Grammar 4 en 5 havo



Dovnload 487.61 Kb.
Pagina1/11
Datum16.08.2016
Grootte487.61 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11

GRAMMAR 4 EN 5 HAVO



Inhoudsopgave:

Deel I -- HET GEZEGDE

Chapter 1: De tijden:


  • simple forms

      • Continuous forms

Chapter 2: Lijst van onregelmatige werkwoorden

Chapter 3: Vragend en ontkennend maken

Chapter 4: Het gebruik van de tijden

Chapter 5: De hulpwerkwoorden:



      • Kunnen

      • Moeten

      • Mogen

Chapter 6: De lijdende vorm (passive)

Chapter 7: Voorwerp met infinitief (met en zonder to)

Chapter 8: Directe rede en indirecte rede
DEEL II – OVERIGE ZAKEN

Het betrekkelijk voornaamwoord

Bijvoeglijk naamwoord  bijwoord

Trappen van vergelijking

Enkel en meervoud

P.M.


- Onderwerpen voor stencil?

- Leerlingen die onvoldoende hebben laten herkansen, maar pas nadat ze voldoende hebben gescoord voor een toets over de theorie! Onvoldoende voor de theorie?  Na het laatste lesuur verplicht in de stiltezaal LEREN.

- Diagnostische toets aan het begin van een blok. Zeven of hoger gescoord?  in de stiltezaal zelfstandig werken. Minder dan een zeven?  In de klas de theorie uit het stencil doorwerken.

-Leuke dingen voor de mensen??? Oefenen via de computer??? Internet te gebruiken??? Verluchtigen met illustraties???

Chapter 1 - De tijden van actieve zinnen

Omdat de kern van een zin het gezegde is, beginnen we in de grammatica op dat punt. We kijken bovendien in eerste instantie naar de ACTIEVE zin, waarin iemand een bepaalde handeling uitvoert. De passieve zinnen (waarin iets met iemand gebeurt) komen pas in een later stadium aan de orde. Het Engels maakt bij actieve zinnen verschil tussen SIMPLE FORMS en CONTINUOUS FORMS. Simple forms gaan uit van het hele werkwoord (bijv. to watch – to go – to play – enz) terwijl de continuous forms uitgaan van to be + ww-ing.


Voor we echter serieus aan het werk kunnen is het echter belangrijk, dat je weet wat voor tijden er zijn. Dat wordt dus het eerste doel van dit hoofdstuk.
Om tijden te benoemen maken we gebruik van drie tegenstellingen:

  1. tegenwoordige tijd of verleden tijd

  2. voltooide tijd of onvoltooide tijd

  3. toekomende tijd of niet-toekomende tijd* (*Als een tijd niet-toekomend is dan laten we deze term gewoon weg)



Tegenstelling 1


Om te bepalen of een zin in de tegenwoordige tijd staat of in de verleden tijd moet je eerst de persoonsvorm opzoeken. Alleen de persoonsvorm bepaalt of die zin tegen-woordige tijd is of verleden tijd.



Tegenstelling 2


Om te bepalen of de zin voltooid is, kijk je of er in de zin een vorm van hebben (of: zijn) staat gevolgd door een voltooid deelwoord.



Tegenstelling 3


Je noemt een zin toekomend als er een vorm van het hulpwerkwoord zullen in staat.


Oefening 1: bepaal de tijden van de volgende gezegdes:

Nederlands

Voltooid/onvoltooid

Tegenwoordig/verleden

Toekomend/ -- tijd

Hij gaat










Hij ging










Hij heeft gezien










Hij had gelopen










Wij zullen luisteren










Zij zouden wonen










Wij zullen gedaan hebben










Zij zouden gebouwd hebben










Ik ben aan het repareren










Jij was aan het vechten










Hij is aan het verven geweest










Hij was aan het werk geweest










Hij zou gegaan zijn










Jullie zullen opletten










Hij is geworden










Ik had gekozen










Ik zal gereden hebben










Zij kwam aan










we zijn gestopt










Zij probeerden










Jij zal begrijpen










Hij was aan het vliegen










Zij hebben verkocht










Zij zou dragen










Zij zou gevloekt hebben










Wij lieten zien










Ze zullen bewaard hebben










Zij zijn vertrokken










Ik zal ontmoeten










Hij heeft gezeten










Hij was gegaan










Ik plakte










Hij doet pijn










Wij kopen










Hij zal gekozen hebben










Hij dronk










Het waaide











  1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina