Griekse schilderkunst op keramiek (=aardewerk) Griekse schilderkunst is vrijwel geheel verloren gegaan. We weten dat er prachtig werk is geweest, maar er zijn alleen nog namen van schilders en beschrijvingen van hun werk overgebleven



Dovnload 18.07 Kb.
Datum24.08.2016
Grootte18.07 Kb.




Griekse schilderkunst op keramiek (=aardewerk)
Griekse schilderkunst is vrijwel geheel verloren gegaan. We weten dat er prachtig werk is geweest, maar er zijn alleen nog namen van schilders en beschrijvingen van hun werk overgebleven. Dus nu zijn we klaar? Nee. We hebben wel Romeinse kopieën die je kunt zien in bijvoorbeeld Pompeï. Maar daarover hoor je meer als we de Romeinen behandelen.

Aardewerk is er wèl!


Vreemd genoeg is er wel heel veel Grieks aardewerk overgebleven. Nou ja, zo vreemd is dat ook weer niet, want aardewerken vazen en kruiken bewaarden de mensen op plaatsen waar die niet veel te lijden hadden. Bij opgravingen kwamen vazen en kruiken vaak ongeschonden tevoorschijn. En als het alleen scherven waren, wat natuurlijk ook vaak voor kwam, kon je daarop toch heel wat aflezen, bijv. hoe vazen werden gemaakt. En van de afbeeldingen kon je weer afleiden hoe de ontwikkeling van het bewustzijn van de mensen in die tijd is verlopen: waaraan ze dachten, wat voor hen belangrijk was (want dat werd afgebeeld) enz.

Op hun aardewerk maakten de Grieken prachtige decoraties (= versieringen), die ons een idee kunnen geven van hoe de schilderkunst is geweest. Het gaat hier wel om gebruiksvoorwerpen. Het aardewerk werd zelden gemaakt om mooi neer te zetten. Het werd gebruikt voor olie, wijn, of water.


  • Lèkythos = vaas voor olie


  • Amfora = vat voor wijn

  • Hydria = waterkruik

  • Kylix = drinkschaal

  • Kratèr = mengvat



Foto’s: Drie voorbeelden van Amfora, een vat voor wijn

Het waren niet altijd kunstenaars, maar vooral ambachtslieden die vazen maakten. Zij kwamen tot een hoog niveau.


Het bakken van de klei

Nadat de onzuiverheden uit de klei waren gehaald, vormde de pottenbakker de vaas op de pottenbakkersschijf. De handvatten en de voet werden er apart aan gezet. Daarna moest de vaas eerst een tijd drogen totdat de klei leerhard was geworden. Tijdens het droogproces werd de vaas bijgewerkt met verschillende scherpe instrumenten om een mooiere vorm te krijgen. Bovendien werd het oppervlak gepolijst door met een vochtige doek of spons de pot glad te wrijven. Vervolgens kon de vaasschilder aan het werk gaan. Hij was dus de tweede ambachtsman, die er aan te pas kwam.

Een speciaal bakprocédé leidde er toe, dat bepaalde gedeelten rood- of zwart werden. De bloeiperiode was van 1000-400 v.C.
Beschilderen

Men schilderde niet met gewone verf, maar met een geconcentreerde, dunne kleipap. Deze kleipap was vrijwel dezelfde kleur als de klei waarvan de vaas was gemaakt. Voor het schilderen maakte de vaasschilder eerst met een bot voorwerp een schets van de voorstelling op de vaas.

Er zijn twee verschillende stijlen binnen de Griekse vaasschilderkunst: zwartfigurig aardewerk en roodfigurig aardewerk.
De zwartfigurige techniek is het oudste. Deze techniek is rond 700 v.Chr. uitgevonden in Corinthe en werd ongeveer 630 v.Chr. door de Atheense vaasschilders overgenomen. Zij gebruikten deze techniek tot circa 470 v.Chr.

De roodfigurige techniek is echter omstreeks 530 v.Chr. uitgevonden door de Atheners. Langzamerhand verdrong het roodfigurige aardewerk het zwartfigurige. Het bleef in Athene in gebruik tot in de tweede helft van de 4e eeuw v.Chr.


De zwartfigurige techniek

Hierbij werden de figuren met de kleiverf op de achtergrond geschilderd. De details, zoals ogen, kledingplooien en spieren, kraste men met een scherp voorwerp in. Wat beschilderd was, werd tijdens het bakken zwart, de onbeschilderde achtergrond werd rood. Eventueel konden de figuren nog levendiger worden gemaakt met witte verf.


De roodfigurige techniek

Hierbij werkten de vaasschilders precies andersom. De figuren werden uitgespaard en de achtergrond werd beschilderd. De schilders konden de details in de figuren aanbrengen met zeer fijne penseeltjes, waardoor ze veel fijner konden werken dan door inkrassingen. Na het bakken waren de figuren dan rood en de details en de achtergrond zwart.





Links: vaas met zwart-figurige techniek. De paarden zijn zwart, de achtergrond is licht rood. De figuren zijn met kleiverf op de rode achtergrond geschilderd.

Rechts: vaas met roodfigurige techniek. De ruiter te paard is uitgespaard, waardoor deze rood te voorschijn komt, tegen een zwarte beschilderde achtergrond

Indeling in tijdperken

1. De geometrische fase.(1100-700 v.C.)

De werken uit die tijd zijn versierd met geometrische (=meetkundige) patronen: drie- of vierhoeken, concentrische cirkels, etc. Rond 800 v.C. komen daar gestileerde mens- en dierfiguren bij, tussen de patronen door, soms moeilijk herkenbaar als wezen. (►Gestileerd wil zeggen dat lichaamsvormen sterk vereenvoudigd zijn.◄)

Een mooi voorbeeld van deze stijl is de Dipylonvaas, (genoemd naar de vindplaats Dipylon: een Atheense begraafplaats.) Het was dan ook een grafmonument. (Je kunt het vergelijken met een grafsteen bij ons).

In de bodem van deze vaas zitten gaten waardoor het vocht van een plengoffer door kon dringen in de bodem waar de dode begraven lag. Dit alleen ter nagedachtenis aan de overledene.


Het is een kratèr, enorm groot, wel 108cm hoog. Hierop zien we een dode, liggend op een baar, met aan weerszijden rouwende figuren. Hoe uitten de Grieken hun rouw, als iemand gestorven was? Dat vertelt deze vaas ons: men hield de handen op het hoofd met de ellebogen zo ver mogelijk uitgespreid op zij. Kijk maar eens!
Tussen 725 en 650 komen er oosterse motieven bij: spiralen, ineengestrengelde banden, rozetten enz. Zelfs dieren en mensenfiguren.


Foto links: De Dipylon vaas in zijn geheel met meetkundige versieringen. Foto rechts: sterke vergroting van een detail. Je ziet de dode op een baar liggen. Uiterst links (en ook rechts) zie je een lange rij rouwende figuren. De handen rusten op het hoofd als teken van rouw. Er is nog geen sprake van ruimtelijkheid (de figuren zijn “plat”), nog geen stoffelijkheid (eventuele kleding is niet apart zichtbaar), nog geen individualiteit (de figuren zijn allemaal gelijk) en nog geen juiste verhoudingen (bijv. hebben ze onwaarschijnlijk slanke tailles → “wespentailles”.)

2. Oriëntaliserende periode (oriënt = oosten) ca. 700-600 v. Chr.
Door de handelsbetrekkingen met het Nabije Oosten kwamen niet alleen oosterse voorwerpen, maar ook ambachtslieden naar Griekenland. Vele ideeën, technieken en voorstellingen (o.a. dieren!) die in het oosten en Egypte gangbaar waren, werden door de Grieken overgenomen en leidden tot de zogenaamde Oriëntaliserende periode.
Corinthe was in deze periode het belangrijkste centrum van handel en nijverheid. Het Korinthische aardewerk is in de gebieden rond de gehele Middellandse Zee in grote aantallen opgegraven. Pas in het tweede kwart van de 6de eeuw v. Chr. zou Athene deze rol overnemen.


Links: Amfora vaas uit Eleusis, 675 v.C. Rechts de zgn. “François vaas”, (genoemd naar de vinder). Het is een kratèr vaas uit 575 v.C. We zien nu allerlei mythologische verhalen maar ook het dagelijkse leven van de Grieken en sporten! Vaak staan de namen van kunstenaars er op vermeld. Zoals: “Ergotimus heeft mij gemaakt”, en “Klitias heeft mij beschilderd”. Dit staat op de François-vaas, (=rechter vaas). Beide vazen in oriëntaliserende stijl, dus met oosterse invloeden. Let vooral op de vele typische dierfiguren!

3. De Archaïsche fase (600- 480 v.C.)


Eerst is er de zwartfigurige stijl . Dit valt in de archaïsche tijd! Athene wordt het centrum van keramische kunst.

Op vazen van rode klei gemaakt, worden met zwarte vernis figuren aangebracht.

Er staan acht taferelen op met ong. 250 personen en 128 inscripties. Er staan allerlei mythologische scènes op. Hij is 66 cm en gebruikt als mengvat. De figuren zijn allemaal “en profil” weergegeven en dat zou nog lange tijd zo blijven.




Chigi Vaas, Corintisch 640 v.C. in archaïsche stijl. We herkennen direct kenmerken van de gewone archaïsche beelden, zoals de wat stijve-, bijna Egyptisch aandoende lichaamshoudingen

4. Klassieke periode: 480-323 v.C.


Hoogtepunt van de vaasschilderkunst. Deze munt uit door sierlijkheid.

  • We zien uitvoerige mythologische voorstellingen.

  • De figuren hebben nu ook driekwart-aanzicht, dus met perspectivische verkortingen. Van opzij wordt alleen de ooghoek weergegeven; niet meer het hele oog!




Links: Klokvormige kratèr, ca. 330 v.C. Rechts: Atheense pyxis-vaas, ca. 470 v.C. We herkennen weer trekjes van de “gewone” klassieke beelden, zoals de contraposto-houding en de sierlijke gewaden met mooie plooien!! Er is nu werkelijk sprake van ruimtelijkheid, stoffelijkheid (gewaden), individualiteit (elk gezicht is anders) en juiste verhoudingen.

Hellenistische periode: vanaf 400 v.C.

Maar het rare is dat rond de 4e eeuw v.C. ineens de potten vrijwel ongedecoreerd worden; vaasschilderkunst houdt op te bestaan! De mensen geven de voorkeur aan ongedecoreerde vazen, of met heel eenvoudige lijnen. Dat is opvallend, want we herinneren ons nog wel dat de gewone Griekse beelden uit de hellenistische periode juist zo overdadig waren met overdreven lichaamsvormen, enorme plooien in de gewaden en uiting van veel gevoel, emotie.




Griekse vazen uit de hellenistische periode: onversierd, alleen met wat groeven rondom!



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina