Handleiding betreft: bosbeheerplannen, kapmachtigingen en andere machtigingen voor beheerwerken in bos



Dovnload 0.82 Mb.
Pagina13/23
Datum22.07.2016
Grootte0.82 Mb.
1   ...   9   10   11   12   13   14   15   16   ...   23
Beheermaatregelen

  1. Bosverjonging

Inhoud:


  • Welke bestanden worden wanneer verjongd? Welke boomsoort?

  • Zal de bosverjonging gebeuren door natuurlijke verjonging of door kunstmatige verjonging, of combinatie van beiden?

  • Bij kunstmatige verjonging: In welke mate zal er gebruik gemaakt worden van autochtoon plantmateriaal? van aanbevolen herkomsten?

Richtlijn:

Verjongingswijze:


  • In principe wordt waar mogelijk (voldoende kwaliteit en kwantiteit) en zinvol (standplaatsgeschikt, kwalitatief goed uitgangsmateriaal) gekozen voor natuurlijke verjonging.

  • Indien 5 jaar na de eindkap blijkt dat de natuurlijke verjonging onvoldoende is, moet toch beplant worden met de nagestreefde boomsoorten.

  • De kunstmatige verjonging kan uitgevoerd worden tot 3 jaar na de eindkap. Dit wordt expliciet in het beheerplan opgenomen, zo niet wordt het als voorwaarde in het goedkeuringsbesluit opgenomen.

Boomsoortenkeuze:



  • Bij de keuze van de boomsoorten wordt steeds het standstill-principe toegepast. Dit betekent dat inheemse boomsoorten niet mogen vervangen worden door exoten, en inheemse loofboomsoorten niet door naaldboomsoorten en dat homogene bestanden ondergeschikt zijn aan gemengde bestanden. (Bij het beoordelen van het bosverjongingsplan moet natuurlijk ook al rekening gehouden worden met de minimumnorm voor bosomvorming conform de CDB: zie 4.2)




Boomsoort

Inheems loofhout

Niet-inheems loofhout

Inheems naaldhout

Niet-inheems naaldhout

Vervangen door :

Inheems loofhout















Vervangen door :

Inheems naaldhout






Vooral in het kader van bestrijding van agressieve exoten







Vervangen door :

Niet-inheems loofhout












Indicator 5.1.1:

Aanplanten van agressieve

exoten is uitgesloten


Vervangen door :

Niet-inheems naaldhout















Voor een overzicht van de inheemse boomsoorten in Vlaanderen wordt voorlopig verwezen naar de bijlages I en III bij het BVR 27 juni 2003 betreffende de subsidiëring van beheerders van openbare en privé-bossen. Een ANB-instructie met een lijst van inheemse soorten, informatie ivm standplaatsgeschiktheid van boom- en struiksoorten en aanplantingsadvies ivm al of niet aanwezig zijn van autochtoon plantmateriaal is in opmaak.


  • In het VEN is aanplant van exoten is verboden, tenzij na bekomen van een VEN-ontheffing of voorzien in een goedgekeurd bosbeheerplan :

    • In openbaar bos wordt heraanplanting met exoten in principe niet toegestaan. Uitzonderingen zijn mogelijk mits grondige motivering en mits dit gebeurt conform de Beheervisie voor openbare bossen. Zo kan bijvoorbeeld op arme zandgronden in de Kempen op maximaal 20% van de oppervlakte binnen het beheerplan exoot na exoot aangeplant worden.

    • In privé-bos kan heraanplanting van exoten conform de CDB toegestaan worden:

      • Na kaalkap van populier is het heraanplanten van populier met behoud of aanleg van onderetage van inheemse soorten mogelijk

      • Bij kaalkap van exoten gevolgd door heraanplanting met een exoot moet er 30% bijmenging zijn met inheemse soorten.

  • Een goedgekeurd Natuurrichtplan kan verdere beperkingen in de soortkeuze opleggen.

  • Volgens de CDB is het gebruik van standplaatsgeschikte soorten verplicht. Dit wordt bepaald op basis van de PNV (potentieel natuurlijke vegetatie).

  • Het gebruik van ‘streekeigen’ soorten wordt in principe niet als voorwaarde opgelegd, tenzij dit zou opgelegd worden via een natuurrichtplan, of in het bindende advies van OE.

  • Het gebruik van autochtoon bosplantsoen is niet verplicht, maar wordt gestimuleerd via de subsidies voor bosbeheerders.

  • Het gebruik van aanbevolen herkomsten is verplicht, voor zover die beschikbaar zijn.

Plantafstand:



  • Om bosbehoud te kunnen verzekeren worden een minimaal aantal boompjes per hectare aangeplant in een maximaal plantverband. Deze minimale aantallen of maximaal plantverband variëren naargelang de boomsoort (zie onderstaande tabel) en zijn dezelfde als voor het verkrijgen van een subsidie voor herbebossing en bebossing.

Voor de productie van kwaliteitshout wordt aangeraden om in een nauwer plantverband te planten.


Boomsoort

Minimum aantal per ha

Maximaal plantverband

Zomereik (Quercus robur)

2000

2m x 2.5m

Wintereik (Quercus petraea)

2000

2m x 2.5m

es (Fraxinus excelsior)

1600

2.5m x 2.5m

beuk (Fagus sylvatica)

1600

2.5m x 2.5m

zoete kers (Prunus avium)

1600

2.5m x 2.5m

Haagbeuk (Carpinus betulus)

2000

2m x 2.5m

linde (Tilia cordata, Tilia platyphyllos en Tilia x vulgaris)

2000

2m x 2.5m

zwarte els (Alnus glutinosa)

2000

2m x 2.5m

berk (Betula pendula en Betula pubescens)

2000

2m x 2.5m

olm (Ulmus glabra (syn. U. scabra), Ulmus minor(syn. U. campestris))

2000

2m x 2.5m

gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus )

1600

2.5m x 2.5m

wilg (Salix spp.)

2000

2m x 2.5m

ratelpopulier (Populus tremula)

1600

2.5m x 2.5m

grauwe abeel (Populus canescens)

123

9m x 9m

grove den (Pinus sylvestris)

2500

2m x 2m

vlier (Sambucus nigra), lijsterbes (Sorbus aucuparia), hazelaar (Corylus avellana), vuilboom (Frangula alnus), Gelderse roos (Viburnum opulus), kardinaalsmuts (Euonymus europaeus), rode kornoelje (Cornus sanguinea), vogelkers (Prunus padus), Spaanse aak (Acer campestre), meidoorn (Crataegus spp.), sleedoorn (Prunus spinosa), wilde rozen (Rosa spp.), hulst (Ilex aquifolium), wegedoorn (Rhamnus catharticus), duindoorn (Hippophae rhamnoides), wilde appel (Malus sylvestris), wilde peer (Pyrus pyraster), mispel (Mespilus germanica), taxus (Taxus baccata), jeneverbes (Juniperus communis), fladderiep (Ulmus laevis)

2000

2m x 2.5m




  • Voor wilg, populier en olm kan na advies van het INBO afgeweken worden van de in de tabel vermelde plantafstanden

  • Voor de soorten niet opgenomen in de lijst worden volgende maximale plantafstanden opgelegd: 2.5 m x 2.5 m voor inheems loofhout en lork, 2 m x 2 m voor ander naaldhout, 10 m x 10 m voor cultuurpopulier.

  • Kleine variaties van het maximaal plantverband met behoud van het minimum aantal per ha kunnen toegestaan worden in functie van de mogelijkheid voor machinaal vrijstellen.

  • Deze maximale plantafstand kan eventueel groter zijn bij gebruik van groot plantsoen als er tussen het plantsoen voldoende natuurlijke verjonging of opslag van struiken en hakhout is.


Bemesting is niet toegestaan. Startbemesting met stalmest in de plantput bij verjonging met veeleisende boomsoorten op zure en/of arme bodems is wel toegestaan, namelijk voor beuk, zomereik, boskers, es, linde, haagbeuk, wintereik, olm. Na voorafgaand bodemonderzoek is bodemverbetering mogelijk bij voorbeeld door startbemesting in de plantput of een vlaksgewijze bemesting.
Criteria duurzaam bosbeheer:

Indicator 3.1.2: De bosbeheerder behoudt de natuurlijke productiecapaciteit van de bosbodem door een aangepast bosbeheer (bijvoorbeeld door de boomsoortenkeuze, het nastreven van voldoende mengingsgraad). Zo wordt bodembewerking tot een minimum beperkt. Bij gedegradeerde bosbodems zijn herstelmaatregelen mogelijk na voorafgaand bodemonderzoek.

Indicator 3.1.3: De bosbeheerder tracht de mineralenkringloop in zijn bos zo veel mogelijk te sluiten door zowel verliezen als importen te beperken. Bemesting (aanrijking met nutriënten) is niet toegestaan wegens het risico van eutrofiëring, grondwatervervuiling en wijzigingen in de kruidenlaag. Startbemesting met stalmest in de plantput bij verjonging met veeleisende boomsoorten is wel toegestaan.

Indicator 3.3.1: De bosbeheerder kiest een boomsoortensamenstelling die steeds standplaatsgeschikt is. In geval van kunstmatige of gecombineerde verjonging kiest hij steeds voor de door het INBO aanbevolen herkomsten, voor zover die beschikbaar zijn.

Indicator 3.3.3: De bosbeheerder stelt voor zijn bos een verjongingsplan op dat in tijd en ruimte moet leiden tot een gevarieerde bosstructuur en opbouw.

Indicator 5.1.1: De bosbeheerder houdt bij de bosbedrijfsvoering rekening met het zorgprincipe en het standstill-principe, toegepast op de biologische diversiteit. Standplaatsen met een van nature rijke boomsoortensamenstelling mogen in geen geval worden vervangen door uniforme bestanden of door een andere vorm van bodemgebruik. Aanplanten van agressieve exoten is uitgesloten. Het omvormen van bossen van inheemse loofboomsoorten naar homogene bossen van fijnspar, populier, andere niet-inheemse soorten en grove dennen is uitgesloten.

Indicator 5.3.1: De bosbeheerder kiest bij het beheer van het bos waar mogelijk (voldoende kwaliteit en kwantiteit) en zinvol (standplaatsgeschikt, kwalitatief goed en aangepast uitgangsmateriaal), in principe voor natuurlijke verjonging. Voor bebossingen komt kunstmatige aanplanting in aanmerking.


              1. Bosomvorming

Definitie gemengd inheems bestand: (volgt uit CDB)

Een gemengd inheems bestand bestaat uit minimum 2 verschillende inheemse boomsoorten die samen minimum 90% van het bestandsgrondvlak innemen. Bovendien mag 1 inheemse boomsoort maximum 80% van het bestandsgrondvlak innemen of maximum 80% van het stamtal voor bestanden jonger dan 30 jaar.
Inhoud:


  • Welke bestanden worden wanneer omgevormd? Van welke boomsoort naar welke boomsoort? Hoe? Kaalslag, blijven dunnen, inbrengen van verjongingsgroepen, onderplanten, ... .

Richtlijn:




  • Bij bosomvorming wordt steeds het standstill-principe gerespecteerd.

  • De voorkeur wordt gegeven aan natuurlijke verjonging. Indien gekozen wordt voor kunstmatige verjonging, moeten de boomsoorten standplaatsgeschikt zijn.

  • Minstens 20% van de totale oppervlakte van het bos moet bestaan uit of in omvorming zijn naar gemengde bestanden op basis van inheemse en standplaatsgeschikte boomsoorten. Dit alles binnen een bosbouwtechnische verantwoorde termijn. Indien het streefdoel nog niet is gerealiseerd, blijkt uit het beheerplan hoe en wanneer het bereikt zal worden. (cf. CDB)

  • Voor openbare bossen: stimuleren om, in overeenstemming met de Beheervisie Openbare bossen, op (lange) termijn te streven naar 80% gemengde, inheemse bestanden op basis van standplaatsgeschikte boomsoorten. De doeltypes sluiten zo goed mogelijk aan bij de potentieel natuurlijke vegetatie. Een kaart met de potentieel natuurlijke vegetatie wordt gegeven onder punt 2.3.3.

  • Omvorming van exotenbestanden:

Voor alle kaprijpe bestanden van populier, fijnspar, en andere niet-inheemse boomsoorten wordt een omvormingsplan opgemaakt. Indien al meer dan 20% van de totale oppervlakte van het bos in het beheerplan inheems is, moet er in deze exotenbestanden toch op lange termijn minstens 30% inheems loofhout ingebracht worden. Hierbij zal ANB wel enige flexibiliteit hanteren bij de interpretatie van het begrip ‘bestand’ (vooral bij kleine bestanden). Bij toepassing van de toekomstboommethode is het niet nodig dat 30% van de toekomstbomen inheems zijn. De inheemse soorten mogen in de begeleidende bomen te vinden zijn.

  • Exotenbestanden die de komende 20 jaar nog niet kaprijp zijn, moeten niet opgenomen worden in het omvormingsplan. Natuurlijke verjonging van inheemse soorten wordt wel behouden en de dunningen worden uitgevoerd met het oog op het ontstaan en behouden van een onderetage van inheemse soorten.

  • Het omvormingsplan moet conform het natuurrichtplan zijn. Als het natuurrichtplan niet-bos vooropstelt: zie punt I.2.4.

  • In populierenbestanden wordt een onderetage van inheems loofhout opgebouwd en inheemse houtige gewassen worden behouden. De onderetage mag als hakhout worden beheerd met populier als bovenstaanders (soort middelhout).

  • In andere niet-inheemse bestanden wordt gestreefd naar bestanden waarvan 30% van de bedekkingsgraad of het grondvlak wordt ingenomen door inheemse loofbomen. In een eerste fase mogen in die 30% ook onderstandige bomen en de onderetage worden meegerekend. Het is de bedoeling na verloop van tijd te komen tot 30% inheemse loofbomen in de opperetage.



Criteria duurzaam bosbeheer:

Indicator 3.3.1: De bosbeheerder kiest een boomsoortensamenstelling die steeds standplaatsgeschikt is. In geval van kunstmatige of gecombineerde verjonging kiest hij steeds voor de door het Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer aanbevolen herkomsten, voor zover die beschikbaar zijn.

Indicator 5.1.1: De bosbeheerder houdt bij de bosbedrijfsvoering rekening met het zorgprincipe en het standstill-principe, toegepast op de biologische diversiteit. Standplaatsen met een van nature rijke boomsoortensamenstelling mogen in geen geval worden vervangen door uniforme bestanden of door een andere vorm van bodemgebruik. Aanplanten van agressieve exoten is uitgesloten. Het omvormen van bossen van inheemse loofboomsoorten naar homogene bossen van fijnspar, populier, andere niet-inheemse soorten en grove dennen is uitgesloten.

Indicator 5.2.1: Ten minste 20% van de totale oppervlakte van het bos moet bestaan uit of in omvorming zijn naar gemengde bestanden op basis van inheemse en standplaatsgeschikte boomsoorten binnen een bosbouwtechnische verantwoorde termijn.

Norm voor inheemse bestanden: Inheemse boomsoorten nemen minstens 90% van het bestandsgrondvlak in.

Norm voor gemengde bestanden: Bestanden zijn gemengd zodra er minstens 2 verschillende boomsoorten aanwezig zijn en de hoofdboomsoort 80% of minder van het bestandsgrondvlak inneemt, of 80% van het totale stamtal voor bestanden jonger dan 30 jaar.

Indicator 5.2.2: De bosbeheerder beschikt over een omvormingsplan voor alle homogene aanplantingen van populier, fijnspar, en andere niet-inheemse boomsoorten.

Norm populier: Er wordt een onderetage opgebouwd en behouden van verschillende inheemse houtige gewassen. Die mag als hakhout worden beheerd met populier als bovenstaanders (soort middelhout).

Norm andere homogene niet-inheemse bestanden: Er wordt gestreefd naar gemengde bestanden waarvan 30% van de bedekkingsgraad of grondvlak wordt ingenomen door inheemse loofbomen. In een eerste fase mogen in die 30% ook onderstandige bomen en de onderetage worden meegerekend.

              1. Bebossingswerken

Enkel die bebossingswerken, waarvoor al de nodige vergunningen en/of adviezen voor de bebossing verkregen zijn kunnen worden opgenomen in het bosbeheerplan en meegeteld worden voor de subsidiëring voor het opstellen van het bosbeheerplan.


Inhoud:

  • Waar en met welke boomsoort wordt bebost?

  • Inrichting van dreven.

Richtlijn:



  • Zelfde richtlijn als voor 4.1 bosverjonging

  • In de 6 m strook grenzend aan gronden met bestemming agrarisch gebied worden geen bosaanplantingen uitgevoerd (veldwetboek art.35bis, §5), binnen de 2 m worden geen laag- en hoogstammen aangeplant.


Criteria duurzaam bosbeheer:

Indicator 3.1.3: De bosbeheerder tracht de mineralenkringloop in zijn bos zo veel mogelijk te sluiten door zowel verliezen als importen te beperken. Bemesting (aanrijking met nutriënten) is niet toegestaan wegens het risico van eutrofiëring, grondwatervervuiling en wijzigingen in de kruidenlaag. Startbemesting met stalmest in de plantput bij verjonging met veeleisende boomsoorten is wel toegestaan.

Indicator 3.3.1: De bosbeheerder kiest een boomsoortensamenstelling die steeds standplaatsgeschikt is. In geval van kunstmatige of gecombineerde verjonging kiest hij steeds voor de door het Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer aanbevolen herkomsten, voor zover die beschikbaar zijn.

Indicator 5.3.1: De bosbeheerder kiest bij het beheer van het bos waar mogelijk (voldoende kwaliteit en kwantiteit) en zinvol (standplaatsgeschikt, kwalitatief goed en aangepast uitgangsmateriaal), in principe voor natuurlijke verjonging. Voor bebossingen komt kunstmatige aanplanting in aanmerking.


              1. Bosbehandelings- en verplegingswerken

Inhoud:


  • Wanneer worden in welke bestanden welke werken uitgevoerd? Worden maatregelen genomen om schade te vermijden?

Bijv. inboeten, vrijstellen, verwijderen Rododendron, bestrijding Amerikaanse vogelkers, snoei.
Richtlijn:

  • Bij het uitvoeren van beheerwerken wordt schade aan de standplaats en aan het overblijvende bestand (o.a. de verjonging) vermeden, en wordt de verstoring van fauna en flora tot een minimum beperkt.

  • In toepassing van de CDB mogen er geen chemische bestrijdingsmiddelen gebruikt worden. Alleen voor de bestrijding van agressieve exoten (o.a. Amerikaanse vogelkers) mag glyfosaat worden gebruikt wanneer planmatig gewerkt wordt en een mechanisch-chemische bestrijdingsmethode wordt toegepast. Planmatige bestrijding houdt in dat de situatie in de omliggende bossen mee in rekening wordt gebracht. Het heeft geen zin om in een bosdomein Amerikaanse vogelkers te verwijderen als in de omliggende, aansluitende bossen de Amerikaanse vogelkers massaal aanwezig is en ongemoeid wordt gelaten. Daarnaast moet ook nazorg voorzien worden.

  • Afwijkend van de CDB, als overgangsmaatregel, kan het gebruik van bestrijdingsmiddelen tegen roestinfecties bij populier in het VEN aanvaard worden indien voldaan wordt aan volgende voorwaarden:

    • Enkel met een voor roestbestrijding bij populieren gehomologeerd product, in toegelaten dosering en met in achtnemen van de in de homologatie opgelegde toepassingsvoorwaarden (zie www.fytoweb.be)

    • Bijkomende voorwaarden vanuit ANB :

      • Enkel voor populierenbestanden aangeplant vóór de afbakening van het VEN (dit betekent in de meeste gevallen 18/07/2003)

      • Niet in de nabijheid van woningen en voedsel- of voedergewassen

      • Op minstens 10 m afstand van open water




  • In VEN is conform het Natuurdecreet (Art. 25) het gebruik van bestrijdingsmiddelen verboden, tenzij er een individuele of algemene ontheffing wordt verleend. De individuele ontheffing kan verleend worden tegelijkertijd met de goedkeuring van het bosbeheerplan.

  • Indien er een natuurrichtplan is, wordt nagegaan of er geen beperkingen opgelegd worden aan het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen.

  • In openbare bossen gelden bovendien de verplichtingen van het decreet van 31/01/2002 houdende de vermindering van het gebruik van bestrijdingsmiddelen door openbare diensten en het BVR van 19/12/2008. Hier moet het gebruik van bestrijdingsmiddelen voorzien zijn in het reductieplan opgesteld in toepassing van dit decreet.


Criteria duurzaam bosbeheer:

Indicator 3.1.4: Bij exploitatie en beheerwerken wordt schade aan de productiecapaciteit van de standplaats, de bodem, het overblijvend bestand (inclusief verjonging) en verstoring van fauna en flora tot een minimum beperkt.

Indicator 4.3.4: Voor zover dat nog niet wettelijk is geregeld, is het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen niet toegestaan, tenzij het gebruik van glyfosaat voor het bestrijden van niet-inheemse agressieve soorten (onder meer de Amerikaanse vogelkers) in een planmatige en gecombineerde mechanisch-chemische bestrijdingsmethode. Deze uitzondering geldt zolang er geen ecologisch beter verantwoord product of verantwoorde methode met dezelfde efficiëntie beschikbaar is en pas nadat de noodzaak en mogelijke alternatieven vooraf werden overwogen en uitgeprobeerd.

Het gebruik van biologische bestrijdingsmiddelen is toegestaan bij zorgvuldige toepassing en controle, zonder af te wijken van geldende wetgeving of internationaal erkende wetenschappelijke voorschriften.


              1. Kapregeling


Afspraken m.b.t. de benaming van de soorten kappen

  • Eindkap

    • een kaalkap (E) over het volledige bestand,

    • een individuele kapping (Ei): specificaties (bv. boomsoort, aantal te kappen bomen, reden van de individuele kapping) worden vermeld in de kolom 'opmerkingen',

    • een groepsgewijze of zoomsgewijze kapping (Eg(x/y)) over een deel van het bestand. Het deel van het bestand dat gekapt wordt, kan aangegeven worden door x/y.

  • Dunning (X) of facultative dunning (O)

  • Zuivering (Z) Zuiveringen worden uitgevoerd in jonge bestanden die zich in het dichtwasstadium bevinden, dit is vanaf de bestandssluiting tot een gemiddelde omtrek kleiner dan 20 cm. Bij een zuivering worden de slechte exemplaren gekapt.

  • Hakhoutkapping (h)

Inhoud:


De kaptabel is een planningsinstrument, een praktisch hulpmiddel voor de bosbeheerder om een overzicht te hebben van de werken die zullen uitgevoerd worden. De details voor elke kapping en de bindende voorwaarden, indien niet voldoende duidelijk in de kaptabel, worden weergegeven in het beschrijvende gedeelte onder punten 4.1 (bosverjonging), 4.2 (bosomvorming) , 4.5 (kapregeling) en 4.6(bosexploitatie) of eventueel op bestandsfiches. De zgn. ‘marges’, de omschrijving van de periode waarin de kapping mag gebeuren of het maximaal aantal dunningen en de maximale intensiteit ervan moeten expliciet in het beheerplan opgenomen zijn. Als dat niet zo is, kunnen deze voorwaarden ook in het goedkeuringsbesluit opgenomen worden.
Wanneer wordt in welke bestanden gekapt? Soort kap

  • In gemengde bestanden: welke boomsoort wordt behouden of verwijderd?

  • Grootte van de kaalslagen of de groepen.

Richtlijn:



1   ...   9   10   11   12   13   14   15   16   ...   23


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina