Globalisering en de Nederlandse overlegeconomie: een werkbare match?



Dovnload 44.08 Kb.
Datum19.08.2016
Grootte44.08 Kb.
Globalisering en de Nederlandse overlegeconomie: een werkbare match?

(Sociaal Maandblad Arbeid, 62 (7/8), juli/augustus 2007, 251-255).

Ad Nagelkerke
Het blijkt al snel een schot in de roos, die brief van hedgefonds TCI aan het ABN Amro-bestuur afgelopen februari. Niet alleen stijgt de koers pijlsnel, maar er wordt ook een gevoelige maatschappelijke snaar geraakt. Er breekt een groot en emotioneel tumult uit, want een icoon van Neerlands welvaren dreigt neergehaald en in stukken te worden gescheurd. Speculatieve krantenkoppen en ongekend scherpe discussies, verwarrende vergaderingen en bezorgde kamerdebatten zorgen tezamen met een toezichthouder die de weg kwijt lijkt en een complicerende rechter voor een ongekend spektakel.1 Analyses over woelmuizen en sprinkhanen en over de vraag of de code Tabaksblat en de veranderde Structuurwet niet te zeer de macht naar de aandeelhouders heeft verlegd, voegen zich bij beschouwingen hoe in de toekomst te grote schade aan de traditioneel brede, vaak op de lange termijn gerichte, belangenafweging, dan wel de uitverkoop van Nederlandse tafelzilver, filialisering van Nederland en verlies van kennispotentieel en hoogwaardige arbeid, kan worden voorkomen.2 Een drietal bezorgde wetenschappers stelt dat de veranderde internationale economische constellatie ertoe noopt op zoek te gaan naar een nieuw wettelijk en institutioneel evenwicht tussen de verschillende belangen: ‘Het gaat daarbij niet om het sec herstellen van de oude orde, maar juist om het creëren van nieuwe structuren die het mogelijk maken om het stakeholdermodel ook in de toekomst goed te laten functioneren’.3 Hoe dat moet, weten zij echter (ook) nog niet. Voor Morris Tabaksblat volstaat een kleine aanpassing van de code die zijn naam draagt, onder meer ten gunste van langetermijnaandeelhouders. De commissie-Frijns en het kabinet blijken wat verder te willen gaan.4 Eind juni, ten tijde van schrijven, lijkt het bankenspel nog lang niet afgelopen, ook niet na het advies van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad.

Het geval ABN Amro staat niet op zichzelf. Het is een signaal van een grotere en aanzwellende beweging, meestal aangeduid als globalisering. Het gaat daarbij niet alleen om kapitaalbewegingen, maar, gevoed door technologische veranderingen, ook om andere economische, politieke, sociale en culturele ontwikkelingen. Dat internationaliseringsproces: ‘… erodes national boundaries, integrates national economies, cultures, technologies and governance and produces complex relations of mutual interdependence’, aldus Norris.5 In deze column wil ik ingaan op de mogelijke gevolgen van het economische globaliseringsproces voor arbeid en arbeidsverhoudingen, al kan ik hier, lopend langs onderzoeksliteratuur, slechts enkele algemene punten aanstippen.


Markten internationaliseren steeds verder en ondernemingen voelen steeds vaker de internationale concurrentie, ook al is dat overwegend uit het niet al te verre (Europese) buitenland. Het tempo van verandering op de arbeidsmarkt gaat veel trager en is meer indirect van aard. Zo zien we weliswaar het aantal Poolse nummerborden in het straatbeeld met de dag toenemen, maar minder zichtbaar en omvangrijker is de verviervoudiging sinds de jaren tachtig van de zogenoemde ‘effective global labor force’.6 Bedoeld is het (wereld)bestand aan werknemers blootgesteld aan internationale concurrentie, door import van goederen en diensten, outsourcing en immigratie. De consequentie hiervan is geweest een daling van het aandeel van arbeid in het nationaal inkomen wereldwijd, ondanks stijgingen van de reële lonen.7 Interessant is hierbij een verschil tussen de Angelsaksische landen en de Europese (continentale) landen. In de eerstgenoemde landen daalt het arbeidsinkomenaandeel met 3 à 4 procentpunt, maar in de andere groep landen zelfs met gemiddeld 10 procentpunt.8 Maar waar in eerste groep landen, vooral in de VS, bij gelijkblijvende werkgelegenheid, de lonen in de ‘unskilled’ sectoren sterk achterblijven bij die in de hogere gekwalificeerde sectoren, blijft in Europa de reële loongroei in beide sectoren grotendeels in lijn met elkaar, maar neemt de werkgelegenheid in de laaggekwalificeerde sectoren relatief sterk af (zo’n 15%). De toegenomen concurrentie heeft aldus de Amerikaan in genoemde sectoren in zijn portemonnee geraakt – en de concurrentie van de VS met de opkomende landen vergemakkelijkt – maar heeft zijn (West)Europese collega zijn baan gekost. In Nederland is de tweemaal hogere werkloosheid van laagopgeleiden (ten opzichte van de groep hoogopgeleiden) alsook de grotere niet-participatie van laaggeschoolden een teken van die ontwikkeling.9 De bonus voor scholing of vakmanschap is aldus flink omhoog gegaan.

Het economische internationaliseringsproces gaat ongetwijfeld verder, met gevolgen voor de werkgelegenheid. Alan Blinder heeft het over ‘offshoring’ (verplaatsen naar het buitenland) als de derde, nog grotendeels tot ontwikkeling te komen industriële revolutie.10 Steeds meer producten en arbeidsplaatsen worden concurrentiegevoelig en dus verhandelbaar. Was vroeger alles wat in een doos kon worden gestopt ‘tradeable’, tegenwoordig geldt dat ook voor alles wat gemakkelijk en zonder kwaliteitsverlies door een draad, of zelfs draadloos, kan worden verstuurd. Daarbij is minder dan vroeger het onderscheid tussen hooggeschoold en laaggeschoold arbeid relevant. Meer scholing sec is volgens Blinder dan ook geen oplossing voor werkgelegenheidsverlies. Veel relatief hoogwaardige dienstverlenende werk kan immers ook door een draadje. Alleen banen die ‘persoonlijk’ en waarvoor ‘face-to-face’ contact nodig of wenselijk is, worden niet bedreigd.11 Technologische ontwikkeling verschuift echter de scheidslijn tussen persoonlijke en onpersoonlijke diensten voortdurend.12 Door die verdere ‘time-space compression’13 gaan steeds meer sectoren de internationale concurrentie voelen, met belangrijke gevolgen voor de structuur van de economie.


Maar hoe dat perspectief verder gaat, is (nog) niet helder. Gaan we naar een welhaast volledige diensteneconomie, met nauwelijks nog landbouw en industrie, of komen er kwalitatieve mixen van productiestructuren, specifieke productiepatronen over en in (grote) regio’s, tevoorschijn? En, wat betekent dat voor de banen, de economische groei, de lonen? Het is niet duidelijk. Wel lijkt duidelijk dat ‘the economy rules the day’, op de route waar ook naar toe, en dat kosten- en prijsoverwegingen ons voortstuwen.

Het gangbare economisch denken is inherent optimistisch: produceer daar waar dat het voordeligst kan; elk land moet zijn eigen specialiteit economisch proberen uit te buiten. Globalisering overkomt ons, we hebben erop te anticiperen (door versterking van de concurrentiepositie), anders missen we allerlei boten. En daarvoor zijn in die visie institutionele aanpassingen nodig, soms zeer vergaande. De allocatie van producten en productiefactoren moet niet (te veel) worden gehinderd door verdelingsregels, overleg en sturing of coördinatie van bovenaf. Nationale overlegtradities van belanghebbenden en doorgeleiding van afspraken naar bedrijven en mensen in het veld, zoals in Nederland en andere zogenoemde ‘trust-based’ landen, zijn marktverstorende rigiditeiten op een ‘disembedded’ wereldmarkt. Internationale concurrentie noopt tot meer decentraal overleg (‘if so’) en afschaffing van beperkende ontslagbescherming, vertragende medezeggenschapsprocedures, inefficiënte en dure sociale regelgeving en kostbare arbeidsmarktprogramma’s, alsook van de vele onduidelijke HRM-beleidsprojecten in bedrijven.

Deze ‘strong globalisation thesis’ is echter overtrokken en eenzijdig. Hoffman wijst erop dat de concurrentie zich overwegend afspeelt tussen economisch ontwikkelde landen met hoge lonen en dat ook de meeste buitenlandse investeringen (FDI’s) worden gedaan om reden van marktexpansie en niet om te profiteren van lage lonen.14 De grotere onzekerheid door de toegenomen afhankelijkheid van de internationale markt vraagt uiteraard om beleidsalertheid: bereidheid om sociaal-economische regels aan te passen en, indien mogelijk, flexibel toe te passen, slimme scholingsprogramma’s en ander pro-actief beleid te ontwerpen om markten, waaronder de arbeidsmarkt, goed te laten functioneren. Maar dat is er in ons land in de grond allemaal wel, en dat blijkt niet slecht te werken. Er zijn studies, vooral ook recente, die in het vooruitzicht van de globalisering de ‘trust based’ landen bijzondere kwaliteiten toedichten of laten zien dat zij al een bijzondere performance aan de dag hebben gelegd. Een van de auteurs van een beroemd artikel over de relatie tussen de collectieve onderhandelingsstructuur en economische prestaties,15 John Driffill, stelt in een recent overzichtsartikel van de vele research over dat onderwerp, dat de voorspelling dat gecentraliseerde en gecoördineerde onderhandelingen leiden tot loonbeperking en lage werkloosheid, de empirische toets glansrijk heeft doorstaan.16 Volgens Dreher en Gaston toont dat onderzoek zelfs aan dat genoemde landen niet alleen kunnen worden getypeerd door een relatief lage werkloosheid, maar ook door een geringe inkomensongelijkheid en een hoge groei.17

Interessant is dan ook het pleidooi van de Frans-Amerikaanse econoom Olivier Blanchard om de lijnen van een ‘Europees model’ te versterken. Het gaat hem om de bijzondere elementen van de sociaal-economische verhoudingen in de - volgens mij toch vooral West- en Noordeuropese - lidstaten.18 Dat model steunt in zijn visie op drie pijlers die nog meer stevigheid nodig hebben: (1) concurrentiekracht op goederen- en financiële markten, (2) sociale verzekering op de arbeidsmarkt en (3) macro-economische beleid/coördinatie, die, hoe kan het anders, algemeen als kenmerkend voor het ‘Dutch model’ wordt gezien.

Volgens Blanchard blijkt, ten eerste, uit allerlei research dat een hoge groei van de productiviteit, en dus verbetering van de levensstandaard, samenhangt met voortdurende creatie/vernietiging (‘reallocation’) van banen en bedrijven. Het is een efficiëntieslag à a Schumpeter waarachter concurrentieprocessen zitten. Het competitieve proces moet dan ook niet worden verstard, in tegendeel, het ondersteunen ervan is een eerste beleidsuitdaging. Het is, ten tweede, belangrijk ‘to protect workers, not jobs’. Overheden moeten niet proberen baanvernietiging te voorkomen, omdat dat nadelige effecten heeft op baancreatie, maar ze moet de pijnlijke effecten van de herallocatie opvangen in een goed systeem van sociale verzekering. In zijn uitwerking daarvan herkent men Amerikaanse elementen. Om te beginnen een ‘employment protection’ die meer financieel dan juridisch moet zijn.19 Bedrijven moeten de maatschappelijke kosten van ontslag internaliseren, niet via de loonbelasting, maar via een in de tijd uitgesmeerd, gedifferentieerd premiesysteem op basis van de veroorzaakte uitkeringen. Rechters zouden volgens Blanchard niets te zeggen moeten hebben over de economische rechtvaardiging van het ontslag,20 anders bouwt men een te grote mate van onzekerheid en inefficiëntie in het systeem. Ook pleit Blanchard voor een combinatie van een laag minimumloon en een systeem van negatieve inkomensbelasting, waarbij bedrijven werknemers betalen overeenkomstig hun productiviteit en de overheid bijlegt voor een behoorlijk levenspeil.21 In zijn visie leveren Denemarken en Nederland het overtuigend bewijs dat een hoog niveau van sociale verzekering niet inconsistent is met een lage werkloosheid en blijvende groei. Ten derde, geeft de voorgaande pijler bedrijven meer flexibiliteit in personele aanpassing, het macro-economische beleid moet, aldus Blanchard, de economie zo dicht mogelijk bij het potentiële outputniveau brengen. Als de economie en de arbeidsmarktsituatie veranderen, zijn zowel in Europa als de VS de nominale lonen te inflexibel om het economisch aanpassingsproces te bevorderen. Een actief macro-economisch beleid, met fiscale en monetaire middelen, moet die taak overnemen.

De basisarchitectuur lijkt simpel, maar er zijn voor Blanchard nogal wat beren op de weg om die in de praktijk goed te laten werken. Hij noemt er drie. De eerste is de achterblijvende productiviteitsgroei in Europa (en Nederland in het bijzonder) ten opzichte van de VS. Deze blijkt na analyse samen te hangen met een verschil in productiviteit in vooral de detail- en groothandel. Dat is volgens Blanchard echter geen groot probleem, maar slechts een vertraging in de vervanging van laagefficiënte door hoogefficiënte winkels (de zgn. Wall-Mart revolutie).22 Het tweede probleem is de beperkte mogelijkheid van transplantatie van waardevol gebleken instituties. Maar, aldus Blanchard, het ontwerp van een Europees model vraagt om meer dan simpel importeren van goede instituties, ‘it requires developing trust between labor and capital, and good labor relations’.23 Het derde, meest lastige, probleem is de vormgeving van macro-economisch beleid binnen het monetaire Euro-kader, gegeven het niet synchroon lopen van de conjunctuur, de lage intra-Europese arbeidsmobiliteit en de uiteenlopende loonflexibiliteiten.24 Er zit daarom niets anders op dan actief met fiscale instrumenten te sturen naar nominale loonaanpassingen, hoe hangt af van de interne en externe situatie.

Is dat alles wel mogelijk, vraagt Blanchard zich ten slotte af? Het kan alleen als de coördinatie plaatsvindt op nationaal niveau tussen werkgevers en werknemers, eventueel met de overheid (‘Think of Wassenaar here’),25 waarvoor ook representatieve vakbonden essentieel zijn. Dit alles gaat in Blanchard’s visie tegen de huidige trend in, maar zonder centraal overleg, representatieve bonden, voortdurende overleg tussen bonden en bedrijven en een actieve fiscale politiek, zal het Europese model zijn derde poot missen, met mogelijk verlies van de ander twee. Blanchard: ‘It is my main worry for the future’.26
Als we Blanchard mogen geloven, dan is er geen reden het institutionele regelcomplex rond arbeid in Nederland als inadequaat te zien voor het globaliseringspel. Gezien de Nederlandse ‘past performance’ op economisch gebied en de uitkomsten van onderzoek, lijken mij grote aanpassingen van sociale zekerheid en ontslagbescherming onnodig. Bovendien is het niet uit te sluiten, dat de meer neoliberale Angelsaksische stelsels in onze richting opschuiven. Het is in dit opzicht interessant te noteren dat, als antwoord op de mogelijke sociale gevolgen van globalisering, ook Blinder voor de Amerikaanse economie ervoor pleit de sociale zekerheid substantieel te verbeteren.27 Tegelijkertijd is er in Groot-Brittannië een zekere weerzin te constateren tegen de sterke juridificering van de arbeidsverhoudingen die de welhaast volledige decentralisatie van de collectieve onderhandelingen heeft vergezeld. Van het beroemde Engelse voluntaire systeem van arbeidsverhoudingen kan volgens sommigen niet meer worden gesproken. Er gaan geluiden op te bevorderen dat vakbonden en werkgever weer meer zaken samen regelen, al was het maar om te waarborgen dat individuele werknemersrechten niet alleen op papier bestaan. Rita Donaghy, de voorzitster van de landelijke advies-, verzoenings- en arbitrageraad (ACAS): ‘What is really needed is to encourage the day-to-day consensus building and ‘give-and-take’ that have been associated with the best of collective bargaining and ‘voluntarism’.’28

Het Nederlandse systeem van arbeidsverhoudingen is goed en flexibel uitgerust voor de uitdagingen van de globalisering. Het geregelde centrale overleg zorgt ervoor dat niet de korte termijn overweegt en aanpassingen goed overwogen zijn, ook al moet het in belangrijke mate dienstbaar zijn aan de dynamiek van onderen, economie en maatschappij. Ondanks de rituele ketelmuziek en de relatief lage organisatiegraad van de vakbeweging, is er nog steeds voldoende rust, trust, overzicht, goede bedoelingen en de wil om het samenlevingsgebouw warm te houden en flexibele aanpassingen mogelijk te maken. Behalve het ontwerpen met vallen en opstaan van werkbare instituties zijn dat zaken die landen als China en India nog met veel pijn zullen moeten ontwikkelen. Wel lijkt mij op nationaal overlegniveau een moderniseringsslag vereist met bijdragen van andere sociaal-economische spelers, niet in de laatste plaats om vermindering van de representativiteit van de huidige organisaties te ondervangen.



Het zoeken van consensus en coördinatie gericht op ‘internalizing external pressures’, hoeft ook niet op gespannen voet te staan met de decentralisatietendens van de laatste decennia noch met het efficiëntiezoekend gedrag van grote grensoverschrijdende bedrijven. Laatstgenoemde bedrijven hebben ook baat bij sociale cohesie, institutionele flexibiliteit en voorspelbare arbeidsvoorwaarden. Wel zou het bouwen aan meer ‘trust’ binnen organisaties wat meer urgentie mogen hebben. Dat geldt ook voor ABN Amro en het bedrijf die de bank overneemt.


1 Een selectie: Weggeman, M. Niet de werkers maar de geldwolven zijn de baas. NRC, 23 maart 2007; Mügge, Daniel, Bank oogt wat hij gezaaid heeft. De Volkskrant, 9 mei 2007; Kalshoven, F., De politiek versus de oude zakelijke elite. De Volkskrant, 5 mei 2007.

2 Onder andere: Schoo, H.J., Provinciaals kosmopolitisme. De Volkskrant, 28 april 2007; Zwan, Arie van, Nederland verdedigt zijn nationale belangen slecht. De Volkskrant, 5 mei 2007.

3 Boot, Arnoud, Ferdinand Grapperhaus en Paul van der Heijden, Werknemersbelang is in de knel geraakt. De Volkskrant, 12 mei 2007.

4 Zie Couwenbergh, Pieter en H. Haenen (2007), De regels en het spel. Amsterdam: Het Financieele Dagblad. Commissie Corporate Governance (2007), Advies over de verhouding tussen vennootschap en aandeelhouders en over het toepassingsbereik van de Code. Den Haag.

5 Norris, P. (2000), Global Governance and Cosmopolitan Citizens. In: Joseph S. Nye and John D. Donahue eds., Governance in a Globalizing World. Washington: Brookings Institution Press, p. 155. Zie over het fenomeen globalisering het hoofdstuk van Keohane en Nye in laatstgenoemd boek. Van het globaliseringsproces worden door organisaties als de OECD, ILO, IMF, en in ons land CBS en CPB, regelmatig cijfers vergaard en analyses gegeven. Zie onder andere: IMF (2006), World Economic Outlook. Washington D.C.: IMF. OECD (2006), Balancing Globalization. Paris.

6 IMF (2006), World Economic Outlook (Ch. 5 The Globalization of Labor). Washington D.C.: IMF, p. 161-162.

7 De werknemers in brede zin dan. Ook de zelfstandigen worden hier meegerekend. Het IMF maakt onderscheid tussen ‘labor share’, (‘… include self-employed, employers, and family workers’) en ‘share of employees’ compensation’, wat alleen werknemers betreft. Het eerste aandeel is sterker achteruit gegaan dat de tweede (IMF, 2006, p. 167/168). Vgl. ook Dreher, Axel and Noel Gaston (2007), Has Globalisation Really had no Effect on Unions? Kyklos, 60, (2), p. 165-187. Zij wijzen op het verband tussen de achtergebleven lonen van de ‘unskilled’ en grotere inkomensongelijkheid enerzijds en de vrij algemene tendens van dalende ledentallen van vakbonden anderzijds.

8 De grootste dalingen waren in Oostenrijk, Ierland en Nederland. IMF (2006), a.w., p. 167/169.

9 Zie Raad voor Werk en Inkomen (2007), Arbeidsmarktanalyse 2007. Den Haag, 23. Voor de niet-participatie, zie OSA (2006), Trendrapport Aanbod van arbeid 2005. Tilburg: OSA, p. 126/127.

10 Alan Blinder, (2006), Offshoring: the Next Industrial Revolution? Foreign Affairs, March/April, p. 112-129.

11 Blinder, (2006), p. 119/120.

12 Blinder geeft hier de voorbeelden van radiologische activiteiten en robotgestuurde chirurgie dat ge-offshored kan worden, beide onderdelen van een sector die grotendeels persoonlijk en ‘face-to-face’ diensten levert.

13 Harvey, David (1989), The Condition of Postmodernity: an enquiry into the origins of cultural change. Cambridge, MA: Basil Blackwell, p. 240.

14 Hoffmann, Jürgen (2000), Globalisation and Industrial Relations. In: Rengo Research Institute, Proceedings of The Special Seminar on Corporate Governance and Industrial Democracy. Tokyo: Rengo Research Institute Report, Nr. 11, p. 33. Hij heeft het dit geval over Duitse ondernemingen.

15 Het gaat hier om: Calmfors, L. and J. Driffill (1988), Bargaining Structure, Corporatism and Macroeconomic Performance. Economic Policy, 6, p. 13-61.

16 Driffill, John (2006), The Centralization of Wage Bargaining Revisited: What Have we Learnt? Journal of Common Market Studies, 44, (4), p. 738. Zie ook: OECD 2004, Wage-setting Institutions and Outcomes. In: OECD, OECD Employment Outlook 2004 (Ch. 3), p. 127-182.

17 Dreher and Gaston (2006), p. 167. Zij baseren zich overigens op onderzoek van tien à vijftien jaar geleden. Vgl. ook Blanchard, O. (2006), A Review of Unemployment; Macroeconomic Performance and the Labour Market van R. Layard, S. Nickell en R. Jackman, http://econ-www.mit.edu/faculty/download_pdf.php?id=1380, p. 12.

18 Blanchard, Olivier (2006), ‘Is there a viable European social and economic model?’ Van Lanschot Lecture, 1 June, Tilburg: Universiteit van Tilburg/Van Lanschot Bankiers.

19 Blanchard, (2006), p. 5/6.

20 Behalve ingeval van vakbondsactiviteiten of vermoedens van discriminatie.

21 Evenals bij wat een passende baan is, is ook hier, aldus Blanchard (2006), p. 7, ‘the devil in the details’, maar het vele onderzoek van het systeem geeft een redelijk indicatie wat goed kan werken.

22 Niet in de laatste plaats door Europese bescherming van de kwaliteit van de binnensteden.

23 Blanchard (2006), p. 14.

24 Waarbij, door het wegvallen van het monetair en wisselkoersbeleid, nog alleen fiscaal beleid over blijft.

25 Blanchard (2006), p. 19.

26 Idem.

27 Blinder (2006), p. 126.

28 Donaghy, Rita (2005), The Changing Landscape of Employment Relations in Britain. University of Warwick (IRRU): Warwick Papers in Industrial Relations, Nr. 78, p. 11. Vgl. ook Bogg, Alan L. (2006), Representation of employees in Collective Bargaining within the Firm: Voluntarism in the UK. Report to the XVIIth International Congress of Comparative Law, July. Utrecht, p. 7.




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina