H. J. Teunissen Wettelijke omschrijving



Dovnload 16.45 Kb.
Datum24.08.2016
Grootte16.45 Kb.

XI. Aard of gebrek van de verzekerde zaak

Mr J.H.J. Teunissen

1. Wettelijke omschrijving
Volgens art. 249 WvK was de verzekeraar “voor schade of verlies uit eenig gebrek, eigen bederf, of uit den aard en de natuur van de verzekerde zaak zelve onmiddellijk voortspruitende, nimmer gehouden, ten ware ook daarvoor uitdrukkelijk zij verzekerd”. Het nieuwe art. 7:951 (7.17.2.8) zegt kort maar krachtig: “De verzekeraar vergoedt geen schade aan een verzekerde zaak indien die is veroorzaakt door de aard of een gebrek van die zaak”. Inhoudelijk houdt de nieuwe bepaling geen wijziging in ten opzichte van art. 249 WvK, ook al ontbreekt het woord “bederf”, welk woord niet van praktisch belang was omdat bederf geen oorzaak van schade is, maar een vorm van schade.1

2. Wat is een gebrek?

Een gebrek is een ongunstige of minderwaardige eigenschap die zaken van de verzekerde soort niet behoren te hebben. Voorbeelden: overrijpheid van fruit bij verzending2, een verkeerde samenstelling van beton waardoor corrosie optreedt, een constructiefout van een machine.3 Een gebrekkige staat van een verzekerde zaak die door een tijdelijk gebrek aan zorg van voorbijgaande aard is, is echter geen gebrek, zoals het ontbreken van een splitpen in een zuigerstangpijp4, het niet laten openstaan van de kraan in de toevoerleiding van koelwater5 en het ontbreken van anti-vries in koelvloeistof in vrachtauto’s die in de winterperiode naar Canada werden vervoerd.6

Een gebrek wordt als een onzeker voorval aangemerkt. In het geval van een CAR-verzekering heeft de Hoge Raad beslist dat wanneer schade is veroorzaakt door een eigen gebrek, het onzeker voorval dat de schade doet ontstaan, moet worden gezocht in het aan het licht komen van het eigen gebrek; het moment waarop dat gebeurt, geldt als het moment waarop de beschadiging plaatsvindt.7 In het nieuwe verzekeringsrecht komt in de definitie van verzekering het begrip “onzeker voorval” niet meer voor.8 De vraag wat het onzeker voorval is in relatie tot schade uit eigen gebrek, is daarmee volgens de Memorie van toelichting niet meer relevant.9 Voldoende is in ieder geval dat de verzekeringnemer bij het afsluiten van de verzekering van het gebrek niet op de hoogte is. Wansink acht ook een verzekering tegen een bij het sluiten van de verzekering bekend gebrek mogelijk, indien onzeker is dat het gebrek schade aan de verzekerde zaak zal veroorzaken.10


3. Wat is de aard van de verzekerde zaak?

De aard van de verzekerde zaak is juist een normale eigenschap van de verzekerde zaak. Zij kan niet als een onzeker voorval worden aangemerkt. Denk aan het bederf van verse vis of fruit of normale slijtage van een machine. Schade die uit de aard voortvloeit is een normaal te verwachten gebeurtenis, waartegen verzekering niet mogelijk is.11 Volgens Scheltema/Mijnssen zou daarom ook zonder de uitsluiting van schade die zijn oorzaak vindt in de eigen aard van de verzekerde zaak, deze schade niet zijn gedekt.12 Denkbaar lijkt toch dat een verzekeringnemer bij het sluiten van de verzekering niet in alle opzichten de aard kent of niet bekend is wat bepaalde omstandigheden, zoals bijvoorbeeld een lange zeereis, voor invloed hebben op de verzekerde zaak.


4. Causaliteit

In het nieuwe wetsartikel ontbreken de woorden “onmiddellijk voortspruitende”. Dat heeft geen praktische betekenis, omdat algemeen wordt aangenomen dat onder art. 249 WvK de algemene causaliteitsregels bepalend waren, dat wil zeggen dat de aard of het gebrek van de zaak de rechtens relevante schadeoorzaak moet zijn. Onder het nieuwe recht is dat niet anders. Wanneer tijdens een normaal verlopen zeereis het vervoerde fruit toch bedorven aankomt, is dekking op grond van een gebrek of de aard van het fruit uitgesloten. Treedt echter bederf op omdat de reis abnormaal lang heeft geduurd als gevolg van een storm of een motorstoring, dan is de storm of de motorstoring (en niet een gebrek of de aard van het fruit) de rechtens relevante oorzaak van het bederf. De schade is dan gedekt, mits uiteraard tegen de gevolgen van storm of motorstoring is verzekerd.13 Ook kan het gebeuren dat de schade wel het directe gevolg is van een verzekerd evenement, maar dat dit evenement veroorzaakt is door een gebrek van de verzekerde zaak. Vastgesteld moet dan worden of het gebrek als rechtens relevante oorzaak heeft te gelden. Is dat het geval, dan bestaat er geen dekking. Het klassieke voorbeeld hiervan is het schip dat schipbreuk lijdt, waartegen verzekerd was, maar de schipbreuk werd veroorzaakt doordat het schip ernstig lekte als gevolg van een gebrek van het verzekerde schip. Over die situatie oordeelde het Hof dat de schipbreuk was veroorzaak door een eigen gebrek waartegen de verzekering geen dekking bood.14



5. Geen dwingend recht

Het staat partijen vrij af te wijken van art. 7:951 en dus schade ten gevolge van eigen gebrek en de aard van de verzekerde zaak wel te verzekeren15. Zoals hierboven vermeld is Scheltema/Mijnssen evenwel van mening dat verzekering tegen schade voortvloeiend uit de aard van de zaak niet mogelijk is, omdat die schade nooit een onzeker voorval vormt.

De afwijking van art. 7:951 hoeft niet altijd uitdrukkelijk te geschieden. Inhoud en strekking van de verzekeringsovereenkomst zijn doorslaggevend. In brandpolissen wordt eigen gebrek veelal meeverzekerd.16 Machinebreukverzekeringen geven eveneens dekking tegen de gevolgen van eigen gebrek. Ook in de CAR-polis is dit (volledig of gedeeltelijk) gebruikelijk. De bepaling dat dekking wordt verleend voor “schade hoe gering ook en hoe ook ontstaan”, zonder verwijzing naar art. 249 WvK, werd door de Rechtbank Rotterdam niet als een renunciatie aan art. 249 beschouwd en dus konden verzekeraars zich toch op dit artikel beroepen.17

6. Conclusie

Nu art. 7:951 inhoudelijk niet afwijkt van art. 249 WvK, is te verwachten dat de rechtspraak zoals die zich ten aanzien van art. 249 heeft ontwikkeld, haar gelding onder het nieuwe recht zal behouden.



1 Kuiper, Onzeker voorval en onvoorziene omstandigheden in het verzekeringsrecht, Verzekerings Archief 1996/4, p. 147.

2 MvT (19529), p. 25.

3 Scheltema/Mijnssen, nr. 5.21.

4 Rb. Rotterdam 9 december 1903, W 8098.

5 Rb. Rotterdam 7 maart 1930, NJ 1931, 971.

6 Rb. Rotterdam 9 februari 1990, S&S 1990, 94.

7 HR 4 januari 1980, NJ 1984, 305 (Monoliet-arrest), waar het ging om de vraag of de schade veroorzaakt was tijdens de dekkingsduur van de verzekering.

8 Art. 7:925 lid 1 (7.17.1.1 lid 1), waarover meer in hoofdstuk III.

9 MvT (19529), p 5-6.

10 Asser-Clausing-Wansink, nr. 249.

11 Scheltema/Mijnssen, nr. 5.22 en Asser-Clausing-Wansink, nr. 250.

12 Scheltema/Mijnssen, nr. 5.22.

13 Asser-Clausing-Wansink, nr. 253 en Scheltema/Mijnssen, nr. 5.29.

14 HR 23 april 1982, NJ 1982, 520 en S&S 1982, 66 (“Che Guavara”), waarin het cassatieberoep werd verworpen. De Hoge Raad oordeelde voorts dat voor een beroep op art. 249 WvK niet is vereist dat het gebrek reeds ten tijde van het sluiten van de verzekering bestond.

15 Dat volgt uit art. 7:963 (7.17.2.25a).

16 Zie bijv. art 2.1 Nederlandse Beurs Brandpolis - 1990.

17 Rb. Rotterdam 3 juni 1952, NJ 1953, 157. Zo ook Dorhout Mees-Wachter 1967, nr. 331 en 371 en Van Huizen, Het Transportverzekeringsbedrijf, diss. (1988), p. 160.




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina