God beminnen bovenal ? M. Heyndrikx svd 3 oktober 2012 god beminnen bovenal ?



Dovnload 26.19 Kb.
Datum23.07.2016
Grootte26.19 Kb.

GOD BEMINNEN - BOVENAL ? - M. Heyndrikx svd - 3 oktober 2012


GOD BEMINNEN - BOVENAL ?
Ik zou iets willen zeggen over het liefhebben van God, en dan niet als studieobject, want daar is de Bijbelclub niet voor bedoeld, maar over datgene wat dat liefhebben van God voor mij betekent (met alle voorlopigheid en kwetsbaarheid van dien, maar dat is nu eenmaal in deze context niet te vermijden).
I. Ik denk echter dat ik eerst een misverstand moet opruimen.

Nescio zei 'De taal is armoedig, doodarmoedig, wie de werken van de Vader kent weet dat'. Ik zou zeggen - armoedig is ze in het beste geval. Ze kan echter ook misleidend zijn, Aanleiding geven tot misverstand, of zelfs al een misverstand bevatten. En dat misverstand zit in ons geval in het woord 'bovenal'. Anders gezegd: ik denk dat het niet ten onrechte is dat …… daar zijn teen heeft aan gestoten. Ik wil eens trachten uit te leggen waarom ik denk dat dat woord een misverstand met betrekking tot God en tot het liefhebben van God in de hand werkt.


'Bovenal' is in dit verband misleidend om twee redenen:

1. Omdat dit woord - al is dat dan hoogstwaarschijnlijk tegen de bedoeling in - God te klein maakt.

Het maakt hem (ik maak de Eeuwige gemakshalve nu maar mannelijk, al kan dat ook misleidend zijn) tot iemand die in de rij staat, in dezelfde rij met al wat eindig is. Alleen staat hij dan wel op de hoogste trap, Maar dat betekent dat men zich van dat onpeilbare verschil tussen al wat eindig is en de Oneindige, niet bewust is. Dat is misleidend. Het verschil tussen de Oneindige en al wat eindig is, is heel iets anders dan een verschil tussen hoger en lager, binnenin dezelfde rij.

2. Misleidend is dat woord ook daarom, omdat het hem in een soort concurrentiepositie zet met al het andere, Het stelt hem buiten hen, het isoleert hem. ( …… heeft al geprobeerd om daar iets over te zeggen.)

Nu is het merkwaardige van de Joods-christelijke Godsopvatting (de enige waarvan ik denk dat ik er althans levenderwijze iets van af weet) dat niet alleen zijn absoluut anders zijn maar tegelijkertijd ook zijn verbondenheid met mensen onderstreept wordt (Hij is 'in ons en boven ons uit'). Juist die verbondenheid wordt door dat 'bovenal' ontkend.

Die verbondenheid vindt ge bv. in Jezus' antwoord op de vraag van een wetgeleerde naar het grootste en het eerste gebod. Dat antwoord luidt: 'Bemin God uit heel uw hart, uit heel uw ziel en uit al uw krachten. Dat is het grootste en het eerste gebod, En het tweede is er aan gelijk: 'Bemin uw naaste als uzelf' (Matt. 22:34). Een vreemde uitspraak: als er één het grootste is, hoe kan er dan een tweede zijn dat er aan gelijk is? Dat kan alleen maar als die twee bijzonder eng met elkaar verweven zijn, En dat blijkt in die christelijke traditie ook het geval te zijn: in Mattheüs 25:31-46 identificeert de rechter die het eindoordeel uitspreekt zich met hen over wie men zich heeft ontfermd 'IK was naakt, IK had honger, was een vreemdeling enz.. In dit laatste definitieve oordeel wordt zelfs niet gevraagd of men God heeft lief gehad, Dat was blijkbaar in die liefde tot de naaste vervat: zo sterk waren die twee, de liefde tot God en die tot de naaste, met elkaar verbonden.

In de Eerste brief van Johannes wordt dat uitdrukkelijk geformuleerd: Wie vraagt waar wij de liefde van God voor mensen hebben gezien, krijgt als antwoord: in Jezus van Nazareth. In zijn inzet voor mensen, de laatsten eerst, heeft hij zichzelf gezien als beeld en gelijkenis van de Eeuwige. Dat is de context waarin hij onderandere het verhaal vertelt over de verloren zoon (eigenlijk over de barmhartige Vader): hij vertelt die parabel als verdediging van wat hij doet, tegen het verwijt van de Farizeeën en schriftgeleerden 'Die man ontvangt zondaars en eet met hen' (Lucas 15:2).

In Jezus' liefde voor mensen, zelfs voor dit soort mensen, wordt de liefde zichtbaar van de Vader voor zijn verloren zoon.

Over de verbondenheid van de liefde voor mensen met de liefde voor God zegt de eerste brief van Johannes dan ook: 'Zo hebben wij de liefde leren kennen die God voor ons heeft en wij geloven in haar. God is liefde en wie in de liefde woont, woont in God en God woont in hem' (Joh. 4:16).

En verder: 'Niemand heeft God ooit gezien, Maar als wij elkaar liefhebben woont God in ons en is zijn liefde in ons volmaakt geworden' (I Joh. 4:12).

Samengevat: je kunt de liefde voor God niet scheiden van de liefde voor mensen. En dat doet het woord 'bovenal'. In de bijbel heb ik dat woord trouwens niet gevonden. Het

is een gevolg van het op rijm zetten van de tien woorden (tien geboden):

'Bovenal bemin één God,

Zweer niet ijdel, vloek noch spot' (enz.)

Tussen haakjes: in de Franse versie van de catechismus luidt het zo: 'Un seul Dieu tu adoreras

Et aimeras parfaitement' (etc.) wat ook niet best is, maar waarin in elk geval van 'bovenal' geen sprake is.

We kunnen dat 'bovenal', denk ik, dan ook maar beter vergeten en het houden bij het bijbelse: 'Bemin de Heer uw God met heel uw hart, met heel uw ziel en al uw krachten'. Daar konden we nog wel eens onze handen aan vol hebben.
II. Want wat is dat eigenlijk: GOD LIEFHEBBEN?

Om te beginnen denk ik dat we ons ook hier moeten realiseren dat wij geen rechtstreekse kennis over God bezitten: wij kennen rechtstreeks alleen het geschapene, datgene wat ons verschijnt binnen de wereld die de onze is. Daar zijn onze woorden aan ontleend, en op de aanduiding van wat ons daar gegeven is dragen ze ook in eerste instantie. Als we ze gebruiken voor wat deze orde van dingen te boven gaat, duiden ze die 'objecten' enkel aan 'volgens een zekere gelijkenis'.

Nu is de gelijkenis van het eindige met het of de Oneindige al heel problematisch. Het verschil is dan eerder veel groter dan de gelijkenis.

Wie over het liefhebben van God spreekt, benut daarvoor de taal die wij gebruiken om te spreken over de liefde van en voor mensen. God liefhebben lijkt daarop, en ook weer niet. Dat blijft dus behelpen.

Aan de basis van het liefhebben van GOD ligt natuurlijk - ook dat is reeds gezegd - dat een mens in hem gelooft, Waarbij de vraag ook nog is welke inhoud dat geloof heeft.

Wat mij betreft gaat het dan om God zoals die leeft in de christelijke traditie, maar dan wel in dat deel van die traditie dat we aanduiden met Traditie met een grote T. Als je ziet hoe sterk de inhoud van het Godsbegrip zich met name in de geschriften van het Eerste of het Oude testament heeft ontwikkeld, is dat geen overbodige precisering.

Wanneer we dan vertrekken van het liefhebben van een mens, dan is wat mij betreft de beste omschrijving ervan nog altijd die welke Maurice Nédoncelle heeft gegeven: 'L' Amour ,c'est la promotion de l'autre' (liefde is het bestaan van de ander bevorderen). Dat veronderstelt echter een vorm van onaf zijn, een vorm van behoeftigheid van die ander, een typisch kenmerk van de eindigheid. Die onafheid, die behoeftigheid is in de Oneindige niet aanwezig.

Dat is al één van die verschillen die met het totaal anders zijn van de Eeuwige gegeven zijn. Er zijn er meer, onder andere die welke met het lichamelijk karakter van de menselijke liefde verbonden zijn, Al komen sommige aspecten daarvan in één of andere vorm, althans bij mystici, ook voor - maar dat ligt buiten mijn ervaring en is ook niet zonder problemen. (het gaat dan onderandere over de erotiek.)


III. Wat ik, tastenderwijs, over het liefhebben van God vanuit mijn eigen beleving zeggen kan.

Vier aspecten van deze liefde zou ik willen onderscheiden, die in het geleefde leven natuurlijk nauw met elkaar verbonden zijn.

De eerste twee zijn hoofdzakelijk van emotionele aard, de twee andere zijn sterker direct op activiteit gericht.
1. Een eerste aspect heeft met de liefde voor een mens gemeenschappelijk dat de liefde voor God BEWONDERING, VREUGDE en DANKBAARHEID inhoudt.

Ik denk dat elke menselijke liefde op bepaalde momenten die gevoelens kent: vreugde omdat jij er bent, waar ook bewondering in een of andere vorm en dankbaarheid mee verbonden zijn.

Die woorden zijn echter bijna te groot, als ik ze gebruik om iets te zeggen over mijn relatie met God - en toch is er iets dat in die richting gaat.

Wie in God gelooft - niet in een karikatuur, maar in wat ik dan noem de 'echte' God - kent op bepaalde momenten dat gevoel van bewondering voor het bestaan van waarheid, goedheid en schoonheid, waarvan hij /zij gelooft dat ze in hun volheid in hem aanwezig zijn, En dat deze de bron zijn van wat er aan goedheid, waarheid en schoonheid onder ons gevonden wordt.

Misschien realiseer je je dat niet elk moment, wellicht zelfs niet eens zo dikwijls, Maar er zijn ogenblikken dat de betekenis van God, van wie hij is en van wat hij betekent, op een heel aparte manier voor je duidelijk wordt.

Persoonlijk treft het me heel sterk hoe sedert 'de dood van God' er een 'ontwaarding' van het leven en van de mens heeft plaats gehad.

Degene die zich dat het eerst en het scherpst bewust is geweest was Friedrich Nietzsche (1844-1900). Wij hebben God gedood, zegt Nietzsche, maar hebben wij daarmee niet de hele horizont uitgeveegd? En valt er nog te leven zonder die horizont? Sindsdien wordt er zowel in de literatuur als in de filosofie bijzonder pessimistisch over de mens en over het leven gedacht. De vrijheid van de mens is een illusie ('Wij zijn ons brein'). De mens is niet veel anders dan een dier, en de vraag naar de zin is een zinloze vraag. Een vrij recente illustratie van dit pessimisme is bv. het boek van Dimitri Verhulst: 'Godverdomse dagen op een godverdomse bol'.

Het is niet de eerste keer dat niet-gelovigen een belangrijke (zij het wel niet bedoelde) bijdrage leveren aan het geloof van de gelovigen. Ze maken soms iets duidelijk waaraan je als gelovige, omdat je het vanzelfsprekend vindt, voorbij loopt. Het was een niet-gelovige die zei tot een gelovige interviewer 'Je hebt geluk dat je gelooft' (Jean Rostand)

Ik denk dat wij als gelovigen onderweg zijn naar een nieuw besef van wie God is, En dat dit tegelijk een sterke relativering zal inhouden van wat wij kunnen weten en zeggen over God, merkwaardigerwijs gecombineerd met een vorm van liefde voor hem die bewondering, vreugde en dankbaarheid insluit.

Dat kan leiden tot vernieuwing van ons spreken over hem onder andere (maar niet alleen dus) doordat wij oude teksten gaan vullen met onze eigen ervaringen. Zo zouden wij deze vorm van liefde voor God kunnen verstaan in de oude tekst van het Gloria 'Wij loven U, wij prijzen en aanbidden U, wij zeggen U dank voor uw grote heerlijkheid'.


2. Een tweede aspect van die liefde voor God - dat eveneens bekend is vanuit de liefde voor een mens - bestaat in HET GEMIS VAN DE GELIEFDE.

De sterkste teksten over de menselijke liefde zijn wat mij betreft teksten die betrekking hebben op het gemis van hem of haar, als die afwezig is. Vgl. bijvoorbeeld Heinrich Böll: Meningen van een clown.

Anne Philipe: Niet meer dan een ademtocht.

Wijbrand Spaan: Het is voorbij (in: Dichter tussen Dijk en Dommel).

In een oude (ik meen Middeleeuwse) tekst wordt al gezegd: 'Zolang lief bij lief is, weet lief niet hoe lief lief is, Maar als lief van lief is heengegaan, dan weet lief pas hoe lief lief was'. Nu is het zo, dat er met betrekking tot God altijd al een zekere mate van afwezigheid is, al kan die soms in bepaalde ervaringen enigszins gemilderd worden. Meer dan eens wordt er toch in de Bijbel benadrukt 'Niemand heeft God ooit gezien' (Joh. 1:18; IJoh. 4:12).

Dat heeft dan geregeld een gevoel van gemis tot gevolg. Vergelijk bv. deze tekst van Rabindranath Tagore:

'Als het niet mijn deel is U te ontmoeten in mijn leven, laat mij dan altijd voelen dat ik Uw aanblik gemist heb - laat mij dit geen seconde vergeten, laat mij de knaging van deze smart ondergaan in mijn dromen en in mijn wakende uren' (Wij-zangen LXXIX).

Om dit op mijzelf toe te passen: er zijn momenten waarop ik zou willen dat ik, moe van alle gebrekkigheid, vergankelijkheid en al het andere tekort, de Andere werkelijkheid zou willen zien, - de echte, de volheid van waarheid, goedheid en schoonheid - en de afwezigheid ervan ervaar als gemis, En dat ik Iemand zou willen ontmoeten die mij ten volle kent, en mij verstaat, beter zelfs dan ik mijzelf versta, Iets wat ik meen te lezen ook in de tekst van Paulus 'Dan zal ik ten volle kennen, zoals ik zelf gekend ben' (I Kor. 13:12).


3. Een derde aspect van de liefde tot God - en ook dat sluit aan bij wat wij kennen uit onze liefde voor een mens - bestaat hierin, dat ik me opgeroepen voel om me VOOR GOD IN TE ZETTEN.

'Liefde is een werkwoord' zei Alfons Van Steenwegen. Dat je probeert je in te zetten voor wat voor de ander belangrijk of hem of haar dierbaar is, lijkt me vanzelfsprekend te zijn als je van iemand houdt. Dat heeft de Bijbel ook altijd met betrekking tot het liefhebben van God gezegd. Opnieuw is dat vooral bij Johannes te vinden. 'God beminnen wil zeggen: zijn geboden onderhouden' (I Joh. 5:3). De vertaling van wat er bedoeld is met 'geboden' is niet erg gelukkig, vanwege de bijklank die het woord nu eenmaal bij ons heeft. Het is dan ook geen toeval dat de Duitse vertaler Fridolin Stier hier vertaalt 'seine Weisungen': de aanwijzingen, zijn richtingwijzers (Cf. ook Joh. 14:15). De wegwijzers naar het goede leven.

In het Nieuwe Testament gaat het dan vooral om het Koninkrijk van God. Dat ik me daarvoor inzet, voor het tot stand komen van die nieuwe door God geïnspireerde samenleving, gebouwd op gerechtigheid, barmhartigheid en dienstbaarheid, dat is voor mij een vanzelfsprekende vorm van mijn liefde voor God (die ook hier intens verbonden blijkt te zijn met de liefde voor mensen). Wat ik ervan terecht breng is iets anders.
4. En dan is er voor mij nog een vierde aspect dat ik als behorend tot mijn liefde voor God (toemaar!) beschouw, Al is dat misschien enkel een speciale , gepersonifieerde vorm van het vorige aspect: MIJN INZET VOOR WAT IK MEEN TE ZIEN ALS DE EIGEN, TOT MIJ INDIVIDUEEL GERICHTE OPROEP.

Marcel Légaut heeft er op gewezen dat een mens levenderwijs geconfronteerd wordt met mensen, met situaties, die op een aparte manier op hem of haar een beroep doen.

Een aparte wijze: want het gaat dan niet om de tot al die mensen gerichte geboden en verboden. Wie zo'n aparte oproep niet volgt, misdoet tegen geen enkel gebod of verbod. Die aparte oproep gaat daar bovenuit. Het is ook niet zo dat elke mens deze zelfde oproep verneemt, Maar het gaat om een oproep waarvan ik de overtuiging heb dat, als ik die naast mij neerleg, ik ontrouw ben aan mezelf. (Légaut zelf voelde zich op die manier geroepen om na zijn demobilisatie in1940 niet naar zijn beroep als universiteitsprofessor terug te keren, maar te gaan leven als boer.)

Deze oproep verschilt van al het andere waarmee een mens geconfronteerd wordt en waarover hij beschikken kan. Het is iets van hem, het is iets in hem, maar het is niet louter van hem. (C'est en moi, c'est de moi, mais ce n'est pas QUE de moi.) Juist om die reden (omdat het iets is wat mij eigen is, maar waarover ik nochtans niet beschikken kan) kondigt zich hierin iets aan dat van een andere, hogere instantie komt. Gaat een mens hierop in, dan wordt zijn of haar gevoeligheid hiervoor sterker. Er komt dan iets tot stand als een eigen identiteit.

Op die manier bouw ik tegelijkertijd mijn unieke, eigen bestaan uit,en ben ik trouw aan de oproep van de Heilige, voor wat ik - in alle gebrekkigheid - betekenen kan voor de uitbouw van zijn Koninkrijk (een voorbeeld van hoe God en mens intens met elkaar verbonden zijn).

En ook dat is een aspect van wat liefde tot God is.


Kalmthout, 3 oktober 2012.

M. Heyndrikx svd


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2016
stuur bericht

    Hoofdpagina