Gierik 43, juni 1994 Ama Ata Aidoo



Dovnload 113.08 Kb.
Datum23.07.2016
Grootte113.08 Kb.
Gierik 43, juni 1994

Ama Ata Aidoo
Dus

om twee uur ’s morgens

lig ik hier in het donker

scherper van oog dan

de kat mijn totem:
ongerust

boos


slapeloos
heerlijk bezorgd

gelukzalig boos en

nerveus voldaan
dat
ik

ook


een moeder

ben!

Er was niet

genoeg tijd

om te zien

wat er in elkaars ogen lag.


Ik hoor de donder

Ik zie de bliksem

Ik hoor de donder

Ik zie de bliksem

Staat mijn minnaars raam open?

Staat mijn minnaars deur op een kier?

Misschien slaat de regen in zijn kamer?
Misschien blaast de wind zijn kleren uit?

Laat de rest van mijn haar ongevluchten, zuster,

laat het garen los hangen.
Ik moet mij haasten naar mijn minnaars kamer.

Ik moet mij haasten zijn raam te sluiten.

Ik moet mij haasten naar de kamer

van mijn lief,

voordat de regen inslaat, zuster,

voordat de regen inslaat.


Jan Gloudemans
LISBOA
de lift de grote vogelkooi stijgt hoger

dan de oude stad gedoken in oker en azuur

op de stroom de logge overzetponten

van mijn kinderjaren met schuimend rad

protserig de toren van belem rondend
de rozen in de geweerloop al verwelkt

maar donkere vrouwen zingen nog de fado

verhalend keelgeluid van oeroud leed

scherp als de zerpe wind schraal schurend

langs het beeld van de dode veroveraar

die wijst naar waar de nieuwe wereld ligt

veder dan cabo di roca van sintra overzee
zijn dromen waren bestikt met goudgalon

zijn mantel besprenkeld met het bloed

van hen die bepluimd als bonte vogels

niet vroegen om mens te worden en stierven

voor zilver en beloofde gelukzaligheid

Peter Blue Cloud
COMPOSITIE
daar was de bison die

bloed en stoom blies uit keelwond

en zelfs de stank van geronnen bloed en

van vees die haat die woede mengen,

het geluid van het grote hart

dat beukend slaat,

en een poot die krampachtig een

voor krabt, en reeds

de eerste vliegen,

het wanhopige trekken van de jager

aan de korte werpspies, beschaamd

om zijn slechte mikken dat

zijn broeder zoveel pijn bezorgt

wanhopig


wil hij opnieuw toestoten, zuiver nu

om het gemeenschappelijke lijden

te beëindigen,

en het paard dat staat te beven

en te schuimbekken van de wilde

extase van de jacht,

en een vlakte,

en bergen en prachtige wolken,

alles is zo’n rijk schilderij,

en achter de ezel een kale witte muur

en de innerlijke voorstelling van

een compositie

die alle manipulatie te boven gaat.

DE DRAGER VAN MASKERS


Omdat hem opgedragen was de

maskers te dragen

en omdat hij het nooit prettig vond

om zijn publiek erg lang alleen te laten

zette hij een masker op zijn hoofd vast

en stak zijn voeten in twee andere en

hij droeg er nog twee als handschoenen

en alle maskers staarden naar binnen

in een merkwaardig gesprek gewikkeld,

grijnzend,

knipogend, hoestend, geeuwend.

En niemand hoorde ooit

de gesmoorde kreet van de drager

die voor altijd in de val zat.

VOOR EEN KIND
Omcirkel de berg teder

want de berg is vriendelijk

denk aan de open vallei

aan de andere kant

denk door de berg heen

aan de open vallei

aan de andere kant

misschien is er gevaar

of pijn in die open plek
denk in een cirkel

om deze vriendelijke berg heen

en weldra zal de berg

worden als kristal

en je zult de open vallei zien

door de kristallen berg heen

en alle waarheid van de berg

en vallei zal van jou zijn


en omcirkel de berg teder

en wandel licht

die vredige vallei in

waar het hart van het kristal

zijn woning heeft

STEEN
steen vier mieren

steen zullen helemaal

steen om deze steen

steen heenlopen
steen vier anderen

steen zullen met

steen hen

steen meelopen


steen zo veel

steen zo’n grote groep mieren

steen echter

steen maaar één steen


DE OUDE MAN IS LUI


hoorde ik de Indian Agent zeggen

heeft geen trots, is volstrekt niet

ijverig. Welnu, hij kwam hier eens

kijken en wandelde om mijn erf

heen, die ambtenaar. Stapt

dwars door de milkweed en

het geneeskundige wormwood: vertelt

mij dat mijn erf overwoekerd is

en dat er ‘nuttig gebruik’ van gemaakt zou moeten worden

De oude omheining van gespleten

ceder, staat in talloze hoeken,

en een groot deel ervan

ligt op de grond, als

een gebogen regel

stokkenschrift. Ook een oude taal,

zwart van ouderdom, met verschillende

kleuren groen van mos en korstmos.

Hij zegt


altijd dat hij ons Indianen begrijpt,

en waarom ik

de omheining tenminste niet herstel:

dus nam ik een paar mooie

buizerdveren, bevestigde ze

aan een klein geweven schild

en hing dit aan

een rechtopstaande paal bij het huis.

Hij kwam vorige week langs

en keek weer overal rond, staarde

een hele tijd naar de veren.

Hij zei niets, en hij glimlachte

niet eens. Evenmin keek hij

in zichzelf uit naar de buizerd.

Misschien vertel ik

hem nog wel eens dat de omheining

niet mijn taak is om mee te beginnen,

maar dat hij door de blanke vent die

naast mij woonde werd gemaakt,

dat gebeurde

jaren geleden. Hij bouwde een hut,

en maakte daarna de omheining. Hij

heeft me maar één keer aangekeken,

nadat zijn omheining gereed was.

Hij knikte naar mij alsof

hij wilde laten zien dat hij wist

dat ik hier was, veronderstel ik.

Het was


een mooie omheining, die die vent

omsloot, en ik voelde me gelukkig

dat ik aan de buitenkant ervan

verbleef.

Welnu, die vent

groef overal gaten in zijn

land, op zoek naar goud,

en ik veronderstel,

dat hij nooit iets vond.

Ik zag hem gedurende meer dan

twintig jaar oud en verbitterd worden,

ik kon zijn kwaadheid voelen

in het hele gebied

En

toen verliet ik mijn erf om



heel veel bezoeken af te leggen.

Toen


kwam ik op een keer thuis

en wist dat hij voorgoed

vertrokken was.

Mijn kinderen vroegen

me steeds waarom ik

niet naar de stad verhuisde

en dichter bij hen kon zijn.

Nu zeggen

ze tegen mij dat ik geluk heb

omdat ik hier helemaal woon.

En

ze nemen hun kinderen mee



en komen hier bij mij op bezoek,

en ik kan voelen dat zij

hier ook wel willen wonen, maar het

om een of andere reden niet kunnen doen.

Iedere dag

wordt me een ander verhaal

verteld door de omheining,

de regen en de wind en de sneeuw,

de zon- en de maanschaduwen,

door deze prachtige aarde,

deze schepping.

Ik vertel mijn kleinkinderen

veel van deze verhalen,

misschien

is dit ook zo’n verhaal.

Hans Plomp
EEN KRAS
wat is god

en wat is steen

de scheidslijn


  • als er een bestaat –

is heel dun

in jejuri

en bijna iedere steen

is god of zijn neef


er is geen oogst

zonder god

en god wordt hier

het hele jaar geoogst

op elk uur van de dag

van slechte grond

en harde rots
dat enorme brok rots

zo groot als een slaapkamer

is Khandoba’s vrouw in steen veranderd

de barst erin

is de wond van zijn slagzwaard

toen hij haar ooit neersloeg

in een woedeaanval

maak een kras op een rots

en een legende ontspringt

GROTE AFSTAND


Deze afstand is groot

Dit gezelschap pijnlijk

Dit samenzijn zorgelijk

Deze nacht is rusteloos

Dit bed is bewegingloos.
Deze krekels zingen

Onder het bed

Een paringsraga

Luisterend

Naar de ingehouden adem.

Leo van der Zalm
NAUWELIJKS GEBEURD
op het wegdek, de hoek

naast de boekhandel

het schemerde al
een lichaam, doodstil

tot de kin een witte doek

waarop wat bloemen, wat

rode kleurstof gestrooid

wat roepies erlangs
een gezicht, leek me

van een Inca-mummie

van de oudste ouderdom
een uur later, na mijn eten

stonden er een achttal agenten

bij het lijk, noteerden, bespraken

ik legde wat munten neer voor

wie, wat hout, zag toen
een gezicht, smal, misschien

dertig, te jong, maar dood

veel meer bloemen ook
een paar uur later

niet meer dan wa bloemen

verloren op het wegdek

Marc Van Caelenborg
HET POMPGEMAAL
Dwars op de sloot

Die kaarsrecht door het weiland snijdt

Alleen met lucht en wolken

En met de Schelddijk

Staat glanzend wit

Weerspiegeld in het water

Het pompgemaal
Zoals de reiger

ongehaast

blijft zelfs de tijd hier even staan

AVOND
In de holte van de avond

Houdt elke boom de stilte vast

Het gras vergaart de laatste geuren

Het tuinpad komt gedwee tot rust
Nog is het donker niet gekomen

Het daglicht niet vervaagd

Op dit verstild moment

Tot eeuwigheid verlengd

DE BINNENDIJK
Begroeid met gras

En rij aan rij met populieren

Rijst uit het polderland

Een warme wal

Van horizon tot einder

De dijk
De kudde schapen op de flank

Vreet zeer gestaag

De stilte aan



Frank Pollet
BLOED, ZWEET EN TRANEN
Waar het niet gaan kan,

Kruipt het. In de onbewaakte ogenblikken

Die nu schaars maar functioneel geworden zijn. Want

Hoe dan ook blijven wij aan het slot der jaren wrikken,


Wetend dat het actuele verdict

Ons armer heeft gemaakt. En stiller in de kamers

Van ons huis. Waarin het hart opschrikt

Bij elke windstoot van de wereld. In een nazomer


Van steen. En regen, regen die ons niet wou sparen

En die van ons leven een verlengde herfst maakt.

Want het blijft nu levenslang september. Ook

Al brandt de haard niet in dit hart vol rook.



Voorheuvel
Hoogste tijd

dat we weer takken

aan de bomen doen.
Hier en daar

een vogel

in de lucht hangen.
Zo af en toe

een lichte wolk

langs de hemel

laten gaan


Want je ontkomt toch

niet aan de feiten.



Jan Vanhaelen
SEMOIS
Het daagt – ik rust wat uit, alleen

op de hoogte van een rots. Onderwerp: schuift, als de Lethe, de rivier

traag haar vel verder tussen dennenflank

en moestuin. Een brug op ronde

schouders vol kleine mensjes.
De hoek om ligt het dorp:

elf, twaalff uitgemergelde huizen

met tabakswinkel school en kerk.
Naast mij, onder de varens

beweegt, als een te dikke vlinder

een winterkoninkje. In de verte vele ruggen vol ovalen akkers

NAJAAR
De fazanten zijn weer uitgezet

en zitten langs de kant der sloot

te wachten op wie schieten zal.

De mannetjes, in al hun kleurenpracht,

sneuvelen eerst. Lang treuren zit er

voor de wijfjes wel niet in – daar

gaan al nieuwe lopen naar omhoog.


En zie:

in de winkelramen zetten hupse meisjes

chrysanten voor ons uit.

ROCHEHAUT


Als een hoge taart, een Saint-Honoré,

ligt het graf van de reus

in de koele armen van zijn rivier.

Lorken en woningen langs

smalle straten.
Op veilige afstand bouwden handelaars

terrassen om dit graf en verrekijkers.

Bij het genoegen van brede bekers

staren toeristen naar dit buitenbeentje

van hydrofilie.


Annmarie Sauer
HET LABYRINT DER ZINNEN
ARIADNE
Door de val

veval ik weer in d’eenzaaamheid

van alles willen
nu meteen

alles


hoger

hoger op
Helios

zeg mij dat het ochtend is

breng mij het vuur

Faëthon

verbrand de aarde en de lucht



en wek de toorn der vaders op

verzeng de tijd


Nimmer ben ik groot in

onderdanigheid


EENHOORN
Saillant

furieux


en défence

acculé


en repos

en contre plongé


legt de sombere held

zijn draaiende drift

te rusten

in een aarzelende meisjesschoot


Roekeloos en schuw

nimmermeer verzaad

draaft hij verdwaasd

door het labyrint der zinnen

Zijn opgericht geweld

moet elke nacht

opnieuw beminnen
THISBE
Zij

zonder zonde

zag de leeuw

en gooide haar

sluier af

als stralende bachante

in vorm en teken

aan zichzelf gelijk


Maar hij

gelovend in het kwaad

leest verkeerd

de sporen die zij

acherlaat

en verward in woord en zinnen

brekend aan de bron

noemt haar

de hoer van Babylon

LEDA EN DE ZWAAN


Niet wankelend

maar vallend in angst

voor bek

en zwarte vleugelslag

wijken dijen maar niet het gemoed
verenkracht

verzacht niet de hartenklop

van afweer

en van woede

om de siddering

en ’t weten van het lot

om Leda en haar lendenen

in onverschilligheid

verkracht

door God.

ARGONAUT
Buitendijks

begeef ik mij

in wind en water

overstromend

ver van de vastheid

van mijn bestaan


Spiegelend loopt de druppel

over het water

en wetend

van klip en rots

barst ik

in lachen uit

om ether lucht en later
zoekend naar de tijd

vond ik slechts voorlopigheid

en de schamele

waarheid die ik ben

GAIA
Ik denk en voel

en voel me aarde

en weet van bomen

wortelend in mijn schoot


ik wil de rotsen en het water

het springtij

in de lentestorm

en daarna het lui ontwaken

zwaar van zaad
Zo ben ik aarde

en ben de bron

en weet van water

wassend in mijn schoot


Ik ben dan de aarde de modder

de slangen en het vuil

Ik ben het hol waarin de dromer

vol van dromen droomt


Aarde ben ik

niet meer ik

maar slechts beschikbaarheid
Wat doe ik als ik loskom

van de zon

THE WINDS OF WAR
De uil op vilten vleugels

neemt de schade op

van breken buigen en beminnen

de dagelijksheid van het bestaan


vergetelheid en stilte

sluiers over ’t rijgen van de dag

rechtlijnigheid van chaos

de toevalligheid van ’t eerste

en ’t laatste woord
Minerva’s vogel

van wijsheid en van strijd

schreeuwt

in ’t wilde waaien van de wind


En terwijl de woorden witter worden

in het stilstaan van de tijd

is er de warmte van twee armen

en de terugkeer naar de tederheid



Robert Van Ruyssevelt
Zwijgende mannen en

hun stoelen, uit

de houten wereld; de

avonden leunen over

hun droefheid.

Want zij overdenken

het geweld: de hoekige

barstnoot.

Hij bloeit in onze handen.

Zij snijden onze nieuwe,

harshuilende gezichten

uiit de groene stokken




We oefenden het geheugen,

tot smaak en kleur een figuur hadden,

kboeiden aan een ding,

langgeleden voltrokken.

In dat huis werden haar tepels naam:

de zachte vlekken van uitkleden, ze

toonde het allergische weefsel, gebald

tot instemming en haar tong, woedend

van vrees om te hijgen

dat van nergens kwam.




Tijdens deze reis in de kamer,

praat je tegen een verre rookpluim,

het beeld van vuil ijs:

de natgehuilde gezichten.

Jij en ik,

en zullen onze handen de stenen zijn,

die ze moeten zijn, te zwerven.


De hese hond,

de volger

overhoort

de verrichting jij,

eerstgeborene, elk

geslacht houdend:

de huurling.

Lezen we samen de sleepsporen,

al wat vertrok uit mijn durf,

smet van het kapotte orgaan:

omstandigheden.
Eddy D’Haenens
RENCONTRE A L’AEROPORT BUCARESTJI
Het tartan is een splintertuin

‘A boulevard of broken dreams’.

Brandende vogels en Kalasjnikovs

ontbinden staal op een tafel van roet.


Ze lacht. Opgesloten in een steen.

Het rood van papavers

op een meisjesmond.

Er valt wat schaduw

op Slavische jukbeenderen.
Traag en Engels rookt hij. Marlboro.

Terwijl zij in hem binnenbreekt

en in een seconde

een eeuw zoekt te vinden.


Sedert waakt zij in hem

in een droom van koraal.

Als een zee van blakende messen.

Een schildwacht van vuurvast mos.

SALAAM BOEDDHA
Een tempel. De tijd niet op het appel.

Langs puinige muren sterft,

met klaterende junglestem, de zon.

Waar ik op wacht sta.

Geen uur, maar dagenland.
Tot ik me in je drenken kan.

Jouw energie. Zij schroeit in fluistertoon.

Dat ik liefhebben moet.

Dat ik onkwetsbaar worden zal.

Onsterfelijk. Mooi.
Even.
Ik was er nauwelijks.

MADRAS / ZUID-INDIE


Nacht in Madras.

Het oeroude riet zwijgt

verraadt geen geheim
Nachtvogels blijven onbeweeglijk

bang het nachtgewaad te besmeuren.


Tussen de palmen groeit het gras

hoorbaar in zijn stilte.


Het donker houdt zich koest

nacht duldt immers geen beweging.


En als ook het water ruisend inslaapt

is er alleen nog

de innigheid van je adem

de warmte van muskietnetten

in zweet en slaap gedrenkt

en de harmonie

van perfect gesloten ogen.

JERUZALEM


Iedere morgen

als een uitbottende bloem

lagt een simpele zon haar goud

in branding tegen jouw muren aan

om jou te vinden:
ereteken dat schoonheid baart

met bloeibloed in donkerrood

en rustplaats

van eeuwen in gesloten hand


geboorte en dood

op altaren van moederpijn

die in aardenaakt kiemen leggen

van nooit meer vergeten.

Nooit meer vergeten.

Eric Rosseel
VERGELIJK “ZE” MET “TRUDILUDI”
De dame. Zij tooit het plantsoen

naast de verweesde Schelde. Staat

al gaande.
Het weze zes uur in de avond,

met overschotten van ziel

overloop ik de platgetreden kade.

Signaleer de was van een volle maan.

Mijn sponsors zetten tot prestatie aan.
De dame. Ze glimt onder de lach

die haar verruimt. Doch:

teveel gedachten

denk ik niet.


Geen woord is meester over de stilte

die hangt

RUIS ROES / 3
Zweet verhindert mij te spreken

maar verdrijft de macht van de nacht

die altijd geliefkoosd heb

een trouwe vriendin die

als een Nieuwpoortse vuurtoren waakte

over de olie op de golven

en mijn dromen stellig bijeengaarde

tot stichtende verhalen over liefde

en dood verpakt in een ochtendkus
de tijd toen wreedheid nog

het wapen was

waarmee ik de kanalen

tussen de steden

zuiverde van tolbeambten

en overbodigheden

en lijnen uittekende voor haar die

- beter dan ik – wist dat ze in netwerken

niet verdwalen kon – ze was zelf dertig

toen ik reeds diep in de veertig was en

leefde van asperges en aspirine,

van kansspelen en zuivere kinine,


och, woorden lijmen nog slechts

dienaars in keurige IIIIIIà$$$$$$



n (black out)(shit)
André Sarmate
Quand vous me verrez,

Allez,

Ce n’est pas moi.” (Henri Michaux)
Avec un coeur russe,

une tête française

et un ventre flamand,

je ne suis pas Russe,

pas Français, pas Flamand:

je ne suis pas ...
Non, je ne suis pas André Sarmate ...

Mon nom est le non

de l’homme d’Hiroshima

qui s’est évaporé

sur les marches d’un escalier

et don’t il n’est resté

que l’ombre sur la pierre:

un homme, un hombre, une ombre …


En prose c’est la vie, la vida, le vide,

le ou la sans

jeté sans abolir

au hasard des gênes

dans le n é a n t

né avant, n’ayant que du vent,

mort après à jamais …


Peut-être le poète

peut ê t r e

un peu …
Tais-toi

Vladimir,

tu n’intéresses personne!

J E u
Quand je dis: “JE”, c’est personne

Un pronom impersonnel

MOI est l’enfant naturel

De l’union de deux personnes
Ce n’est ni TOI ni ELLE

Continuelle

maldonne

Quand je dis: “JE”, c’est personne

Un pronom impersonnel
C’est consonne

plus voyelle

Dans un JEu irrationelle

Deux lettres qui se griffonnent

Quand je dis: “JE”, c’est personne.

APHASIE
J’en ai assez de ce que je suis,

mais ne puis être autre chose.

Qu’est-ce que je fais ici,

et que ferais-je ailleurs?

Chemin privé, sans issue,

cerné de cistes cotonneux …
Avons-nous jamais été heureux,

ou n’est-ce qu’une malencontre?

O mon amour, je suis tout contre …!
Si nous revenions en arrière,

jusqu’où peut-on aller

sans tomber dans le passé?

Je n’ai pas demandé la vie,

ni l’églantine ses épines.

J’aime la femme comme un chien,

je lêche, mais je mordrais bien …
On dit qu’en cas d’aphasie

il faut arracher les mots de la gorge ...

mais étouffer les cris de l’aliéné!
A vouloir exprimer le je jusqu’à la lie,

on se met du sel sur les écorchures.

Je ne suis que les lèvres de ma blessure.

C’est la fin d’avoir été …

PLUS EST EN MOI
J’ai un corps à moi

et ne sais ce qu’est

cet animal étrange

sauvage et domestique

qui m’a apprivoisé

et n’est plus rien sans moi

qui ne suis rien sans lui.
Mais qu’a-t-il à voir

avec moi qui suis … d’ailleurs

et lui reste étranger

plus ou moins inhumain.


Moi, c’est ... autre chose!
Dans le miroir je vois ... l’autre.

Qui est-ce? Combien suis-je?

Suis-je un reflet de Dieu,

l’aile rouge d’un séraphin,

une érection du diable

ou ce papillon chinois

qui rêve qu’il est un homme,

l’avatar d’une vie antérieure

ou des chromosomes de chimpanzé?
Je pense donc …
Plus est en moi … que moi?

Il suffisait de penser,



l’ i m a g i n e r …

Guy Commerman
V. WINDEKIND
Iedereen is gaan liggen

De wind heeft zijn slag thuisgehaald

Het land ademt traag om te overleven

Overwinteren

Windstilte achter de voorhoofden
En wat dan nog!

Neem je waaier, liefste

Zouden ze je waaier zien?
Ze zijn zo zelfingenomen

Dat ze de ogen wel zullen sluiten:

Ons geluk, mijn windekind
Eén zucht volstaat

om iedereen te wekken.


* * *

Vlakbij lijkt alles echter

En eerlijker

De tijd leeft langer

Is duurzamer


De volgende dag is eeuwen verder

Elke slome beweging is nu

Nu nog

Nu nog een keer


Vlakbij komt alles aan het oppervlak

Blijf nog even

Je weet nog niet alles.

Je hebt een zwak voor de vagebond

En de vage glimlach

Die troost zoekt

Langs je hellingen

Onder kersvers linnen

Je tovert zo handig

Je kneedt me tot faun

Kreupele clown

Of bronstige harlekijn

Ik ken alle beroepen

Waar niemand wat om geeft

Maar ik blijf dichter
Bij je

Dan je lief is


* * *

Je spreidt je veren

Over me heen

Je bent moe

Van vliegen en van zwerven


Het is geen vlucht

Neen


Gewoon samen vliegen

Eventjes


Zeker geen grote trek
Je verdient een pluim

Je laat me vrije vogel zijn


* * *


Morgenwind frunnikt

Aan opgejaagde gordijnen

Raam waait open

Klapt weer toe

Ik slaap een gat in de dag

Lente houdt vernissage

En ik ontving

Geen uitnodiging.


Liefste, als je iets wilt prijsgeven

Wees op je hoede

Want de buizerd en de gier

Spelen scharensliep


Liefste, als je iets wilt geven

Spaar dan je hart

Koop een nieuwe das wat parfum

Of het eerste boek van Süsskind

Want de neushoorn en het nijlpaard

worden niet graag gestoord


Liefste, als je iets wilt prijzen

Prijs je dan gelukkig

Dat ik je niet bezitten wil.

* * *

Ik volg je op de stippellijn

Dat is veiliger

Ik ontwijk de hindernis

De hindernis is van de mens

En ik haat pijn doen

Maar als het moet

Pluk ik boeketten beschermde bloemen

Plas ik vol overgave op de hei

En teken ik de zon
Al die dingen

Waarvoor geen moed

Nodig is
En die verboden zijn.

Al droeg ik zevenmijlslaarzen

Nog kwam ik niet vooruit

Want ik weiger nog te gaan

Vanaf vandaag en morgen ook

Ik wil heel gewoon

Tussen kinderen vertoeven

En luisteren naar hoe

Ik zelf ooit was

Ontdekken wat ik vergeten was


Ik sta aan de Schelde

Een meeuw lacht me uit


Zij weet meer van zeelieden

En verre afstanden

En hoe nutteloos

Het duiken naar de prooi kan zijn

Zij krijst cirkels in de lucht

Ik hoor een meisje lachen

In het tegenlicht
De wind haalt bakzeil
Ach, Windekind

Kind blijf je. Ja. Ja.



Wildeman.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina