Gifkundige: toxicoloog



Dovnload 36.58 Kb.
Datum23.07.2016
Grootte36.58 Kb.
dierkundige: zoöloog

gifkundige: toxicoloog

hartspecialist: cardioloog

huidarts: dermatoloog

ideoloog: kenner van de ideeën van een politieke, maatschappelijke of

levensbeschouwelijke stroming

reumatoloog kenner van aandoeningen aan het bewegingsapparaat

uroloog kenner van ziekten van de nieren en urinewegen

sterrenwichelaar astroloog

vogelkundige ornitholoog

wijnkenner oenoloog

ecoloog expert op het gebied van de betrekkingen tussen levende wezens

onderling en met de omgeving

futuroloog wetenschapper die zich bezighoudt met de toekomst

gerontoloog wetenschapper die zich bezighoudt met veroudering en de

effecten daarvan

gynaecoloog vrouwenarts, houdt zich bezig met vrouwenziekten, zwangerschap

en geboorten

neuroloog medisch specialist die als werkterrein het zenuwstelsel heeft

oncoloog wetenschapper op het gebied van studie en behandeling van

kankergezwellen

patholoog deskundige op het gebied van ziekten

politicoloog wetenschapper die de diverse aspecten van (overheids) beleid

bestudeert

seksuoloog wetenschapper van de seksualiteit (van de mens)

viroloog wetenschapper van de virussen

interlinie ruimte tussen twee regels

intermezzo tussenspel

interventie tussenkomst

monografie (schriftelijke) verhandeling over één onderwerp of persoon

monotheïsme geloof aan een god

multinational onderneming met vestigingen in verschillende landen

multiplex hout van meer (dan drie) laagjes

predestinatie goddelijke voorbeschikking van de mensen

pre advies advies (als discussiestuk) vóór de behandeling van een zaak

telemarketing verkoop via computer of telefoon

interactief met contact tussen en invloed op elkaar

intercedent bemiddelaar

monocultuur het kweken van een gewas op grotere oppervlakte gedurende langere

tijd


monogaam trouw aan een partner

multicultureel met elementen uit verschillende culturen

multifunctioneel geschikt voor verschillende doeleinden

prematuur zijn voorbarig, te vroeg geboren

prenataal voor de geboorten

telepathie overbrengen van de gedachten zonder ze uit te spreken

telewerken thuiswerken met gebruik van telefoon en internet

adequaat passend

ad interim tussentijds

authentiek oorspronkelijk

autonomie zelfbeschikking

biometrisch met meetbare lichamelijke kenmerken

bureaucratie situatie waarin alles wordt geregeld door ambtenaren, d.w.z met

papieren rompslomp

concessies doen op een aantal punten willen toegeven

coöperatie vereniging to samenwerking

curieus merkwaardig

dermagogie volksmisleiding

elementair de basis betreffend

expansie uitbreiding

hypothese vooronderstelling (veronderstelling)

impasse probleem waarvoor men geen oplossing ziet

plaquette gedenkplaat

plenair voltallig

pluriform veelvormig

receptief passief

retoucheren bijwerken

retrospectief terugblik

stringent drastisch

traineren op de lange baan schuiven

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

soorten taalfouten (taalverzorging)



  • verkeerd woord / verkeerde uitdrukking

    1. met de behulp van een pincet (dingen)

    2. met de hulp van de omstanders (mensen)

  • verkeerde woorden / verkeerde spreekwoorden en uitdrukkingen

    1. Met het verkeerde been uit bed gestapt

    2. ik heb een aversie tegen dat soort mensen

    3. Iemand de kastanjes uit het vuur laten halen

    4. dat is niet tegen dovemansoren

    5. Iets voor een appel en een ei kopen

    6. couchette = slaapplaats in een trein

    7. Geef mijn portie maar aan Fikkie

    8. als olie op het vuur werken

  • vreemd woord

    1. aqua leisure host: badmeester

    2. New Years Disco: Nieuwjaarsdisco

    3. boost: stoot/impuls

  • barbarisme: woorden of uitdrukkingen die letterlijk uit een andere taal in het Nederlands zijn vertaald en die (aanvankelijk) als fout Nederlands worden beschouwd.

    • gallicisme: vertaald uit het Frans

    • germanisme: uit het Duits

    • anglicisme: uit het engels

    • belgiscisme: woorden of uitdrukkingen die in België worden gebruikt en die afwijken van Standaardnederlands

  • modewoord: een nieuw woord dat vaak gebruikt wordt maar officieel niet goed is

voorbeeld: alles is oké (alles gaat goed), van hier tot Tokio (heel ver)

  • vage woorden

voorbeeld; Hoge inkomens moeten meer belasting betalen (moet zijn: Mensen met hoge inkomens)

  • platte woorden: onbeschoft

voorbeeld; Ik pleurde mijn boeken in een hoe (moet zijn: Ik gooide)

voorbeeld: hedenmorgen (moet zijn: vanmorgen)

  • tautologie: twee keer precies hetzelfde, met een ander woord

voorbeelden: schots en scheef

  • pleonasme: het ene woord zit als het ware al bij het andere woord inbegrepen

voorbeelden: platte pannenkoek, groen gras, witte sneeuw

  • storende woordherhalingen

  • woorden te weinig: als er sprake is van een onvolledige zin, bij vergelijkingen

  • telegramstijl: als er overbodige woorden zijn weggelaten meestal in reclames

  • dubbele ontkenning: niet, niet

voorbeeld: Het schrikdraad moet belemmeren dat de schapen niet weglopen.

  • contaminatie: twee uitdrukkingen door elkaar gehaald

voorbeeld: aangewezen (bewezen of aangetoond)

  • congruentiefout: persoonsvorm in het meervoud, onderwerp enkelvoud of andersom

voorbeeld: De directeur van de school woont in een van de vrijstaande woningen die aan de plas gelegen is. (moet zijn: aan de plas gelegen zijn)

  • woorden op de verkeerde plaats

  • verwijsfout

    • het woorden

      • dit, dat, het, zijn

      • namen van landen zijn bijna altijd het woorden

      • alle verkleinwoorden zijn het woorden

    • de woorden

      • mannelijk: hij, hem, deze, die, zijn

      • vrouwelijk: ze/zij, deze, die, haar

      • abstract: ze, haar

      • gemeenslachtige: kan zowel mannelijk als vrouwelijk zijn (ligt aan de context)

    • meervoud (de woord)

      • bij zaken: ze

      • bij personen: zij (onderwerp), hen (lijdend voorwerp)

      • hun: alleen bij meewerkend voorwerp!

    • dat: gebruik je als de persoon/ het ding waarnaar verwezen is een het-woord is

    • wat: gebruik je als er naar een hele zin wordt verwezen, en bij een overtreffende trap

    • aan wie, voor wie: personen

    • waaraan, waarvoor: zaken

oefenen met de zinnen uit het boekje


spelling:
werkwoordspelling:


aaneenschrijven

  • getallen tot duizend schrijven we alleen. Na het woord duizend volgd een spatie. De woorden miljoen,miljard enz. schrijven we los.

  • bij twijfel aan elkaar


het liggend streepje

  • bij twee gelijke klinkers

  • bij letterverwarring

  • tussen gelijkwaardige delen (die je om kunt draaien)

  • bij volledige naam van gehuwde vrouwen, tussen het eerste en het tweede gedeelte

  • samenstellingen met letters, afkortingen, cijfers, andere tekens, St. en Sint

  • aardrijkskundige namen

  • samenstellingen met een persoonsnaam achteraan

  • samenstellingen met adjunct-, aspirant-, assistent-, bijna-, chef-, collega-, ex-, interim-, kandidaat-, leerling-, niet-, non-, en oud-,

  • samenstellingen met anti alleen als het tweede deel met een hoofdletter of een I- begint


bijvoeglijke naamwoorden

  • zo kort mogelijk

  • hopeloos, kosteloos, gezamenlijk


meervoud

  • café – cafés

  • als de klemtoon niet op de laatste lettergreep valt +n op de laatste e een trema:

    • olie – oliën, bacterie – bacteriëm

  • als de klemtoon wel op de laatste lettergreep valt +ën

    • slee – sleeën, knie – knieën

  • woorden met een uitgan op –ik –es of –et, waar niet de klemtoon op valt verdubbelen niet

    • gemenerik – gemeriken, lafwammes – lafwammesen

  • als een woord op eindigt op klinker +y  +s

    • playboy – playboys

  • als een woord eindigt op medeklinker +y  ‘s

    • hobby – hobby’s



verkleinwoorden:

  • we verdubbelent de klinker bij –a, -é, -o en –u,

    • drama – dramaatje coupé - coupeetje

  • –i wordt –ie

    • taxi – taxietje

  • bij woorden op medeklinker +y en afkortingen krijg je een apostrof

    • baby – baby’tje, cv – cv’tje


hoofdletters

  1. Namen van God, heilige personen, en zaken

  2. namen van feest- en gedenkdagen

  3. namen van bedrijven etc.

  4. aardrijkskundige namen en daarvan afgeleide woorden

  5. merknamen en eigennamen

  6. bij namen van boeken, films etc. schrijven we alleen het eerste woord met hoofdletter


let op: als er bij een woord niet meer aan een naam wordt gedacht schrijf je een kleine letter

oefenen met het boekje


Interpunctie
komma

  • tussen delen van een opsomming

  • voor de aangesproken persoon

    • Gaat u zitten, heren

  • Voor en achter een bijstelling

    • Nu het woord aan Kim, vertegenwoordigster van de PvDa, die ons gaat vertellen over.

  • voor zoals altijd een komma

      • voor de meeste voegwoorden (zoals maar, want, doordat, opdat zodat)

      • tussen 2 werkwoorden uit verschillende gezegdes

      • Voor en na een beperkende of uitbreidende bijvoeglijke bijzin.

      • voor en na tussen geschoven woorden


punt komma

  • Tussen twee zinnen of mededelingen die nauw met elkaar samen hangen. Er staat dan altijd een verwijswoord of signaalwoord in de tweede zin.

  • In langere opsomming i.p.v een komma


dubbele punt

  • voor de directe reden

    • Kim zei: ‘Ik hou van aardbeien’

  • voor een opsomming

  • voor een verklaring

  • voor een uitwerking

aanhalingstekens

  • bij de directe reden

  • wanneer we willen aangeven dat de gebruikte woorden van een ander zijn

  • titels van boeken, films etc.

  • bij ironie of een zelfnoemfuncties


haakjes

  • extra informatie




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina