Grondwet voor het Koningrijk der Nederlanden 1840 eerste hoofdstuk



Dovnload 110.63 Kb.
Pagina1/4
Datum22.07.2016
Grootte110.63 Kb.
  1   2   3   4

Grondwet voor het Koningrijk der Nederlanden 1840

EERSTE HOOFDSTUK


Van het Rijk en deszelfs Inwoners

Artikel 1.

Het Koningrijk der Nederlanden bestaat uit de volgende Provinciën: Noord-Braband, Gelderland, Zuid-Holland, Noord-Holland, Zeeland, Utrecht, Vriesland, Overijssel, Groningen en Drenthe, mitsgaders het Hertogdom Limburg, behoudens de betrekkingen van dat Hertogdom, met uitzondering der vestingen Maastricht en Venlo, en van derzelver kringen, tot het Duitsche Verbond.

Artikel 2.

De Provinciën van Noord-Braband, Gelderland, Zuid-Holland, Noord-Holland, Zeeland, Utrecht, Vriesland, Overijssel, Groningen en Drenthe, behouden hare tegenwoordige grenzen.
Het Hertogdom Limburg bestaat uit dat gedeelte der voormalige Provincie van dien naam, hetwelk bij de tractaten van den 19den April 1839, daarvan niet is afgescheiden.

Artikel 3.

De meer juiste bepalingen, welke nader omtrent de grensscheidingen der Provinciën onderling mogten noodig en dienstig worden geoordeeld, zullen bij eene wet worden geregeld, met inachtneming, zoo wel van de belangen der ingezetenen als van het gerijf der algemeene administratie.

Artikel 4

Allen die zich op het grondgebied van het Rijk bevinden, hetzij ingezetenen of vreemdelingen, hebben gelijke aanspraak op bescherming van persoon en goederen.

Artikel 5.

De oefening der burgerlijke regten wordt bij de wet bepaald.

Artikel 6.

De oefening van het stemregt in de steden en ten platten lande, zoo wel als de bevoegdheid om deel te nemen aan de provinciale en plaatselijke besturen, wordt bij de wet geregeld.

Artikel 7.

Tot leden der Staten-Generaal, Hoofden of leden van de Departementen van Algemeen Bestuur, leden van den Raad van State, Commissarissen des Konings in de Provinciën, en leden van den Hoogen Raad, kunnen alleenlijk benoemd worden Nederlandsche ingezetenen, geboren binnen het Rijk of deszelfs buitenlandsche bezittingen, uit ouders aldaar gevestigd.
Die uit zoodanige ouders, ter oorzake van 's Lands dienst afwezend, of anderzins op reis zijnde, buiten het Rijk geboren zijn, worden met de vorigen gelijk gesteld.

Artikel 8.

Tot alle andere bedieningen zijn al de ingezetenen, zonder onderscheid, benoembaar, welke geboren Nederlanders zijn, of het zij door wet-duiding, het zij door naturalisatie daarvoor gehouden worden.

Artikel 9.

Gedurende een jaar na de invoering dezer Grondwet, staat het den Koning vrij, aan personen buiten 's lands geboren, doch binnen het Rijk gevestigd, het volle regt van inboorlingschap en de verkiesbaarheid tot alle ambten, zonder onderscheid, te vergunnen.

Artikel 10.

Ieder is, zonder onderscheid van rang en geboorte, tot alle ambten en bedieningen benoembaar, behoudens hetgeen betrekkelijk de zamenstelling der provinciale Staten bij het vierde hoofdstuk is bepaald.

TWEEDE HOOFDSTUK.


Van den Koning .

Eerste Afdeeling.


Van de troonopvolging.

Artikel 11.

De Kroon der Nederlanden is en blijft opgedragen aan Zijne Majesteit Willem Frederik, Prins van Oranje-Nassau, om door Hem en Zijne wettige nakomelingen te worden bezeten erfelijk, overeenkomstig de navolgende bepalingen.

Artikel 12.

De wettige nakomelingen van den regerenden Koning, zijn de kinderen reeds geboren, of die nog mogten geboren worden, uit zijn tegenwoordig huwelijk met Hare Majesteit Frederika Louisa Wilhelmina Prinses van Pruissen; en voorts in het algemeen alle afstammelingen, welke geboren zullen worden uit een huwelijk door den Koning, met gemeen overleg der Staten-Generaal aangegaan, of toegestemd.

Artikel 13.

De Kroon gaat over bij regt van eerstgeboorte, des dat de oudste zoon van den Koning, of wel het mannelijk oir van den oudsten zoon, bij representatie opvolgt.

Artikel 14.

Bij ontstentenis van mannelijk oir uit den oudsten zoon gesproten, gaat de Kroon over aan diens broeders of hun mannelijk oir, insgelijks bij regt van eerstgeboorte en representatie.

Artikel 15.

Bij geheele ontstentenis van mannelijk oir uit het huis van Oranje-Nassau, gaat de Kroon over op de dochters van den Koning, bij regt van eerstgeboorte.

Artikel 16.

Ook dochters van den Koning ontbrekende, brengt de oudste dochter van de oudste nedergaande mannelijke lijn uit den laatsten Koning, de Koninklijke waardigheid in haar Huis over, en wordt bij vooroverlijden door hare afstammelingen gerepresenteerd.

Artikel 17.

Zoo er geene mannelijke nedergaande lijn uit den laatsten Koning bestaat, erft de oudste nedergaande vrouwelijke lijn, des dat de mannelijke tak voor de vrouwelijke tak, en de oudste voor de jongere, en in iedere tak mannen voor vrouwen, en ouder voor jonger den voorrang hebben.

Artikel 18.

Wanneer de Koning zonder nakomelingschap sterft, en er geen mannelijk oir uit het huis van Oranje-Nassau overig is, volgt hem zijne naaste bloedverwante, mits van den Koninklijken Huize zijnde, op, en wordt mede bij vooroverlijden, door hare afstammelingen gerepresenteerd.

Artikel 19.

Wanneer eene vrouw de Kroon in een ander Huis heeft overgebragt, treedt dit Huis in alle de regten van het oorspronkelijke Stamhuis, en de vorige artikelen zijn op hetzelve toepasselijk, met dat gevolg, dat haar mannelijk oir voor alle vrouwen of vrouwelijke afstammelingen erft, en geene andere lijn geroepen wordt, zoolang iemand van hare nakomelingen in leven is.

Artikel 20.

Eene Prinses, buiten toestemming der Staten-Generaal, een huwelijk hebbende aangegaan, heeft geen regt tot de Kroon.
Eene Koningin, buiten die toestemming een huwelijk aangaande, doet afstand van de Kroon.

Artikel 21.

Bij ontstentenis van nakomelingschap uit den tegenwoordigen Koning WILLEM FREDERIK VAN ORANJE- NASSAU, gaat de Kroon over aan deszelfs zuster, Prinses FREDERIKA LOUISA WILHELMINA VAN ORANJE, Douairiere van wijlen CAREL GEORGE AUGUST, Erfprins van Brunswijk-Lunenburg, of hare wettige nakomelingen, uit zoodanig nader huwelijk, als door dezelve, overeenkomstig Artikel 12, mogt worden aangegaan.

Artikel 22.

Indien ook de wettige nakomelingschap van deze Vorstin ontbreekt, gaat het erfregt over op het wettig mannelijk oir van Prinses CAROLINA VAN ORANJE, zuster van wijlen Prins WILLEM DEN VIJFDEN, en Gemalin van wijlen den Prins van Nassau-Weilburg, insgelijks bij regt van eerstgeboorte en representatie.

Artikel 23.

Wanneer bijzondere omstandigheden eenige verandering in de opvolging van den Troon mogten noodzakelijk maken, is de Koning bevoegd, daaromtrent eene voordragt te doen aan de Staten-Generaal in eene vereenigde zitting van de beide Kamers. In dat geval wordt de Tweede Kamer opgeroepen in dubbelen getale.

Artikel 24.

In geval er geen bevoegde Troonopvolger volgens deze Grondwet mogt bestaan, draagt de Koning aan de Staten-Generaal, vergaderd en zamengesteld in voege als bij het vorig artikel is aangewezen, eenen opvolger voor.

Artikel 25.

De Staten-Generaal deze voordragt hebbende goedgekeurd, brengt de Koning dien opvolger ter kennis van den Volke, op de wijze waarop de wetten worden afgekondigd, en doet denzelven plegtiglijk uitroepen.

Artikel 26.

Indien zulk een opvolger niet mogt benoemd zijn voor het overlijden van den Koning, zullen de Staten-Generaal, vergaderd en zamengesteld als bij Artikel 23, eenen opvolger benoemen en plegtiglijk uitroepen.

Artikel 27.

In de gevallen, bij Artikel 21, 22, 23, 24 en 26 omschreven, wordt de Troonopvolging geregeld naar de bepalingen van Artikel 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18 en 19.

Artikel 28.

De Koning der Nederlanden kan geene vreemde Kroon dragen.
In geen geval kan de zetel van de Regering buiten het Rijk worden verplaatst.

Tweede Afdeeling.


Van het inkomen der Kroon.

Artikel 29.

De Koning geniet uit 's lands kas, een jaarlijksch inkomen van f 1 500 000.

Artikel 30.

Bij de wet kan worden bepaald, dat aan den tegenwoordigen Koning WILLEM FREDERIK van Oranje-Nassau, des verkiezende, tot gedeeltelijke voldoening van het gemelde jaarlijksch inkomen, in vollen eigendom als patrimonieel goed zullen worden overgegeven zoo veel domeinen, als een zuiver inkomen van vijf tonnen gouds opbrengen.

Artikel 31.

Den Koning worden tot Deszelfs gebruik, zomer en winterverblijven in gereedheid gebragt. voor welker onderhoud echter niet meer dan f 50 000 jaarlijks ten laste van den Lande kunnen worden gebragt.

Artikel 32.

De Koning, mitsgaders de Prinsen en Prinsessen van zijn Huis, zijn vrij van alle personele lasten en beschreven middelen, met uitzondering van de verponding. De gebouwen tot hunne woning of gebruik bestemd, zijn van de verponding ontheven.
Geen vrijdom van eenige andere belasting wordt door hen genoten.

Artikel 33.

De Koning richt zijn Huis naar eigen goedvinden in.

Artikel 34.

Eene Koningin-Weduwe geniet, gedurende haren weduwlijken staat, uit 's Lands kas, een jaarlijksch inkomen van f 150 000.

Artikel 35.

De oudste van des Konings zonen, of verdere mannelijke nakomelingen, die de vermoedelijke erfgenaam is van de Kroon, is des Konings eerste onderdaan, en voert den titel van Prins van Oranje.

Artikel 36.

De Prins van Oranje geniet als zoodanig uit 's Lands kas een jaarlijksch inkomen van f 100 000, te rekenen van den tijd dat hij den ouderdom van achttien jaren zal hebben vervuld; dit inkomen wordt gebragt op f 200 000 na het voltrekken van een huwelijk, overeenkomstig artikel 12, dezer Grondwet.

Derde Afdeeling.


Van de voogdij des Konings.

Artikel 37.

De Koning is meerderjarig als zijn achttiende jaar vervuld is.

Artikel 38.

In gevalle van minderjarigheid staat de Koning onder de voogdij van eenige leden van het Koninklijk Huis, en eenige aanzienlijke inboorlingen van het Rijk.

Artikel 39.

Deze voogdij wordt vooraf beraamd door den regerenden Koning en de Staten-Generaal, in eene vereenigde zitting der beide Kamers.

Artikel 40.

Indien de schikking, betreffende de voogdij, niet mogt gemaakt zijn voor het overlijden van den regerenden Koning, wordt daarin door de Staten-Generaal in eene vereenigde zitting der beide Kamers voorzien, met overleg, zoo veel mogelijk, van eenige der naaste bloedverwanten van den minderjarigen Koning.

Artikel 41.

Alvorens de voogdij te aanvaarden, legt elk der voogden in eene vereenigde zitting der beide Kamers van de Staten-Generaal, in handen van den President af den volgenden eed:
"Ik zweer trouw aan den Koning, en dat ik wijders al de pligten, welke de voogdij mij oplegt, heiliglijk zal vervullen, en mij bijzonderlijk zal toeleggen, om den Koning gehechtheid aan de Grondwet en liefde voor zijn Volk in te boezemen. Zoo waarlijk helpe mij God almagtig !"

Vierde Afdeeling.


Van het regentschap.

Artikel 42.

Gedurende de minderjarigheid van den Koning, wordt het Koninklijk gezag waargenomen door eenen Regent. Deze Regent wordt door den regerenden Koning en de Staten-Generaal in eene vereenigde zitting der beide Kamers te voren benoemd.
Op gelijke wijze kan worden vastgesteld de opvolging in het Regentschap, tot des Konings meerderjarigheid toe.

Artikel 43.

Wanneer bij het leven van den overleden Koning geene schikking omtrent het Regentschap is gemaakt wordt daarin door de Staten-Generaal, volgens de bepalingen in artikel 23 vergaderd en zamengesteld, voorzien.
In geval de opvolging in het Regentschap niet is geregeld, kan dezelve door den Regent en de Staten-Generaal alsvoren gezamenlijk worden beraamd.

Artikel 44.

De Regent legt in eene vereenigde zitting van de beide Kamers der Staten-Generaal, in handen van den Voorzitter den navolgenden eed af :
"Ik zweer trouw aan den Koning; dat ik voorts in de waarneming van het Koninklijk gezag, zoo lange de Koning minderjarig is (zoo lange de Koning buiten staat blijft de regering waar te nemen), de Grondwet van het Rijk steeds zal onderhouden en handbaven, en dat ik daarvan bij geene gelegenheid, of onder geen voorwendsel hoegenaamd, zal afwijken of gedoogen dat daarvan afgeweken worde.
Ik zweer wijders, dat ik de onafhankelijkheid van het Rijk, en de algeheele uitgestrektheid van deszelfs grondgebied, met al mijn vermogen zal verdedigen en bewaren; dat ik de algemeene en bijzondere vrijheid, en de regten van alle des Konings onderdanen, en van een ieder derzelven zal beschermen, en tot instandhouding en bevordering van de algemeene en bijzondere welvaart, alle middelen aanwenden, welke de wetten ter mijner beschikking stellen, gelijk een goed en getrouw Regent schuldig is en behoort te doen. Zoo waarlijk helpe mij God almagtig !"

Artikel 45.

Het Koninklijk gezag wordt mede waargenomen door een Regent, in geval de Koning buiten staat geraakt de regering waar te nemen.
Wanneer aan den Raad van State, zamengesteld uit de leden daarin gewone zitting hebbende, en de Hoofden der Ministeriële Departementen, na een naauwkeurig onderzoek gebleken is, dat zulk een geval bestaat, roept dezelve de Staten-Generaal, en wel de Tweede Kamer in dobbelen getale bijeen, ten einde daarin gedurende het bestaande beletsel te voorzien.

De leden der Staten-Generaal, die zich op den één-en-twintigsten dag na deze oproeping ter plaatse bevinden, waar de zetel van het Goevernement gevestigd is, openen de vergadering.

Artikel 46.

Indien er eenig toezigt op den persoon des Konings, die zich in de omstandigheden bij het vorig artikel bedoeld, bevindt, noodig is, wordt daarin voorzien naar de beginselen omtrent de voogdij van eenen minderjarigen Koning, bij artikel 38 en 40 bepaald.

Artikel 47.

Wanneer de Prins van Oranje in dat geval zijn achttiende jaar vervuld heeft, is Hij van regtswege Regent.

Artikel 48.

Wanneer de Prins van Oranje zijn achttiende jaar niet heeft vervuld, gelijk mede in de gevallen bij artikel 26 en 43 voorzien, wordt bet Koninklijk gezag uitgeoefend door den Raad van State, zamengesteld op dezelfde wijze als bij artikel 45, tot dat daaromtrent door de Staten-Generaal is voorzien.


De leden van dien Raad leggen in handen van den Voorzitter, en deze in tegenwoordigheid der vergadering af den navolgenden eed:

"Ik zweer, dat ik als lid (voorzitter) van den Raad van State, de Grondwet van het Rijk zal helpen onderhouden en handhaven, in de waarneming van het Koninklijk gezag, totdat daarin door de Staten-Generaal zal zijn voorzien. Zoo waarlij k helpe mij God almagtig!"

Artikel 49.

Bij de benoeming van den Regent wordt tevens bepaald de som, die op het jaarlijksch inkomen van de Kroon zal worden genomen, voor de kosten van het Regentschap. Deze bepaling kan gedurende het Regentschap niet worden veranderd.

Artikel 50.

Indien de Koning aan de Staten-Generaal geen troon-opvolger heeft voorgedragen (artikel 24) ; indien gezamenlijk met dezelven geene voogdij over den minderjarigen Koning is beraamd (artikel 39) ; indien er geen Regent is benoemd (artikel 42); verklaren de Staten-Generaal plegtiglijk welk geval bestaat, en voorzien daarin vervolgens op de gronden hiervoren gelegd bij artikel 26, 40 en 43.


Vijfde Afdeeling.


Van de inhuldiging des Konings.

Artikel 51.

De Koning wordt bij het aanvaarden der Regering plegtiglijk beëedigd en ingehuldigd binnen de stad Amsterdam. in eene openbare en vereenigde zitting der beide Kamers van de Staten-Generaal.

Artikel 52.

In deze openbare vergadering wordt aan den Koning de geheele Grondwet voorgelezen, en daarna door Denzelven de volgende eed afgelegd:
"Ik zweer aan het Nederlandsche Volk, dat ik de Grondwet des Rijks, steeds zal onderhouden en handhaven, en dat ik daarvan bij geene gelegenheid en onder geen voorwendsel hoegenaamd, zal afwijken of gedoogen dat daarvan afgeweken worde."
Ik zweer wijders, dat ik de onafhankelijkheid van het Rijk en de geheele uitgestrektheid van deszelfs grondgebied met al mijn vermogen zal verdedigen en bewaren; dat ik de algemeene en bijzondere vrijheid en de regten van alle mijne onderdanen en van ieder derzelven zal beschermen en beveiligen, en tot instandhouding en bevordering van de algemeene en bijzondere welvaart, alle middelen zal aanwenden,welke de wetten ter mijner beschikking stellen, zoo als een goed Koning schuldig is en behoort te doen.
Zoo waarlijk helpe mij God almagtig!"

Artikel 53.

Na het afleggen van den voormelden eed, wordt de Koning in dezelfde openbare vergadering ingehuldigd bij de Staten-Generaal, welker Voorzitter de volgende plegtige verklaring uitspreekt, die vervolgens door hem en elk der leden, hoofd voor hoofd beëedigd wordt:

"Wij zweren, in den naam van het Volk der Nederlanden, dat wij, krachtens de Grondwet van dezen Staat, U als Koning hulden en ontvangen; dat wij de regten Uwer Kroon zullen bewaren en onderhouden, U getrouw en gedienstig zullen zijn in de bescherming van Uwen persoon en van Uwe Koninklijke waardigheid; wij zweren voorts alles te zullen doen, wat goede en getrouwe Staten-Generaal schuldig zijn en behooren te doen.


Zoo waarlijk helpe ons God almagtig!"

Artikel 54.

Na dat deze beëediging en inhuldiging door den Koning zijn gebragt ter kennisse van de Staten der Provinciën, brengen deze aan Hem hunne hulde toe, in maniere als volgt:
"Wij zweren dat wij U, den wettigen Koning der Nederlanden, steeds gehouw en getrouw zullen zijn in de bescherming van Uwen persoon, en van Uwe Koninklijke waardigheid; dat wij achtervolgens de verpligtingen ons bij de Grondwet opgelegd, de bevelen door U, of van Uwentwege aan ons gegeven, zullen gehoorzamen; voorts alle Uwe dienaren en raden in de nakoming van dezelve zullen helpen en bijstaan, en wijders alles zullen doen wat getrouwe onderdanen schaldig zijn en behooren te doen.
Zoo waarlijk helpe ons God almagtig!" De Staten der Provinciën brengen deze schriftelijke verklaring aan den Koning over, door eene plegtige bezending van eenige leden uit hun midden.

Zesde Afdeeling.


Van de macht des Konings.

Artikel 55.

De Koning heeft het bestuur der buitenlandsche betrekkingen. Hij benoemt en herroept de Gezanten en Consuls.

Artikel 56.

De Koning verklaart oorlog en maakt vrede. Hij geeft daarvan kennis aan de beide Kamers der Staten-Generaal, met bijvoeging van de openingen, welke Hij met het belang en de zekerheid van het Rijk bestaanbaar oordeelt.

Artikel 57.

Insgelijks wordt aan den Koning opgedragen het regt om alle andere verbonden en verdragen te doen sluiten en te bekrachtigen.
Hij geeft daarvan kennis aan de beide Kamers der Staten-Generaal, zoodra Hij oordeelt dat het belang en de zekerheid van het Rijk zulks zal toelaten.
In gevalle de verbonden en verdragen, in tijd van vrede gesloten, mogten inhouden eenigen afstand of ruiling van een gedeelte van het grondgebied des Rijks of van deszelfs bezittingen in andere werelddeelen, worden dezelve door den Koning niet bekrachtigd, dan na dat de Staten-Generaal op dezelve hunne goedkeuring hebben gegeven.

Artikel 58.

De Koning heeft het oppergezag over de vloten en legers. De militaire officieren worden door Hem benoemden ontslagen, of, daartoe termen zijnde, op pensioen gesteld.

Artikel 59.

De Koning heeft bij uitsluiting het opperbestuur over de volkplantingen en bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen.
Aan de Staten-Generaal zullen in den aanvang van elke gewone zitting worden medegedeeld de laatst ingekomene staten van ontvangsten en uitgaven van opgemelde volkplantingen en bezittingen.
Het gebruik van het batig slot, beschikbaar ten behoeve van het moederland, wordt bij de wet geregeld.

Artikel 60.

De Koning heeft het opperbestuur van de algemeene geldmiddelen. Hij regelt de bezoldiging van alle kollegiën en ambtenaren die uit 's Lands kas betaald worden, en brengt dezelve op de begrooting der staatsbehoeften. De bezoldiging der ambtenaren van de regterlijke magt wordt door de wet geregeld.

Artikel 61.

De Koning heeft het recht van de munt. Hij vermag zijne beeltenis op de muntspeciën te doen stellen.

Artikel 62.

De Koning verheft in den adelstand; al wie door den Koning in den adelstand verheven wordt, brengt de brieven van adeldom ter kennis van de Staten zijner Provincie, en deelt aanstonds in al de voorregten daaraan verbonden, bijzonderlijk in de bevoegdheid om beschreven te worden in de ridderschap, mits voldoende aan de vereischten voor dezelve bepaald.

Artikel 63.

Ridderorden worden door eene wet, op het voorstel des Konings, ingesteld.

Artikel 64.

Vreemde orden, waaraan geene verpligtingen verbanden zijn, mogen worden aangenomen door den Koning en met zijne toestemming door de Prinsen van zijn Huis.
In geen geval mogen de overige onderdanen des Konings vreemde orden aannemen, zonder deszelfs bijzonder verlof.

Artikel 65.

Insgelijks wordt tot het aannemen van vreemde titels, waardigheden en charges, het bijzonder verlof van den Koning vereischt.
Het is in het vervolg geen Nederlander geoorloofd vreemden adeldom aan te nemen.

Artikel 66

De Koning heeft het regt van gratie, na ingenomen advies van den Hoogen Raad der Nederlanden.

Artikel 67.

Behalve de gevallen waarin het regt van dispensatie aan den Koning bij de wet zelve wordt toegekend, verleent dezelve ook, wanneer de Staten-Generaal niet vergaderd zijn, en de zaken niet gevoegelijk uitstel kunnen lijden, na den Raad van State gehoord te hebben, dispensatiën op bepaalde verzoeken van bijzondere personen, wier belangen, na ingenomen advies van den Hoogen Raad, in materie van justitie, en na behoorlijk onderzoek der zaken bij de overige Departementen van Algemeen Bestuur, welke zulks aangaat, gebleken zijn zoodanige vrijstelling van wettelijke bepalingen in billijkheid te vereischen.

Bij de eerstvolgende vergadering der Staten-Generaal, wordt door den Koning opening gegeven van alle de dispensatiën door Hem alzoo verleend.

Artikel 68.

De Koning beslist alle geschillen, welke tusschen twee of meer Provinciën zouden mogen ontstaan, wanneer Hij dezelve in der minne niet kan bijleggen.

Artikel 69.

De Koning draagt aan de Staten-Generaal wetten voor, en doet zoodanige andere voorstellen, als Hij noodig oordeelt.


Hij heeft het regt om de voordragten, aan Hem door de Staten-Generaal gedaan, alof niet goed te keuren.

Zevende Afdeeling.


Van den Raad van State en de Ministeriële departementen.

Artikel 70.

Er is een Raad van State.
De Koning benoemt deszelfs leden, ten getale van niet meer dan twaalf, zoo veel mogelijk uit de verschillende Provinciën van het Rijk. Hij ontslaat dezelven naar welgevallen.
De Koning zelf is Voorzitter van den Raad; zulks noodig oordeelende, stelt Hij eenen Secretaris van Staat, Vice-President aan.

Artikel 71.

De Prins van Oranje is van regtswege lid van den Raad van State, en neemt zitting in denzelven wanneer zijn achttiende jaar vervuld is.
Het staat aan den Koning vrij de Prinsen van den Huize, die tot meerderjarigheid gekomen zijn, zitting in den Raad van State te verleenen.
Het getal der gewone leden, ondergaat daardoor geene vermindering.

Artikel 72.

De Koning brengt ter overweging bij den Raad van State alle voorstellen door Hem aan de Staten-Generaal te doen, of door dezen aan Hem gedaan, alsmede alle algemeene maatregelen van inwendig bestuur van den Staat en van deszelfs bezittingen in andere werelddeelen.
Aan het hoofd der uit te vaardigen wetten en bevelen wordt melding gemaakt, dat de Raad van State deswege gehoord is.
De Koning neemt wijders de gedachten van den Raad van State in over alle zaken van algemeen of bijzonder belang, waarin Hij zulks noodig oordeelt.
De Koning alleen besluit, en geeft telkens van zijn genomen besluit kennis aan den Raad.

Artikel 73.

De Koning kan buitengewone Staatsraden benoemen; zij genieten geen tractement.
Hij roept dezelven in den Raad wanneer Hij zulks noodig oordeelt.

Artikel 74.

De Koning stelt Ministeriële Departementen in, benoemt denelver Hoofden, en ontslaat die naar welgevallen.
Hij roept, zulks geraden oordeelende, een of meer derzelven, tot bijwoning der deliberatiën in den Raad van State.

Artikel 75.

De hoofden der ministeriële departementen zijn verantwoordelijk voor alle daden door hen als zoodanig verrigt, of tot welker daarstelling of uitvoering zij zullen hebben medegewerkt, waardoor de grondwet of de wetten mogten geschonden of niet opgevolgd zijn.

Artikel 76.

Ten einde van deze medewerking te doen blijken, zullen alle Koninklijke besluiten en beschikkingen moeten voorzien zijn van de mede-onderteekening van het hoofd van het ministerieel departement waartoe dezelven behooren.

Artikel 77.

Over de aanklagten ter zake van deze verantwoordelijkheid, oordeelt de Hooge Raad der Nederlanden, naar de voorschriften der wet.

Artikel 78.

Onverminderd den verderen inhoud van den eed, welken de Koning goedvindt aan de Hoofden van Ministeriële Departementen en gewone of buitengewone Staatsraden voor te schrijven, wordt hun daarbij opgelegd getrouwheid aan de Grondwet te zweren.



  1   2   3   4


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina