Grondontginning en ontwikkelingen in het landschap rond Amsterdam in de 17de en 18de eeuw



Dovnload 13.32 Kb.
Datum22.07.2016
Grootte13.32 Kb.
Grondontginning en ontwikkelingen in het landschap rond Amsterdam in de 17de en 18de eeuw.
Net zoals enige jaren geleden, toen ik als bestuurslid van de Stichting Amsterdamse Keurtuinen werd gevraagd om te spreken over de relatie tussen de Amsterdamse stadshuizen en buitenplaatsen, is deze speech, net als toen, aftastend en verkennend. De reden is dat er over de 17de- en 18de-eeuwse landschappelijke ontwikkelingen in relatie met de opkomst van de hofstede- en buitenplaatsencultuur rond Amsterdam, bij mijn weten weinig tot geen onderzoek is verricht. Het ontbreekt ons aan een afgeronde visie op grond van welke mix van economisch-historische-, sociaalgeografische- en misschien ook wel ontspanningsmotieven de buitenplaatscultuur in onze gebieden is ontstaan. We weten niet eens hoeveel buitenplaatsen en hofstedes er nu precies zijn geweest.

Dit gebrek aan kennis is op zichzelf opmerkelijk als men bedenkt dat grondwinning en grondbezit in deze streken eeuwenlang is gezien als een solide en zekere investeringsvorm en Amsterdammers in die eeuwen aanzienlijke grootgrondbezitters zijn geweest. Deze investeringsvorm leidde ook in hoge mate tot de vorming van ons cultuurlandschap. Het onderzoek naar grondbezit en buitenplaatsen is door meerdere historische disciplines stiefmoederlijk behandeld, terwijl het hebben van grond en landerijen toch tamelijk bepalende gedragsfactoren zijn. Los hiervan is er weinig tot geen onderzoek verricht naar de wijze waarop eigenaren buitenplaatsen gebruikten bij het spel van stand en status of en welke rol grondbezit hierin speelde? De 17de en 18de eeuw kenmerkt zich ook als een tijd waarin iedereen zich uitermate standsbewust was. De hofstede en later de buitenplaats moet in dat spel zeker een rol hebben gespeeld, maar welke?

Hoe het cultuurlandschap zich ontwikkelde en welke rol de buitenplaatsen hierin hebben gespeeld, is dus nauwelijks onderzocht. In land investeren was populair en tot op zekere hoogte veilig, zeker ook als men bedenkt dat er in die tijd niet veel veilige investeringsmogelijkheden waren. Men investeerde in huizenbezit, soms in edelstenen, goud en zilver, kunst, naturalia en rariteiten uit verre landen maar ook in de meer risicovolle maar toch ook zeer profijtelijke internationale scheepvaart en handel. Dat men investeringsmogelijkheden zocht voor het door handel verworven vrije kapitaal, bewijzen de landontginningen achter de duinen, in heidegebieden en de droogmakerijen van de talrijke meren in Noord-Holland. Ik kom hier later op terug.

Deze voordracht heeft betrekking op enige aspecten van de landschappelijke ontwikkelingen in de 17de en 18de eeuw in de metropool Amsterdam, want een metropool was deze stad zeker in die tijd. Ik haast mij hierbij te melden dat historicus Bas Dudok van Heel, die al jaren onderzoek doet naar de geschiedenis van het Amsterdams patriciaat, mij ooit vertelde dat Amsterdammers al in de 14de en 15de eeuw grootgrondbezitters waren ondermeer in West-Brabant. In die tijd was ook het begrip herenkamer al bekend. Bovendien is mij gebleken dat deze stedelingen in de 17de en de 18de eeuw ook veel huizen bezaten in kleinere Hollandse steden zoals Monnickendam, Edam maar ook in Beverwijk en De Rijp. Dit laatste is ook te zien op een aan dit themajaar gerelateerde expositie in Museum Kennemerland te Beverwijk. Daar hangt een stadsplattegrond waarop alle huizen van Amsterdammers in rood zijn ingekleurd. Dat aantal blijkt fors. Afgaande op een boekhouding die ik ooit inzag van een aan het einde van de 18de eeuw gefailleerde Van Deutz van Assendelft, die in den lande veel landerijen en huizen bezat, kan gedetailleerd en uitgebreid onderzoek naar het Amsterdamse huizen- en grondbezit in de wijde regio rond de hoofdstad een bijzonder licht werpen op aspecten die met de landschappelijke ontwikkeling samenhangen. Los hiervan is het interessant meer te weten te komen over de machtsverhoudingen in onze kustprovincies tussen de grootgrondbezittende stedelingen en lokale bestuurders. En hoe was de verhouding en samenwerking tussen vrije boeren en stedelijke buitenplaatseigenaren? In Het Gooi ontstonden bij de aanleg van buitenplaatsen vaak conflicten en rechtszaken tussen de boeren Erfgooiers en eigenaren van geplande buitenplaatsen.

Het grondbezit van Amsterdammers moet aanmerkelijk zijn geweest. Vanaf het begin van de 17de eeuw, mede als gevolg van de toenemende welvaart, groeide het Amsterdams belang in de Republiek aanmerkelijk. Grote delen van het Hollandse platteland zijn of komen in het bezit van Amsterdammers. Aerdenhout was vroeger niets meer dan een verzameling buitenplaatsen en landgoederen van voornamelijk Amsterdammers. Zij bezaten grote delen van een gebied dat liep vanaf de oevers van de Haarlemmermeer bij Heemstede, via Bloemendaal en Aerdenhout tot het gebied rond Beverwijk en Velsen, dat men destijds het Hollands Arcadië noemde. Ook in de streek die nu de Bollenstreek wordt genoemd, kwamen vele grote en kleine hofstedes en buitenplaatsen voor. Dit fenomeen ging door tot aan en in Wassenaar en Den Haag, waar de talrijke Hollandse regenten buitenplaatsen en stadshuizen bezaten vanwege hun Haagse besognes. Ook in Utrecht en het Gooi bezaten Amsterdammers vele buitenplaatsen en in de 19de eeuw komen ook in Gelderland, Zeeland en Brabant meerdere Amsterdamse bezittingen voor.

Mij valt op dat tijdens de 17de eeuw veel nieuwe buitenplaatsen ontstaan op plekken waar woeste grond aanwezig is of waar nieuwe grond net was ontgonnen. De lusthoven worden vaak aangelegd op strandwallen vlak achter de duinen, op oeverwallen van de vele (Noord-)Hollandse meren en waterwegen maar ook op magere veengrond, heide- en in drooggemalen moerasgebieden. Alle 17de-eeuwse landkaarten van Holland laten dit fenomeen zien. Naar mijn idee is er ook nog nauwelijks onderzoek verricht waarom men destijds de nieuwe gewonnen en inmiddels vruchtbaar gemaakte landbouwgronden in de vele polders en in ’s-Graveland toch na korte tijd omzette in buitenplaatsen met grote formele siertuinen en parken en waar enkel nog landbouw en veeteelt werd beoefende ten dienste van de stadse eigenaar en zijn gezin. Zo is bekend dat de ontginningen in het gebied dat de nieuwe naam ’s-Graveland kreeg, aanvankelijk helemaal niet bedoeld waren voor de aanleg van buitenplaatsen. Hier investeerden Amsterdammers in collectiefvorm om vruchtbare landbouwgrond te winnen uit het moerasrijke veengebied. Echter, binnen enige decennia werd deze gewonnen grond omgezet naar buitenplaatsen en werd er onderling druk gehandeld in de beschikbare kavels. Hierover ontstond trouwens geregeld ruzie. Zo noemde een eigenaar van een buitenplaats in ’s-Graveland zijn goed Rondom bedrogen en deze naam werd ook opgenomen in officiële landkaarten. De ruzie werd veroorzaakt doordat de eigenaar aan het kortste eindje had getrokken bij kavelverlotingen en zijn woede in de naamkeuze haast op eigentijdse wijze ventileerde.

Ik kom nog even terug op de opkomst en ontwikkeling van de zogenaamde herenkamers in talrijke boerderijen in de nieuw gewonnen gebieden. Bekend is dat veel pachtboeren tijdens de zomermaanden elders op de boerderij verbleven als de stadse eigenaar naar zijn buitenverblijf kwam. Kennelijk bevalt het buitenleven de stedelingen zo goed, dat de boer na verloop van tijd uit zijn pachtboerderij werd gezet, het akkerland of weilanden werden omgevormd in formele tuinen en veel landbouwgrond dus werd opgeofferd aan deze minder rendabele genoegens. Maar klopt deze veronderstelling?

Juist in de drooggemalen meren zoals de Zijpe, Heerhugowaard, de Watergraafsmeer, de Purmer, Schermer en Beemster is het fenomeen van herenkamers en hofstedes te volgen. Maar was dit omzetten naar hofstedes nu kapitaalbederf of was de transitie van landbouwgrond naar siertuin lucratiever dan wij denken? Deed men dit omdat het nieuwgewonnen land te weinig of minder opbracht dan men verwachtte? Wat leverde de op buitenplaatsen gekapte hakhout en bomen wel niet op? In de jaren veertig van de 17de eeuw nemen de grond- en pachtprijzen af en deze tendens zet zich in de loop van die eeuw voort. Houden deze prijsdalingen van pachten en grondprijzen verband met de aanleg van hofstedes? Waren hofstedes en de buitenplaatsen misschien gewoon betere investeringsvormen dan verpachte landbouwgrond? Het met winst verkopen gebeurde bijvoorbeeld op Kasteel Groeneveld te Baarn. Hier koopt Arent van der Waaijen in 1730 het dan nog niet volgroeide goed aan en vijf jaar later verkoopt hij dit voor een veel hoger bedrag.

Een goed onderzoek naar de landaanwinnningsprojecten in het Hollands Noorderkwartier tussen 1597 en 1643 is verricht door Han van Zwet, die hierop in 2009 promoveerde. Fascinerend is zijn verhaal over de wijze waarop met name Amsterdammers de vele meren in het noordelijk-oostelijk deel van de huidige provincie Noord-Holland beschrijft en hoe de eigenaren met de nieuwgewonnen gebieden omgaan. Overigens blijkt uit zijn onderzoek dat het niet louter Amsterdamse kooplieden waren die in droogmakerijen beleggen. Ook edelen of riddermatigen en Haagse bestuurders worden destijds uitdrukkelijk verzocht om in de droogmakerijen mee te investeren waarbij de meren in zogenaamde waterkavels vooraf en naar rato van inleg worden verdeeld. De filosofie die hierachter schuil ging is de redenatie dat belanghebbenden in de landsregering en onder de adel makkelijker vergunningen of octrooien afgeven. Er zijn in het onderzoek naar de wijze waarop ons Hollands landschap zich ontwikkelde nog vele vragen onbeantwoord, waardoor de vorm van ons huidige landschap, de loop van waterwegen en de ligging van bebouwingen nog onvoldoende verklaard zijn. Dat veel landschap in onze streken schatplichtig is aan vroegere buitenplaatsen mag duidelijk zijn.

Ook de natuurlijke verbintenis die Amsterdam met het omringende landelijk gebied had, bevat nog veel materiaal voor nader onderzoek. Mogelijk dat het onderwerp buitenplaats aanleiding is voor nieuwe wetenschappelijke onderzoekers voor meer en beter te gaan onderzoeken.

Dank u wel.

René W.Chr. Dessing


Voorzitter Stichting Themajaar Historische Buitenplaatsen 2012

Herenweg 9

2105 MB  HEEMSTEDE

www.buitenplaatsen2012.nl



voorzitter@buitenplaatsen2012.nl



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina