Griekse Letterkunde I epische tijdvak (9e-8e E)



Dovnload 138.31 Kb.
Datum20.08.2016
Grootte138.31 Kb.
Geschiedenis van de Griekse Letterkunde I


  1. Epische tijdvak (9e-8e E)

    1. Historische context

2800-1400: Minoïsche cultuur Kreta

2000: Hellenen (Achaeërs) 1700 invloed Mycene

1450 Lin. B op Kreta

1400 Myceense cultuur > Minoïsche

1200: Doriërs  1e kol. (Egeïsche Zee, Kl.-Azië)

Dactylische hexameter: Kreta  Mycene  Gri.  Eolië  Ionië




    1. Epiek: Homerus

    1. Il.

-Inh.: 1. begin wrok [indeling Alxendrijnen,  titels]

2-10. wisselende kansen (Men. Paris, Hector-Androm.)

11-17. Patroclus

18-22. Hector

23-24. slot (lijkspelen, Priamus)
-Structuur: eenheid wrok-thema:

1. begin


2-10. uitwerking: wisselende kansen, ernst sit.,  voorbereiding

 19. afgelopen

20-24. uitbollen, thema oorlog (!)


    1. Od.

-Inh.: 1-4. Telemachie (Pylos, Sparta)

5-8. aankomst Phaeaken (Nausicaä)

9-12. binnenverhaal: Ciconen, Lotophagen, Polyphemus, Aeolus, Laestrygonen, Kirke,

onderwereld, Sirenen, Scylla & Charibdis, Helios, Calypso

13-16. terugreis, thuiskomst

17-20. vrijers in paleis

21-24. straf, herkenning, opstand
-Structuur: eenheid 3 thema’s: avonturen Od., zoektocht Tel., thuiskomst Od.

-begin in medias res

-binnenverhaal

-toneelverschuivingen

-complementaire  motief: wederzijds verlangen Od.-Ithaka





    1. Stijl

-plasticiteit: concreet, juist gekozen details, Hom.sche vgl.! (epitheta  vv., vb. Il., II 455-458)

-beweeglijkheid (filmisch): beeld + beschrijving!

-variëteit: andere behandeling = ond. (vb. dood, weeklacht)

+ tonen gesprekken




    1. Lit. techniek

-ontspanning (vb. tussen 2 gevechten) & contrast (vb. beschrijving schild)

-anticipatie (vb. dood Hector) & vertraging (vb. voor tweegevecht Ach.-Hec.)





    1. Hom.sche kwestie

-historische trad.: °Direct: ps.-Plutarchu, Certamen Homeri et Hesiodi; legenden (blind)

Alexandrië: separatisten  Aristarchus

ps.-Longinus, De sublimitate

°Indirect : navolging in lit. & kunst (keramiek)

-gesch. discussie:

°18e E: Hédelin d’Aubignac, Wolf: compilatie-theorie (Lycurgus, Peisitratos  Hom.)

-te oud (taal, cult.: barbaarse tijd)

-contradicties

°19e E: analytici: vele auteurs

-agglutinatietheorie (Lachmann): Lieder  eenheid

-compilatietheorie (von Willamowitz): epen  eenheid

-interpolatietheorie (Hermann): Ur-Il. + interpolaties


°20e E: unitariërs: 1/2 auteurs (Deutero-Hom.)

-archeologie (Schliemann : Min., Myc.)

-linguïstiek (Kunstsprache: evolutie hexameter-taal)

-literatuurstudie (eenheid compositie  1 auteur)

-oral poetry (Milmann Parry)
°recentelijk:

-improvisatie & compilatie  formulaire technieken: formules

Milmann Parry: verhaalstof /-techniek typische scènes

katalogen

von Thiel: FI + SI (

-1/2 auteurs: taal, compositie, atmosfeer

-datering: Her.: 9e E, termini post/ante quem  von Thiel: 8e/7e E
°actueel:

-achtergrond epen = Myceense cultuur (

afwijkingen (vb. ijzer) < interpolaties

recentelijk: discrepanties

-pol.: complexe structuus (wanaka)  basileus/dèmos/slaven

-econ.: 10.000 slapen Knossos  50 slavinnen Od.

-kataloog: Korinthe, Rhodos post-Myceens

-mat.: grote paleizen  mestvaalt Od., Priam.

-datering Hom.: 8e/7e E (von Thiel)

Ruygh: 9e E

-originaliteit Hom.: formulaire techniek  originaliteit (directe rede!)



    1. God & mens

Anthropomorfe goden  kloof mensen <, dood

-hiërarchie - vrij

-gebreken -verering


    1. Hom.sche hymnen

Hom., hymnen (= ): 6 gedichten (Apollo, Aphrodite, Hermes, Demeter)

 gesch. gods.  aanroeping god, verhaal, gebed




    1. Epische cyclus

 schaarse kennis: Thebaans / Trojaanse sagen

-pre-Hom.: Kypria

-post-Hom.: Telegonie

-overlappingen: Nostio, Iliou Persis

lit. belang  stof koorliederen


    1. Parodieën

Subgenre : vb. : Hom.  5e/4e E  1e E

-Humor: namen (, ), transpositie Hom.  dierenwereld

-belang Hellen.-Byz. T  vóór Hom. gedrukt)


    1. Didactiek

-epische did.: genealogische verhalen menselijke wereld, poëzie: schoonheid + geheugen

-parenetische did.: lessen (verleden = vb.)

-ep.did.: fantasie  waarheid
*Hesiodus v. Ascra (Beotië)  twist broer, rechtssysteem ( Werken & Dagen)

°Theogonie: orde in mythologie

-Inh.: 1.Hymne muzen

2.Ontstaan heelal

3.Heerschapp. Ouranos

4. “ Kronos

5. “ Zeus

+ Ehoeae


-Structuur: ordening per geslacht / heerschapp.

 onoverzichtelijk < chaos mythen + interpolaties


-Stijl: hymnisch, saaie opsommingen

+ muzikaliteit opsommingen

+ versnelling/vertraging

 geliefd bij Gri.


°Werken & Dagen:  broer, vorsten

-Inh.: 1.Arbeid & Recht:  broer; Pandora + 5 rassen

2.Werken & Dagen ( HB, ~(ne-)fasti)

-Structuur: abrupte overgang (1. twist, broer; 2. geen twist meer)

gebrekkige uitwerking 2.
-gedachtenwereld: - heroïek

( Hom.) -utilitair observator (vb. meid zonder kind)

- : nuchter, sarcastisch (oude man in winter)

 geloof in rechtvaardigheid en arbeid

°Ehoeae (vrouw x God

°Scutum Herculis (onecht): ~ehoeè: Alcmene x Zeus  Hercules  Kyknos


*Hesiodus’ stijl~Hom.: -minder gevarieerde vv.

-stroevere zinnen, veel spreekwoorden

-fantasieloze beschrijvingen

-nieuwe composita



  1. Lyrisch tijdvak (7e-6e E)

    1. Inl.

    1. Hist. Context

-soc.: feodaal  vrije polis (democratie, tirannia)

-kol.: geografische verruiming (breuk verleden)

-Kl.-Azië: meest vrij


    1. Lyriek’

gezongen en gereciteerde poëzie (+muziekbegeleiding)


    1. Indeling

-gereciteerd: elegie / jambe

-gezongen: monodisch (+muziek) / koor (+dans, lier)




    1. Ontwikkeling  hoogtepunt

Bloei 7e/6e E: -soc.: polis  eendracht (koorlyr.), polemiek (elegie), satire (jambe),

Individuele (monodische lyr.)

-cult.: zangwedstrijden Pythische spelen (fluit, lier, kithara)

-kol.: veel reizen (huurlingen, pol., handel, …)

-techniek muziekinstrumenten: lier, auloi, kithara (Terpander v. Lesbos)


    1. Gereciteerde lyriek

    1. Elegie

*kenm.: elegisch distichon

~ epiek: gereciteerd (+pre-/interludia fluit / kithara); stoere taal/stijl, epitheta

~ didactiek: beschouwend, parenetisch
*krijgselegie: -Callinus v. Ephese: oproep Thrakische vijand

~ epos, vermaning; roem, jeugd

-Tyrtaeus v. Sparta: nationale dichter / kreupele leraar?

°stapliederen (Spartaans dialect)

°elegieën (Ionisch ~ epos)

°vechten, polis-gevoel!


*sentimentele elegie: Mimnermus v. Colophon: geschiedenis, mythologie

genotzucht ( ouderdom)

*pol.: Solon v. Athene : pol. carrière+verwezenlijkingen in jambische gedichten (Plut., Arist.)

*moreel: Theognis v. Megara: aristocrat,  volk, democratie

*: Xenophanes v. Colophon:  anthropomorfisme

*epigram:


    1. Jambe

*Kenm.: -volkse spot-dichten cultusoptochten

-jambische trimeter, trochaeïsche tetrameter

*Archilochus v. Paros: bastaard  huurslodaat, x Neobule: afgewezen

-uitvinder + meester spotpoëzie / vrijheid mens = stem mens

*Semonides v. Amorgos: kol., vrouwenspiegel (~Hes.: inh, Arch.: taal)

*Hipponax v. Ephese: balling,  2 beeldhouwers

-individueler, ogenblik ( Archil.)

-realisme > mime

-hinkjambe!



    1. Monodische lyriek

*Kenm.: -individueler

-feest, impuls / beroep

-metrum: =v./strofen (4 vv.)
*Lesbische lyrici: -Alcaeus v. Mytilene: aristocraat  tirannen

pol. + drinkliederen  man

Alcaeïsche strofe !

-Sappho v. Mytilene: leidster , homofilie?

, gevoelens dochter, broer, meisjes, …

formeel: =Alcaeus, inh.: gevoelens, impulsiever!


*Ionische lyrici: Anacreon: Teos  Samos  Athene

-dichter v/h symposion, pederastische liefde

-~Mimnermus: genotzucht, liefde! ( pol., oorlog)

 Anacreontea: navolging Hellen.-Byz. T


*Corinna v. Tanagra: locale dichtster: 6e/5e E – 3e/2e E  herontdekt?

2 gedichten (Cithaeron  Helicon)


*drinkliedjes: < symposia aristocraten: aanroeping goden, strijdherinneringen

*volksliedjes: vb. , 




    1. Koorlyriek

*Kenm.: -gemeenschap

-rel. feesten  plechtig

-poëzie + muziek + dans

-gevarieerde metra

-Dorisch (+epische el.en)
*Soorten:

-paean: Apollo

-prosodion: processielied (meisjes: )

-: Dionysos > mythen alg.

- (god),  (mens:  – dode,  – overwinnaar)

-hyporchèma: danslied


*Alcman v. Sardes: Sparta (nog vrij open), schepper koorlyr.

- (~Hom. hymnen)

-


*Stesichorus v. Himera: episch lyricus (Iliou Persis, Nostio, Thebais, Geryoneis)

persoonlijke gevoelens

+dramatisch (Helena, Palinodie)

 triade
*Ibycus v. Rhegium:  Samos: Anacreon, episch  erotiek (knapenliefde!)

(epitheta, metaforen, perifrasen)
*Simonides v. Ceos: zeer bekend, veel gereisd (Sicilië: Hiëro)

-epinikia + treurliederen (klacht v. Danae)

[ traditie ; analytisch denkvermogen  voorloper sof., Soc.]
*Bacchylides v. Ceos: epinikia (Hiëro), dithyramben (mythisch: Theseus); goed verteller!
*Pindarus: Thebe – Athene (Aegina!), edelman, rel. (Zeus, Apollo)

hyporchèmata, encomia, thrènen

epinikia (!) [Olympische, Pythische, Nemeïsche, Isthmische]  schoolgebruik

-lit. techniek: 1.elen: lofzang + hymne; mythes, grootse aanhef

2.structuur: eenheid < eigen levensvisie, rel. stemming, elk el. van toep.

-taal: zeer rijk (~koorlyr. trag., + Hom.)

-stijl: verheven; metafoor, epitheta, perifrasen  globale indruk

-metriek: elk gedicht anders (monostrofisch, triaden)

-gedachtenwereld: °complex

°~grootse opdracht (spreuken)

°rel.: goden lof

°geloof aangeboren adel


*Timotheus v. Milete: deel v/d Persae (zeeslag Salamis)


    1. Fabel

Vnl. oraal (~Hes.: sperwer-nachtegaal)

Aisopus v. Samos: slaaf, veel twijfelachtige legenden

 Phaedrus


  1. Athene: glorieperiode stadstaat (5e-4e E)

    1. Inl.

Peisistratos  Pericles

-intellectualisme ( emotionele ervaring)

-klare, organische opbouw (~Hom., Hes.)

-soepele uitdrukkingsvormen




    1. Tragedie

    1. Oorspr. + ontwikkeling

*oorspr.: [-Arist., Hor.: Doriërs: dithyrambos  tragedie +  (Thespis, Athener!)

-Arist., Her., Suda: saterspel  saterdithyrambos   (Arion v. Corinthe)

(!! latere saters paardenattributen)


*evolutie: -Phrynichus: vrouwenrollen + gesch. (, Fenicische vrouwen)

-Pratinas: saterspel  tetralogieën


*bloei: grote 3

-Aeschylus: 2 acteurs, costumering, verband 3 tragedies

-Sophocles: 3 acteurs, tragedies los, koor(zangen)

-Euripides: arm  rijk


*Nachleben: -Critias: debat-tragedies

-Agathon: experimenten: uitgevonden themata; koorzangen  interludia




    1. Eig.

*Opbouw: °indeling (‘bedrijven’)

-prologos: expositio

-parodos: intredelied koor

-epeisodia: dialogen

-stasima: koorzangen (kommoi: lyrische dialogen)

-exodos: uittredelied koor

°+trad. scènes:

-: 2  fundamenteel probleem

-(-, -): levendig debat

-bodeverhaal : epische toon, plastisch

-klaagzang: zelf/ander 
*muziek, taal, metrum:

-gezongen (parodos, stasima): Dorisch, + muziek

-: stapvv. (anapesten) op- en afgaan koor

-gesproken: Attisch (+Ion.); vrijere synt., perifrasen, wdenschat.




    1. Ond. + behandeling

*ond.+vrije inkleding (): vb. Hippolytos

*verinnerlijking:  > spectaculaire acties

*vereenvoudiging: 2/3 acteurs  eenvoudige intrige, scènes

*eenheid plaats, tijd (


    1. Wedstrijden + opvoering

*: Dionysia / Lenaia (lente)  3 dgn. tetralogie

dichter (regisseur) + choreeg (producent): acteurs, koor, muziek, decor

jury 5 leden  stadsarchief (> v. Arist.)
*theater: -: toeschouwers: vrij open (hout > marmer)

-: koor (weg 3e E)

-: omkleedruimte +dak +decor (tent > hout > marmer)

podium?


2 eisodoi (L: stad, R: haven/platteland)

-‘attributen’: altaar, godenbeelden, struikjes, , 


*acteurs: prota-, anta-, tritagonist; maskers (kothurnen: laat-hellen.)

*reprises: buiten wedstrijdverband




    1. Aeschylus

1.Leven: 525-456: aristocraat, mil. (Perzische oorlogen) + dichter

2.Werken: gebonden trilogie/tetralogie  7/100 bewaard

-De Perzen: Salamis

-De Zeven tegen Thebe: Polyneikes  Eteocles

-Oresteia: Agam., Choephoroi, Eumeniden

-Dictyulci (saterspel)


3.Thematiek: -rel., eeuwige wetten

-hybris/nemesis (mens = eigen ondergang)

-geslachtsvloek
4.Dramatische techniek:

-handeling: °eenvoudig, statisch (koor!)

°dubbel plan: goddelijke macht – vrijheid mens

-karakter: grandioos, grove trekken


5.Stijl/Taal:

-dichterlijk

-verheven dialogen + overheersende, opdringerige gezangen

-metaforen, adj., composita




    1. Sophocles

1.Leven: 496-406; -succesvol (dichter + pol.)

-volksverbonden

-rel. (Dexion)

2.Werken: 7/130 bewaard

°Ajax

°Antigone



°Philoctetes

°Oedipus Koning

°Electra

°Ichneutai (saterspel)

3.Thematiek: -meedogenloze tragiek v/d menselijke verblinding

-broosheid menselijk geluk


4.Dramatische techniek:

-handeling °tegenstelling

°prologen! (expositio + actie)

°koor


°valse hoop, ‘deus ex machina’

-karakter: sterke persoon, 1 alles overheersende waarde; maar wel genuanceerd!


5.Stijl/Taal:

-efficiënt ( beoogde doel), soepel

-tragische ironie: ps.  publiek (+andere ps.)


    1. Euripides

1.Leven: 485-406 (sofisten, Pelop. oorlog): kamergeleerde (!), doctior sua urbe (succes 4e E)

2.Werken: 17/92 bewaard

°Alcestis (happy end!)

°Medea


°Hippolytos (2)

°Andromache

°Elektra

°Ion


°Iphigeneia in Tauris

°Iphigeneia in Aulis

°Bacchae

°Cyclops (saterspel)


3.Thematiek: - (gevoelens;  ‘wil’ Soph.): °pos. (liefde, familie, vroomheid)

°neg. (wrok)

-dissoi logoi: álle problemen, ideeën

-goddeloos? Goden onbegrijpbaar  trad. visie


4.Dramatische techniek:

-handeling: °losse structuur (#ps., gevoelsreacties)

°realisme! [motivering, resumerende proloog > eenheid, agones: ret.!,

]

°deus ex machina

°koor, wel volmaakt

-karakters: , 
5.Stijl, taal: -eenvoud, helderheid (pathetisch!)

-verzorgde omgangstaal




    1. Saterspel

*oorspr.: Pratinas ( tragedie: ); ond. *eig.: travestie (vorm =, inh ) [ Aristoph.: parodie inh =, vorm )

koor = saters o.l.v. Silenus

*vertegenwoordigers: -Aesch., Dictyulci; Soph., Ichneutai; Eurip., Cyclops



    1. Komedie

*Oorspr.: < (Z-It.)  Epicharmus v. Syracuse: intrige

parodies mythes, mimes (sketches)

< : optochten Dionysus (~carnaval)  spotliederen  
*Oude komedie:

1.Kenm.:


°stof: ~revues: satirisch +  (>)

intrige, koor vrij bel. actie

°structuur: -prologos: thema + actie (!)

-parodos: koor verkleed

-1e deel:  ruzie: 

-parabasis: toespraak koor

-2e deel: episodes

-exodos


°opvoering: Dionysia, 5 x 1stuk
2.Voorlopers Aristoph.:

-Cratinus:  Pericles;  (‘wijnfles’): zelfspot

-Eupolis:  pol., sof., Soc.; groot concurrent

-Magnes, Crates, Pherecrates


3.Aristoph.

-Leven: 445-388: -grootgrondbezitter +intellectuele leven +boerenbevolking

-Pelop. oorlog;  pol.

- te ver doorgedreven democratie

-Werken: 11/44 bewaard

°Acharniërs (parodie oorlog)

°Ridders (parodie pol. Athene)

°Wolken (parodie , Soc.~sof.)

°Wespen (parodie processen)

°Vrede (parodie internat. pol.)

°Vogels (satire Athene)

°Lysistrata (parodie oorlog)

°Thesmophoriazusae (satire Eurip.)

°Kikker (satire Eurip.)

°Ekklèsiazusae

°Plutus (satire hebberigheid)

-gedachtenwereld: -karikaturen  lachen (+ reflectie problemen!)

- pol., lit., .

-conservatief, patriottisch
-stijl, humor: -levendige taal, grof – lyrisch

-parodie tragedie

-eenvoudige intrige ( komische!)

*Middelste komedie: (Antiphanes, Alexis)

-pol<>burgerkomedie: types, parodieën mythes

-

-koor

-intrige


*Nieuwe komedie: (Hellen.!)

1.Kenm.: -zeden-, burgerkomedie

-type-/karakterdrama

-intrige

-hoogstaand moreel niveau
2.tijdgenoten Men.: Philemon (>Plautus)
3.Men.:

-leven: 340-291: Athene ( Alexandrië)

-werken: 108  pap.-fr.en: Dyscolos, Aspis

-karakteristiek: °liefde

°hoofdpersonages: karakters (zwakheden!)  typetjes


    1. Geschiedschrijving

    1. ep.-did.

Ond.: genealogie, kosmogonie

Opzet: mythische verleden




    1. Logografen’

Hecataeus v. Milete: ,  (uitgebreider), 

Hellanicus v. Mytilene: Atthis (>Atthidografie, Athenaion Politeia)



Ond.: genealogie + aard.

Opzet: relatie heden-verleden + ‘groeiende’ wereld

Hist. methode: rationalisme


    1. Herodotus v. Halicarnassus

Veel gereisd  Athene; veel contacten

9 boeken 



Ond.: wereldgesch.: myth.  menselijke T

Opzet: herinnering verleden (daden voorouders, oorzaak Perzische oorlogen)

Methode: grondige heuristiek:

-mond. + arch. bronnen

-eigen opinie

-geen chauvinisme (Barbaren, Egypte)

 geen chronologie

Wereldvisie: °goddelijke machten (~nemesis Aesch.)

°broosheid menselijk geluk (~Soph.)

°praal O  simpele Gri.

Stijl: eenvoudig & gevarieerd

Taal: Ionisch


    1. Thucydides

Pelop. oorlog, verbannen

8 bkk.  (421-411!)



Ond.: Gri., eigen T

Opzet: leren uit verleden

Methode: -grondig bronnenonderzoek

-chronologie

-eigen krit.

 fictieve redevoeringen



Wereldvisie: °godheid grijpt niet in

(~Eurip.) °menselijke 



Stijl: gebald (
Taal: Attisch (+Her., …)


    1. Xenophon v. Athene

Mil., Spartaanse episode

-hist. werken: °anabasis (+terugtocht): Cyrus  Artaxerxes II

°Hellenica: 411-362 (Mantinea): Sparta centraal

°Agesilaus: enkomion

-pedagogische werken: °Cyropedie: historisch-didactische roman

°Hieron: dialoog Semonides-Hiero: leven tiran

°Staat der Spartanen: ideale staat + ondergang

°Inkomsten: sanering Athene

-Technische werken: °Over de aanvoerder der ruiterij

~wet. stijl °Over het paardrijden

-Socratische werken: °Memorabilia

°Oeconomicus: huishouden

°Symposium: eros

°Aplogia: (reden grootspraak)

*groot vb.

*hist.: lager niveau



Ond.: eigen T

Opzet: belang sterke figuren (vb. Agesilaus)

Methode: -krit.

-veel fictie

-mil. + Spartaans standpunt

Wereldvisie: ~Aesch. (hybri/nemesis), Soph. (mens individu)


    1. Andere

-Theopompus v. Chios: Hellenica: 411-394 (supprematie Sparta)

Philippica: tijd v. Philippus

-Ephorus v. Cyme: Algemene Griekse gesch.: Doriërs  340




    1. Pre-Soc.i

Ond.: oorsprong (= theogonie)

Behandeling: -verhaal  dialoog, tractaat, …

-anthropomorfisme

-rede  trad.

1.Ion.sche school (7e-6e E): -Thales v. Milete: water

-Anaximander v. Milete: apeira & enantia

-Anaximenes v. Milete: lucht

-Heraclitus v. Ephese: grondstof + logos; aforismen!

2.Eleatische school (6e-5e E): -Xenophanes v. Colophon  anthropomorfisme

-Parmenides v. Elea: Absolute Zijn

-Zenon v. Elea: vulgariserend

3.jonere natuur: -Empedocels v. Acragas: 4 el.en (veelheid en verandering)

-Anaxagoras v. Clazomenae: spermata

-Democritus v. Abdera: atoma

4.Pythagoras: ‘alles is getal’, metempsychose




    1. Sofisten

5e E ‘geleerde’/rondtrekkend leraar : -ret. + debateerkunst

-dichtkunst (juiste/valse voorstelling)

-linguïstiek

leer: -mens in polis centraal

-geen obj. waarheid  ethiek!

-  

 Athene centrum cultuur / wijsheid

*Protagoras v. Abdera: 

*Gorgias v. Leontini: 

Verdediging v. Palamedes, Lofred op Helena

*Prodikos v. Keos: linguïstiek, Herakles op tweesprong (~did., elegie)

*Hippias v. Elis: wet. > formele




    1. Socrates

Lit. belang: -Socratische dialoog

-lit. portret (>biografie Hellen.)

-interesse 

+ inspiratie Oude Komedie, Socratici




    1. Plato

  pol., lit.: Hom.!  bederf ideale staat

Corpus Platonicum: °Apologia

°Defenities (onecht < Akademia)

°13 brieven (2 echt)

°27 echte dialogen

1.jeugdperiode: -Hippias minor (dwaasheid sof.)

-Io (rhapsode-kunst)

-Laches (mil. moed)

-Charmides (bezonnenheid)

-Protagoras (deugd aanleren?)

-Staat, I (rechtvaardigheid)

-Eutyphro (vroomheid)

-Hippias maior (schoonheid)

2.overgangsperiode: (-Apologia)

-Gorgias (ret.)

-Meno (deugd-kennis)

-Crito (wetten)

-Euthydemus (opvoeding Soc.  sof.)

-Clitophon (pedagogiek Soc.)

-Lysis (vriendschap)

-Menexenus (parodie lijkredes)

-Cratylus (oorspr. taal)

3.rijpe leeftijd:-Phaedo (onsterfelijke ziel)

-Symposium (eroos)

-Staat, II-X (ideale staat ~ menselijke ziel)

-Phaedrus (redes over eroos  ret.)

4.laatste jaren: -Parmenides (ideeën)

-Theaetetus (kennis)

-Sofist (ware )

-Staatsman (staatsmanskunde)

-Philebus (hoogste goed)

-Timaeus (kosmologie, Atlantis)

-Critias (~kosmologie)

-Wetten (praktischer staatsleer)


*genre dialoog:

°drama/handeling: 1-3: reële/realistische personages + scène (vb. Crito)

4: louter namen

°discussie: 1-3: Soc. leidt; leer + persoon

4: enkel leer

°doorlopende uiteenzetting:

-redevoering:1-3: opponenten  4: ook Soc.

-mythe: 1: opponenten: versiering  2-4: ook Soc., verhaal onbewijsbare


*historiciteit: historische/fictieve personages  Plato aan het woord?

-didactisce opvatting (Schleiermacher): Pl. één ps., wijzigingen = onderdeel leer

-genetische opvatting (Hermann): wijzigingen = evolutie
 Rivaud: -soms geen besluit

-complexe reconstructie 

°1-3: Historisch drama -ps.: realistisch + partijdig

-Pl. één ps.

-interpretatie andere inzichten

-ontwikkeling leer Soc.

°4: didactische dialoog: eigen leer Pl. bij monde v. personages ( tractaat beter?!)
!! ongeschreven leer !?!


    1. Aristoteles

°Stagira, 4e E; Lyceum: peripatetisch onderricht

: rationalisme, empirisme ( ideeën Pl.)  invloed > W (Kerkvaders !)

-exoterische werken: 

-esoterische werken: wet.

°Logica: Organon

°: De anima

°Natuurwet.: Historia Animalium

°Staatsleer: Politika

°Ethica: Ethica Nicomachea, …

°Metaphysica

°Ret.: 

°Poëtica:  = college-aantekingen

-onvoll.: bk.2: komedie!!

-tragedie, epos: begrippen mythos, katharsis




    1. Theophrastus

Wet., : typetjes


    1. Ret.

*oorspr. & verspreiding: eeuwenooud  Athene, 5e E: democratie, jur. (logografen), feesten

 Corax & Tisias (Sicilië): wet.

- (exordium) + narratio

- (argumentatio)

-  (refutatio)

+  (comprobatio)



  • (peroratio)

* indelingen: soc.: Isaeus, Lysias: metoiken  logografen

pol.: -binnenlands: Antiphon, Andocides: oligarchen, aristocraten

Demosthenes: democraat

-buitenlands: Aeschines, Dinarchus

 Demosthenes, Lycugus, Hyperides

interesse: Antiphon, Lysias, Isocrates: vorming in ret.

Isaeus: erfeniskwesties

- (pol. rede  toekomstige gedragslijn staat)

°Demosthenes:  Philippus: 3 Philippische, 3 Olynthische, ‘Over de vrede’

+ Kransrede ( pro-Macedonische Aeschines): verdediging eigen pol.

°Lycurgus, Hyperides: partijgenoten Demosth.

°Aeschines, Dinarchus: tegenstanders Demosth.


-: (jur. rede  on/recht al of niet gepleegde daad)

°Antiphon: Rhetorica (HB),  (bewijsvoering!)

°Andocides: vooral over eigen aangelegenheden; natuurtalent

°Lysias: logograaf + leraar; : in de huid kruipen v. cliënt

°Isaeus: logograaf, erfeniskwesties
-: Isocrates:

retorenschool ( sofisten, Akademie)

conservatief, verdediger Griekse cultuur  eenheid (Panegyricus)

taalkunstenaar: ellenlange periodes



-Panegyricus, Areopagiticus, Panathenaicus

    1. Wet.

(Hellen.) -mathematica

-geneeskunde: Hippokrates v. Cos, Corpus Hippocraticum




  1. Hellenisme (323-30)

*kenm. lit.:

-staatsleven weg  individualisme  romantiek  gevoelsleven (Medea!)

-steden (Theocritus)  bucoliek (Theocritus)

-wet.: °lit.-studie  intertextualiteit (alluderen + ‘opnemen’)

 variatio (epigram)

 poëticaliteit (opvatting over lit.)

°hist.-geogr. studie  poeta doctus

°geneeskunde (Call.: bevalling Apollo hymne; liefde Medea)

°fysica (Archimedes)

-experiment: ‘l’art pour l’art’ (elitair)

mythologisch thema  elegie

erotisch thema  epigram

  epyllion, epigram

carmina figurata

-koinè-taal
*Poëzie: bloei! Poetae docti, korte gedichten; alledaags realisme, liefdesgevoelens

1.Lyriek: Philetas, elegieën

Callimachus, hymnen (elitair, rel.), Aetia (>aitiologie)

2.Bucoliek: Theocritus, Idyllen (land- + stadsleven, mimetisch)

3.Epigram: grote bloei 3e E  anthologie Meleager ( -70), )

4.Theater:

°tragedie (gezocht): -Pleiade (Lycophron, Alexandra)

-compilaties gezongen door solisten, muzikaliteit!

°mimus: realistische skeches geïnspireerd op dagelijkse leven (sexuele!)

Herondas


°Nieuwe Komedie: Athene

5.Epiek: °epos: Apollonius v. Rhodus, Argonautica

°epyllion (mini-epos):

-Callimachus, Hecale (onderdak Theseus)

-Theocritus, Idyllen (vb. Hercules vs. slangen)

5.Didactiek: Aratus, Phainomena (sterrencataloog + mythen, planeten, weer)


*Proza:

1.: scholen  ethiek

°Middelste Academie (Carneades)

°Latere Peripatetische school (Critulaos)

*Cynisme (Diogenes v. Sinope): innerlijke onthechting, doelbewuste ascese

*Stoa (Zenon v. Citium): rationaliteit en apatheia, gemeenschap

*Epicurisme (Epicurus): genot en ataraxia

*Scepticisme (Pyrrho v. Elis, Timon v. Phlius): , opschorting oordeel


 Lit. vorm (populariserende ):

-consolationes (brief  tractaat): Academicus Crantor

-diatribe (praktische ethiek): Bion v. Borysthenes

-satire (

Menippus v. Gadara


2.Ret.: theorie-vorming  elitair

Rhetorica ad Herennium (-1e E)

Asianisme < Kl-Azië: gezochtheid


3.a.Historiografie: pragmatisch + redenerend; Tuchè!

-Polybius, Historiai: Rome 221-144

-Timaeus v. Touromenium: gesch. Groot-Gri.

3.b.Biografie:

-Satyrus v. Collatis

-Hermipyos v. Smyrna


4.Wet.:

-fil., gramm.: Alexandrië!  Dionysius Thrax, Technè Grammatikè

-geneeskunde: anatomie: Herophilus, Erasistratus

-geografie: Eratosthenes, Geographica (omtrek aarde!)

-chronologie: “ , Peri Chronologioon

-astronomie: -Aristarchus v. Samothrace, heliocentrisme

-Hipparchus v. Nicea : sterrencataloog

-wis.: -Euclides, Stoicheia

-Archimedes v. Syracuse


  1. Romeinse T (30 v.C.-527n.C.)

*Kenm.:

-Grieks cultuurtaal

-elitair

-poëtisch proza

-onorigineel (behalve roman!)
*Poëzie:

1.Lyriek: Orphisme Hymnen (

2.Epigrammen: grote bloei: Anthologie van Philippus v. Thessaloniki

Lucilius, Strato

3.Epiek: epos: -Quintus v. Smyrna, Posthomerica (Il.Od.)

-Nonnus, Dionysiaca (Dionysius  Indië)

4.Didactiek: Oppianus, Halieutica en Cynegetica

Babrius: fabels


*proza:

1.: -Akademie: verval  nieuwe bloei (Neo-Platonisme): Plotinus, Porphyrius,

Jamblichus, Proclus

-Stoa: bloei tot 3e E: Epictetus, Diatriben, Enchiridion (HB)

M. Aurelius, Tot zichzelf

-Scepticisme: Sextus Empiricus, Adversus Mathematicas ( dogma’s, ret.)

-Mysticisme: Hermes Trimegistes, Hermetische geschriften (dualisme  Chr.)

*Plut., Moralia

-metaphysica

-Delphi


2.Ret.: Theorie-vorming (leraren), nauwere band historiografie,  (2e Sofistiek!)

Atticisme: -Dionysius v. Halicarnassus

-Lucianus v . Samothrake (Pl. dialoog + Nieuwe Komedie)

-ps.-Longinus, 

3.Roman: duistere oorspr., sterk beïnvloed

liefdesthema + avontuur -Longus, Daphnis & Chloe

-Chariton, Chaereas & Callirhoé

-Heliodorus, Aithiopika

4.a.Historiografie: zeer gevarieerd

-Strabo: geografie

-Dionysius v. Halicarnassus: Oud.-Rom. gesch.

-Diodorus v. Sicilië: wereldgesch.  Caes.

-Appianus, 

-Dio Cassius: Rom. gesch.

-Herodianus v. Alexandrië: opvolgers M. Aurelius

-Plut., Vitae parallellae: Griekse figuur + Romeinse tegenhanger

-Arrianus,: AdG

-Pausanias: beschrijving klass. Gri.

-Diogenes Laertius

-Flavius Josephus: Joodse oorlog

4.b.Romantische biografie: Philostratus, 2e Sofistiek  Faction
5.wet.:

-fil.: Apollonius Dyscolus, 

-geneeskunde: Galenus v. Pergamon (+taalkunde, …)

pharmacologie: Dioscorides

dromen: Artemidorus, Oneirocritica

-astronomie: Claudius Ptolemaeus, 



-dierkunde: Aelianus, De natura animalium




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina