/m 24). De paragrafen die deel uitmaken van de hoofdstukken staan zoveel mogelijk op alfabetische volgorde gerangschikt.

Je zult merken dat de inhoudsopgave voldoende aanwijzingen geeft voor een praktisch gebruik van dit handboek.

Zoek je bijvoorbeeld informatie over geelzucht, dan vind je dat in het hoofdstuk over infectieziekten: hoofdstuk 5. In verband met de alfabetische volgorde van de paragrafen, tref je het onderwerp vervol­gens onder 5.6 aan. De bladzijden van deze specifieke paragraaf hebben allemaal het kenmerk 5.6 als nummering onderaan de bladzijde.

We hebben bewust niet gekozen voor een automatische doornumme­ring van de bladzijden. Onder aan elke bladzijde is het hoofdstuk- en paragraafnummer opgenomen waar het betreffende onderwerp deel van uitmaakt.

We streven ernaar de informatie in het handboek zo up-to-date mogelijk te houden. Door met een hoofdstuknummering te werken zijn wij in staat flexibel om te gaan met toevoegingen en wijzigingen als dat aan de orde is, zonder dat we daarmee de overzichtelijkheid van het handboek aantasten.

In de paragrafen bespreken we de onderwerpen zoveel mogelijk via antwoorden op een vaste reeks van vragen, dat zijn: "Wat is het?", ofwel: hoe omschrijven we het probleem. "Hoe krijg je het?", ofwel: wat is de oorzaak van het probleem. En vervolgens: "Wat kun je als leerkracht doen?" en "Wat kun je als school doen?", ofwel: hoe treden we handelend op.

Kopiëren is toegestaan. Wijzigingen van inhoudelijke aard dienen te worden doorgegeven aan GGD-Nederland.


A. BIOLOGISCHE FACTOREN
3. NORMALE GROEI EN ONTWIKKELING
Groei en ontwikkeling zijn processen die van nature een vooropgesteld plan volgen. Iedereen groeit en ontwikkelt volgens dezelfde weg. Op die weg staan ontwikkelingsmijlpalen. De volgorde daarvan ligt ongeveer vast, het tempo waarin ze bereikt worden is verschillend. Wel is aan te geven binnen welke leeftijdsgrenzen het merendeel van de kinderen ze bereikt.

Groei is het proces van toename in aantal en grootte van cellen en van de lichaamsstoffen buiten de cellen. Uit één bevruchte eicel ontstaat uiteindelijk een compleet volwassen individu.

Dat individu bestaat uit heel veel verschillende soorten cellen met verschillende functies die met elkaar verbonden zijn en samenwerken. Dit is het resultaat van specialisatie, rijping en integratie van cellen, organen en orgaansystemen, samengevat onder de term ontwikkeling.
3.1. LENGTE EN GEWICHT
Voor een optimale groei is het nodig dat er voldoende bouwstoffen in de voeding aanwezig zijn en dat deze stoffen goed verwerkt en benut worden. Vertering, stofwisseling en hormonale systemen moeten dus goed werken.

Om de groei te beoordelen worden kinderen regelmatig gemeten en gewogen. Naarmate een kind langer is zal het ook zwaarder zijn. Na een jaar is een baby ongeveer drie maal zo zwaar en anderhalf maal zo lang als toen deze geboren werd. De groeisnelheid van 25 cm in het eerste jaar neemt af tot 8 cm in het vierde jaar. Als de indruk bestaat dat een kind opvallend groot, klein, dun of dik is, heel hard of juist bijna niet groeit, is het goed om dit met de ouders te bespreken en te adviseren de groei extra in de gaten te houden. Het kan zijn dat het kind onvoldoende of verkeerde voeding krijgt, voeding niet verteert of een probleem in de hormoonhuishouding heeft.

In de basisschoolperiode neemt de groeisnelheid af van ± 8 cm per jaar in het vierde levensjaar tot ± 5 cm per jaar bij meisjes van ongeveer 10 jaar en jongens van ongeveer 12 jaar.

Problemen met de groei kunnen optreden bij opmerkelijk snelle of juist trage groei en het opvallend dik of mager zijn. De groei hangt af van erfelijke factoren (lengte van de ouders) en van omgevingsfactoren en leefstijl (voeding en eetgewoonten). Zijn er bijzonderheden waar te nemen, voor wat betreft de groei van het kind, dan is het goed dit met de opvoeders te bespreken en het oordeel van de jeugdarts te vragen.

In de bovenbouw begint er een grotere variatie in de lengte van leerlingen op te treden. Dit is het gevolg van het intre­den van de groeispurt. De groeispurt is een groeiversnelling gedurende 1 à 2 jaar met een topsnelheid van gemiddeld 10 cm per jaar bij jongens en gemiddeld 9 cm per jaar bij meisjes. Bij de meisjes zet de groeispurt in op de leeftijd van onge­veer 10 jaar, bij de jongens vanaf 12 jaar. Na de groeispurt daalt de groeisnelheid geleidelijk tot nul in een periode van 1 à 2 jaar. Jongens groeien 2 jaar langer door voordat de eindspurt in de groei aanvangt. Dat verklaart voor een belang­rijk deel het lengteverschil tussen volwassen mannen en vrouwen.

Er is een variatie in moment van inzet, duur en snelheid van de groeispurt die samen met de duur van de restgroei na de spurt de volwassen lengte verder bepaalt. Een verschijnsel dat vaak aan de groeispurt voorafgaat is een vetspurt: de kinderen worden eerst dikker voordat hij in de lengte schieten. Na de groeispurt in de lengte vindt er ook nog uitbouw in de breedte (bot- en spiermassa) plaats, waardoor de verhoudingen veranderen. Tegelijkertijd krijgt ook de geslachtelijke rijping zijn beslag, met de bijbehorende lichamelijke veranderingen.

Deze processen en verschillen roepen vaak veel vragen op en veroorzaken soms problemen. De leerling kan deze het beste bespreken met de jeugdarts of jeugdverpleegkundige. Denk als leerkracht en begeleider van een leerling met problemen ook altijd aan een oorzaak in de beleving van de lichamelijke persoonlijkheid. Het idee van anders zijn -te klein, te dik, etc.- kan leiden tot terugtrekgedrag, minderwaardigheidgevoelens, overcompensatie en andere problemen.

3.2. ONTWIKKELING
De ontwikkeling van een bevruchte eicel tot compleet volwassen menselijk organisme is het resultaat van processen op het niveau van cellen, organen en orgaansystemen. Als we het hebben over de ontwikkeling van kinderen bedoelen we functieontwikkeling die we kunnen waarnemen bij het kind: de ontwikkeling van houding en gedrag, motorische vaardigheden, spraak en taal, zintuigfuncties, geestelijke vermogens, etc.

Naast spierweefsel, skelet en gewrichten zijn zintuigen en zenuwstelsel van het grootste belang. De ontwikkeling van het zenuwstelsel begint al kort na de bevruchting met de vorming, de verhuizing en groepering van zenuwcellen, met de vorming van uitlopers, het maken van contactverbindingen, de vorming van isolatie- en steunweefsel, selectie van cellen en productie van actieve stoffen. Een deel van deze ontwikkelingen vindt alleen voor de geboorte plaats. Een groot deel ook daarna en loopt door tot in de volwassenheid. Alle storende invloeden in deze processen kunnen gevolgen hebben voor de ontwikkelingsmogelijkheden van het kind.

Om de ontwikkeling te beoordelen wordt een kind geobserveerd en wordt nagevraagd wat het zoal doet of kan. Bij jonge kinderen is de motorische functieontwikkeling het meest spectaculair, de geestelijke en zintuiglijke vermogens blijken op de achtergrond ook van groot belang. We spreken bij deze combinatie over psychomotorische ontwikkelingen.

In de eerste weken van een baby treden spontane en reactieven bewegingen op, er is nog geen sprake van bewuste en planmatige activiteit. Daarna volgt een spectaculaire ontwikkeling van lachen, aarzelen, grijpen, rollen, zitten, staan en lopen. Deze functies worden als het ware vanzelf verworven, ieder normaal kind maakt deze ontwikkelingen door zonder dat ze aangeleerd hoeven worden. Bij het ene kind gaat de ontwikkeling sneller dan bij het andere. Bij een en hetzelfde kind komt de ene functie sneller dan de andere. Soms gaat de ene fase van een functieontwikkeling sneller dan een volgende en soms ook valt het terug op een vorige fase. Functieontwikkeling kent oneindig veel variaties. Hij zijn het gevolg van het samenspel van aanleg en omgevingsfactoren. De aanleg bepaalt de grenzen, de omgevingsfactoren bepalen in hoeverre de mogelijkheden van de aanleg benut worden. Door motivatie en stimulatie ontwikkelt een kind zich vlotter. Naarmate het kind ouder wordt is er meer invloed van buitenaf nodig om nieuwe functies te ontwikkelen: functies als fietsen, schaatsen, fluiten en schrijven komen niet vanzelf, maar moeten geleerd worden. Eenmaal verworven verdwijnen ze niet gemakkelijk. Er zijn nog gecompliceerdere vaardigheden, zoals bijvoorbeeld pianospelen, die weer verdwijnen als ze niet onderhouden worden. Hier wordt de grens bereikt van de normaal door iedereen te verwerven vaardigheden.

De als het ware vanzelf ontwikkelende voorgeprogrammeerde functies vormen de basis voor de vaardigheden die men later aanleert. De mens maakt selectief gebruik van de uitgebreide variatie aan uitvoeringsmogelijkheden. Die worden vervolgens zoveel mogelijk als automatisme gehanteerd.

Bij het basisschoolkind valt de ontwikkeling van sociale en cognitieve vaardigheden het meest op.

Hierbij speelt leren een belangrijke rol. De kinderen leren in hun huiselijke omgeving, maar nu ook voor een deel van de tijd in de schoolomgeving. Hij leren van volwassenen en van andere kinderen. Ook kan het kind nu complexere motorische vaardigheden aanleren. Het kind gaat naar een club of vereniging, waar het bijvoorbeeld zwem- of muziekles krijgt. Het leren gaat meestal samen met oefenen in een sociale context. Over het algemeen is er een steeds grotere variatie tussen individuele kinderen in prestaties en leeftijd waarop hij mijlpalen bereiken. Vooral in het begin van de basisschoolperiode is er ook een in het oog springend sekseverschil: meisjes zijn beduidend vlotter, bijdehanter of rijper dan jongens.

In deze periode verandert ook de socia­le positionering en de aard van de vriendschappen tussen kinderen onderling. In de onderbouw is er het situationele stadium. De basis voor vriendschap wordt gevormd door gezamenlijke activiteiten met gemeenschappelijke regels. Je moet iets aan elkaar hebben en je moet aardig zijn voor elkaar.

In het daarop volgende contractstadium is er sprake van gedeelde opvattingen, normen en waarden. De basis is de waardering voor elkaars eigenschappen en wederzijds vertrouwen.

Aan het eind van de basisschool, maar vooral in de puberteit, ligt de nadruk op het uitwisselen en begrijpen van elkaars zieleroerselen: het psychologische stadium. De basis van vriendschappen is de gemeenschappelijke belangstelling, maar vooral de bij elkaar passende persoonlijkheden. De verhouding ten opzichte van volwassenen verandert sterk. Met name de rol van de ouders verandert: hij stellen zich minder beschermend op en verwachten meer van hun kinderen. Kinderen leren hun emoties te beheersen en meer over problemen te praten. Een kind krijgt langzamerhand ook meer eigen verantwoordelijkheid. De onvoorwaardelijke autoriteit die kinderen toeschrijven aan volwassenen gaat tanen. Conflicten die vroeger door een woede-uitbarsting "snel" opgelost werden, kunnen nu lang smeulen. Opvoeders geven aan dat hun kinderen in deze leeftijd na een conflict nog lange tijd passief tegenwer­ken, vermijdingsgedrag tonen of neerslachtig zijn.

Bij de ontwikkeling van pubers en adolescenten tot volwassenen moeten we bedenken dat lang niet iedereen op elk gebied een volledige ontwikkeling doorloopt. Velen hebben een plafond bereikt terwijl slechts enkelen op deelgebieden met vaak veel oefening hun talenten verder kunnen uitbuiten: de topsporter, de kerngeleerde, de goochelaar, de versierder, de politicus en de kunstenaar bijvoorbeeld. Ook hij hebben meestal op andere gebieden een minder hoge ontwikkelingsgraad bereikt.

4. ONTWIKKELING- EN FUNCTIESTOORNISSEN
4.1. VROEGTIJDIGE SIGNALERING
Kinderen verschillen van elkaar. Ook op school zie je verschillen in de ontwikkeling van de lichamelijke groei; spraak en taal, motoriek, de sociale en emotionele ontwikkeling. De marge van wat een normale ontwikkeling genoemd wordt is groot. De aanleg van een kind geeft de grens aan hoe ver het kan komen in zijn ontwikkeling en wanneer het rijp is voor een volgende stap. Het is afhankelijk van zijn omgeving welke kansen hij krijgt om ervaring en kennis op te doen om zijn talenten te ontplooien.
Wat is een ontwikkelingsstoornis?
Het gemiddelde kind bestaat niet, bij elk kind zijn wel bijzonderheden op te merken; leiden die bijzonderheden niet tot blijvend nadelige gevolgen voor het kind, dan is er sprake van een normale ontwikkeling.

Wijkt een kind een weinig naar beneden af van het gemiddelde dan spreken we van een ontwikkelingsachterstand. Bij een ontwikkelingsstoornis gaat het om een duidelijke afwijking van de gemiddelde ontwikkeling van leeftijdsgenoten. Het kind is dan erg achter of ontwikkelt zich op een bepaald terrein opvallend anders. Deze verstoorde ontwikkeling valt op en vaak zijn er extra maatregelen nodig om het kind de kans te geven zich zoveel mogelijk te ontplooien.


Wat kun je als leerkracht doen?
Als leerkracht krijg je te maken met kinderen die opvallen en waarbij je vermoedt dat hun ontwikkeling wordt bedreigd. Dit kan worden veroorzaakt door factoren in het kind zelf, of door factoren in de omgeving van het kind.

  1. In eerste instantie kun je proberen deze tekenen van een mogelijke ontwikkelingsachterstand of -stoornis te benoemen.

  • De signalen van een mogelijke stoornis kun je constateren op één ontwikkelingsge­bied, bijvoorbeeld in de motoriek. Veel vaker echter zul je zien dat zich op meerdere terreinen problemen voordoen: het kind is bijvoorbeeld niet alleen laat met praten, maar is ook motorisch onhandig. Bij jonge kinderen is er nog een grote samenhang tussen de verschillende ontwikkelingsgebieden.

  • Twee voorbeelden: blijft de denkontwikkeling achter, dan heeft dit onmiddellijk invloed op de taal; een kind dat onhandig beweegt kan hiervan last hebben in het spel en de zelfredzaamheid.

  1. Het is sterk aan te raden om bij twijfel aan de ontwikkeling alle ontwikkelingsgebieden onder de loep te nemen door deze nader te observeren en te omschrijven.

  • De volgende aandachtspunten kunnen hierbij tot steun zijn

  • bewegen: grove en fijne motoriek

  • praten: begrijpen en uiten van taal

  • contact met de leiding

  • contact met kinderen

  • kring

  • spel binnen en buiten

  • gedrag: binnen en buiten

  • opvallende kenmerken

  1. Niet iedereen kijkt via dezelfde bril naar het gedrag van kinderen. Wat de één normaal vindt, vindt de ander afwijkend.

  • Door te praten met collega's of hen mee te laten kijken naar de kinderen waarover je je zorgen maakt, kun je er achter komen in hoeverre het gedrag van het kind te maken heeft met jouw oordeel en verwachtingen of dat collega's je zorg delen.

  • Bovendien kun je samen nagaan in hoeverre factoren binnen de school of van je eigen aanpak van invloed kunnen zijn.

  1. In een gesprek met de opvoeders kan duidelijk worden of hij de zorg om de ontwikkeling delen en welke gebeurtenissen en omgevingsfactoren mogelijk een rol spelen. Het kan zijn dat hij bepaalde factoren al langer als een probleem ervaren en dat de ontwikkeling van het kind vanaf het begin afwijkend is verlopen. Ook kunnen gebeurtenissen in het gezin, de opvoedingssituatie of persoonlijke problemen van de gezinsleden zijn weerslag hebben gehad op de ontwikkeling.

  • Gedraagt het kind zich thuis net als in de groep; wanneer dit niet het geval is, welke factoren spelen dan een rol?

  • Gedraagt het kind zich thuis net zo, hoe gaan de opvoeders daar dan mee om?

  1. Opvoeders kunnen samen met de leerkracht besluiten om advies te vragen aan derden. Een mogelijkheid is om te overleggen met de jeugd- of huisarts. Er kan dan worden bekeken of verdere stappen nodig zijn. Ook kan een af­wach­tende houding op zijn plaats zijn.

  • Er kan advies gevraagd worden aan een VTO team (Vroeg-Tijdige Onderkenning van ontwikkelingsstoornissen). Dit team kan adviseren over de verschillende mogelijkheden die er in de regio zijn voor verder onderzoek of behandeling. Je kunt het kind ook aanmelden voor het grondiger laten uitdiepen van de vragen en hulp vragen bij de weg die je het beste kunt bewandelen om kind en gezin te helpen.

  1. Er zijn verschillende valkuilen: het is van belang dat je je daarvan bewust bent:

  • als je een bepaald gedrag van een kind kunt verklaren (bijvoorbeeld dat het kind zo agressief is omdat zijn vader ook zo is) wil het nog niet zeggen dat dit niet zorgelijk is en je er niets aan moet doen

  • het feit of je gedrag al of niet kunt beïnvloeden zegt weinig over de zorgelijkheid ervan

  • signaleren is niet hetzelfde als een diagnose stellen. Het stellen van de diagnose kun je beter aan specialisten overlaten. Het gebruiken van diagnostische termen als ADHD kind of autisme kun je dan ook maar beter vermijden.

Hierna volgt een bespreking van de signalen voor 3 belangrijke ontwikkelingsgebieden:



  • motorische ontwikkeling

  • spraak-taal ontwikkeling

  • sociaal-emotionele ontwikkeling



4.2. MOTORISCHE ONTWIKKELING
Wat is het?
Een belangrijke stap in de motorische ontwikkeling is de houdingscontrole en spierspanning. Belangrijk hierbij is het evenwicht.

Een kind met een slechte controle over zijn houding kan een heel slappe of juist heel gespannen motoriek laten zien. Houdingscontrole is al in het eerste levensjaar een belangrijke aanwijzing voor de werking van de hersenen van een kind.

Op latere leeftijd kunnen houding en spierspanning ook aanwijzingen geven over zijn emotioneel welbevinden.

De coördinatie van bewegingen (de afstemming), is ook van groot belang. Het kind leert steeds beter om zijn bewegingen op elkaar af te stemmen (b.v. lopen en fietsen) en om met de ogen zijn bewegingen te sturen (b.v. het grijpen en later het tekenen). Als gecoördineerde bewegingen beheerst worden gaan ze automatisch. Bij coördinatiestoornissen ontbreekt het vloeiend verloop van de bewegingen en verlopen de bewegingen schokkerig, ongericht, of houterig.

Bij de motorische ontwikkeling van kinderen moet er niet alleen op gelet worden of ze de motorische mijlpalen wel op tijd halen, maar ook hoe de kwaliteit van hun bewegingen is. Beweegt een kind soepel of houterig, zijn de bewegingen geremd of ongeremd, heeft het er controle over of gaat het ongecontroleerd. Bovendien gaat een kind gaandeweg steeds meer be­schikken over een verfijnd scala aan bewegingspatronen. Via lopen leert hij rennen, hij leert klimmen, fietsen, springen, hinkelen. Het is belangrijk om te kijken of het kind voldoende variëteit heeft in dit bewegen. Of dat het daarin beperkt is of zelfs niet verder komt dan stereotiep bewegen, steeds maar herhalen van hetzelfde. Elk kind heeft een eigen tempo, maar een te laag activiteitenniveau (te rustig) of een te hoge activiteit (hyperactiviteit) kan belemmerend werken op de ontwikkeling. Een aantal kinderen lijkt zich motorisch goed te ontwikkelen, maar valt in de kleuterleeftijd op vanwege het niet beheersen van fijnmotorische vaardigheden. Ze krijgen de kleine legoblokjes niet op elkaar, kunnen niet puzzelen en knippen. Als ze zich daarnaast moeilijk kunnen concentreren zou er sprake kunnen zijn van een aandachtsstoornis (zie aldaar).
Wat kun je als leerkracht doen?
Bij het vermoeden van een stoornis op het gebied van de motoriek is het zaak dat een deskundige bekijkt:


  • of het lichaam zelf goed functioneert

  • of het zenuwstelsel in orde is

  • of er iets met de zintuigen is (horen/zien)

  • of het kind zich emotioneel prettig voelt

  • of het kind voldoende stimulans heeft gehad om de motoriek te ontwikkelen

  • of het kind geen algehele ontwikkelingsachterstand heeft.

Bij kleuters met overactief gedrag, coördinatieproblemen en/of problemen in de fijne motoriek moet onderzocht worden of er sprake is van een aandachtsstoornis. Bespreek deze punten met de opvoeders en adviseer nader onderzoek door jeugdarts, psycholoog of orthopedagoog.

4.3. SPRAAK EN TAAL
4.3.1. Taalontwikkeling vanaf 4 jaar
Wat is het?
Wanneer er van de geboorte af met een kind gesproken wordt, zal het gaan praten. Het eerste huilen en de eerste keuvelgeluidjes van een kind komen vanzelf. Alle kinderen over de hele wereld maken daarbij dezelfde soort geluidjes. Deze geluidjes gaan langzamerhand steeds meer op de eigen taal lijken. Dit komt, omdat een kind de klanken overneemt van mensen die veel met hem/haar praten.

De reacties vanuit de omgeving zijn dus erg belangrijk voor de ontwikkeling van zijn/haar spreken. Het kind gaat steeds meer geluiden, klanken en woordjes die het hoort nadoen. Vanuit dit nadoen ontwikkelt zich dan tenslotte het spreken.


4 tot 5 jaar

Een kind van 4 jaar moet goede, korte zinnen maken. Het inzicht in taalregels rijpt meer en meer, maar zolang dit nog niet volledig is, worden er “fouten” gemaakt. Een kind zegt bijvoorbeeld: “Nu hebben we genoeg gepraten”.

De woordenschat van het kind neemt toe tot 2100 woorden. Soms schiet zijn kennis nog te kort of het gaat gewoon spelen met woorden. Kinderen kunnen dan heel creatief zijn in het bedenken van nieuwe woorden. Bijvoorbeeld: “spiegelpapier” in plaats van “zilverpapier”.

Een ander kenmerk van het spreken op deze leeftijd is dat kinderen over hun woorden gaan vallen, ook wel haperen genoemd. Dit is een normale fase in de ontwikkeling van de spraak en taal. Kinderen beleven veel, ze willen erg veel vertellen, maar kunnen nog moeite hebben dit allemaal te verwoorden. Door het haperen wint een kind tijd om na te denken en de juiste woorden te vinden





  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   46


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina