H1: Macro-economische grootheden



Dovnload 66.13 Kb.
Datum23.08.2016
Grootte66.13 Kb.
Economie: Deel 2: Macro-economie.

H1: Macro-economische grootheden


    1. Inleiding




    1. De economische kringloop

Vijf economische sectoren:

  1. Gezinnen: alle personen in hun rol van consument en werknemer

  2. Bedrijven: staan in voor productie van goederen en diensten

  3. Overheid: in ruime zin, provincies, gemeenten, onderwijs,…

  4. Financiële instellingen: ontvangen besparingen van en lenen geld uit aan andere economie sectoren

  5. Buitenland: (verzamelbegrip) alle buitenlandse bedrijven waarmee land handel drijft.

Financiële transacties: betalen,…

Reële transacties: arbeid, kapitaal,…
Kringloopschema: (p3)


internationale handel  netto uitvoer = saldo van (uitvoer – invoer)

(uitvoer groter dan invoer  netto uitvoer positief,

uitvoer kleiner dan invoer  netto uitvoer negatief,

 exportopbrengsten en invoeruitgaven)




    1. Maatstaf voor economische activiteit het bruto binnenlands product

Transacties tss. de verschillende economische sectoren in ons land nauwkeurig bijgehouden in de nationale boekhouding



      1. Definitie

De officiële maatstaf om productie te meten in land

= bruto binnenlands product tegen marktprijs = BBPm

= de marktwaarde van alle finale goederen en diensten die gedurende 1jaar binnen de landsgrenzen worden geproduceerd en door de overheid geregistreerd.
Marktwaarde: met inbegrip van prijsverhogende belastingen en prijsverlagende subsidies

Finale goederen: op Belgisch grondgebied geen verdere bewerking ondergaan ( afgewerkt)

1jaar: BBPm wordt jaarlijks berekend

landsgrenzen: enkel producties op Belgisch grondgebied telt mee  geen grensarbeid

geproduceerd: BBP houdt rekening met totale productie, ongeacht verkocht of niet

geregistreerd: enkel producties officieel gekend en geregistreerd kan verrekend

(geen zwartwerk, vrijwilligerswerk,…)


      1. Berekeningsmethoden

Er zijn 3 manieren om te berekenen:

  • bepaalde manier naar de economische werkelijkheid te kijken

  • specifieke inzichten te verkrijgen.


1) De productiebenadering

we kijken naar oorsprong binnenlands product, geproduceerde diensten en goederen 1x geteld



Productiefase

verkoopswaarde van productie

A verkoopt wol aan B

B maakt van wol stof en verkoopt C

C maakt van stof kleding en verkoopt aan D

D verkoopt kleding aan speciale winkels E

E verkoopt aan F (consument)


60€

100€


125€

175€


250€

Totale waarde van de productie:

Toegevoegde waarde:



710€

60+40+25+50+75 = 250


Besluit:


BBPm berekenen volgens productiebenadering  de som (bruto) van de toegevoegde waarde
De bruto toegevoegde waarde van een onderneming of van de overheid

= verschil tussen - de verkoopwaarde van de productie

- de bedragen betaald aan andere producenten voor de levering van

grondstof., halffabr., diensten nodig voor productie (intermediaire goederen)


De bruto toegevoegde waarde

= waardetoename die de onderneming (of overheid) zelf met eigen werknemers en eigen uitrusting aan de gekochte goederen heeft toegevoegd


Landen met  ontwikkelingsniveau

 primaire en secundaire sectoren verliezen aan belang tertiaire sector wint


2) De bestedingsbenadering

Bruto binnenlandse bestedingen (BBB)

= totale uitgaven die gedurende jaar in bepaalde economie naar de binnenlandse producenten van finale goederen vloeien. (meestal in marktprijzen uitgedrukt)
Voor de berekening splitst men de bestedingen op in 4 categorieën:


  • consumptiebestedingen van gezinnen (C)

  • bruto investeringen van bedrijven (I)

  • overheidsbestedingen (G)

  • netto-invoer (X-I)

BBBm = C + I + G + (X – I)
De bestedingsbenadering geeft een idee wie de afnemers zijn v/h binnenlands product

(vb: 60%gezinnen, 15%bedrijven, 25%overheid)

Consumentenvertrouwen = belangrijk  geschokt  grote weerslag op de bestedingen
3) De inkomensbenadering

We zien hier hoe de vergoeding in de geleverde factorendiensten verleend worden over gezinnen , bedrijven en overheid.

- de helft van het nationaal inkomen vloeit uit lonen, en sociale premies terug bij gezinnen

- 1/3 winste voor bedrijven

- de overheid ongeveer 10%v/h nationaal inkomen
Gekoppeld aan de bestedingsbenadering dan stellen we vast dat de gezinnen de helft van nationaal inkomen 2/3 v/h nationaal besteden voor hun rekening nemen

= 2/3 van de bestedingen gaat naar gezinnen




    1. Het BBP en prijsniveau: vergelijkingsprobleem

Bij berekenen BBPm wordt de productie gewaardeerd tegen de marktprijs.

 in BBP zitten hoeveelheidscomponenten en prijscomponenten

een toename van het BBP kan gevolg zijn van:

- effectieve toename v/d geproduceerde hoeveelheid goederen en diensten

- prijsstijging (inflatie)
werkelijke of reële groei van de economie bepalen:

 prijsstijging uit de berekening houden

 de waarde van de productie uit te drukken in de prijzen van een bepaald basisjaar


    1. Het BBP als maatstaf voor economische welvaart of welzijn?

Kwantitatief, cijfers kwalitatief, gevoelsmatig

Hoog BBP  hoge welzijn


BBP en welvaart gaan niet zomaar samen:
1) Hoe groter het land en hoe meer inwoners  hoe hoger (mogelijk)BBP

BBP tss 2 landen vergelijken  neem BBP/inw.

 hoeveelheid welvaart/ inw. = BBP/cap.

2) sommige activiteiten dragen bij tot toename BBP, maar verhogen niet noodzakelijk

welvaart of welzijn  soms zelfs negatief effect

3) naast officiële (geregistreerde) BBP bestaan er activiteiten die niet in officiële statistieken

verschijnen, maar economisch wel toegevoegde waarde creëren.

= informele economie  producten zonder marktprijs (vb: kinderopvang door grootouders)

voor landen met grote informele sector  onderwaardering BBP

in vgl. met landen waar dit soort activiteiten wel deel uitmaakt van formele economie

4) zwarte economie = alle activiteiten die marktinkomen voortbrengen, maar niet aangegeven

tegen betaling van marktprijs, maar niet geregistreerd

5) criminele economie = illegale activiteiten = drughandel, smokkel, verboden kansspelen, prostitutie,…

 leveren onwettig inkomen  niet aangegeven


Besluit:

Berekende hoogte BBP geen volledig beeld van de productie in een land. Uitgaande van ruim welvaartsbegip  zou economie moeten voorzien in behoud milieu, water, zuivere lucht,…

Niet denkbeeldig dat sterke groei van productie ten koste van milieu gaat.

BBP kwantitatieve maatstaf

 zegt iets over ontwikkelingsniveau, levert eenzijdige kijk op welvaart


    1. Het BBP en inkomensverdeling

Om zicht te krijgen op inkomens (on)gelijkheid  Lorenz-curve:

x-as: inkomenstrekkers (huishoudens) in %

y-as: nationaal inkomens in %

 aflezen hoeveel % van de bevolking beschikt over welk % van het nationaal inkomen





    1. De inkomensverdeling in België

Lees in cursus


    1. Algemeen besluit

Bruto binnenlands product = waarde van wat in land gedurende 1jaar geproduceerd wordt

België  diensteneconomie

 wie koopt  consumenten = motor economie

 consumentenvertrouwen zeer belangrijk

 verdiende inkomens: helft van nationaal inkomen vloeit naar gezinnen
BBP = maatstaf voor waarde van de productie gedurende 1jaar

Economische groei over verschillende jaren  ! toename productie  prijs

Voor correct beeld  inflatie verwijderen (werken met constante prijzen)
BBP niet altijd = maatstaf voor economische welvaart,  BBP niet noodzakelijk garantie voor welstand
Primaire inkomens: nooit geëvenaarde mate reëel verhoogd, zonder ernstige veranderingen

Secundaire inkomensverdeling: grotere gelijkheid

 belastingen + meer overheidstransfers naar gezinnen

verzwakt door verdeling van sociale goederen en diensten (waarvan hoogste inkomes meer gebruikmaken)


H2: Conjunctuur en economische groei


    1. Inleiding

Conjunctuurbeweging = opeenvolgende periodes v. versnelling&vertraging v. econ. activiteit

Seizoensbeweging = fluctuaties op veel kortere termijn

 economische activiteit versnelt/vertraagt binnen kalenderjaar vb: kusttoerisme-zomer

Lange golfbewegingen = veel langere periode vb: 5jaren plan




    1. Conjunctuurcyclus

Conjunctuurbeweging kan voorgesteld als fluctuaties van BBP in constante prijzen rond hypothetische trendlijn, die lange termijn evolutie BBP weergeeft

Expansie: De groei neemt periode na periode toe en is groter dan de trend

Recessie: De groei neemt periode na periode af maar is nog altijd groter dan de trend

Depressie: De groei neemt af en is lager/kleiner dan de trend

Herstel: De groei neemt periode na periode toe maar ligt nog altijd onder de trend

Hoogconjunctuur: Als de groeivoet van het BBP hoger ligt dan de trend

Laagconjunctuur: Als de groeivoet van het BBP lager licht dan de trend

(Neerwaartse beweging = contractie fase, kortstondig = recessie, langere periode depressie)




    1. Oorzaken van de conjunctuurbeweging

Heel veel factoren die invloed uitoefenen op economisch leven.
Traditionele verklaring:

Conjunctuurcyclus = cyclisch patroon van reacties op impuls/schok

positieve schokken  hoogconjunctuur

negatieve schokken  laagconjunctuur


schokken verdeelt in 3 groepen:


      1. Aanbodschokken

Plotse + aanzienlijk directe impact op productievoorwaarden

Vb: technologische vernieuwingen, natuurramp, olie , …




      1. Beleidsschokken

Volgen uit beslissingen van macro-economische autoriteiten

Vb:  belasting, rentevoet,…



      1. Schokken in de vraag van de particuliere sector

BBB = totale bestedingen = totale vraag = C + I +G + (X - M)

 totale vraag gevoelig voor:

1) veranderingen in de consumptie (C)

consumentenvraag = grootste pijler van onze economie (helft van totale besteding van ons land)

consumentenvraag afhankelijk van:

- reële inkomen  afhankelijk van inflatieverloop + loonstijging

- renteverloop  dalende of lage rente vergemakkelijkt kredietverlening

 stimulans voor verkoop van duurzame consumptiegoederen

- sentiment van consumenten = consumenten zullen slechts consumeren indien het

consumenten vertrouwen positief is.

(wanner verwacht dat economie moeilijke tijd tegemoet gaat  sparen   spaarquote)

% beschikbaar inkomen dat gespaard wordt ipv geconsumeerd


2) veranderingen in de investeringen (I)

bedrijven investeren  optimistisch over toekomst, verwachten investering winst zal maken

toekomstige opbrengsten en toekomstige kosten worden afgewogen

afhankelijk vraag renteverloop, loonstijging, …


kudde-effectsyndroom  sentiment bij bedrijfsleiders negatief  niet geïnvesteerd
3) veranderingen in de uitvoer (X-M)

vraag naar investeringsgoederen en consumptiegoederen niet allen binnenland maar ook buitenland  conjunctuurverloop België zeer open economie afhankelijk conjunctuur evolutie buitenland




    1. Conjunctuurindicatoren

      1. Enkelvoudige indicatoren

(BBP = logische indicator econ. activiteit te meten)

Schommelingen in economische activiteit niet beperkt tot groeivoeten BBP

Andere macro-econ. indicatoren (in/uitvoer, werkloosheids%, fluctuaties in investeringen, particuliere/

overheidsconsumptie,…) bepalen conjunctuur mee

elke indicator  eigen cyclische patroon  nt altijd synchroon verloop met andere
we onderscheiden:

1)voorlopende (leading) indicatoren

= lopen vooruit op economisch gebeuren en vervullen signaal functie

vb:
2) gelijklopende of beschrijvende (coïncidente) indicatoren

= keerpunten van deze indicatoren vallen meestal samen met die van BBPm



vb:
3) achterblijvende of vertraagde(lagging) indicatoren

= van deze indicatoren wordt aangenomen dat ze nahinken op algemeen conjunctuurverloop



vb:
Op zich 1 enkele indicator weinig representatief voor totale conjunctuur beeld

 men baseert zich op synthetische indicatoren




      1. Synthetische indicatoren

= samengestelde indicatoren: verwerken het tijdsverloop van verschillende economische variabelen tot 1 samenvattend kerngetal

we onderscheiden: - vertrouwens/ klimaatsindicatoren

- kwantitatieve indicatoren
Belangrijkste vertrouwens/ klimaatsindicator in België

= conjunctuurbarometer van de Nationale Bank (NBB)

 synthetische indicator houdt rekening met kwalitatieve gegevens afkomstig uit conjunctuurenquête

 gepeild naar oordeel bedrijfsleiders over huidige toestand

+ hun mening over evolutie aantal belangrijke econ. variabelen

(zowel handel, nijverheid, bouwnijverheid)

De barometer loopt gem. 1à2 maand voor  voorspellend karakter
De conjunctuurindicator van de KBC

= coïncidente kwantitatieve of beschrijvende indicator

samengesteld uit 9 tijdreeksen die - vraag en aanbod in Be. econ. meten

- evenwicht op arbeidsmarkt

met behulp van Statistische technieken  oorspr. tijdreeksen bewerkt tot 1 synthetische indic.
Naast vertrouwens en kwantitatieve indicatoren  gemengde indicatoren

 voorlopende indicator van het OESO voor industriële productie

gem. 5maand voorop


    1. Conjunctuurpolitiek verloop:

Conjunctuurbeweging veroorzaakt instabiliteit op korte termijn

Conjunctuurpolitiek van overheid doel: conjunctuurschommelingen afzwakken

 economie aanwakkeren bij laagconjunctuur en afremmen bij hoogconjunctuur

Bij laag conjunctuur zou overheid moeten investeren  doen ze niet: zelf geen geld

monetaire beleid wordt bepaald door Europese Centrale Bank

begrotingsbeleid moet beantwoorden aan criteria tss eurolanden afgesproken



H3: Werkgelegenheid


    1. Vraag en aanbod

Arbeidsmarkt = plaats waar vraag naar arbeidskrachten en aanbod arbeidskrachten ontmoeten


      1. Vraag (werkgelegenheid)

= aantal banen ter beschikking (bij bedrijven en bij zelfstandigen)

  • banen of jobs = gerealiseerde werkgelegenheid

  • vacatures = nog niet ingevulde werkgelegenheid




      1. Aanbod (beroepsbevolking)

Deel van de bevolking dat verklaart aan de arbeidsmarkt te willen deelnemen (sommige nemen deel ander niet)

 onderscheid tss.:



  • werkende

  • werkzoekende of werkloze - geen werk (ouder dan 15j&jonger dan 65j)

- beschikbaar voor arbeidsmarkt

- op actieve wijze naar werk opzoek

interactieven = mensen niet beroepsactief, kiezen (on)bewust voor nt buitenshuis werken

Beroepsbevolking = loontrekkende, zelfstandigen en werkzoekende

= iedereen die bereid is te werken
activiteitsgraad of participatiegraad:

= % hoeveelheid werkende/werkzoekende tss 15-65j




werkzaamheidsgraad:


werkloosheidsgraad:


werkgelegenheidsgraad:




    1. Mismatch tussen vraag en aanbod

Op arbeidsmarkt bij ons zowel aanbodoverschot (werkloosheid) als vraagoverschot (open vacatures)
Soorten werkloosheid:

1) Fictionele werkloosheid

= kortdurende werkloosheid veroorzaakt door niet onmiddellijke aanpassing aan verandering

vb: gouden jaren ‘60


2) Tijdelijke werkloosheid (seizoens/technische werkloosheid)

= wanneer werknemers gedurende bepaalde tijd zonder werk vallen door weersomstandigheden of ramp

vb: bouwsector, wintersportsector, horeca,…
3) Conjuncturele werkloosheid:

 schommeling in econ. conjunctuur  verminderde vraag naar goederen/ diensten (oliecrisis)

oorzaak ligt bij vraagzijde

oplossing: overheid bestedingen stimuleren (renteverlaging, belastingverandering)  stijging vraag

 verdwijning werkloosheid
4) structurele werkloosheid:

oorzaak:


  • kwalitatieve discrepantie tss. vraag en aanbod op arbeidsmarkt:

opleidingsniveau, kennis gevraagd  vaardigheden werkloze

 vacatures blijven open: knelpuntberoepen




  • kwantitatief tekort

aan arbeidsplaatsen door verandering structuur productieproces en gewijzigde productietechnieken (vb: vervangen arbeidskrachten door machines)


  • demografische of maatschappelijke verandering

 stijgen van beroepsbevolking

vb: babyboom, immigratie,…


oorzaken hoge werkloosheidscijfer:

- structurele werkloosheid  loonpolitiek, aanpassing arbeidsaanbod

- werkloosheidsval of vrijwillige werkloosheid

 hoge uitkeringen voor lange tijd tov lage lonen + extra kosten (verplaatsing, opvang,…)

- verlies ervaring en goesting (door langdurige werkloosheid)

- bevordering zwartwerk  hoge belastingen en sociale lasten




    1. Belgische tewerkstellingspolitiek

Actieve welvaartstaat = bezorgdheid voor aanhoudende structurele werkloosheid/lage werkgelegenheidsgraad

Actief werkgelegenheidsbeleid = ruime waaier van beleidsmaatregelen

 stimuleren arbeidsvraag + arbeidsaanbod

(in tegenstelling tot passieve traditionele welvaarstaat ’80, accent op uitkeringsvertrekking)


Voor arbeidsvraag  arbeidskostenverloop belangrijk beleidsgegeven om:

  • concurrentievermogen te vrijwaren

  • werkgelegenheid te bevorderen

loonnorm ingevoerd max.  van gem. totale loonkosten in vgl met 3 bel. handelspartners

+ koppeling van lonen aan gezondheidsindex ipv consumptieprijsindex


federale tewerkstellingsbeleid  terugschroeven lasten op arbeid (loonwig)

 actief beleid van vermindering patronale bijdragen (binnen 10j pensioen onbetaalbaar) voor sociale zekerheid

 loonlastendaling max. benut voor nieuwe tewerkstelling

 verhogen vormingsinspanningen


activiteitsmaatregelen zorgen voor banencreatie

voor laaggeschoolde, oudere werkloze, moeilijk in te schakelen groepen

soepele (re)organisatie van de arbeidstijd = 3e doelstelling

vb: PWA, rossettaplan,…




    1. Europese tewerkstellingspolitiek

Belgische arbeidsmarktbeleid meer en meer beïnvloed door Europese werkgelegenheids-strategie (jaarlijks vastgelegd)

4 pijlers EU:



  • verbeteren van inzetbaarheid en terugschroeven kwalificatiedeficit

  • promotie van levenslang leren

  • groei werkgelegenheid in dienstensector

  • versterken gelijke kansen

doel: werkzaamheidsgraad: 2010: mannen70%, vrouwen60%


    1. Loonvorming

Overschot arbeidskrachten  prijs(loon)arbeidskrachten   opnieuw evenwicht

Loonmatig: meer dan 1aspect dat loon bepaalt (niet enkel vraag&aanbod principe)

 lonen beslist binnen overlegstructuur


      1. Loonoverleg

Overlegeconomie: wezenlijk kenmerk van maatschappelijke verhoudingen en besluitvorming op sociaal-economisch gebied in W-EU samenleving
Beslissingen over arbeidsvoorwaarden ontstaan + uitgevoerd  3ledig institutionele structuur

  • vrije ondernemingen

- vrije sociale organisaties die belangen van leden verdedigen (vakbonden & werkgeversorganisaties)

  • overheid

overleg gebeurt in 3fase :

1) federaal vlak

 interprofessionele overeenkomsten

(soc. voorzieningen, max.arbeidsduur, minimumloon, loonnorm,…)

koopkracht centraal in Belgische loononderhandelingen

 lange termijn ten koste van werkgelegenheid
2) per bedrijfstak (sector)

CAO’s betrekking op minimumlonen volgens arbeidsclassificatie, andere bepalingen ivm arbeidsvoorwaarden, premies, zekerheid, arbeidsduur,…


3) bedrijfsakkoord

in onderneming, wanneer sectoriele onderhandelingen mislukken


Paritair comité = plaats waar federale§oieel vlak besprekingen die overeenkomsten tss patroons en vakbonden voorafgaan

= comité met evenveel afgevaardigden van werknemers als werkgevers


gezocht naar compromis, vakbonden leggen voor aan werknemers  gestemd in referendum

CAO afgesloten bekrachtigd door koninklijk besluit  CAO bindend voor alle werkgevers, werknemers, nt.gesyndiceerden

(nt. afgeweken CAO door individuele arbeidsovereenkomst tenzij in voordeel van werknemer)


      1. Samenstelling loon

Loonwig =


loonwig = verschil tss nettoloon dat werknemer ontvangt en loonkost werkgever


      1. Loonindexering

In België  automatische koppeling lonen aan kosten levensonderhoud

 koopkracht werknemers beschermd

spilindex overschreden door 4maandelijks gemiddelde gezondheidsindex  lonen automatisch met zeker %

H4: Overheidsfinanciën


    1. Hoe belangrijk zijn overheidsuitgaven?

      1. Evolutie van de uitgaven

      2. Waaraan worden deze bedragen besteed?

      3. Zijn de overheidsuitgaven in België hoger dan elders?

Zie cursus



    1. Hoe financiert de overheid haar uitgaven?

= ontvangsten

3belangrijkste inkomstenposten Belgische staat: (elk  28%)



  • directe belastingen van particulieren

  • RSZ bijdrage

  • Indirecte belastingen

Bepaalde jaren kan overheid profiteren van speciale niet-fiscale inkomsten

Vb:verkoop luchthavengronden, verkoop bep. licenties, overname Belgacom pensioenfonds,…




      1. Evolutie van de ontvangsten

      2. Herkomst van de ontvangsten

      3. belastingsdruk




    1. Is de begroting in evenwicht?

Begroting = geraamde ontvangsten en uitgaven voor 1jaar samengebracht

Evenwichtige begroting = als geraamde ontvangsten overeenstemmen met geraamde uitgaven

(begroting door regering jaarlijks aan kamer van volksvertegenwoordigers als wetsontwerp ter goedkeuring voorgelegd)


    1. Overheidsschuld

Zie cursus
Om te mogen toetreden tot de EMU (Europese monetaire unie) zijn criteria vastgelegd (in verdrag maastricht)

  • netto te financieren saldo van minder dan 3%

  • overheidsschuld/BBP (ratio) van minder dan 60%

  • prijsstabiliteit = inflatie% gemeten naar indexcijfers van consumptieprijzen mocht tijdens jaar beoordeling voorafging niet meer dan 1,5%  dan inflatie peil van max. 3 landen die op gebied van prijsstabiliteit beter resultaat boekten

  • gemiddelde nominale rente op lange termijn tijdens 1jaar max 2% hoger dan max 3 landen met laagste inflatiecijfers

  • wisselkoersstabiliteit

 België 3jaarlijkse stabiliteitsprogramma’s

 zorgen dat criteria in toek. gerespecteerd worden:

vb: inspanningen ondernomen voor daling omvang schuld (laatste jaren  zekere saneringsmoeheid)

H5: Inflatie


    1. Betekenis

Inflatie = aanhoudende stijging van algemeen prijsniveau van de consumptiegoederen

= Index ’03 – index ‘04

Index ‘03

Als inflatie dreigt maakt men geld duurder

Als economie vertraagt daalt rente om krediet goedkoper te maken.

Deflatie = daling van algemeen prijspeil

Stagflatie = hoge inflatie samengaand met grote werkloosheid en stagnatie of recessie

Spilindex = bepaalt bedrag vastgelegd door overheid op basis van huur, lonen, uitkeringen,…
De inflatie wordt afgemeten van de consumptie index.

De gezondheidsindex heeft als doel op schadelijke producten meer belasting heffen

Inflatie heeft invloed op de waarde van ons geld

je kan met het zelfde bedrag aan geld minderkopen = de geldwaarde daalt




    1. Overzicht verloop consumptieprijzen in België

Zie cursus


    1. Oorzaken van inflatie

3soorten inflatie:
1) Demand pull inflatie = vraaginflatie

= in deze situatie van overbesteding, totale vraag groter dan totale aanbod

oorzaak bij:

gezinnen  oppotten, opsparen

bedrijven  sterke toename bedrijfsinvesteringen: vervangings investeringen + uitbreidngs investeringen

overheid  tekort op begroting  ritme staatsuitgaven overtreft groei van BBP


bestrijden: monetaire politiek

vb: stijging rente, strengere regels op kredietverlening, uitgifte overheidspapier, verminderen overheidsuitgave, verhogen belasting


2)Cost push inflatie = kosteninflatie

= prijs veroorzaakt door kostenstijging  doorgerekend in eindproduct

ingevoerde grondstoffen, dalende €  ingevoerde producten duurder

loonstijging > productiviteitstoename

 indirecte belastingen (taksen, accijnzen, BTW) = inflatoir

bestrijden:

- geïmporteerde inflatie  substituten, anders machteloos

- loonstijging  loon nt sterker laten  dan arbeidsproductiviteit


3) monetaire inflatie

Hoe p  door M of V  of door T 

p = prijs, gemiddelde van X aant. goederen

m = geldhoeveelheid

v = omloopsnelheid, aant. Keer dat geld van eigenaar wisselt

t = transactiesnelheid
bestrijden:overheidspapieren uitdelen, rente verhogen, intrest verhogen


    1. Gevolgen van inflatie

Geringe inflatie niet negatief  kan door kwaliteitsverbetering, geringe vraaginflatie zorgt dat productie vergroot moet en kan voor bijkomende tewerkstellingzorgen
Wanner inflatie groter wordt = neg.:

  • koopkracht van vaste inkomens daalt

  • spaargelden kunnen lager rendement krijgen

  • kan middel zijn om uit de schulden te raken

schult blijft nominaal =, door geindexeerde lonen makelijker om af te lossen

 als onze prijs  tov buurlanden  geen export meer, wij betalen import met export  heel belangrijk


    1. Automatische loonindexering aan de hand van de gezondheidsindex

Nadeel (daling koopkracht) inflatie oplossen: automatische loonindexering

 prijs,  vast inkomen

’94 (globaal plan):

lonen, wedden, soc.uitkeringen en huurprijzen

niet langer gekoppeld aan nationaal indexcijfer van de consumptieprijzen

wel aan gezondheidsindex

 20-tal producten geweerd uit index van consumptieprijzen (diezel, tabak, alcohol,…)

doel: loonmatiging   accijnzen op producten niet automatisch loonindexering tot gevolg

4-maandelijks gemiddelde gezondheidsindex vastgelegde spilindex overschrijdt

 lonen, wedde, soc. uitkeringen, huurprijzen automatisch 2% 

 koopkracht onaangetast
automatische loonaanpassing ook nadelen:

lonen   doorgerekend in prijzen/eindproducten  lonen hangen aan prijzen  spiraal



= loon-prijsspiraal
 ’95 geen deflatie meer


    1. Berekening van inflatie en bepaling ogenblik indexaanpassing

Zie cursus



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina