Gierik 71, juni 2001 Frans August Brocatus



Dovnload 105.83 Kb.
Datum23.07.2016
Grootte105.83 Kb.
Gierik 71, juni 2001
Frans August Brocatus
OCHTENDBLAUW
de nacht verlaat de halsopening

van zijn hooggesloten kraag

in dit blauwe uur hervindt

de dag zijn vertrouwde vingers


knoop na knoop maken zij

de donkermantel open

halen licht uit binnenzakken

laten vinken uit de voering los


uit mijn slaap gekeerd

kijk ik naar jou en bewaak

de plooien in het laken
aan jouw geurlichaam beweeg ik

lichter liggend en handenleggend

vragend welke vinger op welke lippen.

GEHEIM GEDICHT


Ik verbrand de brieven

met bevestigende berichten,


het vuur in de woorden bewaar ik

in de asschuif van mijn schrijftafel.


Ik heb de sleutels in de blauwe

vaas met water en lelies gelegd,


roest krijgt niet meer de kans

want mijn handen knielen al,


bereiden zich voor op het bidden

aan haar heidens heilig lichaam.



Renaat Ramon
Rebuten
Giordano Bruno (1548 1600)

Vierhonderd jaar geleden, op 17 februari 1600, stierf de Ita­liaanse filosoof en auteur Giordano Bruno op het Campo dei Fiori de vuurdood   zijn tong vastgespijkerd aan een plank. Giordano Bruno (doopnaam Filippo) werd te Nola bij Napels geboren in 1548, trad in 1563 toe tot de orde van Dominicanen, werd in 1572 prie­ster gewijd, maar moest reeds vier jaar later, wegens zijn onverschrokken kritische houding een aanklacht wegens ketterij vrezend, de wijk nemen. Zijn omzwervingen brachten hem naar Genève waar hij in contact kwam met Calvijn, naar Toulouse waar hij filosofie doceerde, naar Londen en naar Wittenberg bij Luther. In Parijs had hij Aristoteles aangevallen en ook dat gold in die tijd als ketterij. Zoals alle grote mannen viel hij door verraad: een Venetiaans edelman, bedrogen in zijn verwach­ting door Bruno in occulte kennis te worden ingewijd, verried hem aan de inquisitie. In 1592 werd hij gevangen genomen; hij bleef opgesloten tot aan zijn dood op de brandstapel.


Bruno verdedigde niet alleen de kosmologische opvattingen van Copernicus, met name het heliocentrisme, hij trok ook de stou­tmoedige consequentie: `Wij zijn niet meer middelpunt dan enig ander punt in het heelal.' Hij ontwikkelde een pantheïstisch gekleurde natuurfilosofie waarin de kosmos werd gezien als een oneindig en eeuwig organisme waarvan alle onderdelen op zich­zelf weer gehelen zijn. God, kosmos en materie vallen samen in dit systeem dat niet wordt beheerst door het dualisme van goed en kwaad, maar gedreven door de voortdurende wisselwerking van vorm en stof.
De Dominicanen waren niet alleen ijverige predikheren, zij waren ook gevreesde en rücksichtsloze inquisiteurs. Zij hadden grote belangstelling voor de geheugenkunst. Zo maakte Bruno in Napels kennis met de `combineerkunst' of `cirkelvormige theologie' van Raymundus Lullus. Voortbouwend op de `Ars Ray­mundi' ontwierp hij (vrij ingewikkelde en door de kabbalistiek beïnvloede) mnemotechnische systemen, waarover hij (in het Latijn) een aantal boeken schreef. Die werken   waaraan in het gedicht Giordano Bruno en de zwarte kunst van het geheugen wordt gerefereerd   zijn slechts een onderdeel van zijn omvang­rijke oeuvre dat ook o.m. toneelstukken bevat, maar enigszins in de schaduw van zijn fascinerende persoonlijkheid is gebleven. Hij stierf niet alleen omdat hij de moed had van zijn overtui­ging en dat   anders dan Galilei   tot het bittere einde toe, maar ook waarlijk als `martelaar voor de vrijheid van denken'.

Zijn dood heeft hem een standbeeld (op het Campo dei Fiori waar hij werd verbrand) en de roem bezorgd die hij reeds ruimschoots om zijn literair werk en zijn geniale inzichten had verdiend.

GIORDANO BRUNO EN DE ZWARTE KUNST VAN HET GEHEUGEN
voor Jaak Vandorpe
Misschien, Giordano, werd je gestraft

omdat je de kunst van het geheugen

hebt beoefend. Is dat geen zwarte kunst?

Duivelskunst? Het is niet toegelaten

alles te weten! Vroeg heb jij beseft

dat waarheid bestreden wordt   desnoods te vuur

en te zwaard. Daarom heb je je kennis

in beelden willen vastleggen:


Thetis verschijnt als de materie,

Apollo als vorm; Pan als de natuur,

Cupido als beweging... De tijd

hoort bij Saturnus, die met zijn sikkel

zwaait; op de ladder van Minerva

stapelen we soorten en ideeën, op Vesta...

Maar nee, laten we niet enumereren  

dat is een te vermoeiend procédé.

Laten we liever eens zien wat wij ons nog

van je leven herinneren.

Ook het geheugen is een vuur.
In Nola oogstten de boeren het graan

en Filippo's langzame ogen zagen

voor het eerst licht, vuur, een kruis

en een dominicaan.

In Napels heb je een witte pij gekregen

en hier hoorde je dat een hond

met een fakkel in zijn bek

de hele wereld in brand kan zetten.

Je was nog jong, Giordano,

en je vluchtte met het vuur.


In Génève heb je een enkel ogenblik

het koude vuur van Calvijn gevoeld.

En is het niet zo dat je in Parijs

aan de werkelijkheid twijfelde?

Dat de wufte koning Hendrik III

je heeft bewonderd   en weggepromoveerd?

Zo kwam je in Oxford   waar de zeer geleerden

alles wisten over het bereiden van bier

en niets over de vele zonnen die er zijn,

niets over de vele zonnen die één zon zijn.

Niets over Apollo die naakt

en triomferend door die kosmos raast,

ook zijn hoofd een zon.
Wandelend in Parijs, bestreed je Aristoteles

en je verkondigde de theorie

van de tegenspraak.

In Wittenberg, waar het vuur van het verzet brandde,

heb je De Toorts van de dertig Standbeelden geschreven,

het zegel van Phidias geslagen

en een zuil voor Zeuxis opgericht.
Je moet naar het Zuiden hebben verlangd,

maar in Venetië heb je het sombere gelaat

van de huichelaars gezien, gehoord

de vrome stem van het verraad.


In Rome, op het Campo dei Fiori,

werd het vuur op het hout gestapeld  

zo vergeet men het nooit. Vlammen

verstoorden de symmetrie van je lijf  

maar ook deze vlammen gaven licht.

Op dit Campo dei Fiori, Giordano,

zag je voor het laatst een kruis

en een dominicaan.

De akten zeggen dat je je hoofd

hebt afgewend.

AAN CLYTIA
Waarom Clytia, was je er weer niet?

Ik hou van je!

Ik weet het   dat is gauw gezegd.

Je hebt het druk, ik weet het.

Maar waarmee?

Heb je weer het oor geleend aan die vervelende vleiers

die je minacht naar je zegt,

maar wier woorden als nectar

voor je zijn, en als parelende wijn?

Heb je weer Elis ontvangen, die timide schurk,

die rond je hangt als een hongerige hond?

Of Primo? Ja, die man heeft dure kleren

en dure woorden. Alles, denkt hij, is te koop  

ook jij.


Helmut stinkt. Gajes is een ezel. Georg  

vertel me niet dat hij je met je poëzie heeft verrast.

Jouw gunsten moge hij genieten  

de muzen kennen hem niet.

En Simons gepommadeerde kop zou lijken

op het edele hoofd van de jongeling

dat Bronzino geschilderd heeft?  

ach, je weet wel beter, Clytia.

Bewonder je Celest omdat hij Jung

weet te citeren en twee Latijnse spreuken kent?

Hij probeert een verheven taal te spreken  

maar de zweren vreten aan zijn vlees.

Leo?! Nee, ach nee, laat hem sterven

in de dagen van Sirius.

Je zou ze allen kunnen regeren, Clytia,

met wensen, beden, bevelen  

in werkelijkheid regeren ze jou met hun vleierij.

Maar laat ik niet van die allertreurigste troep

een tragedie maken   een tragedie

waarin je slecht karakter   nee,

je gebrek aan karakter centraal zou staan.

Je bent dom, Clytia, als je vrijheid

met trouweloosheid verwart.

Je bent ijdel, Clytia. Je bent harteloos.

Geen god zal zich ontfermen over jou,

zelfs ik niet   hoewel mijn liefde

eens de sterren bewoog.

AAN JULIUS MONTANUS


Sedert je in ongenade gevallen bent,

Julius, hoor ik niets meer van je. Ach,

ik weet wat je zeggen zal: ook zonder mij

vertrekt de wagen en wegen wij het vuur;

ook zonder mij zijn er dromen en is er dauw,

is er dauw en is er regen. Maar hoe graag

zou ik je nog eens horen voordragen

Julius, een duurzaam etmaal lang:

`Phoebus begint zijn gloeiend vuur te ontsteken,

de dag verbreidt zijn rode helderheid...'

Allen hebben naar je geluisterd, heel Rome:

senatoren, quaestors, pretoren, edielen

en sluikogende vrouwen met een open hart.

En de keizer!   Nee   laten we zwijgen

over Tiberius. Dan liever de redenaars:

Quintilius Varus met zijn al te zoute tong

en zelfs Marcus Vinicius, de zoon van de consul.

De stoïcijn Seneca, orator didacticus, zegt,

Julius, dat je `een redelijk goed dichter' bent.

Tja   voor Seneca gaat er nu eenmaal niets

boven redelijkheid. (En niets boven Nero,

al hield de retor niet van mensen

die bij het licht van fakkels leven...)

Julius Montanus, de herders hebben

hun kudden al op stal gezet. Ik groet je.

De vale vleugels van de lome nacht

bedekken reeds de schade van de dag.

Frederik De Preester
Stukje paradijs
Ik denk aan Georges Brassens

`Un petit coin de parapluie contre un coin de paradis.

Elle avait quelque chose d'un ange.'
Ze is weg.

Ik drink koffie.

Ik ken haar niet.

Ik zal haar nooit kennen.


Ik denk aan Clara Haskin die piano speelt

aan vrienden die naar verre landen gingen

aan vrienden die ik gisteravond zag

aan vrienden die ik nooit had.


Ik heb nog veel te doen.

Brieven posten en brood kopen en werk zoeken.

Ik heb niets te doen.

Ik kijk aan het raam.

Ik zie mezelf voorbijgaan.

DROOGSEIZOEN


De aarde heeft dorst.

Het vee komt de huizen binnen.

Het vee zoekt water.

Maar wanneer de regen komt.


Een man heeft dorst.

Een man heeft het koud in de avond.

Het verlangen is verdord.

De maan houdt het water vast.

Maar wanneer de regen komt.
Wanneer de regen komt

gaan vreemde bloemen bloeien.

Dieren zullen drinken en

dronken worden.

Jij

zal die jurk dragen.


Ik wil jou.
Wanneer de regen komt

zullen we traag bewegen als zwemmers

gaan we drinken tot we water worden

wanneer de regen komt.



Rose Vandewalle
Waar men haar liet relikwie
al strijkende plots dat benauwde au

alsof haar lichaam zich strekt

verstijft onder mijn handen

haar nachtkleed verandert in lijkwade

in mijn keel een schreeuw die niet weg kan
hoe lijfelijk de dood reeds aanwezig

nog voor dat hij opduikt




wie weet reist ze telkens terug

in de tijd toen het bestaan

nog zorgeloos leek
wie weet springt ze opnieuw

over beken klimt ze in bomen

steekt haar tong uit

van achter hoeken en hagen


net als toen vrij van kommer

is ze wie weet weer gelukkig


haalt ons aan heeft ons lief

omhelst al wie haar nabij komt


in dit huis valt alom liefde

met tere vingers te rapen



we drinken samen koffie

maar zij is alweer afwezig

opgejaagd orakelt ze

de koeien moeten nog op stal

vraagt wie deze klus zal klaren
ik paai haar maar zeg dat ik

o wat is ze opgelucht

een ogenblik later neemt ze

evenwel de draad weer op

dat ze er graag bij was geweest
ik zal u roepen kaats ik de bal terug

alsof mijn stem die van een ander was

ze kijkt me dankbaar aan

terwijl ik paf sta van mezelf

hoe ik plots zo hard heb leren liegen
de koeien immers zijn al lang vergaan

en het oude hof heet nu fermette



ze wil weg uit haar rolstoel

ook al kan ze niet lopen

ze wil uit de gang

uit het home waar

men haar liet relikwie
of ze met opzet of niet

aanbotst tegen muren

of ze gilt of gal spuwt

men laat haar tekeer gaan

heel alleen met zichzelf
men wacht al zo lang op haar dood

cirkelen alras de gieren

genadeloos azend op haar kadaver

Wanneer de vrouwenarts haar ophaalt

wil ze vooraf haar hoed uit vossenpels

weer op haar hoofd
ook al is het binnen broeierig heet

laat hij haar begaan loopt voor haar uit

terwijl hij doodleuk een deuntje fluit
waar ze het net tevoren had over

niet meer weten niet meer kunnen

over doodgaan zelfs

lacht ze alweer geheel ontspannen


broekje uit, zegt hij

wijst haar het kleedhok aan

vriendelijk klinkt het

op het randje van clownesk


het dringt niet tot haar door

ik moet het in haar plaats

één voor één haar kleren uit

verschrikkelijk onbehendig

en nog steeds onzeker over dingen

die voor het eerst gebeuren


haar hoed mag pas het laatst

de wrevel steekt zijn kop weer op

hoe sta ik hier nu, mort ze

`t is niets, stel ik haar gerust

het duurt maar echt heel even
au, klaagt ze terwijl de arts

met zijn alaam haar voorzichtig penetreert

en ik haar zoen mijn eigen tranen weg

tegelijk met aarzelende hand

doorheen haar haren strijk

doorheen de wirwar in ons hoofd


o.k., alles prima

u mag de hoed weer op, besluit de arts

doet haar even later uitgeleide

en lacht haar leutig toe




Ria Scarphout
Mijn huis uit
NAMIDDAGTHEE
`Voilà,' zei Madame la Comtesse,

op de dinsdagnamiddagthee,

`Il faut vivre comme père et fille,

être très gentille avec lui

et puis, si vous avez besoin d'un amant,

prenez le, je l'ai fait aussi.'

Ze stond op

laveerde door de gang

en zei aan de deur

van de bibliotheek:

`Tout est en ordre, tu sais, Jan'

en ze voer als de Townsend

tussen Dover en Oostende

mijn huis uit.


DE VRUCHTGEBRUIKER


U heeft zestien ramen, mevrouw,

zei de commissaris,

sla er acht van stuk,

de vruchtgebruiker

moet ze laten herstellen,

daarna laat U de voordeur wegnemen,

de achterdeur en de garagepoort,

de vruchtgebruiker moet alles vervangen

en, mevrouw, kauwt U kauwgum?

dan kan U die, goed gemalen,

in alle sloten steken:

kan noch binnen

noch buiten.

TRIPTIEK MINNAARS


Van de eerste

behield ik het drama

en de verbijstering.
Van de tweede

een erudiete verdwazing

waar ik liefde hoopte.
Van de laatste

een fluitje

van een cent.

Eric Brogniet
De verzoeking van Sint Antonius
(vertaling: Guy Commerman)

Liggend en alleen in de uithoek van de woestijn

En afgesloten van het dwingend verlangen

Liet hij langs zijn zanderig gewonde

Lippen de zucht ontglippen


Zijn monnikspij verscheurd, zijn buik

Verteerd door honger, zijn schedel bezaaid

Met twijfel, pijn, verdriet

Hebben hem niet beveiligd tegen het venijn


Dat de strenge stiltes bezinken

In de ziel van hen die het leven

Onder zijn liefdeskwelling deden barsten
Nogmaals het vlees, het verheerlijkte vlees

Dat veraf de Dood weerhoudt, het zegevierende lichaam

Dat zieltoogt, bliksemend, op de loer, dit stromend bloed

Hij zal voortdurend neerstorten

De verscheurde kluizenaar

Zijn krampachtige val

Zal verteerde zon zijn


Door een schitterend zwart

De extase, de blinde kwelling

Zoals vlak voor de calvarieberg

De vrouw verlangend


Om met haar lippen te raken

De bebloede voeten van de veroordeelde



In zijn weggerukte linnen

Blijft zijn hart afwezig

En slaat nog harder

Niets zal


Het spaarzame bloed hinderen

Dat met zijn bliksems zuivert

Niet met gebeden houdt men

Het verstand vrij van ontsporingen


En het is niet de verwijdering

Waarin oog en lip verward

Door vloek en licht

Die zijn gedachten zal uitdragen


Maar in de schandelijke en kwetsbare schoonheid

Van een lichaam verheven door genot

Dat zich geeft als de dood

En vloeit als het leven




Boetegordel en  kleed vergeten

Die zijn vlees verscheuren, zijn wonden

Drinkend aan de open vrouw, likkend

De puberale gleuf, de kelk

Vol met brandende verlangens

Die bloeden als een belediging

(Deze vlammende vuurhaard

Was niet degene die Mozes had gezien)

Met een ongehoorde stilte hoort hij

De geluiden, het leven met zijn schaduwzijden

Zijn hart, zijn gefolterde ziel
Het is het bloed, rood als de zee

Dat aan zijn slapen bonst, zijn denken bevloeiend



Levend in deze woestijn zonder bakens

Begoocheld door hallucinerd licht en schittering

Dacht hij grenzen op te heffen

En zich te verliezen in de moeë en ijdele wereld


Hij ervoer aan het einde van zijn afwezigheid

Slechts sterren in vuur en vlam

Die in de dreigende lage hemel

Samen met de droombeelden rondtollen


Niemand zal zijn aanbidding beantwoorden

De ruimte geeft haar geheimen niet prijs

Waar zelfs de dieren zonder holen

Wegknijnen onder een zwijgende zon



Dit verraad doordringend

Dat hem door de zandheuvels laat ploegen

Zal hij de onzekerheid zegenen, het verlies

Zonder einde dat hem verplettert


Hij zal nóg in deze eenzaamheid

Moeten wegzinken

En van het bittere genot

De bodem moeten drinken, de dood


In deze schoot verwoest

Door de beroezende slaap van de rede

Zal zijn geweten sidderen
Hij draagt als een engel gewond

Door het absolute de krans rond zijn hoofd

Het vuur van een zachte inkerving

Zonder woorden, zonder wapens

Om de kwalen te bezweren

Waar allen zich in wentelen

Verliest hij voor lange tijd vaste voet

En zal hij zich te slapen leggen o edel zwijn

In zijn ontlastingen

Zonder te weten dat in deze overgave

Heiligheid schuilt

Noch dat een bevredigde ziel

Heerlijkheid zal baren

Uit al haar gebreken
Wanneer in zijn woestijn

De middag van zijn schaduw

De zee doordrenkt
Stapt hij strompelend

En verdwaasd omdat hij

Voor verlangen zijn hart

Had geopend en verschroeid


O eeuwige reiziger

Door niets gehinderd

Zijn leed gekerfd door liefde

Is verlosser van alle smarten


Zon met het uiterste duister verbonden

Eeuwig stof

Waarin de blankheid waait
Een eenzame bewandelt verworpen de wegen

Waar een zwavelachtige zomer brandt

Ver van de menigte, ver van de steden

De enige op wie het verbodene weegt



De enige van wie de nacht

Onze dag verlicht



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina