Grondwet voor het Koningrijk der Nederlanden 1840 eerste hoofdstuk



Dovnload 110.63 Kb.
Pagina4/4
Datum22.07.2016
Grootte110.63 Kb.
1   2   3   4

VIJFDE HOOFDSTUK.


Van de Justitie.

Eerste Afdeeling.


Algemeene beschikkingen.

Artikel 160.

Er wordt alomme in de Nederlanden regt gesproken in naam en van wege den Koning.

Artikel 161.

Er zal worden ingevoerd een algemeen wetboek van burgerlijk regt, van koophandel, van lijfstraffelijk regt, van de zamenstelling der regterlijke magt, en van de manier van procederen.

Artikel 162.

Ieder ingezeten wordt gehandhaafd bij het vreedzaam bezit en genot zijner eigendommen. Niemand kan van eenig gedeelte derzelven worden ontzet, dan ten algemeenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet te bepalen, en tegen behoorlijke schadeloosstelling.

Artikel 163.

Alle twistgedingen over eigendom of daaruit voortspruitende regten, over schuldvordering of burgerlijke regten, behooren bij uitsluiting tot de kennis van de regterlijke magt.

Artikel 164.

De regterlijke magt wordt alleen geoefend door regtbanken, welke bij of ten gevolge dezer Grondwet worden ingesteld.

Artikel 165.

Niemand kan tegen zijnen wil worden afgetrokken van den regter, dien de wet hem toekent.

Artikel 166.

Behalve het geval, dat iemand op heeter daad wordt betrapt, mag niemand in hechtenis worden genomen, dan op een bevel van den regter, inhoudende de redenen der gedane aanhouding, en welk bevel bij, of onmiddellijk na de aanhouding moet beteekend worden aan den geen tegen wien hetzelve is gerigt.
De wet bepaalt den form van dit bevel en den tijd binnen welken alle aangeklaagden moeten worden verhoord.

Artikel 167.

Wanneer een ingezeten, in buitengewone omstandigheden, door het politiek gezag mogt worden gearresteerd, is hij, op wiens bevel zoodanige arrestatie plaats heeft gehad, gehouden daarvan terstond kennis te geven aan den plaatselijken regter, en hem voorts den gearresteerden binnen den tijd van drie dagen over te leveren.

De criminele regtbanken zijn verpligt, elk in haar ressort, te zorgen, dat zulks stiptelijk worde nagekomen.

Artikel 168.

Niemand mag in de woning van eenen ingezeten zijns ondanks treden, dan op last van eene magt, daartoe bij de wet bevoegd verklaard, en volgens de formen daarbij bepaald.

Artikel 169.

Op geene misdaad mag ten straf gesteld worden de verbeurdverklaring der goederen, den schuldigen toebehoorende.

Artikel 170.

In alle criminele vonnissen, ten laste van eenen beschuldigden gewezen moet de misdaad worden uitgedrukt en omschreven, met aanhaling van de artikelen der wet, waarop de uitspraak is gegrond.

Artikel 171.

Alle civiele vonnissen moeten de gronden inhouden, waarop dezelve zijn gewezen.

Artikel 172.

Alle vonnissen worden met opene deuren uitgesproken.


Tweede Afdeeling.


Van den Hoogen Raad, de Hoven en Regtbanken.

Artikel 173.

Er bestaat voor het geheele Rijk een opperste Geregtshof, onder den naam van Hoogen Raad der Nederlanden. Deszelfs leden worden, zoo veel mogelijk, uit alle de Provinciën genomen.

Artikel 174.

Van eene voorgevallen vacature wordt door den Hoogen Raad aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal kennis gegeven, die, ter vervulling van dezelve, eene nominatie van drie personen aan den Koning zal aanbieden, ten einde daaruit eene keuze te doen. De Koning benoemt den President uit de leden van den Hoogen Raad, en heeft de directe aanstelling van den Procureur-Generaal.

Artikel 175.

De leden van de Staten-Generaal, de Hoofden der Departementen van Algemeen Bestuur, de leden van den Raad van State, de Commissarissen van den Koning in de Provinciën, staan te regt voor den Hoogen Raad, wegens alle misdrijven, gedurende den tijd hunner functiën begaan. Wegens misdrijven in het uitoefenen van derzelver functiën begaan, worden zij nimmer in regten betrokken, dan nadat door de vergadering der Staten-Generaal daartoe uitdrukkelijk verlof is verleend.

Artikel 176.

Bij de wet wordt nader bepaald welke andere ambtenaren en leden van hooge kollegiën, wegens misdaden door hen gedurende den tijd hunner functiën begaan, voor den Hoogen Raad te regt staan.

Artikel 177.

De Hooge Raad oordeelt over alle actiën, waarin de Koning, de leden van het Koninklijk Huis, of den Staat als gedaagden worden aangesproken, met uitzondering der reële actiën, die voor den gewonen regter worden behandeld.

Artikel 178.

De Hooge Raad heeft het toezigt op den geregelden loop en de afdoening van regtsgedingen, mitsgaders op de nakoming der wetten bij alle hoven en regtbanken, en kan derzelver handelingen, dispositiën en vonnissen, daarmede strijdig, vernietigen en buiten effect stellen, volgens de bepaling door de wet daaromtrent te maken.

Artikel 179.

Aan den Hoogen Raad valt beroep van alle gewijsden, welke ter eerster instantie gediend hebben voor de provinciale hoven, naar de bepalingen hiervan bij de wet te maken.

Artikel 180.

In elke Provincie is een Geregtshof, ten ware bij de wet een hof over meer dan ééne Provincie mogt worden gesteld. Bij eene voorgevallene vacature wordt door de provinciale Staten eene nominatie van drie personen, ter vervulling van dezelve, den Koning aangeboden, ten einde daaruit de keuze te doen.

De Koning benoemt de Presidenten dier hoven uit de leden, en heeft de directe aanstelling van den Procareur-Generaal.

Artikel 181.

Het beleid der criminele justitie wordt bij uitsluiting aan de provinciale Hoven en Regtbanken, welker oprigting daartoe zal noodig worden bevonden, toebetrouwd.

Artikel 182.

De civiele justitie wordt uitgeoefend door de provinciale Geregtshoven en civiele Regtbanken.

Artikel 183.

De zamenstelling der provinciale Geregtshoven, der criminele en civiele Regtbanken, derzelver benaming, magt en regtsgebied, zoo wel als het gezag der Procureurs-Generaal, Hoofd-officieren en Baljuwen, wordt door de wet bepaald.

Artikel 184.

De leden en ministers van den Hoogen Raad de provinciale Geregtshoven, en criminele Regtbanken, benevens de Procureurs-Generaal en Hoofd-officieren bij dezelven, worden voor hun leven aangesteld.

De wet regelt den tijd der bediening van andere regters en regterlijke ambtenaren.
Geen regter mag gedurende den bepaalden tijd zijner bediening, van zijnen post worden ontslagen, dan op eigen verzoek of bij regterlijk vonnis.

Artikel 185.

De wet regelt de judicature wegens verschillen en overtredingen op het stuk van alle belastingen, zonder onderscheid.

Artikel 186.

Het krijgsvolk te water en te lande wordt wegens alle delicten door hen gepleegd, te regt gesteld voor Krijgsraden en een Hoog Militair Geregtshof, volgens de bepalingen bij de wet vast te stellen.
Dit Geregtshof zal uit een gelijk getal regtsgeleerden, Zee-Officieren en Land-Officieren bestaan, die voor hun leven door den Koning worden benoemd.
De President zal altijd een regtsgeleerde zijn.

Artikel 187.

Het krijgsvolk te water en te lande, is, met betrekking tot alle civiele zaken, aan den burgerlijken regter onderworpen.

ZESDE HOOFDSTUK.


Van den Godsdienst.

Artikel 188.

De volkomen vrijheid van godsdienstige begrippen wordt aan elk gewaarborgd.

Artikel 189.

Aan alle godsdienstige gezindheden in het Koningrijk bestaande, wordt gelijke bescherming verleend.

Artikel 190.

De belijders der onderscheiden godsdiensten genieten allen dezelfde burgerlijke en politieke voorregten, en hebben gelijke aanspraak op het bekleeden van waardigheden, ambten en bedieningen.

Artikel 191.

Geene openbare oefening van Godsdienst kan worden belemmerd, dan in gevalle dezelve de openbare orde of veiligheid zoude kunnen storen.

Artikel 192.

De traktementen, pensioenen en andere inkomsten, van welken aard ook, thans door de onderscheidene godsdienstige gezindheden of derzelver leeraars genoten wordende, blijven aan dezelve gezindheden verzekerd.
Aan de leeraars, welke tot nog toe uit 's Lands kas geen, of een niet toereikend traktement genieten, kan een traktement toegelegd, of het bestaande vermeerderd worden.

Artikel 193.

De Koning zorgt dat de toegestane penningen die voor de openbare Godsdienst uit 's Lands kas worden betaald, tot geene andere einden besteed worden, dan waartoe dezelven bestemd zijn.

Artikel 194.

De Koning zorgt dat geene Godsdienst gestoord worde in de vrijheid van uitoefening, die de Grondwet waarborgt.
Hij zorgt tevens dat alle godsdienstige gezindheden zich houden binnen de palen van gehoorzaamheid aan de wetten van den staat.

ZEVENDE HOOFDSTUK.


Van de Financiën.

Artikel 195.

Geene belastingen kunnen ten behoeve van 's Lands kas worden geheven, dan uit krachte van eene wet.

Artikel 196.

Geene privilegiën kunnen in het stuk van belastingen worden verleend.

Artikel 197.

De schuld wordt jaarlijks in overweging genomen ter bevordering der belangen van de schuldeischers van den Staat.

Artikel 198.

Het gewigt en gehalte der muntspeciën, zoo wel als derzelver waarde, wordt door de wet geregeld.

Artikel 199.

Het toezigt en de zorg over de zaken van de Munt met den aankleve van dien en de beslissing der qaestiën over het allooi, essai en wat dies meer is, wordt opgedragen aan een Collegie, onder den titel van Raden en Generaalmeesters van de Munt, achtervolgens zoodanige instructiën als bij de wet zullen worden vastgesteld.

Bij vacature zendt de Tweede Kamer van de Staten-Generaal eene nominatie van drie personen aan den Koning, welke daaruit de verkiezing doet.

Artikel 200.

Er zal eene Algemeene Rekenkamer zijn, ten einde jaarlijks de rekeningen van ontvangst en uitgaven der verschillende departementen van Algemeen Bestuur op te nemen en te liquideren, mitsgaders behoorlijke rekening en verantwoording te vorderen van alle bijzondere landscomptabelen en anderen, alles achtervolgens zoodanige instructiën, als bij de wet zullen worden vastgesteld.


De leden dezer Rekenkamer, welker bezoldiging door de wet geregeld wordt, worden zoo veel mogelijk uit alle de Provinciën genomen en voor hun leven aangesteld.
Bij vacatare zendt de Tweede Kamex der Staten-Generaal eene nominatie van drie personen aan den Koning, welke daaruit de verkiezing doet.

ACHTSTE HOOFDSTUK.


Van de Defensie.

Artikel 201.

Het dragen der wapenen tot handhaving der onafhankelijkheid van den Staat en de beveiliging van deszelfs grondgebied blijft, overeenkomstig 's Lands oude gewoonte, den geest van de Pacificatie van Gent, en de grondbeginselen bij de Unie van Utrecht aangenomen, een der eerste pligten van alle ingezetenen van het Rijk.

Artikel 202.

De Koning zorgt, dat er ten allen tijde eene toereikende Zee- en Landmagt onderhouden worde, aangeworven uit vrijwilligers, hetzij inboorlingen of vreemdelingen, om te dienen in of buiten Europa, naar de omstandigheden.

Artikel 203.

Vreemde troepen worden niet dan met gemeen overleg des Konings en der Staten-Generaal in dienst genomen; de capitulatiën dien aangaande door den Koning gemaakt, worden aan de Staten-Generaal medegedeeld, zoodra Hij zulks geraden oordeelt.

Artikel 204.

Behalve de vaste Zee- en Landmagt, is er steeds eene Nationale Militie, waarvan in vredestijd jaarlijks een vijfde gedeelte wordt ontslagen.

Artikel 205.

De militie wordt zoo veel mogelijk genomen uit vrijwilligers, op de wijze als bij de wet bepaald wordt.
Bij gebrek van genoegzame vrijwilligers, wordt de militie voltallig gemaakt bij loting uit de ingezetenen, die op den 1sten Januarij van elk jaar ongehuwd zijn, hun 19de jaar ingetreden zijn en hun 23ste jaar nog niet hebben volbragt; zij die hun ontslag bekomen hebben, kunnen onder geen voorwendsel tot eenige andere dienst, dan de hierna te melden Schutterijen worden opgeroepen.

Artikel 206.

De militie komt in gewone tijden jaarlijks eenmaal te zamen, om gedurende eene maand of daaromtrent in den wapenhandel te worden geoefend: blijvende het nogtans aan den Koning voorbehouden, om, wanneer hij zulks voor 's Rijks belangen mogt geraden oordeelen, een vierde van het geheele getal te doen zamen blijven.

Artikel 207.

Indien het bij dreigend oorlogsgevaar, of andere buitengewone omstandigheden noodig mogt zijn de geheele militie bijeen te roepen en te doen zamenblijven, zal zulks, indien de Staten-Generaal niet vergaderd zijn, gepaard gaan met eene buitengewone bijeenroeping van dezelven, ten einde van het verrigte opening te geven en de verdere daartoe betrekkelijke maatregelen met de vergadering te beramen.

Artikel 208.

De militie mag nimmer en in geen geval naar de Kolonien worden gezonden.

Artikel 209.

De militie kan nimmer zonder bijzondere toestemming der Staten-Generaal buiten de grenzen van het Rijk worden gezonden, ten zij in een oogenblikkelijk dringend gevaar, of ook wanneer bij garnizoens-veranderingen de kortste marschroute over vreemden bodem loopt. In beide deze gevallen geeft de Koning van de door Hem deswege gestelde orders, zoodra mogelijk, kennis aan de Staten-Generaal.

Artikel 210.

Alle de kosten voor de legers van het Rijk worden uit 's Lands kas voldaan.
De inkwartieringen en het onderhoud van het krijgsvolk, de transporten en de leveranciën van welken aard ook, aan 's Konings legers of vestingen, kunnen niet ten laste van een of meerdere inwoners of gemeenten worden gebragt. Zoo door onvoorziene omstandigheden zoodanige transporten of leveranciën van bijzondere personen of gemeenten worden gevorderd, zal het Rijk dezelve te gemoet komen en, op den voet bij de reglementen bepaald, schadeloos stellen.

Artikel 2ll.

In alle gemeenten, welker bevolking binnen den besloten kring of omtrek der gebouwen, 2500 zielen en daarboven bedraagt, worden als van ouds Schutterijen opgerigt, tot behoud der inwendige rust. Deze Schutterijen dienen in tijden van oorlog en gevaar, tegen de aanvallen van den vijand. In andere gemeenten worden, in tijd van vrede, rustende Schutterijen ingesteld, welke, in geval van oorlog, gezamenlijk met de vorengemelde dienen als een Landstorm, tot verdediging des vaderlands.

Artikel 212.

De bepalingen, welke door den Koning, zoo omtrent het getal en de inrigting der militie, als opzigtelijk hetgeen de Schutterijen en den Landstorm betreft, noodig geoordeeld worden, zijn het voorwerp eener door Hem voor te dragen wet.

NEGENDE HOOFDSTUK.


Van den Waterstaat.

Artikel 213.

De Koning heeft het oppertoezigt over alles wat betreft den waterstaat van het Koningrijk, de wegen en bruggen daaronder begrepen, zonder onderscheid of de kosten daarvan worden betaald uit 's Lands kas, of op eene andere wijze gevonden.

Artikel 214.

De Koning doet het algemeene bestuur van den waterstaat, wegen en bruggen, uitoefenen op zoodanige wijze als Hij meest geschikt zal oordeelen.

Artikel 215.

Het gemelde algemeen bestuur zal, behalve de uitoefening van zoodanig algemeen oppertoezigt als de Koning goedvindt aan hetzelve op te dragen over de werken, die door kollegiën, gemeenten of particulieren bekostigd worden, meer bepaaldelijk en achtervolgens de instructie, door den Koning te geven, belast zijn met alle zoodanige waterwerken van zeehavens, reeden, rivieren, schorren, duinen, dijken, sluizen als anderzins, mitsgaders van alle zoodanige wegen en bruggen, waarvan de kosten van aanleg en onderhoud, hetzij geheel, hetzij gedeeltelijk, zijn tot laste van 's Lands kas.

Artikel 216.

Voor zoo verre nogtans onder de werken, wegen en bruggen in het slot van het voorgaande artikel vermeld, de zulken gevonden worden, waarvan de beheering, hetzij uit hoofde dat dezelven niet van een zoodanig algemeen belang voor den Staat zijn, hetzij om andere redenen uit het nut der zaak ontleend, beter en gevoegelijker door de Staten der Provincie, waarin zij gelegen zijn, zouden kunnen worden uitgeoefend, zal dezelve beheering, aan gemelde Staten, het zij afzonderlijk, het zij gezamenlijk, met de algemeene directie worden opgedragen.

Artikel 217.

De Koning, na de Staten der Provincie gehoord, en het advies van den Raad van State ingenomen te hebben, bepaalt welke de werken zijn die, uit hoofde van gemelde onderscheiding, onder de beheering der Staten zullen worden gesteld, zoo wel als de wijze op welke in de betaling der onkosten van die werken zal worden voorzien.

Artikel 218.

Zoodanige zee- of rivierwaterkeerende dijk-, sluis- en andere waterwerken, als door kollegiën, gemeenten of particulieren bekostigd en beheerd worden, staan onder het onmiddellijk toezigt van de Algemeene Directie van den Waterstaat, welke zorgt dat bij het aanleggen of herstellen dier werken niets geschiede, hetwelk nadeel aan de algemeene belangen zoude kunnen toebrengen, en aan dezelve kollegiën, gemeenten of particulieren daaromtrent de noodige voorschriften geeft.

Het onmiddellijk toezigt over de in dit artikel vermelde werken, zal almede door den Koning aan de Staten der Provincie, in welke de werken zich bevinden, kunnen worden opgedragen, voor zoo veel omtrent eenige van dezelven redenen van nuttigheid bestaan.

Artikel 219.

De provinciale Staten hebben het toezigt over alle andere in het vorig artikel niet bedoeld waterwerken, mitsgaders de kanalen, vaarten, meeren, plassen, wegen en bruggen, binnen hunne Provincie, welke worden beheerd en bekostigd door kollegiën, gemeenten of particulieren. Zij zorgen, dat die werken behoorlijk worden gemaakt en onderhouden.

Artikel 220.

De Staten hebben het toezigt en gezag over alle Hooge en andere Heemraadschappen, Wateringen, Waterschappen, Dijk- en Polderbesturen en andere dergelijke kollegiën, hoe ook genaamd, binnen hunne Provinciën, onverminderd nogtans hetgeen in Artikel 218 omtrent het onmiddellijk toezigt van de Algemeene Directie van den Waterstaat over de daarbij genoemde zee- of rivierwaterkeerende werken is bepaald.


De laatst goedgekeurde reglementen dezer kollegiën maken den voet van derzelver inrigtingen uit, behoudens nogtans het regt der Staten, om daarin, onder goedkeuring van den Koning, verandering te maken, en onverminderd de bevoegdheid dier kollegiën, om aan de Staten zoodanige veranderingen daaromtrent voor te stellen, als zij voor het belang der ingelanden zullen vermeenen te behooren. Wat de benoeming en het maken van nominatiën voor gemelde kollegiën aangaat, zal daaromtrent door de Staten der Provinciën eene voordragt aan den Koning gedaan worden.

Artikel 221.

De Staten hebben het toezigt over alle verveeningen, ontgrondingen, indijkingen, droogmakerijen, mijnwerken en steengroeven binnen hunne Provincie.
De Koning kan, uit hoofde van het grooter en algemeen belang van zoodanige ondernemingen het onmiddellijk toezigt over dezelven aan de Algemeene Directie van den Waterstaat, Wegen en Bruggen opdragen.

Artikel 222.

Wanneer bij vervolg eenig subsidie uit de algemeene schatkist van het Rijk wordt verleend, ter zake van eenige in dit hoofdstak bedoelde werken, zal tevens worden bepaald op welke wijze het beheer of het toezigt over zoodanig werk zal worden uitgeoefend.

Artikel 223.

De opbrengst van weg-, brug- en sluisgelden is uitsluitend bestemd tot het onderhoud en de verbetering van die wegen, bruggen, vaarten en bevaarbare rivieren, waarop dezelve betaald worden; het geen boven dit onderhoud mogt overschieten, wordt tot uitgaven van denzelfden aard in dezelfde Provincie besteed, met uitzondering der gelden, ontvangen op de groote communicatiën van het Rijk, waarvan het overschot tot gelijke einden kan worden besteed, daar, waar de Koning zal goedvinden.

TIENDE HOOFDSTUK.


Van het Onderwijs en het Armbestuur.

Artikel 224.

Het openbaar onderwijs is een aanhoudend voorwerp van de zorg der Regering. De Koning doet van den staat der hooge, middelbare en lagere scholen, jaarlijks, aan de Staten-Generaal een uitvoerig verslag geven.

Artikel 225.

Het is aan elk geoorloofd om zijne gedachten en gevoelens door de drukpers, als een doelmatig middel tot uitbreiding van kennis en voortgang van verlichting, te openbaren, zonder eenig voorafgaand verlof daartoe noodig te hebben, bljjvende nogtans elk voor hetgeen hij schrijft, drukt, uitgeeft of verspreidt, verantwoordelijk aan de maatschappij of bijzondere personen, voor zoo verre dezer regten mogten zijn beleedigd

Artikel 226.

Als eene zaak van hoog belang wordt ook het armbestuur en de opvoeding der arme kinderen aan de aanhoudende zorg der Regering bevolen. De Koning doet insgelijks, van de inrigtingen dienaangaande, jaarlijks, een uitvoerig verslag aan de Staten-Generaal geven.

ELFDE HOOFDSTUK.


Van Veranderingen en Bijvoegselen.

Artikel 227.

In geval in het vervolg eenige verandering of bijvoeging in de Grondwet noodig mogte zijn, moet deze noodzakelijkheid bij eene wet verklaard, en de verandering of bijvoeging zelve, duidelijk aangewezen en uitgedrukt worden.

Artikel 228.

Deze wet wordt aan de Staten der Provinciën gezonden, welke binnen den tijd daartoe telkens bij de wet bepaald, aan de gewone leden der Tweede Kamer van de Staten-Generaal een gelijk getal buitengewone toevoegen, die op dezelfde wijze als de gewone benoemd worden.

Artikel 229.

In de gevallen, waarin, volgens Artikel 26, 43 en 45, de Tweede Kamer der Staten-Generaal, volgens deze Grondwet, in dubbelen getale moet bijeenkomen, wordt deze benoeming door de Staten der Provincie gedaan, op last van den genen die het Koninklijk gezag uitoefent.

Artikel 230.

De Tweede Kamer der Staten-Generaal mag over geene voorstellen tot verandering of bijvoeging in deGrondwet, eenig besluit nemen, ten zij twee derde gedeelten der leden, die de vergadering uitmaken, tegenwoordig zijn.
De besluiten worden bij eene meerderheid van drie vierde gedeelten der tegenwoordige leden opgemaakt.
Voor het overige wordt in alles gevolgd hetgeen over het maken der wetten is bepaald.

Artikel 231.

Geene verandering in de Grondwet of in de erfopvolging, mag gedurende een Regentschap worden gemaakt.

Artikel 232.

De veranderingen of bijvoegselen in de Grondwet, door den Koning en de Staten-Generaal vastgesteld, worden plegtig afgekondigd, en bij de algemeene Grondwet gevoegd.

ADDITIONNELE ARTIKELEN.


Artikel 1.

De Koning is bevoegd al die maatregelen te nemen, welke vereischt worden, om de vorenstaande Grondwet in al hare deelen op eene geregelde wijze, en zoo spoedig als de aard der zake zulks zal toelaten, in werking te brengen; te dien einde zal Hij voor de eerste reize benoemen en aanstellen alle kollegiën en ambtenaren, van welke anderzins de aanstelling of voordragt bij de Grondwet aan anderen is toegekend.

Artikel 2.

Alle bestaande autoriteiten blijven voortduren, en alle thans in werking zijnde wetten behouden kracht, tot dat daarin op eene andere wijze zal zijn voorzien.



Artikel 3.

De eerste aftreding der leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal zal plaats hebben met den derden Maandag in October van het jaar 1817.

1   2   3   4


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina