Graaf Lodewijk zwom naakt over de Eems



Dovnload 8 Kb.
Datum24.08.2016
Grootte8 Kb.
V.2 Graaf Lodewijk ontkwam zwemmend over de Eems
Graaf Lodewijk zwom naakt over de Eems

(Zoals verteld door Abel Eppens tho Equart)


Abel Bolhuis (1534 – 1590), die deze geschiedenis heeft opgeschreven, was een eigenerfde boer uit Eekwerd, een kleine wierde te westen van Appingedam. De boerderij mat 40 ha zeer vruchtbare klei grond, voornamelijk weidegrond. De familie gedroeg zich alsof ze jonkers waren. In zijn jeugd heeft Abel een studiereis gemaakt langs verschillende universiteiten (Leuven, Keulen en Wittenberg), dat hoorde bij de stand van edellieden en ‘gewone’ mensen die in betere doen waren. Hij leerde zo Latijn en een aantal ‘moderne’ vreemde talen kennen. Bijzonder is dat hij een boek heeft geschreven over hetgeen hij heeft geleerd, gehoord en gelezen . En over zijn voorgeslacht en over wat hij in zijn eigen leven heeft meegemaakt. Dit boek, op foliovellen geschreven en ingebonden, wordt in het Provinciaal archief van Groningen bewaard.

Het boek is moeilijk te lezen, de letters zijn een soort gotische, de taal een mengeling van oud Nederlands, Gronings en hier en daar wat Duits of Latijn. Maar het is heel uniek, weinig gewone Nederlanders hebben een voorouder die een verslag van zijn leven, zijn tijd en zijn afstamming heeft nagelaten.


Onze relatie met Abel Bolhuis loopt via Hebel Bolhuis, grootmoeder van mijn moeder. Zij was een rechtstreekse afstammeling van Abel Eppens. Eerst nog iets over zijn achternaam: Zijn vader heette Eppo, het was in die tijd in de provincie Groningen gebruikelijk dat of het patroniem werd gebruikt (Eppens, zoon van Eppo), of de naam van de boerderij (Bolhuis), of de naam van de woonplaats (Eekwerd, of Equard). Alle drie namen kom je bij Abel Bolhuis tegen.
Abel Eppens’ ouders waren bekeerd tot de nieuwe Gereformeerde Leer, hun zoon was eveneens een overtuigd protestant. Hij staat dus ook 100% achter de opstand der geuzen, maar heeft als een echte geschiedschrijver wel ook voor de misstanden die in de eigen gelederen zo nu en dan voorkomen. Die opstand is volgens de latere geschiedenisboekjes begonnen met de slag bij Heiligerlee op 23 mei 1568, maar in de Ommelanden waren er voordien ook al heel wat schermutselingen geweest. Na die overwinning heeft, ook volgens Bolhuis, graaf Lodewijk veel te lang geaarzeld met doorpakken, hij had het Spaanse verzet in Friesland gemakkelijk kunnen breken en daarna doorstoten naar Holland. In het volgende verslag van die periode volg ik het verhaal van Bolhuis zo nauwkeurig mogelijk, maar niet letterlijk, het is een beetje chaotisch geschreven.
Na de slag regelde graaf Lodewijk eerst de bijzetting van zijn broer, graaf Adolf, in de grafkelder van de graven van Oostfriesland in Emden, en de overbrenging van het lijk van Aremberg, de bevelhebber van de Koninklijke troepen, naar Groningen. Tot zijn spijt kon graaf Lodewijk niets terugvinden van het ‘geschir’ en de verdere uitrusting van Aremberg.
Daarna liet hij een brandschatting uitschrijven, voor drie jaren, want de krijgslieden hadden nog geen soldij ontvangen en dat stond hun niet aan. Gevraagd werd dat ieder naar zijn vermogen zou betalen. Maar de gemeente (de burgerij) was heel onwillig dat geld op te brengen. Monniken en edellieden raadde af te betalen. Daarom trok graaf Lodewijk op 3 juni ’s nachts uit Appingedam en uit Slochteren naar (Noorder) Hoogebrug en het klooster Selwerd bij de Stad. Daar aangekomen heeft hij met 12 bargen (kleine schuitjes) zijn leger over gezet en daarmee 7 weken lang in de open lucht gelegen, en daarna de schatting ontvangen. En hij heeft bij Delfzijl, dat door de adel was verlaten, geleidelijk aan schansen laten aanleggen, zoals men ook van hem verwachtte. Overigens is graaf Lodewijk na de victorie lang werkeloos gebleven, terwijl men hoopte dat hij, wanneer zijne Genade verder naar het westen zou trekken, steden voor hem geopend zouden worden, de landen hem zouden zijn toegevallen en hij geld genoeg zou hebben gehad. Maar hij bleef in de Ommelanden, hoewel zijn Hoogduitse knechten hem meerdere malen verzochten verder te trekken. Ze zeiden dat de stad Groningen nu lang genoeg was ‘gebakerd’ (verwaard staat er). Ondertussen had de hertog van Alva tijd om de aanval tegen de onzen in te zetten. Het was ook de bedoeling van de graaf om een fuik te maken opdat zijn broer, prins Willem van Nassau, ruimte zou krijgen Dan had de graaf ondertussen een vesting klaar, zoals hij ook de klokken in de Marne (bij Appingedam) in beslag nam; de abt van Oldeklooster nam hij het zilverwerk af en van de abt van Wittewierum eiste hij een losgeld van 3000 gulden. Die abt vond geen genade bij het Landschap. Op 21 juli trekt de hertog van Alva met 70 vendels (met ongeveer 12.000 voetknechten en 3000 ruiters) door Groningen (de burgers hadden de Hoogduitsers al het geweer afgenomen!). Hij trok verder vanaf Hoogebrug maar niet naar Delfijl (Hij wist blijkbaar dat Lodewijk al op de terugtocht was), maar volgde graaf Lodewijk door Duurswold, Oldampt in het Reiderland naar Jemmygen (aan de Eems). Maar de hertog van Alva had begrepen dat de soldaten van graaf Lodewijk onwillig waren, omdat ze eerst geld wilden hebben: hij had het terrein al bezet. Er zijn meer door verdrinking omgekomen dan op het slagveld gesneuveld. Er waren 4000 vermisten. Uit andere bronnen is bekend dat er van het leger van graaf Lodewijk van 7000 man 6000 zijn omgekomen. Graaf Lodewijk had nog schansen in Jemmygen willen laten aanleggen, maar hij komt naecket over den Emse aan in Petkum bij Allegonda Ripperda, alwaer hij kleren aan trekt van Tyaede Louwens en Waelke Louwens ( zonen van het gevluchte echtpaar Bolhuis, dat na de Beeldenstorm daarheen was gevlucht). Ze zijn gevlucht naar Emden, Alva heeft ze achtervolgd, de door zijn troepen daarbij aangerichte schade was groot; door brand, roof, het verdrijven van de beesten, koeien en paarden werd een schade van vierhonderd duizend gulden aangericht.


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2016
stuur bericht

    Hoofdpagina