Goed om weten. Een Rammencirkel. Bij kleine populaties ligt inteelt



Dovnload 141.18 Kb.
Pagina1/4
Datum23.08.2016
Grootte141.18 Kb.
  1   2   3   4
Goed om weten.
Een Rammencirkel.

Bij kleine populaties ligt inteelt op de loer. Een rammencirkel is een beproefde methode om inteelt te voorkomen.


Wie de ram wil aanhouden, maar verder geen nageslacht wil, kan het dier laten castreren of steriliseren. Het castreren of steriliseren van de ram kan op verschillende manieren worden uitgevoerd (3). Bij gehoornde rammen stopt de hoorngroei. Castratie kan vervelend rammengedrag na verloop van tijd doen verminderen. Jonge, gecastreerde rammen krijgen dikwijls niet de kans om zich tot dominante dieren te ontwikkelen. Bij oudere rammen is succes echter niet verzekerd. Sterilisatie heeft als voordeel dat hij dan als snuffelram kan ingezet worden om de cyclusperiode vast te stellen.
De rammencirkel is een beproefde methode om inteelt te voorkomen. Elke kudde binnen een rammencirkel gebruikt nooit zijn eigen rammen om de ooien te bevruchten, maar rammen van een vaste andere kudde. De eigen rammen op hun beurt bevruchten de ooien van een andere kudde. Zo vormen de verschillende kuddes als het ware een cirkel.

Een rammencirkel is vooral geschikt als een ras in een klein aantal grote kuddes wordt gehouden. Zo’n systeem is al lang bekend in de schapenfokkerij, maar was nooit nauwkeurig onderzocht. Er is bij een aantal kwekers inteelt op de loer, het stamboek heeft een rammencirkel opgezet.


Met computersimulaties bleek het een zeer effectieve methode om inteelt op de lange termijn te beperken. De inteelttoename op de lange termijn bleef beperkt tot 0,31 procent per jaar, terwijl zonder de rammencirkel de inteelttoename in sommige kuddes uitkwam op meer dan drie procent per jaar. Dit terwijl over het algemeen een inteelttoename van boven de één procent onverantwoord hoog is.
De resultaten van het onderzoek waren zo bemoedigend dat de rassencommissie bij enkele ooien een nieuwe ram in te zetten om de ramlammeren te verdelen onder de kwekers. En een rammencirkel op te zetten. (1)
Geslachtsrijpheid wordt bepaald door verschillende factoren, zoals ras, groeitempo en lichaamsgewicht. Kerry-Hill dieren zijn al vanaf 5 maanden geslachtsrijp, meestal ligt dit moment tussen de 4 en de 6 maanden. Onder ongunstige omstandigheden kan het nog langer duren.
Het is daarom raadzaam ramlammeren vanaf drie maanden van hun moeders te scheiden. Het spenen is vanaf dat moment in ieder geval aan te bevelen, omdat de kwaliteit van de melk terugloopt. De ooi krijgt vervolgens de gelegenheid te herstellen.

Speen dus liever niet na 3 maanden, behalve als de lammeren nog niet op het gewenste speengewicht zijn. Bij Kerry-Hill ligt dit op 18 kilo. Houd er rekening mee dat in een groot koppel een aantal lammeren vroeg is geboren en een aantal laat. De lammeren tegelijk spenen is dus niet aan te raden. Wellicht is het in een groot koppel praktischer het gewicht aan te houden dan de leeftijd.


Lammeren mogen dan al vroeg geslachtstrijp zijn, het is niet aan te raden al vroeg met fokken te beginnen. Een ooi die voor het eerst te vroeg gedekt wordt krijgt een terugslag waar zij waarschijnlijk nooit van herstelt. Aangeraden wordt te wachten tot een ooi minimaal 65 procent, maar beter nog 75 procent van het volwassen gewicht bereikt heeft. Onder gunstige omstandigheden is dit na 9 tot 10 maanden.
De draagtijd van een ooi is vijf maanden min ± een week. Wanneer de geboorte van het lam zich aankondigt, zondert de ooi zich doorgaans van de kudde af. Ook komt het voor dat ooien binnen de kudde aflammeren.
Direct na de geboorte van het lam begint de ooi het lam droog en schoon te likken. Binnen het uur na de geboorte drinkt het lam al de eerste slokjes biest.


Rust
Kerry-Hill schapen lammeren meestal probleemloos af. De ooien zijn vooral gebaat bij rust. Een ooi lammert het rustigst af als er geen mensen bij zijn. Ingrijpen “normaal niet”. Zeer uitzonderlijk komt een afwijkende ligging voor.
De meeste ooien lammeren binnen het uur na het begin van de ontsluiting af. Duurt de ontsluitingsfase langer dan drie uur, dan is het nuttig de ooi inwendig te onderzoeken. Ook als de ooi hard perst zonder dat de geboorte vordert, is het belangrijk hulp te bieden. Hebt u daar geen ervaring mee, waarschuw dan de dierenarts.

Navel


Ontsmet direct na de geboorte de navel van het lam. Dat kan door het lam op te tillen en de navelstreng in een dopje gevuld met jodium te dompelen. Dit voorkomt dat zich via de navel infecties binnendringen die gewrichts- en hersenvliesontsteking kunnen veroorzaken.


Eerst verschijnt de waterblaas, de lammeren zijn in aantocht. De ooi krabt met haar poten op de grond, dit is heel natuurlijk gedrag zo maakt ze een plek voor het lam.

Vervolgens zien we de pootjesblaas, kan je een snuit en de pootjes zien dan is alles in orde en is de geboorte zo gebeurt en hoef je geen actie te ondernemen. Is de blaas leeg dan kan er sprake zijn van een verkeerde ligging.

Sommigen scheren de ooien voor het aflammeren. Sommige fokkers doen dat om het aflammeren goed te kunnen volgen en om te voorkomen dat de ooi achteraan vervuild.

Na de geboorte indien je aanwezig bent worden de eventuele vliezen van neus en mond verwijderd en wordt het lam bij de ooi gelegd.

De navel wordt ontsmet met jodium om infecties te voorkomen.

Men kan het schaap soms melken om er zeker van te zijn dat het lam de eerste biest binnen krijgt. Direct na de geboorte is de zuigreflex het grootst. Ook kunnen je zo de uier controleren en bij het door melken wordt bovendien eventuele weeën opgewekt voor het geval er een tweede lam in aantocht is.

Tot slot gaan de lammeren onder een lamp (Vroeg in het voorjaar, januari – februari.) om ze warm te houden.

Vanwege Q-koorts is een verhoogde waakzaamheid geboden rond het aflammeren. Tijdens het aflammeren komen veel bacteriën vrij voornamelijk tijdens verwerpingen. Het is dan ook verstandig bepaalde voorzorgmaatregelen te nemen om besmetting met ziekteverwekkers zoals Q-koorts en andere te voorkomen.


Uitgebreide informatie over Q- koorts waaronder de hygiënevoorschriften bij het aflammeren zijn te vinder op de website van Levende Have

Melkziekte, niet te verwarren met slepende melkziekte, maakt dieren trager. Ze kunnen minder goed op hun benen staan en vertonen een stijve en slingerende gang. Ze zijn schrikachtig en hebben spierrillingen. Ze blijven achter bij verplaatsing van het koppel.


De spijsvertering vertraagt, ze stoppen met eten. Het geboorteproces verloopt langzamer of komt stil te liggen. In een later stadium liggen de dieren op de grond en maken fietsende bewegingen. Zonder ingrijpen raken ze in coma en sterven.
Calciumtekort
Bij deze ziekte heeft de ooi een tekort aan calcium in het bloed. Vooral in de laatste weken van de dracht en de eerste weken na aflammeren heeft het dier veel calcium nodig. Eerst voor het ontwikkelen van de botten van de ongeboren lammeren en vervolgens voor de aanmaak van melk. Melkziekte steekt dan ook rond het lammeren de kop op.
Doet de ziekte zich later in de lactatieperiode voor, dan is er meestal sprake van stress. Denk daarbij aan grote voerveranderingen, vasten, transport en behandelingen.

Bij alle drachtige ooien daalt het calciumgehalte in het bloed aan het eind van de dracht. Een te sterke daling levert vooral spierproblemen op. Het gehalte gaat te snel omlaag als in het laatste stadium van de dracht het voer te veel fosfor en te weinig calcium en vitamine D bevat. Dat kan ook als het rantsoen in de dekperiode en de eerste weken erna juist te rijk was aan calcium. Extra mineralenmengsels rond de dektijd kunnen dus maanden later leiden tot melkziekte.



Voorkomen
Voorkom melkziekte door ooien aan het eind van de dracht geen voerproducten te geven met een verkeerde calcium-fosforverhouding, zoals aardappelen en graan. Met het verstrekken van ruwvoer is het verstandig gelijktijdig krachtvoer te geven. Daarin is de mineralensamenstelling afgestemd op de situatie. Ooien die hooi krijgen bijgevoerd zullen niet gauw een tekort aan vitamine D hebben.


Behandeling
Bloedonderzoek bevestigt de diagnose. De behandeling bestaat uit het langzaam per infuus toedienen van calciumborogluconaat of een calcium-magnesiumoplossing eventueel in combinatie met vitamine D. Wees er wel zeker van dat de ooi werkelijk melkziekte heeft, want behandelen terwijl van melkziekte geen sprake is, kan tot de dood van de ooi leiden.
Gezondheid van schapen

Een gezond schaap haalt twaalf tot vijftien keer per minuut adem, heeft een pols van 70 tot 90 slagen per minuut en een temperatuur tussen de 38,5 en 40 graden.

Schapen kunnen verschillende ziekten krijgen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen besmettelijke dierziekten met min of meer ernstige economische gevolgen en overige dierziekten. De bekendste dierziekten die schapen kunnen treffen, zijn mond- en klauwzeer, zwoegerziekte, en scrapie.
Bekend wil overigens nog niet zeggen dat ze veel voorkomen. Zwoegerziekte en scrapie komen meer voor bij de bedrijfsmatige houderij dan bij de kleinschalige en hobbyhouderij. Mond- en klauwzeer wordt veelal ingesleept via de internationale veehandel.

Ook zijn er nog de zogeheten zoönosen, ziekten die ook besmettelijk zijn voor de mens, zoals brucellose, listeriose en zere bekjes.


Nieuw is blauwtong, waar van in 2006 voor het eerst in België en Nederland een bijzondere variant (stereotype 8) opdook. Schapenpokken en pest van kleine herkauwers komen (nog) niet voor bij ons en in Nederland.

Sommige ziekten, zoals mond- en klauwzeer, zijn aangifteplichtig.


Let op bij het importeren van dieren uit andere contreien. Schapen kunnen ziektekiemen bij zich dragen van exotische ziektes als Pest bij schapen (PPR)|PPR, maar ook CL. Plaats schapen die u aanvoert altijd gedurnde twee weken in quarantaine, op een plek waar geen contact met andere dieren mogelijk is.

Overzicht van schapenziekten en aandoeningen:



  • Chlamydophilia'>Blauwtong

  • Het Bloed

  • Brucellose

  • Chlamydophilia

  • CL (caseous lymphadenitis)

  • coccidiose bij schapen|Coccidiose

  • Hittestress bij schapen

  • Kopervergiftiging

  • Kopziekte

  • Leverbot

  • Listeriose

  • Luizen bij schapen

  • Melkziekte

  • Mond- en klauwzeer

  • Myiasis

  • PPR

  • Q-koorts

  • Rift Valley koorts

  • Rotkreupel

  • Schapenluis

  • Scrapie

  • Shelly hoof

  • Slepende melkziekte

  • Wolschurft

  • Worminfecties

  • Zere bekjes

  • Zere oogjes

  • Zwoegerziekte

Blauwtong bij schapen

Blauwtong (bluetongue) is een virusziekte die voorkomt bij herkauwers. Vooral schapen en runderen kunnen er ziek van worden. Bij schapen doen zich de meeste sterfgevallen voor.



Verschijnselen
Een tot twee weken nadat een schaap besmet is geraakt met het virus, kunnen de eerste ziekteverschijnselen ontstaan. Het begint vaak met kwijlen en schuimbekken. Ook komt het voor dat schapen in eerste instantie alleen een stijve gang hebben.
De meest voorkomende verschijnselen bij schapen zijn zeer hoge koorts en compleet ziek zijn. Mond en tong raken ontstoken. De tong wordt blauw, vandaar de naam blauwtong. Ook kunnen schapen kreupel worden door ontsteking aan de klauwen. De ziekte kan al binnen 24 uur tot sterfte leiden. Soms zijn de dieren dagen ziek en gaan ze daarna alsnog dood. Herstel is mogelijk, maar kan heel lang duren.
Middelen die de blauwtonginfectie aanpakken zijn er niet. De dieren worden behandeld met koortsverlagende en pijnstillende middelen en, indien er sprake is van ontstekingen, met antibiotica.

Het virus
Het virus wordt overgebracht door insecten (knutten). De incubatietijd (de periode tussen gestoken worden en het uitbreken van de ziekte) bedraagt vijf tot twintig dagen.
Het blauwtongvirus is in 2006 voor het eerst opgedoken in Nederland. Het kwam tot dusver alleen voor in zuidelijke landen. Onbekend is hoe het hier is gekomen. Het gaat om het zogeheten stereotype 8, vermoedelijk afkomstig uit Afrika. Omdat de symptomen van blauwtong en mond- en klauwzeer op elkaar lijken, heeft het vroegere ministerie de verschijnselen op een rij gezet.

In 2007 zijn ruim zesduizend houderijen van schapen, runderen en geiten besmet geraakt. In 2008 is er een vrijwillige vaccinatiecampagne in gang gezet, met als doel dat circa tachtig procent van alle gevoelige herkauwers voldoende weerstand zou hebben. Niet alle dierhouders hebben aan de vaccinatiecampagne meegedaan, met als gevolg dat opnieuw dieren besmet zijn geraakt.

Uiteindelijk is de epidemie uitgedoofd, mede door vaccinatie en de opbouw van immuniteit. In 2012 is België & Nederland officieel vrij verklaard van blauwtong.
Het Bloed

Het bloed of enterotoxaemie is een weeldeziekte. Het treft vooral jonge en snel groeiende lammeren. De meeste uitval vindt plaats bij dieren van drie tot tien weken oud. Ook onder goed gevoerde dieren van een half tot één jaar vallen regelmatig slachtoffers.

De ziekte staat ook bekend als bloedziekte, weeldeziekte en eiwitvergiftiging. De aandoening wordt in de hand gewerkt als schapen voer eten met een ruime koolhydraat-eiwitverhouding en weinig structuur. Vooral een plotselinge voerverandering werkt enterotoxaemie in de hand. De pensflora kan zich dan niet snel genoeg aanpassen.


De bacterie Clostridium perfringens krijgt dan de kans zich snel te vermenigvuldigen in de darmen. Deze bacteriën maken gifstoffen aan.
Te veel melk drinken of een te snelle overgang naar weiden met jong en eiwitrijk gras kan hetzelfde resultaat hebben.

Verschijnselen
Het verloop is meestal zo snel dat geen verschijnselen worden gezien: de dieren worden dood aangetroffen. Nog levende dieren kunnen niet meer normaal lopen, vallen neer en maken fietsende bewegingen. Daarbij wordt de kop meestal achterover gehouden.
Een behandeling komt bijna altijd te laat. Vermijd plotselinge voerveranderingen ter preventie. Ook is vaccinatie van de moederdieren en de lammeren mogelijk.
Brucellose

Brucellose komt voor bij schapen en wordt veroorzaakt door de brucella-bacterie. Drachtige dieren aborteren en de placenta komt na de bevalling niet los. Mannelijke dieren kunnen ontstekingen krijgen aan hun testikels, hoewel dat minder vaak voorkomt.

Bij de meeste diersoorten komen varianten van de ziekte voor. Schapen worden besmet door brucella melitensis en brucella ovis. Bij schapenrammen leidt een ontsteking van de testikels in veel gevallen tot onvruchtbaarheid.

Ook mensen kunnen ziek worden van deze bacteriën, in het bijzonder van de brucella melitensis. Dit uit zich meestal in griepachtige verschijnselen. Zwangere vrouwen kunnen een miskraam krijgen.



Infectiebron
De belangrijkste infectiebron voor een groep dieren is een dier dat een abortus krijgt. Dit dier scheidt grote hoeveelheden bacteriën uit met de vrucht, het vruchtwater, de vruchtvliezen en de uitvloeiing tijdens de abortus.

De bacterie kan op verschillende manieren in een dier terechtkomen. De meeste dieren worden via het mondslijmvlies met de ziekte besmet.

De Europese Unie heeft België & Nederland sinds 1999 officieel vrij verklaard van brucellose. Daarnaast is ons land vrij van de bacterie brucella melitensis. Er bestaat geen vaccin tegen brucellose.
Chlamydophilia

Explosie van ziektekiemen
Besmette ooien zorgen bij het (ver)werpen voor een enorme explosie van ziektekiemen in hun omgeving. Hierdoor besmetten zij gemakkelijk koppelgenoten en dieren in aangrenzende weides, maar ook mensen. De ooi zelf is meestal niet of nauwelijks ziek.
Dieren die laat in de dracht besmet raken, brengen meestal nog een ogenschijnlijk gezond lam ter wereld. Maar het volgende aflamseizoen kan dramatisch verlopen.
In het eerste jaar na infectie verwerpt soms wel de helft van de dieren. Een deel van de lammeren die levend wordt geboren, is vaak zwak. Na het eerste jaar stabiliseert de ziekte zich in het koppel. Vanaf dan verwerpen in de regel alleen nog de eerstejaars en pas aangekochte dieren. De infectie gaat niet vanzelf weg en de dieren blijven een besmettingsbron, vooral in de aflamperiode.

Advies
Direct volgend op een bevestiging van een eerste uitbraak, kunnen alle nog drachtige dieren tot het einde van de dracht, eventueel herhaaldelijk, worden behandeld met oxytetracycline (20 mg/kg, parenteraal) met een interval van 10 tot 14 dagen
Tijdens de aflamperiode moeten drachtige dieren en dieren die hebben geaborteerd van elkaar worden gescheiden. Het gaat hierbij niet alleen om direct diercontact maar ook om indirect contact.
Geadviseerd wordt bij voorkeur gedurende minimaal één jaar geen ooilammeren aan te houden die geboren zijn in het jaar van de eerste abortusuitbraak. Hetzelfde geldt voor overlopers (eenjarigen die niet hebben afgelamd).
Indien de eerste uitbraak optreedt aan het einde van de aflamperiode kunnen het jaar daarop de ooien en die tijdens de eerste uitbraak niet hebben geaborteerd, alsnog verwerpen. Vaccineer aan te kopen dieren daarom voordat zij aan het koppel worden toegevoegd. Geen aankoop blijft altijd de beste preventieve maatregel.
Raadzaam is ooien die hebben geaborteerd, het dekseizoen daaropvolgend apart te weiden of huisvesten en te laten dekken door een ram of bok die geen andere ooien dekt. Een deel van deze ooien kan namelijk tijdens de bronst opnieuw Chlamydophila abortus uitscheiden. De kans bestaat dat rammen of bokken deze infectie overbrengen.

Antibiotica
Tijdens de aflamperiode volgend op de eerste abortusuitbraak, kan het zinvol zijn drachtige dieren vanaf 90 dagen dracht tot het eind van de dracht met een interval van 10 tot 14 dagen te behandelen met oxytetracycline (20 mg/kg, parenteraal).
Toepassing van antibiotica vermindert het aantal abortusgevallen en verlaagt de infectiedruk. Het inzetten van antibiotica geeft geen herstel van beschadigingen die al zijn opgetreden.
CL (caseous lymphadenitis)

CL is een chronische ziekte veroorzaakt door de bacterie Corynebacterium pseudotuberculosis. Deze bacterie kan lang overleven in de bodem.

De aandoening is ook bekend onder de namen pseudotuberculose, kaasachtige lymfklierontsteking en ‘bultenziekte’. De CL-bacterie komt via beschadigingen van de huid of de slijmvliezen het dier binnen en nestelt zich in de regionale lymfklieren. Daar ontstaan abcessen die spontaan kunnen openbreken.

Symptomen CL bij schapen


Aantasting van de inwendige lymfklieren wordt bij schapen soms eerder waargenomen dan bij geiten.

Bij schapen zitten de bulten meer inwendig, hoewel ook bij deze dieren de abcessen zichtbaar en voelbaar kunnen zijn. Besmette schapen zijn nauwelijks ziek. Wel zijn er aanwijzingen dat CL een rol speelt bij het met vermagering gepaard gaande ‘thin ewe syndrome’ bij schapen.

De incubatietijd (de tijd van besmetting totdat abcessen in de oppervlakkige lymfklieren worden opgemerkt) varieert van twee tot zes maanden of zelfs veel langer. Volgens een ruwe schatting van de DGZ zijn er minder dan 0,001 procent van de schapenbedrijven. Op die bedrijven is circa dertig procent van de dieren besmet. Voor schapenbedrijven bestaat op dit moment nog geen officiële certificering.

Besmettelijk voor de mens
CL is een zoönose, dit betekent dat ook de mens met deze bacterie kan worden besmet. Uit de literatuur is een aantal gevallen bekend van CL bij schaapherders, schaapscheerders en slachthuispersoneel. De mens kan zelf door contact met besmette dieren en vervolgens een vrij koppel te bezoeken, dit koppel infecteren.

Maatregelen
Behandeling van zieke dieren is niet aan te raden, omdat het risico van de verspreiding erdoor kan worden verhoogd. Bovendien is behandeling met bijvoorbeeld antibiotica lastig, omdat de ziekteveroorzaker zich schuil houdt in de abcessen. Wie de abcessen laat openbarsten en het pus (kaasachtig, wit, substantie lijkt een beetje op tandpasta) eruit laat lopen, creëert voor zichzelf en de dieren een groot probleem. De bacterie kan zeker 18 weken overleven in een vochtige, donkere ruimte. Alleen bij direct zonlicht gaat de bacterie binnen een week dood.
Gebeurt het toch dat een abces open breekt, zet het dier dan in elk geval apart, gebruik een keukenrol om het abces zover mogelijk uit te knijpen, druk vanaf verschillende kanten het abces dicht, behandel de plek met jodium, ontsmet uzelf, uw schoeisel, was uw kleding en verbrand alle materialen die mogelijk met de bacterie in aanraking zijn geweest en hou het dier in isolatie totdat de wond geheel is genezen.

Het kan overigens heel goed mogelijk zijn dat dieren besmet zijn zonder dat het duidelijk zichtbaar is. Dus hygiëne telt, altijd. Indien de diagnose CL is bevestigd, zijn verschillende beslissingen mogelijk:

de afvoer (dwz euthanaseren) van besmette dieren, na bloedonderzoek van het gehele koppel. Dit onderzoek zal in het algemeen vaker moeten worden uitgevoerd om alle besmette dieren op te sporen.

de afvoer (dwz euthanaseren) van het gehele koppel en deze vervangen door een CL-vrij gecertificeerd koppel dieren.

CL kan voorkomen bij schapen. Aangezien dieren besmet kunnen worden tijdens transport is het daarnaast van groot belang dat uiteraard ook schapen worden vervoerd in een vooraf goed gereinigde en gedesinfecteerde wagen

Coccidiose bij schapen

Coccidiose treedt bij schapen vooral op bij een dichte bezetting en intensieve beweiding, op een leeftijd van 6 tot 8 weken, als de bescherming van de moedermelk wegvalt. Er is sprake van een infectie met coccidiën, die als oöcysten worden opgenomen op stal of in de weide.


Eencellige
Coccidiën zijn ééncellige micro-organismen, die de bekledende cellen van de darmwand aantasten. De coccidiën dringen de darmcellen binnen, die daardoor beschadigt raken, waardoor inwendig bloedverlies kan optreden. Dit bloed ondergaat in het darmkanaal vertering, waardoor de mest donker tot zwart gekleurd wordt. Door het bloedverlies kunnen de dieren bleek worden en verzwakken en vermageren. Tengevolge van de diarree staan zij nodeloos te persen. Soms treedt sterfte op. Het lijkt erop dat de infectie in toenemende mate voorkomt.


  1   2   3   4


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina