Handboek meting regeldruk



Dovnload 0.74 Mb.
Pagina1/7
Datum20.08.2016
Grootte0.74 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7
Concept-versie 28-5-2014

HANDBOEK METING REGELDRUK



Inhoudsopgave



1. Inleiding


5

2. Definities


10

2.1 Definitie burger


10

2.2 Definitie bedrijfsleven


11

2.3 Definitie overheid


13

2.4 Definitie professionals


14

2.5 Definitie wet- en regelgeving


15

2.6 Definities kosten regelgeving en regeldruk


17

2.6.1 Inleiding


17

2.6.2 Financiële kosten


19

2.6.3 Administratieve lasten


19

2.6.4 Informatieverplichtingen


20

2.6.5 Inhoudelijke nalevingskosten


23

2.6.6 Inhoudelijke verplichtingen


26

2.7 Andere lasten


27

3. Standaard Kostenmodel (SKM)


29


3.1 Inleiding


29

3.2 Werking op hoofdlijnen


30

3.3 Elementen van SKM


31

3.3.1 Uurtarief


31

3.3.2 Tijd


32


3.3.3 Investeringskosten


32

3.3.4 Aantallen burgers/bedrijven/professionals


34

3.3.5 Frequentie


37

3.3.6 Verschillen bij invulling SKM


36

4. werkwijze meting regeldruk nieuwe en gewijzigde wetgeving


38


4.1 Algemene uitgangspunten


38


4.2 Werkwijze meting geheel nieuwe wetgeving


41


4.3 Werkwijze meting gewijzigde wetgeving



43


5. Verbijzondering naar doelgroepen en herkomst


44


5.1 Categorieën burgers


44


5.2 Categorieën bedrijven


46


5.3 Categorieën professionals


46


5.4 Herkomst internationaal – nationaal


47


5.5 Herkomst nationaal - mede-overheden


50


6. Rapportage


53


6.1 Inhoud kwantitatieve informatie


53


6.2 Inhoud kwalitatieve informatie


54


Bijlagen


58


1. Frequently asked questions


58


2. Type verplichtingen en handelingen


62


3. Nationale Rekeningen: sectoren in Rekeningenstelsel (CBS)


66


4. Lijst met bedrijfssectoren (CBS)


70


5. Gemiddelde uurtarieven bedrijven en professionals en omrekenfactor burger


72


6. Lijst met life-events ondernemers


75


7. Instructies voor invullen rekensheets SKM


76


8. Lijst met uitvoeringsorganisaties


77


9. Werkwijze meting regeldruk van bestaande wetgeving


81









Hoofdstuk 1. Inleiding
Voor u ligt het handboek Meting Regeldruk: een handleiding voor het definiëren en meten van diverse soorten regeldruk voor het bedrijfsleven, burgers en professionals.
Deze handleiding vormt de derde editie in zijn soort en is daarmee een vervolg op de eerdere handleidingen Meten is Weten II, de werkmap AL Burger en het standaard meetmodel Inhoudelijke Nalevingskosten. In deze editie zijn de ervaringen die in de afgelopen perioden zijn opgedaan verwerkt. Hiermee vormt deze handleiding de standaard voor het meten van regeldruk in het algemeen voor de komende periode.


    1. De context…

Burgers, bedrijven en professionals hebben te maken met tal van regels opgelegd door de overheid (Rijksoverheid, medeoverheden, publiekrechtelijke bedrijfsorganen). Aan het naleven van deze regels zijn meestal kosten verbonden, die in verschillende categorieën kunnen worden onderscheiden. In onderstaande figuur worden de kosten als gevolg van wet- en regelgeving weergegeven.


Figuur 1. Kosten van regelgeving

Nalevingkosten




Financiële kosten


belastingen leges inhoudelijke nalevingkosten

premies administratieve lasten

retributies



Nalevingkosten zijn alle kosten die bedrijven maken om te voldoen aan wet- en regelgeving. Ze kunnen worden onderscheiden in ‘financiële kosten’, ‘inhoudelijke nalevingkosten’ en ‘administratieve lasten’. De combinatie van administratieve lasten en inhoudelijke nalevingskosten noemen we regeldruk.
Financiële kosten zijn het gevolg van een concrete en directe verplichting om een geldbedrag over te maken aan de overheid of het bevoegd gezag. Deze kosten zijn dus niet gerelateerd aan een informatiebehoefte van de overheid. Hierbij gaat het om belastingen, leges, retributies, etc. Leges zijn retributies, dat wil zeggen betalingen aan de overheid waar een individueel aanwijsbare tegenprestatie van die overheid tegenover staat. Het gaat om een bedrag dat burgers en ondernemingen verplicht zijn over te maken aan de overheid (of een bevoegd gezag) voor het gebruik van hun diensten of producten.
Om haar publieke belangen te kunnen waarborgen, legt de overheid onder andere aan het bedrijfsleven en burgers verplichtingen op tot het doen of nalaten van handelingen of gedragingen (inhoudelijke verplichtingen), en daarnaast verplichtingen tot het verschaffen van informatie over die handelingen en gedragingen (informatieverplichtingen).
Wanneer er aan bovenstaande verplichtingen kosten verbonden zijn kunnen deze kosten een negatieve invloed hebben op het ondernemingsklimaat en het vertrouwen van burgers in de overheid. Het is dan ook van belang dat de kosten die verbonden zijn aan het voldoen aan inhoudelijke- en informatieverplichtingen te allen tijde worden beperkt tot het absoluut noodzakelijke.


    1. Het Standaardkostenmodel

Het Standaardkostenmodel (SKM) is een methode die het mogelijk maakt om de regeldruk van wet- en regelgeving inzichtelijk te maken én aan te pakken. Regeldruk zijn dus de kosten voor het bedrijfsleven, burgers en/of professionals om te voldoen aan inhoudelijke en informatieverplichtingen voortvloeiend uit wet- en regelgeving van de overheid.


Analyses van de regeldruk van wet- en regelgeving met behulp van het SKM worden gekenmerkt door veel aandacht voor detail. Door wet- en regelgeving te analyseren met behulp van het SKM wordt inzichtelijk:


  • Welke inhoudelijke en informatieverplichtingen voortvloeien uit de wet- en regelgeving;

  • Welke handelingen een ondernemer, professional of burger moet verrichten om aan een wettelijke verplichting te voldoen;

  • Hoeveel tijd en kosten deze handelingen met zich meebrengen voor de ondernemer, professional of burger.

Deze transparantie maakt het mogelijk om precies aan te wijzen welke onderdelen van wet- en regelgeving voor problemen zorgen. De detailinformatie biedt, tegelijkertijd, veel aangrijpingspunten voor vereenvoudiging.


Met het SKM is het mogelijk om zowel de regeldruk van bestaande wet- en regelgeving te meten alsmede regeldruk van nieuwe wet- en regelgeving in kaart te brengen.
Al met al kan worden geconcludeerd dat het SKM een instrument is dat veel mogelijk maakt. Echter het is van belang om hierbij op te merken dat het te allen tijde een benadering van de werkelijkheid blijft. De uitkomst van een regeldrukmeting zal nooit een 100% accurate weergave kunnen zijn van de feitelijk gemaakte kosten. Toch laten zowel de opgedane Nederlandse en internationale ervaringen tot op heden zien dat burgers, bedrijven en zelfs professionals dankzij deze methode, de besteding van tijd en middelen beter kunnen inschatten met betrekking tot afzonderlijke regelgeving dan ooit eerder met andere onderzoeksmethoden.


    1. Hoe werkt het?

Om de regeldruk te kunnen berekenen wordt wet- en regelgeving allereerst gescreend op inhoudelijke en informatieverplichtingen (bv. het opstellen van een rapportage of een extra controle).


Om aan een bepaalde verplichting te kunnen voldoen moet een ondernemer verschillende handelingen verrichten (bijvoorbeeld het verzamelen van informatie, het verwerken van informatie, etc.). Die handelingen vereisen daarmee enerzijds een besteding van tijd en geld. Anderzijds moeten de activiteiten met een zekere frequentie plaatsvinden (één keer per jaar of meerdere keren per jaar) en gelden de wettelijke regeling voor een bepaalde doelgroep.
Voor de berekening van de regeldruk dienen de variabelen die ten grondslag liggen aan een handeling vermenigvuldigd te worden. Daarbij gaat het om de eerdergenoemde vier variabelen: tijd, tarief, frequentie en omvang doelgroep. Soms zijn de kosten niet de benodigde tijd - al dan niet in geld uitgedrukt -, maar uitgaven in euro’s, bijv. die van een extern advies, van de reis naar het gemeentehuis of die van apparatuur, die aan hoge veiligheidseisen voldoet. De optelsom van de regeldruk van de verschillende handelingen die voortvloeien uit een verplichting geeft vervolgens de regeldruk van een betreffende verplichting. De optelsom van de regeldruk van de verschillende verplichtingen die voorkomen in een wettelijke regeling geeft tenslotte een totaaloverzicht van de regeldruk van de betreffende wet- of regelgeving.
In onderstaand figuur 2 wordt het verband tussen inhoudelijke of informatieverplichtingen, handelingen en variabelen weergegeven.

De gegevens met betrekking tot de tijd en kosten die gemoeid zijn met de handelingen kunnen worden verzameld door een inschatting op de departementen of door middel van interviews met burgers of bedrijven1.


Als gekozen wordt voor een interview, worden bij bedrijven op grond van persoonlijke gesprekken met woordvoerders van bedrijven de kosten per handeling voor een gemiddeld efficiënt bedrijf2 vastgesteld. Door de gegevens te vermenigvuldigen met het aantal bedrijven van de doelgroep en de frequentie is het mogelijk om een oordeel te geven over de regeldruk die voortvloeien uit bepaalde wet- en regelgeving. Bij burgers kan men gebruik maken van een burgerpanel (zie bijlage 9).
Wat kun je ermee?
Aan de hand van de meetresultaten kunnen op een eenvoudige manier vereenvoudigingsmogelijkheden en automatiseringsvoorstellen worden geïdentificeerd. Een meting laat zien bij wie en waar de regeldrukkosten gemaakt worden, en dus waar vereenvoudiging van regelgeving het meeste kwantitatieve effect zal sorteren. Door het detailniveau van de verzamelde gegevens kunnen deze direct gebruikt worden om te analyseren hoe wijzigingen in de verplichtingen de regeldruk verminderen. Een meting van bestaande wet- en regelgeving met behulp van het SKM is derhalve ook een belangrijk instrument om de regeldruk te kunnen verminderen, onder andere doordat

  • alternatieven van voorgenomen wet- en regelgeving en de bijbehorende effecten gemakkelijk kunnen worden doorberekend;

  • dat snel en betrouwbaar (voor de geselecteerde wetten en regelingen) kan worden gerapporteerd over de ontwikkeling van de regeldruk gedurende een kabinetsperiode.

In het geval dat burgers, professionals of bedrijven worden geïnterviewd, komen naast de kwantitatieve informatie die het eigenlijke meetproces oplevert, ook nog allerlei andere kwalitatieve gegevens die er toe kunnen bijdragen om het ondernemers en burgers makkelijker te maken. Zo wordt er tijdens een meting bij bedrijven ook veel informatie verzameld met betrekking tot ‘best practices’ in bedrijven. Vergelijkingen met de besteding van tijd en middelen in bijvoorbeeld het gemiddeld efficiënte bedrijf kunnen gebruikt worden om andere bedrijven te laten zien hoe zij hun administratieve handelingen sneller en goedkoper kunnen uitvoeren. In het algemeen geven de interviews handvatten tot vereenvoudiging. Zo wordt onderzocht of informatie wel éénmalig moet worden aangeleverd, of er nog mogelijkheden zijn tot verdere automatisering van de berichtenstroom en of de informatieuitvraag zoals deze is vormgegeven door de overheid wel aansluit bij de soort informatie die bij de burger, professional of in het bedrijfsleven al aanwezig zijn3. Een andere optie is om doelvoorschriften op te nemen in plaats van middelvoorschriften of om mogelijk goedkopere alternatieven aan te geven waarmee het wettelijke doel ook behaald zou kunnen worden.


Doel van het handboek
Dit handboek geeft een beschrijving van hoe metingen aan de hand van het standaardkostenmodel uitgevoerd worden. Het doel van het handboek is om een uitputtende beschrijving van het standaardkostenmodel te geven, waarbij de belangrijkste vragen over het gebruik van de methode kunnen worden beantwoord aan de hand van het handboek. Het is echter belangrijk om te onderstrepen dat de methode niet statisch is. Basisbeginselen blijven ongewijzigd, maar onderdelen van de methode zullen steeds worden aangepast aan het gebruik van de methode in nieuwe beleidsterreinen en met betrekking tot nieuwe problemen. De methode heeft ook als doel om departementen desgewenst een handreiking te geven bij het uitvoeren van de meting van bestaande wetgeving en het monitoren hiervan gedurende deze kabinetsperiode. De meetmethodiek is uniform van opzet en is daarom toepasbaar binnen de gehele overheid.



Voordat daadwerkelijk maatregelen kunnen worden genomen om de regeldruk te reduceren, dient inzicht te worden verkregen in:

  • De regelgeving die de regeldruk veroorzaakt.

  • De aard en omvang van deze de kwalitatieve indicatoren die aan het Standaardkostenmodel zijn toegevoegd.

  • De regeldruk voor specifieke doelgroepen die kwetsbaar zijn en/of te maken hebben met een cumulatie van regeldruk.

  • De organisaties die belast zijn met de uitvoering van de regelgeving en waar­mee de bedrijven, burgers en professionals te maken hebben.

  • De mogelijkheden om de regeldruk te reduceren door het aanpassen van beleid of vereenvoudigen van de uitvoering van de regelgeving.

Uit de bovenstaande aspecten blijkt dat het niet uitsluitend gaat om het kwanti­ficeren van de regeldruk. Het is tevens van belang om inzicht te krijgen in de kwaliteit van de regelgeving. Het gaat hierbij onder meer ook om de wijze waarop de uitvoering van de regelgeving wordt ervaren door burgers, bedrijven en professionals. Factoren die dit beïnvloeden zijn onder meer de werkwijze van uitvoeringsorganisaties, de bruikbaarheid van formulieren en het gebruik van internet. Hieruit kunnen nieuwe inzichten ontstaan die door departe­men­ten kunnen worden gebruikt om minder of eenvoudigere regels op te stellen en zaken anders te regelen.


Leeswijzer
Het handboek is als volgt opgezet:

  • Hoofdstuk 1 beschrijft in vogelvlucht het Standaardkostenmodel (SKM) en de belangrijkste begrippen daarin.

  • In Hoofdstuk 2 worden de definities en belangrijke begrippen verklaard en (verder) uitgediept.

  • In hoofdstuk 3 wordt beschreven hoe het SKM in elkaar zit.

  • In hoofdstuk 4 wordt uitgelegd hoe regeldruk van nieuwe of gewijzigde wetgeving moet worden berekend.

  • Hoofdstuk 5 bevat een beschrijving van de wijze om vast te stellen wat de herkomst van de regeldruk is (EU-nationaal-decentraal) en welke doelgroepen binnen de categorieën burgers, bedrijven en professionals worden onderscheiden.

  • Hoofdstuk 6 tot slot bevat een beschrijving van de rapportage en de kwalitatieve indicatoren die aan het Standaardkostenmodel zijn toegevoegd.



Hoofdstuk 2. Definities
2.1 Definitie burger4
De wet- en regelgeving is gericht op bedrijven, burgers of instellingen/professionals. Binnen de defini­tie van regeldruk burger wordt onder “de burger” verstaan:


  1. Individuele burgers

  • Personen die zijn ingeschreven in de gemeentelijke basis administratie (GBA) die 14 jaar of ouder zijn.

Uitgangspunt zijn de volgende artikelen uit de Wet gemeente­lijke basisadministratie persoonsgegevens:



  • Artikel 24 De inschrijving in een basisadministratie geschiedt op grond van de geboorteakte, de aangifte van de betrokkene of ambtshalve.

  • Artikel 26.1 Op grond van zijn aangifte van verblijf en adres wordt degene die niet in een basisadministratie is ingeschreven, naar redelijke verwachting gedu­ren­de een half jaar ten minste tweederde van de tijd in Nederland verblijf zal houden en:

    1. De Nederlandse nationaliteit bezit,

    2. Op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander wordt behandeld, of

    3. Vreemdeling is en rechtmatig verblijf geniet als bedoeld in artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000, ingeschreven in de basisadmini­stratie van de gemeente waar hij zijn adres heeft.



  1. Georganiseerde burgers

Instellingen zonder winstoogmerk zijnde stichtingen en verenigingen waar­van de middelen voor het merendeel afkomstig zijn uit contributies en bijdragen om niet (giften en dona­ties) van huishoudens en uit inkomen uit vermogen. Het doel van deze instellingen is het behartigen van het gezamenlijke of het bredere maatschappelijke belang.



Kader 1. Onderscheid georganiseerde burgers- Bedrijfsleven en Maatschappelijke instellingen
Omdat er ook stichtingen en verenigingen zijn die met een winstoogmerk economische activiteiten ontplooien is het goed hierbij te kijken naar de internetsite van de KvK om te bepalen of een bepaalde stichting of vereniging onder de categorie georganiseerde burgers dan wel bedrijven valt. De categorie van georganiseerde burgers kent ook grote overeenkomsten met de groep van maatschappelijke instellingen (zoals omroepen, scholen, e.d.). Deze laatste groep behoort echter tot de categorie overheid, omdat deze grotendeels of volledig worden gefinancierd vanuit overheidsbijdragen.



2.2 Definitie bedrijfsleven
Als laatste stap moet worden gekeken of de informatieverplichting die door de overheid via wet- en regelgeving is opgelegd ook betrekking heeft op het bedrijfsleven. Hieronder is de definitie van bedrijfsleven opgenomen.


Bedrijfsleven

Het bedrijfsleven bestaat uit alle sectoren van de economie, met uitzondering van de publieke delen van het openbaar bestuur, overheidsdiensten en de verplichte sociale verzekeringen (SBI code 84, voorheen 75), en het onderwijs (SBI code 85, voorheen code 80). Voor deze uitzonderingen geldt dat de private onderdelen erin wél onder het bedrijfsleven vallen. Het criterium hierbij is de vraag of organisaties al dan niet kostendekkend zijn. Is dit het geval, dan is er sprake van bedrijfsleven. Zie bijlage 3 voor de door het CBS in de Nationale Rekeningen gehanteerde SBI-indeling.



De publieke sector valt uiteraard niet onder het bedrijfsleven. Onder de publieke sector vallen eenheden die activiteiten organiseren in het algemeen belang. Kenmerkend voor die eenheden is dat de werkzaamheden niet worden uitgevoerd met een winstoogmerk.


Ten aanzien van de door de overheid bekostigde instellingen kan worden opgemerkt dat het ministerie in kwestie kan bepalen of deze al dan niet worden meegenomen. Zo worden bijvoorbeeld bekostigde onderwijsinstellingen en publieke omroepen niet en ziekenfondsen en zorginstellingen wel als bedrijfsleven meegenomen.


Voorbeelden van grensgevallen die wel als bedrijfsleven zijn aangemerkt:

Ziekenhuizen, RIAGG's, particuliere zorgverzekeraars, Gemeentelijke Geneeskundige Diensten (GGD's), Bureaus van Jeugdzorg, pensioenfondsen, reïntegratiebedrijven en CAO-partijen. Daartegenover maakt de volgende organisatie wél deel uit van de overheidsdefinitie: College voor Zorgverzekeringen (beheerder AWBZ).







Kader 2. Afbakening regeldruk bedrijven – regeldruk burger
Een beperkt aantal (informatie)verplichtingen is niet exclusief van toepassing op óf burgers óf bedrijven. Deze wet- en regelgeving richt zich namelijk op meer algemene doelgroepen en personen, ongeacht of het natuurlijke personen of rechtspersonen zijn. Bijvoorbeeld:

  • Bij de koop, levering en overdracht van een huis geldt dezelfde verplichting voor burgers als voor bedrijven, namelijk het overdragen via notariële akte.

  • Wanneer een burger een boom in de tuin wil kappen moet hij dezelfde vergunning aanvragen als een bedrijf dat een boom op het bedrijfsterrein wil kappen.

  • Een sportvereniging of een kerk dient net zo goed over een milieu-, bouw- en gebruiksvergunning te beschikken als een bedrijf.

  • Zowel burgers als bedrijven kunnen, zolang zij belanghebbende zijn, gebruik maken van inspraakmogelijkheden in een bestemmingsplan.

In de meeste van dergelijke gevallen zullen de (informatie)verplichtingen in de praktijk óf grotendeels van toepassing zijn op bedrijven (met enkele burgers) óf grotendeels van toepassing zijn op burgers (met enkele bedrijven). Omdat het exacte onderscheid in de praktijk meestal niet eenduidig is vast te stellen, is het in voorkomende gevallen doelmatig om alle regeldruk van deze (informatie)verplichting mee te rekenen bij óf regeldruk Bedrijven óf regeldruk Burgers.


Deze aanpak is (impliciet) al gevolgd bij regeldruk Bedrijven. Bij het bepalen van het aantal bedrijven waarop een bepaalde verplichting van toepassing is (Q), zijn in een aantal gevallen ook instellingen zonder winstoogmerk of burgers meegerekend. Dit is bijvoorbeeld het geval bij verplichtingen die van toepassing zijn op ‘de werkgever’.
Het ligt daarom in de rede ook bij verplichtingen of rechten die voornamelijk van toepassing zijn op burgers, eventuele bedrijven niet uit te sluiten. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij rechten die van toepassing zijn op ‘de belanghebbende’.
Bovenstaande pragmatische afbakening tussen regeldruk Bedrijven en regeldruk Burger is bedoeld om te voorkomen dat er dubbeltelling plaatsvindt en anderzijds om te voorkomen dat er regeldruk tussen wal en schip valt. Indien bij regeldruk Bedrijven bij een bepaalde (informatie)verplichting wel expliciet rekening is gehouden met het onderscheid in bedrijven en burgers, en dus alleen de regeldruk voor bedrijven zijn meegenomen, kan het ministerie het gedeelte regeldruk voor burgers nu ook afzonderlijk meerekenen bij regeldruk Burger.




2.3 Definitie overheid
Regelgeving wordt door verschillende overheden vastgesteld. Hier wordt onder het begrip ‘de overheid’ verstaan:

  • Communautaire instellingen (EU),

  • Departementen,

  • Provincies,

  • Gemeenten,

  • Waterschappen,

  • Zelfstandige bestuursorganen (ZBO).

Zoals gezegd gaat het om regeldruk die voortvloeien uit wet- en regelgeving van de overheid, de Nederlandse overheid in dit geval. Lasten voortvloeiend uit wet- of regelgeving van andere landen telt niet mee. Buitenlandse ambassades en in Nederland gevestigde internationale instellingen, zoals Europol en het Internationaal Gerechtshof, worden niet tot de Nederlandse overheid gerekend. Lasten die deze instellingen opleggen vallen niet onder het regeldruk begrip. De overheid is hier als volgt gedefinieerd:




Overheid

Alle eenheden die voornamelijk gecontroleerd én gefinancierd worden door de overheid zelf. Hiertoe behoren alle Nederlandse overheidsinstellingen, ook als ze werkzaam zijn in het buitenland, zoals Nederlandse ambassades.






Overheid (=producent, toezichthouder of handhaver van regelgeving)


Tot de sector overheid worden in dit verband gerekend, alle eenheden die voornamelijk gecontroleerd én gefinancierd worden door de overheid én een rol spelen in uitvoering, controle, toezicht en handhaving van wetgeving. Kortom, het gaat hier om de normadressanten. Hiertoe behoren in beginsel alle overheidsinstellingen.
Vennootschappen maken in principe geen deel uit van de overheid, zelfs al zijn ze geheel of gedeeltelijk eigendom van overheidsinstellingen, bijvoorbeeld de NS, Schiphol.5

2.4 Definitie professionals
De overheid behoort niet tot de doelgroepen van de regeldrukoperatie. Hierbij wordt echter een uitzondering gemaakt voor een aantal professionals binnen de categorie overheid. Het gaat hierbij om zogenoemde publieke professionals die namens de overheid een functie vervullen, die van groot belang is voor bij het gemakkelijker en efficiënter laten verlopen van het maatschappelijk en economisch verkeer. Met deze term wordt binnen de regeldrukoperatie traditioneel geduid op de politieagenten (incl. toezichthouders op straat of in het veld), onderwijzers en leraren en op (wijk)verpleegkundigen.
Binnen de regeldrukoperatie wordt gewerkt met het gericht reduceren van de regeldruk voor deze beroepen en hun directe werkomstandigheden. Dit betekent dat voor de professional van de onderwijzers en de leraren ook rekening wordt gehouden met de regeldrukeffecten voor scholen en onderwijsondersteunend personeel. Voor beide geldt dat deze alleen van toepassing is voor zover die direct of indirect de handelingsruimte van de publieke professional onderwijzer of leraar beïnvloedt.
De term professional is niet exclusief voor deze overheidsdienaren. Ook andere professionals binnen de overheid kunnen aan de omschrijving publieke professional voldoen. In de regeldrukoperatie is gelet op signalen van stapelende verplichtingen en regeldruk gekozen voor het meenemen van de beroepen van politieagenten, onderwijzers en leraren en van (wijk)verpleegkundigen. Andere publieke professionals zijn echter niet uitgesloten.

Wijkverpleegkundigen versus verpleegkundigen in ziekenhuizen
Ten aanzien van verpleegkundigen dient hierbij nadrukkelijk rekening te worden gehouden met het onderscheid met verpleegkundigen werkzaam in ziekenhuizen. Ziekenhuizen behoren tot de categorie overheid (academische ziekenhuizen) of tot de categorie bedrijfsleven (overige ziekenhuizen). Verpleegkundigen die in ziekenhuizen werken, worden bij de bepaling van de regeldruk dan ook meegenomen bij de interne regeldruk van de overheid zelf of bij de regeldruk voor bedrijven.


2.5 Definitie wet- en regelgeving
Wet- en regelgeving van de overheid
Wanneer is vastgesteld dat er sprake is van een informatieverplichting dan is het van belang om te bepalen of deze voortvloeit uit wet- en regelgeving van de overheid. Onder wet- en regelgeving van de overheid wordt het volgende verstaan:


Wet- en regelgeving

Algemeen verbindende voorschriften (wetten, AMvB's, ministeriële regelingen) en beleidsregels.



Algemeen verbindende voorschriften kunnen ook zijn gebaseerd op besluiten van communautaire instellingen (EU) of neergelegd in regels van decentrale overheden (bijv. gemeenten en provincies). Een beleidsregel is een algemene regel die op schrift is vastgesteld door het Rijk voor het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan, anders dan een algemeen verbindend voorschrift.


EU-regelgeving valt alleen onder de definitie als op enigerlei wijze sprake is van verankering van deze regelgeving in Nederlandse wet- en regelgeving. Direct werkende verordeningen zoals het Communautair Douanewetboek die in het geheel niet zijn verankerd in Nederlandse wet- of regelgeving tellen dus niet mee. Wanneer alleen specifieke bepalingen uit de verordening zijn vastgelegd in de Nederlandse wetgeving, dan worden alleen de lasten van deze specifieke bepalingen meegenomen bij het berekenen van de regeldruk.
Vrijwilligheid ten aanzien van de onderliggende activiteit, of een keuze om deze wel of niet te ondernemen speelt geen rol bij de bepaling of informatiekosten wel of niet tot het AL begrip moeten worden gerekend. Op het moment dat een bedrijf met informatiekosten voortvloeiend uit wet- en regelgeving te maken krijgt is er sprake van AL.


Voorbeeld: Het aanvragen van subsidie of een vergunning is weliswaar vrijwillig, echter wanneer een bedrijf of burger subsidie of een vergunning aanvraagt, is die wettelijk verplicht informatie te verstrekken. De lasten volgend uit een subsidie aanvraag zijn regeldruk.

In het kader van zelfregulering kunnen bedrijven ook worden geconfronteerd met verplichtingen. In zo’n geval is er geen sprake van regeldruk (immers niet opgelegd door wet- en regelgeving van de overheid). Echter als de overheid besluit de informatie- of inhoudelijke verplichtingen, die de bedrijven zichzelf hebben opgelegd in het kader van de zelfregulering, wettelijk vast te leggen ontstaat er wel regeldruk voor het bedrijfsleven.

In dergelijke gevallen moet men zich wel afvragen in hoeverre de individuele bedrijven uit zichzelf de informatie ook verzamelen of de handelingen van de inhoudelijke verplichting ook verrichten, omdat dit van invloed is op de berekening. Zie hiervoor par. 2.6.5.


Wat te doen ingeval van vrijwilligheid of zelfregulering?


Bij gebods- en verbodsbepalingen ligt het initiatief tot het opleggen van een inhoudelijke verplichting direct bij de overheid. Bij de aanvraag om erkenningen, vergunningen en subsidies echter ligt het initiatief bij het bedrijfsleven zelf. Men zou kunnen redeneren dat de hieruit voorvloeiende inhoudelijke verplichtingen het gevolg zijn van een vrijwillig genomen besluit door het betrokken bedrijfsleven. Dergelijke aanvragen gebeuren inderdaad op basis van vrijwilligheid, maar dan wel binnen het kader van de realisatie van publieke doelen. Als gevolg hiervan treden allerlei verplichtingen, waaronder inhoudelijke, in werking. Wie het initiatief neemt tot het aangaan van een wettelijke inhoudelijke verplichting speelt voor het ontstaan van inhoudelijke nalevingskosten geen rol. Deze kosten moeten hier dan ook wel worden gemeten.
Ingeval van zelfregulering door private partijen, bijvoorbeeld kwaliteitscertificering door een branche (Bovag en dergelijke) is in beginsel geen sprake van een wettelijke verplichting opgelegd door de overheid. Bij zelfregulering is dus geen sprake van nalevingskosten die in dit kader gemeten moeten worden.
Informatieverplichtingen voor burgers aan bedrijven of burgers onderling vloeien voort uit het privaatrecht (Burgerlijk Wetboek). Hierbij kan onderscheid worden gemaakt in dwingend recht en regelend recht. Als dwingend recht een informatieverplichting oplegt, dan valt dit onder de definitie van regeldruk. Uit het regelend recht kunnen geen regeldrukkosten voortvloeien.
Dwingend recht

Van dwingend recht is sprake als de burger of bedrijf verplicht is op een bepaalde manier te han­delen. Bijvoorbeeld in het kader van het kopen van een huis, trouwen, scheiden, adoptie, voogdij, nalatenschap is de burger verplicht om bij een notaris te verschijnen, documen­ten te overleggen etc. Deze informatie­ver­plichtingen zijn dwingend voorgeschreven en wor­den daarom gerekend tot de regeldruk. Een voorbeeld is het opstellen van een koop­over­een­komst bij de koop en/of verkoop van een huis.


Regelend recht

In het regelend recht kunnen partijen afspraken onderling overeen­komen. Het gaat hier niet om dwingend voorgeschreven inhoudelijke of informatieverplichtingen die door regelgeving zijn opgelegd. Een voorbeeld is de overeenkomst die een burger met een bedrijf sluit inzake de levering van bepaalde goederen.


Strafrecht

Het strafrecht valt buiten de definitie van regeldruk omdat er van wordt uitgegaan dat het bedrijf of de burger zich houdt aan de verplichtingen van de wet- en regelgeving van de overheid. Bovendien kent het strafrecht geen informatieverplichtingen voor de norm­adres­saat, vanwege het “nemo tenetur beginsel” (niemand is verplicht zichzelf te beschul­digen).


Bezwaar- en beroepsprocedures

Burgers en bedrijven kunnen bezwaar maken tegen beslissingen van de overheid. Indien een bezwaar niet wordt ingewilligd dan kan een beroepsprocedure worden gestart bij de rechtbank of de Raad van State. De tijdsbesteding en kosten voor het indienen van bezwaar en het uitvoeren van een bezwaarprocedure valt onder de definitie van regeldruk. Deze regeldruk wordt toegerekend aan de betreffende wet (het betreffende bevoegde gezag is immers verantwoordelijk voor de beantwoording hiervan). De beroepsprocedures vallen buiten de definitie van regeldruk. Zie ook bijlage 1.



2.6 Definities kosten regelgeving
2.6.1 Inleiding
Burgers en bedrijven hebben te maken met tal van regels die worden opgelegd door de overheid. Aan het naleven van deze regels zijn vaak kosten verbonden, die in verschillende categorieën kunnen worden onderverdeeld. In onderstaande figuur worden de kosten voor burgers en bedrijven als gevolg van regelgeving weergegeven.




Figuur 3. Kosten van regelgeving
Regeldruk
Regeldruk omvat alle kosten die burgers, professionals of bedrijven maken om te voldoen aan wet- en regelgeving, anders dan via financiële transacties met de overheid. Onderscheid kan worden gemaakt in inhoudelijke en administratieve nalevingskosten.


  1. Inhoudelijke nalevingskosten

Het betreft kosten die burgers, bedrijven of professionals maken om te voldoen aan de inhoudelijke verplichtingen die wet- en regelgeving stelt. Een voorbeeld voor nalevingskosten zijn de verplichtingen die zijn opgenomen in het bouwbesluit zoals minimale afmetingen voor hoogte van deuren en de isolatiewaarde van een woning.


  1. Administratieve Lasten

De kosten die de burger, bedrijf of professional maakt om te voldoen aan informatieverplichtingen voortvloeiend uit de regelgeving van de overheid. Het gaat hierbij zowel om het nakomen van verplichtingen als het uitoefenen van rechten. In par. 2.6.3 wordt een nadere uiteenzetting gegeven van het begrip AL.



Kader 1. Inhoudelijke nalevingskosten versus administratieve lasten.
In dit tekstkader wordt het onderscheid tussen inhoudelijke nalevingskosten en administratieve lasten aan de hand van een aantal voorbeelden toegelicht.
Voorbeeld 1: Algemene periodieke keuringsplicht motorrijtuigen en aanhangwagens (APK), art. 53 Wegenverkeerswet 1994

Een burger die eigenaar of houder is van een motorrijtuig of een aanhangwagen van drie jaar of ouder en waarvoor een kenteken is opgegeven dient te beschikken over een geldig keurings­bewijs. De burger kan deze ´APK-keuring´ aanvragen en laten uitvoeren bij een door de Rijksdienst voor het wegverkeer (RDW) erkende instelling in Nederland, zoals een autobedrijf of keuringsstation. De informatieverplichting betreft het beschikken over een geldig keurings­bewijs, waarbij de verplichting wordt onderverdeeld in bepaalde handelingen die nodig zijn om te kunnen beschikken over het keuringsbewijs.


Aan de APK keuring zijn voor de burger de onderstaande kosten verbonden. Bij elk van de kosten is aangegeven of het financiële kosten, inhoudelijke nalevingskosten dan wel administratieve lasten betreft:

  • Het wegbrengen van het motorrijtuig naar de keuringsinstelling. De tijd die de burger hieraan besteedt vloeit voort uit de informatieverplichting om het rijtuig te laten keuren. Dit zijn AL.

  • Het voeren van overleg over de procedure is een handeling die AL veroorzaakt. Het bespreken van de uit te voeren reparaties met de keuringsinstelling is echter niet een handeling die noodzakelijk is voor het voldoen aan de informatieverplichting. Dit zijn nalevingskosten.

  • De kosten van de keuring zelf. Deze kosten vloeien voort uit de informatieverplichting. Het betreft echter alleen de daadwerkelijke keuringskosten. De verschuldigde leges en reparatiekosten zijn geen AL, want het betreft financiële en inhoudelijke nalevingskosten (voor een deel “gemengde kosten”).

  • De kosten van reparatie die noodzakelijk zijn voor het verkrijgen van het keuringsbewijs. Deze kosten vloeien voort uit de naleving van de wet door de burger. Het gaat hier derhalve om inhoudelijke nalevingskosten (voor een deel ”gemengde kosten”) en niet om AL.

  • Het ophalen van het motorrijtuig en het keuringsbewijs. De tijd die de burger hieraan besteedt vloeit voort uit de informatieverplichting om te beschikken over een keuringsbewijs. Dit zijn AL.


Voorbeeld 2: Aanvragen rijbewijs

De burger, die een motorrijtuig bestuurt op de openbare weg, dient te beschikken over een geldig rijbewijs. Het rijbewijs wordt afgegeven door de gemeente waarin de burger woont. De burger dient hiervoor de ´Verklaring van rijvaardigheid´ en de ´Verklaring van geschiktheid´ te overleggen. De ´Verklaring van rijvaardigheid´ krijgt de burger na het behalen van het praktijkexamen bij het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR). De ´Verklaring van geschiktheid´ krijgt de burger door het invullen van een eigen verklaring, het laten opstellen van een geneeskundig verslag en het afgeven van een uittreksel van persoonsgegevens uit de gemeentelijke basisadministratie. De verdeling van de kosten:



  • De burger krijgt het rijbewijs na het succesvol afleggen van het praktijkexamen. De kosten die voortvloeien uit de rijlessen zijn inhoudelijke nalevingskosten.

  • De kosten van het examen (met uitzondering van leges!) alsmede de tijd die de burger besteedt aan het verzamelen en invullen van de voorgeschreven informatie zijn AL.

  • De kosten als gevolg van het indienen van de verklaringen bij de gemeente vloeien voort uit de informatieverplichting om te beschikken over een geldig rijbewijs. Dit zijn AL.


Voorbeeld 3: Aanvraag bouwvergunning

In bepaalde gevallen, zoals beschreven in de Woningwet, dient de burger een bouwvergunning aan te vragen bij de gemeente. Aan deze vergunning zijn inhoudelijke nalevingskosten verbonden als gevolg van inhoudelijke eisen in de vergunning (bouw- en isolatienormen). Daarnaast veroorzaakt de aanvraag AL. Deze vloeien onder andere voort uit:



  • het voeren van vooroverleg over de uit te voeren handelingen uit de vergunningprocedure. Dit betreft het informatiegesprek waarin de procedure en de bouweisen worden uitgelegd. Deze handeling is noodzakelijk om de vergunning op de juiste wijze aan te vragen.

  • het kopiëren van de bouwtekeningen.

  • het opstellen van de vergunningsaanvraag.





2.6.2 Financiële kosten
Financiële kosten zijn het gevolg van een verplichting om een geldbedrag over te maken aan de overheid of het bevoegd gezag. Deze kosten zijn derhalve niet direct gerelateerd aan een informatiebehoefte van de overheid.
Voorbeelden van financiële kosten zijn:

  1. Belastingen: Het gaat hierbij bijvoorbeeld om de inkomstenbelasting, rioolbe­las­ting en onroerendzaakbelasting.

  2. Premies: Het gaat hierbij bijvoorbeeld om sociale verzekeringspremies die ver­plicht in het kader van zorgstelsel moeten worden afgedragen.

  3. Leges en retributies: Het gaat hierbij om betalingen aan de overheid waar een individueel aanwijsbare tegenprestatie van die overheid tegen­over staat bijvoorbeeld voor het gebruik van hun diensten of producten. Voor­beelden van leges zijn kosten van een uittreksel van het geboorteregister of kosten voor het verkrijgen van een bouwvergunning door een particulier.

  4. Boetes: Het gaat hierbij om financiële boetes bij overtreding van de wet. Voor­beel­den zijn boetes voor verkeersovertredingen.


2.6.3 Administratieve lasten
Om de publieke belangen te kunnen waarborgen legt de overheid aan het bedrijfsleven en aan burgers verplichtingen op tot het doen of nalaten van activiteiten of gedragingen (inhoudelijke verplichtingen) en daarnaast verplichtingen tot het verschaffen van informatie over die activiteiten en gedragingen (informatieverplichtingen).
Aan bovengenoemde verplichtingen kunnen kosten verbonden zijn. Alleen de kosten die voortvloeien uit informatieverplichtingen leiden tot AL.
De definitie van AL luidt:
AL zijn de kosten om te voldoen aan informatieverplich­tingen die voortvloeien uit regelgeving van de overheid. Het gaat hierbij zowel om het nakomen van verplichtingen als het uitoefenen van rechten.

Deze kosten hebben voor burgers betrekking op de door de burger bestede tijd (uitgedrukt in uren) en gemaakte (out-of-pocket) kosten (uitgedrukt in euro’s). Voor bedrijven en professionals wordt de bestede tijd uitgedrukt in euro’s.


Uit de definitie komt naar voren dat het specifiek gaat om kosten voor het verstrek­ken van informatie zoals opgelegd door regelgeving van de overheid. Dit betekent concreet dat de regelgeving het uitgangspunt is voor een onderzoek naar de omvang van de AL. In de artikelen van de regelgeving is aangegeven welke informatie moet worden overlegd: dit zijn de informatieverplichtingen. Om hieraan te voldoen, moet men handelingen uitvoeren zoals het invullen van formulieren of het verzamelen van aanvul­lende informatie.
In de onderstaande figuur zijn deze drie verschillende niveaus schematisch weergegeven. De onderdelen van dit schema worden in de volgende hoofdstukken nader toegelicht.


Figuur 4. Drie niveaus van de definitie van AL
Het gaat bij het meten van regeldruk om de integrale kosten van de (informatie)verplich­tingen. Het maakt daarbij wel uit of de burger/bedrijf de verstrekte informatie of de uitgevoerde handeling ook voor eigen doeleinden gebruikt (gemengde functie). Bijvoorbeeld: een bedrijf maakt een jaarverslag, maar de overheid vraagt dit ook op bij bepaalde vergunningaanvragen. Of een burger is verplicht is om bepaalde facturen bij een subsidieaanvraag te voegen. Deze facturen archiveert de burger ook voor zijn eigen administratie, zodat – naast het aanvragen - alleen de kosten om de facturen te kopiëren regeldruk zijn. De kosten met een gemengde functie worden ook wel “business as usual costs” genoemd en worden niet aan de overheid toegerekend. Zie verder par. 2.6.5.
2.6.4 Informatieverplichtingen
Voorbeelden van informatieverplichtingen
In dit hoofdstuk worden enkele voorbeelden gegeven van verplichtingen die binnen de definitie van informatieverplichtingen vallen. Deze lijst is niet uitputtend. Daarnaast worden voorbeelden genoemd van verplichtingen die niet als informatieverplichtingen worden aangemerkt. De opgenomen voorbeelden hebben betrekking op regeldruk burgers.

Verplichtingen zijnde informatieverplichtingen
Voorbeelden van informatieverplichtingen die voortvloeien uit een wettelijke plicht:

  • Melding / Kennisgeving doen van (voorbeeld: aangifte geboorte of aangifte van een diefstal).

  • Aanvragen van een vergunning (voorbeeld: bouwvergunning, kansspelvergunning).

  • Aanvragen van een erkenning (voorbeeld: naamswijziging of erkenning van een ongeboren vrucht).

  • Uitvoeren van registraties/metingen (voorbeeld: bijhouden van gegevens ten behoeve van de belastingaangifte).

  • Uitvoeren van (periodiek)onderzoek (voorbeeld: medisch onderzoek bij een WAO-uitkering).

  • Opstellen van (periodieke) rapportage (voorbeeld: wekelijkse rapportage over uit­gevoerde sollicitaties bij een WW-uitkering).

  • Uitvoeren van (type)keuring (voorbeeld: APK-keuring van de auto).

  • Aanvragen van toestemming/ontheffing (voorbeeld: aanvraag parkeerontheffing).

  • Meewerken aan handhaving (voorbeeld: verlenen van medewerking aan inspecties van de belastingdienst).

  • Overleggen van documenten (voorbeeld: overleggen verklaring van goed gedrag).

  • Inschrijven in register (voorbeeld: gemeentelijke basisadministratie gemeenten).

Voorbeelden van informatieverplichtingen die voortvloeien uit het uitoefenen van een recht:



  • Bezwaar- en beroepsprocedures.

  • Inspraak.

  • Inzage.

  • Aanvraag van een uitkering.

  • Aanvraag van een subsidie.


Verplichtingen niet zijnde informatieverplichtingen


  • Leges en retributies.

  • Nalevingskosten.

  • Belastingen.

  • Heffingen.

  • Premies.

Om de AL te kunnen berekenen wordt wet- en regelgeving allereerst gescreend op informatieverplichtingen (bv. het opstellen van een rapportage). Onder informatieverplichting wordt hier het volgende verstaan:




Informatieverplichting

Een informatieverplichting is een verplichting tot het informeren over handelingen en gedragingen ten aanzien van een maatschappelijk waardevol geachte norm (Nijsen, 2003).



Een informatieverplichting hoeft niet in te houden dat bedrijven informatie opsturen naar een overheidsinstantie, zoals bv. het geval is bij BTW-verplichtingen. Het kan ook om informatie gaan die bedrijven beschikbaar moeten stellen en op verzoek op dienen te sturen of waar ze inzage in dienen te verlenen, zoals bv. een werk- of gezondheidsverslag. Essentieel is de verplichting dat op enig moment de gegevens beschikbaar moeten zijn voor een overheidsorganisatie en dus opgeleverd kunnen worden. Voor een uitgebreid overzicht van typen informatieverplichtingen zie bijlage 2.




Voorbeelden van informatieverplichtingen

Aangifte vennootschapsbelasting, opstellen en deponeren jaarrekening, aanvraag vergunningen, algemene bewaarplicht van bescheiden, verstrekken van informatie over zieke werknemer aan arbodienst.





Informatieverplichtingen aan derden: afbakening administratieve lasten vs. inhoudelijke nalevingskosten

De ervaringen van de afgelopen jaren hebben laten zien dat het bij informatieverplichtingen aan derden soms moeilijk is om te bepalen of de kosten van een verplichting nu moeten worden geschaard onder het begrip administratieve lasten of behoren tot het begrip inhoudelijke nalevingskosten. Dit komt voort uit een verschil in functionaliteit tussen informatieverplichtingen aan de overheid en informatieverplichtingen aan derden.


Informatieverplichtingen aan de overheid hebben primair als doel de overheid in staat stellen om de naleving van inhoudelijke verplichtingen te monitoren en te controleren en daarmee input te leveren voor de werkprocessen van de overheid. Bijvoorbeeld, de informatie die wordt overgedragen bij de aanvraag van een vergunning stelt de overheid in staat om te controleren of de aanvrager voldoet aan de inhoudelijke criteria voor het verlenen van de vergunning.
Informatieverplichtingen aan derden kennen een geheel andere functionaliteit. Bij informatieverplichtingen aan derden wordt niet de overheid geïnformeerd maar bijvoorbeeld de consument of de patiënt of een werknemer of een ander bedrijf. Daarbij gaat het vaak direct om het beschermen van de belangen van deze derden ofwel het publieke doel zelf. Bijvoorbeeld, bij productinformatie als etikettering van kinderspeelgoed gaat het om het beschermen van het kind. Of ingeval van de medische bijsluiter wordt de patiënt gewezen op mogelijke risico’s.
Onderstaand zijn een tweetal spelregels weergegeven hoe om te gaan met informatieverplichtingen aan derden:


  • De kosten die samenhangen met informatieverplichtingen aan bestuursorganen, zelfstandige bestuursorganen of rechtspersonen met een wettelijke taak behoren te allen tijde te worden geschaard onder het begrip administratieve lasten.


Voorbeelden van organisaties met een wettelijke taak:

Departementen, Gemeenten, maar ook Kamers van Koophandel, Kadaster, Auteursrechtorganisaties, Autoriteit Consument en Markt (voormalig NMa), etc.




  • In alle overige gevallen geldt dat wanneer een wettelijke (informatie)verplichting aan derden direct gericht is op het realiseren van een inhoudelijk doel (veilige werksituatie, schoon milieu, productinformatie, etc.), er sprake is van een inhoudelijke verplichting. Daarbij valt te denken aan de financiële bijsluiter, het beprijzen van producten, de verplichting om etiketten op producten aan te brengen en het factureren. De kosten die gemoeid zijn met de naleving van deze verplichting worden dan tot de inhoudelijke nalevingskosten gerekend. De kosten die gemoeid zijn met het verstrekken van informatie over de wijze waarop/mate waarin de inhoudelijke verplichtingen zijn nageleefd zijn dan de kosten van de informatieverplichtingen (ofwel de administratieve lasten).


Voorbeeld van inhoudelijke verplichtingen en informatieverplichtingen aan derden langs deze lijn:

De Arbowet stelt eisen aan industriële bedrijven gericht op veiligheid op de werkplek. Om een veilige werkplek te realiseren wordt bijvoorbeeld voorgeschreven dat de werkgever ervoor moet zorgen dat:



  • Dat werknemers een helm dragen op het terrein

  • Dat ze bij bepaalde werkzaamheden handschoenen en een bril dragen

  • Dat bepaalde medewerkers (bijvoorbeeld die zijn aangewezen als bedrijfshulpverleners) kunnen beschikken over materieel om hun taak uit te kunnen voeren

  • Dat bepaalde gevaarlijke plekken met een opvallende aanduiding worden aangegeven

  • Dat vluchtroutes duidelijk en herkenbaar worden aangegeven

Alle kosten die met de naleving van deze verplichtingen zijn gemoeid worden tot de inhoudelijke nalevingskosten gerekend. Als het bedrijf daarnaast de verplichting heeft om informatie (aan de overheid) te verstrekken over de wijze waarop en mate waarin deze verplichtingen in het bedrijf zijn vormgegeven en worden nageleefd (bijvoorbeeld in een RI&E), dan worden de daarmee gemoeide kosten tot de administratieve lasten gerekend.


2.6.5 Inhoudelijke nalevingskosten

Inhoudelijke nalevingskosten



Inhoudelijke nalevingskosten zijn de directe kosten van naleving van inhoudelijke verplichtingen als gevolg van wet- en regelgeving.

Dit zijn dus de te kwantificeren kosten, waarbij het gaat om de kosten van in wet- en regelgeving vastgelegde specifieke eisen (normen, voorschriften, procedures en dergelijke) met betrekking tot het gedrag van personen en toestanden van gebouwen, productiemiddelen c.q. het proces van productie of dienstverlening, inrichting van de administratie anders dan om direct te voldoen aan informatieverplichtingen aan de overheid, producten en/of diensten.


Business as usual costs, bedrijfsvreemde kosten en de baseline

Juist omdat de inhoudelijke nalevingskosten vaak al zijn verinnerlijkt door het bedrijfsleven en zij lastig te onderscheiden zijn van de “normale” bedrijfskosten, worden hier drie begrippen gehanteerd. Met behulp van deze begrippen wordt het mogelijk om eventuele reducties zichtbaar te maken.





Business as usual costs en bedrijfsvreemde kosten



Business as usual costs zijn alle kosten die het bedrijfsleven (of een burger) maakt op basis van wettelijke inhoudelijke verplichtingen, die ook bedrijfseigen (of in eigen belang) zijn.
Het gaat hier derhalve om kosten met betrekking tot het gedrag van personen en toestanden van gebouwen, productiemiddelen c.q. het proces van productie of dienstverlening, inrichting van de administratie anders dan om direct te voldoen aan informatieverplichtingen, producten en/of diensten.
Bijvoorbeeld, ingeval van de Wet Vervoer Gevaarlijke stoffen is uit eerder onderzoek6 gebleken, dat de met deze wet samenhangende inhoudelijke verplichtingen in belangrijke mate door het relevante bedrijfsleven zijn verinnerlijkt. Ingeval van de wet- en regelgeving betreffende laden/lossen van gevaarlijke stoffen gaat het om minimum vereisten. Gegeven het risico van zware ongevallen is de bedrijfspraktijk niet bedrijfsvreemd, maar bedrijfseigen. In dit geval zijn de business as usual costs gelijk aan de totale inhoudelijke nalevingskosten en is er geen sprake van Bedrijfsvreemde kosten.
Bedrijfsvreemde kosten zijn alle kosten die het bedrijfsleven (of een burger) maakt op basis van wettelijke inhoudelijke verplichtingen, die bedrijfsvreemd (of niet in eigenbelang) zijn. Ook wel verder aangeduid als bedrijfsvreemde inhoudelijke nalevingskosten.
Eerder genoemd pilotonderzoek heeft ook een voorbeeld opgeleverd over bedrijfsvreemde kosten. De wettelijke legitimatieplicht bij werk houdt in dat iedereen in Nederland zich tijdens het werk moet kunnen legitimeren met een geldig identiteitsbewijs. De werkgever is verplicht de identiteit van de werknemer te controleren. Uit het onderzoek bleek dat uitzendbureaus, ingeval deze identificatieplicht niet zou bestaan, de hieraan verbonden activiteiten niet meer zouden uitvoeren omdat ze als bedrijfsvreemd worden gezien. In dit geval zijn de bedrijfsvreemde kosten gelijk aan de totale inhoudelijke nalevingskosten.7
De activiteiten die leiden tot de bedrijfsvreemde kosten kunnen nog worden onderverdeeld naar:


    - activiteiten, die volledig kunnen worden geschrapt of waarbij besparingen gerealiseerd kunnen worden door een andere invulling van de wettelijke verplichtingen (bijv. goedkopere materialen) zonder het betrokken publieke doel ter discussie te stellen (efficiëntie component);

    - activiteiten, die deels wel en deels niet kunnen worden geschrapt of waarbij besparingen gerealiseerd kunnen worden door een andere invulling van de wettelijke verplichtingen zonder het betrokken publieke doel ter discussie te stellen (efficiëntie en politieke component), en;

    - activiteiten die in het geheel niet kunnen worden geschrapt of waarbij besparingen gerealiseerd kunnen worden door een andere invulling van de wettelijke verplichtingen zonder dat het betrokken publieke doel daarmee gevaar loopt (c3: politieke component). Het schrappen van de onderliggende wettelijke verplichting vergt immers een politiek besluit.8

Samenvattend: de inhoudelijke nalevingskosten bestaan uit business as usual costs en bedrijfsvreemde kosten. Figuur 2 geeft de situaties weer die zich in de praktijk voordoen bij bedrijven.


Figuur 5: Opbouw van de inhoudelijke nalevingskosten van wet- en regelgeving





Base line


Het derde begrip is de base line (zie figuur 5).
Met de base line wordt bedoeld, de denkbeeldige lijn die kan worden getrokken om de business as usual costs en de bedrijfsvreemde kosten te onderscheiden. De base line is het startpunt voor reductievoorstellen.
De kosten boven de base line worden beschouwd als bedrijfsvreemde kosten voor het bedrijfsleven als gevolg van inhoudelijke verplichtingen. De kosten onder de base line zijn de business as usual costs. De base line is daarmee in beginsel het startpunt voor het formuleren van realistische reductievoorstellen.


  1   2   3   4   5   6   7


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina