Handleiding betreft: bosbeheerplannen, kapmachtigingen en andere machtigingen voor beheerwerken in bos



Dovnload 0.82 Mb.
Pagina12/23
Datum22.07.2016
Grootte0.82 Mb.
1   ...   8   9   10   11   12   13   14   15   ...   23
Beheerdoelstellingen

  1. Beheerdoelstellingen m.b.t. de economische functie

Richtcijfers in verband met de gemiddelde jaarlijkse aanwas zijn terug te vinden in onderstaande tabel.


Gemiddelde jaarlijkse aanwas van enkele boomsoorten in België (bron: Bemelmans, 1991 (14)).

Boomsoort

Gemiddelde jaarlijkse aanwas (m³/ha/jaar)

Eik

2 – 3

Beuk

3 – 5

Amerikaanse eik

4 – 8

Populier

10 – 15

Fijnspar

12

Douglas

18

In Wallonië bedraagt de aanwas de laatste 10 jaar in de eikenbestanden gemiddeld 4,8 m³/ha/jaar (Rondeux et al., 1998 (15)). Bij de beuk bedraagt de aanwas gemiddeld 6 m³/ha/jaar (Rondeux et al., 1997 (16)). Vergelijking van deze cijfers met de gegevens vermeld in bovenstaande tabel duidt reeds op de foutenmarge die op deze gemiddelde waarden kan rusten.


Gezien de boomsoortensamenstelling in het Vlaamse Gewest ligt de gemiddelde jaarlijkse aanwas in Vlaanderen waarschijnlijk lager dan 7,5 m³/ha/jaar, hoewel er ook hier veel onzekerheid over bestaat. Bij populier liggen de aanwassen tussen 10 m³/ha/jaar voor de oude klonen en 20 m³/ha/jaar voor de snelst groeiende klonen Boelare en Beaupré (bron INBO).

De aanwas bij Grove den in de Kempen schommelt tussen 5 en 11 m³/ha/jaar (8 opnames); bij Corsicaanse den tussen 15 en 21 m³/ha/jaar (2 waarnemingen). Loofhoutbestanden in de leem- en zandleemstreek vertonen aanwassen tussen 8 en 13 m³/ha/jaar (6 metingen).


Globaal genomen wordt de gemiddelde jaarlijkse aanwas voor alle bossen in Vlaanderen geraamd op 5 m³/ha/jaar.
In elk geval wil het Agentschap voor Natuur en Bos op een duurzame manier bijdragen in de zelfvoorzieningsgraad. ANB streeft op de terreinen in eigen beheer naar een gemiddeld jaarlijks kapkwantum van 4 m³/ha/jaar17. Naargelang meer en betere informatie beschikbaar komt, kan deze productiedoelstelling aangepast worden. In de beheerplannen kan de productiedoelstelling per bos verfijnd worden aan de hand van lokale gegevens.
Inhoud:

Op niveau van het bos worden hierbij volgende vragen gesteld:



  • Welke houtsortimenten en -kwaliteit worden op lange termijn nagestreefd? Welke implicaties heeft deze keuze voor de geplande beheerwerken?

    • Overzicht van de sortimenten hout (brandhout, industriehout, zaaghout of fineerhout) die de bosbeheerder verwacht geoogst te worden de komende 20 jaar, met aanduiding van de bestanden.

  • Is het kapkwantum kleiner dan aanwas?

  • Verwijzing naar de uitgangssituatie bv. als er dunningsachterstand is, kan daarom de eerste jaren (of gedurende de komende 20 jaar) het kapkwantum groter zijn dan de aanwas.

Richtlijn:



    • In een 'normaal' bos met een evenwichtige leeftijdsopbouw mag het kapkwantum niet hoger zijn dan de aanwas. Tenzij om volgende redenen:

  • Wegwerken van dunningsachterstand.

    • Creëren van open plekken.

    • Omvormen van homogene bestanden van exoten.

    • Eindkappen in oude beukenbossen.

    • In jonge bossen is volume opbouw en in oudere bossen is volume afbouw de regel.

    • In de ruimtelijk kwetsbare gebieden wordt omvorming van bestaand bos naar korteomloophoutteelt niet toegestaan. (Buiten de ruimtelijk kwetsbare gebieden wordt omzetten van bestaand bos naar korteomloophoutteelt beschouwd als ontbossing.)



Criteria duurzaam bosbeheer:

Indicator 3.2.2: In bossen of delen van bossen waarvoor geen specifieke doelstellingen gelden rond het behoud en bevorderen van biologische diversiteit of sociaal-recreatieve argumenten moet een zeker voorraadpeil gehandhaafd worden door een evenwicht te bewaren tussen houtoogst en aanwas.

Indicator 3.3.1: De bosbeheerder kiest een boomsoortensamenstelling die steeds standplaatsgeschikt is. In geval van kunstmatige of gecombineerde verjonging kiest hij steeds voor de door het Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer aanbevolen herkomsten, voor zover die beschikbaar zijn.


              1. Beheerdoelstellingen m.b.t. de ecologische functie

Inhoud:


Korte bespreking op niveau van het bos van o.a.:

  • Welke oppervlakte krijgt een aangepast beheer t.b.v. natuurontwikkeling, wat is het aandeel open plekken?

  • Welke oppervlakte zal omgevormd worden, welk aandeel van welke inheemse soorten wordt nagestreefd, hoeveel dood hout wordt nagestreefd? Welke oppervlakte van het bos zal aan het einde van de beheerplantermijn inheems en gemengd zijn?

  • Welke kleine natuurelementen (bv. poelen) worden behouden/hersteld?

  • Hoe is het beheer aangepast aan de doelstellingen uit het natuurrichtplan (bv. verwijzen naar de natuurdoeltypes en de gebiedsvisie in het NRP)?

  • Voor speciale beschermingszones: indien er voor het aangemelde gebied nog geen natuurrichtplan werd opgemaakt:

    • Hoe wordt mogelijke betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de SBZ vermeden

    • Hoe is het beheer aangepast aan het behoud en de uitbreiding van de habitats en soorten waarvoor het gebied werd aangemeld en aan de bepalingen uit andere speciale beschermingszones (bv. is de gunstige staat van instandhouding van habitatsoorten verzekerd, link met de Instandhoudingsdoelstellingen)

Richtlijn:



  • in SBZ: de beheerdoelstellingen zijn geformuleerd rekeninghoudend met behoud en uitbreiding van de habitats en soorten waarvoor het gebied werd aangemeld

  • Voor alle homogene kaprijpe bestanden moet er een omvormingsplan zijn

  • Ten minste 20% van de totale bosoppervlakte moet bestaan uit of in omvorming zijn naar gemengde bestanden op basis van inheems en standplaatsgeschikte soorten. In openbare bossen wordt op (zeer) lange termijn gestreefd naar 80% inheemse soorten.

  • De bosbeheerder moet streven naar het verkrijgen van meer dood hout, op termijn 4% van het totaal bestandsvolume. Indien de uitgangssituatie zo slecht is, volstaat een verdubbeling van de hoeveelheid dood hout binnen de planperiode

  • CDB: minimaal 5 % van de totale oppervlakte krijgt een aangepast beheer in functie van natuurbehoud. Dit omvat (bos)natuurdoeltypes, struwelen, halfopen ruimtes, bosranden en permanente open plekken.

  • In openbare bossen wordt de eigenaar aangemoedigd de norm van de Beheervisie voor Openbare Bossen te hanteren: 5% tot 15% van de totale bosoppervlakte beheren als permanente open plek en/of overgangssituaties (mantel- en zoomvegetaties, en struwelen). M.a.w. men is niet verplicht open plekken te creëren, ook niet wanneer het bos gelegen is in VEN.

  • Bij het beoordelen van de doelstellingen m.b.t. het creëren van open plekken in het bos worden volgende elementen afgetoetst (zie ook § 4.8. en ANB-richtlijn 2006/04 ‘criteria voor het creëren van open plekken in het bos en voor het beheer van bestaande open plekken in het bos):




  • Zijn de doelstellingen conform met het beschermingsstatuut?

De voorgestelde doelstellingen m.b.t. het creëren van open plekken moeten verenigbaar zijn met of in functie van het beschermingsstatuut van het gebied (Speciale beschermingszones, beschermd landschap,…) en met de zakelijke en persoonlijke rechten (erfdienstbaarheden, overeenkomsten,…). Zie punt 1.1 en 1.7.


  • Wordt de vooropgestelde doelstelling m.b.t. natuurbehoud gehaald?

Zie hierboven: 5% norm

Het creëren van nieuwe open plekken om te voldoen aan deze norm is slechts verantwoord als uit het doorlopen van het volledige afwegingskader (zie onder 4.8) blijkt dat bijkomende open plekken leiden tot een belangrijke ecologische meerwaarde. Als dit niet het geval is, kan de norm van 5-15% gerealiseerd worden op basis van bosnatuurdoeltypes, mantel- en zoomvegetaties, en struwelen.




  • Zijn de beoogde doelstellingen realistisch en zinvol ?

Zowel voor de bestaande open plekken die in het beheerplan worden opgenomen, als voor de te creëren open plekken moeten duidelijke en realistische doelstellingen geformuleerd worden, in overeenstemming met de ecologische randvoorwaarden van de locatie.

Criteria duurzaam bosbeheer:

Indicator 3.3.1: De bosbeheerder kiest een boomsoortensamenstelling die steeds standplaatsgeschikt is. In geval van kunstmatige of gecombineerde verjonging kiest hij steeds voor de door het Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer aanbevolen herkomsten, voor zover die beschikbaar zijn.

Indicator 4.1.1: Bij beslissingen over het beheer en gebruik van het bos is uitdrukkelijk rekening gehouden met de ecologische functies van het bos en dit tevens in relatie met zijn omgeving.

Indicator 5.2.1: Ten minste 20% van de totale oppervlakte van het bos moet bestaan uit of in omvorming zijn naar gemengde bestanden op basis van inheemse en standplaatsgeschikte boomsoorten binnen een bosbouwtechnische verantwoorde termijn. Indien het streefdoel van 20% nog niet gerealiseerd is, blijkt uit het beheerplan hoe en wanneer het bereikt zal worden.

Indicator 5.2.2: De bosbeheerder beschikt over een omvormingsplan voor alle homogene aanplantingen van populier, fijnspar, en andere niet-inheemse boomsoorten.

Indicator 5.3.2: Bij het beheer van het bos worden kansen geboden, maximaal rekening houdend met natuurontwikkeling en dat minimaal voor 5% van de totale oppervlakte onder beheerplan. Dit gebeurt bij voorkeur in die bestanden met een reeds aanwezige of potentiële natuurwaarde. Aangepast beheer van open plekken en bosranden komen eveneens in aanmerking. Eerst wordt een streefbeeld met natuurdoeltypen in het beheerplan vooropgesteld. Vervolgens wordt in een planning aangegeven hoe dat streefbeeld gerealiseerd kan worden. Voor bossen sluit dit streefbeeld zo goed mogelijk aan bij de natuurlijke bosgemeenschap van die plaats, of de potentieel natuurlijke vegetatie. Economisch waardevolle bosproducten kunnen ten gevolge van dit beheer worden gevaloriseerd indien dit de soortensamenstelling en structuur niet noemenswaardig beïnvloedt.

Indicator 5.3.3: De bosbeheerder streeft naar het verkrijgen van meer dood hout in het bos. In het beheerplan staan concrete beheerrichtlijnen vermeld, die gericht zijn op het verkrijgen van meer dood hout in het bos, afhankelijk van de natuurlijke bestandsontwikkeling: bv. snoeihout wordt niet verwijderd; staande of liggende holle of dode bomen die geen gevaar opleveren voor voorbijgangers of voor het verspreiden van ziekten of brand blijven behouden, bij catastrofes of niet-besmettelijke aantastingen worden niet alle getroffen bomen verwijderd, hoogdunning wordt toegepast of wegkwijnende bomen die geen concurrentie betekenen voor potentiële toekomstbomen worden niet verwijderd, wortelkluiten van omgewaaide bomen worden niet systematisch verwijderd en opgevuld. De evolutie van het volume dood hout wordt expliciet gevolgd. Bij planning en uitvoering wordt aandacht besteed aan waarden zoals veiligheid, fytosanitaire conditie en risico’s, en natuurbeleving.



              1. Beheerdoelstellingen m.b.t. de sociale en educatieve functie

Inhoud:


Volgende vragen worden hierbij beantwoord:

  • Wordt het bos opengesteld?

  • Worden wandel- en/of fietsroutes afgestemd op bestaande routes?

  • Komen speelzones voor in het bos? Welke oppervlakte?

  • Worden op regelmatige basis excursies of activiteiten met een sociale of educatieve functie georganiseerd?

  • Wordt toegankelijkheid aangepast omdat het bosdomein gelegen is in speciale beschermingszones? Zo ja, op welke punten?

  • verwijzing naar toegankelijkheidsreglement en bebordingsplan


Criteria duurzaam bosbeheer:

Indicator 2.1.4: Het beheer van bossen moet aandacht hebben voor het recreatief medegebruik en moet de selectieve bostoegankelijkheid voor het publiek stimuleren. Het bos kan toegankelijk gesteld worden voor het publiek op een manier die de ecologische functievervulling niet in het gedrang brengt en die verstoring - zowel in de tijd als in de ruimte - beperkt en zo nodig uitsluit.

Indicator 2.2.1: De beheerdoelstellingen en -maatregelen voor bossen of delen van bossen met grote sociale of educatieve betekenis zijn uitdrukkelijk afgestemd op de specifieke waarden en potenties.


              1. Beheerdoelstellingen m.b.t. de milieubeschermende functie

Inhoud:


  • Deze rubriek heeft betrekking op bossen die omwille van hun ligging of in samenstelling een uitgesproken rol vervullen o.m. voor de bescherming van waterwinningsgebieden, de erosiebestrijding, de regulering van het debiet der waterlopen, de klimaatregeling, de waterzuivering of voor de afscherming van zones die het leefmilieu belasten.

  • Korte bespreking waarbij rekening wordt gehouden met de ligging van andere groene domeinen (punt 1.3 en 1.4.2). Zo kan een bosdomein gelegen tussen een landbouwgebied/woonkern en een natuurgebied beschouwd worden als buffer voor het natuurgebied.




              1. Beheerdoelstellingen m.b.t. de wetenschappelijke functie

Inhoud:


  • Korte bespreking op niveau bos van o.a. zaadbronnen van autochtone bomen en struiken, erkende zaadbestanden, proefbestanden, samenwerking met wetenschappelijke instellingen.

  • Zijn er bestanden aangeduid als integraal bosreservaat?


Criteria duurzaam bosbeheer:

Indicator 2.2.1: De beheerdoelstellingen en -maatregelen voor bossen of delen van bossen met grote wetenschappelijke betekenis zijn uitdrukkelijk afgestemd op de specifieke waarden en potenties.


1   ...   8   9   10   11   12   13   14   15   ...   23


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina