Handleiding betreft: bosbeheerplannen, kapmachtigingen en andere machtigingen voor beheerwerken in bos



Dovnload 0.82 Mb.
Pagina14/23
Datum22.07.2016
Grootte0.82 Mb.
1   ...   10   11   12   13   14   15   16   17   ...   23

Eindkapping (kaalkap) :


  • Kaalkap veroorzaakt een grondige verstoring van het bosmicroklimaat en moet dan ook vermeden worden. Groepsgewijze of individuele kapping of schermkap geniet de voorkeur. Alle eindkappingen worden ook nog vermeld in de kapregeling.

  • De maximumoppervlakte voor een kaalkap (E) en voor een groepsgewijze of zoomsgewijze kapping is 1 ha.

  • Bij directe omvorming van een exotenbestand naar een gemengd, inheems bestand of voor de omvorming van een homogeen bestand naar een gemengd meer structuurrijk bestand, kan deze maximumoppervlakte verhoogd worden tot 3 ha

  • Voor de verjonging van een populierenaanplant gevolgd door heraanplanting van populier met een onderetage van inheemse boomsoorten, kan de maximumoppervlakte eveneens opgetrokken worden tot 3 ha, op voorwaarde dat:

    • de heraanplanting gebeurt met verschillende populierenklonen

    • de natuurlijke verjonging van inheemse soorten behouden wordt.

    • Er een bosrand van inheemse soorten of struiksoorten aangelegd wordt

  • Na het uitvoeren van kaalslagen in exotenbestanden, wordt altijd minimum 30% omgezet naar inheems loofhout. Bij kaalkap van populier mag heraangeplant worden met populier als er een onderetage van inheems loofhout behouden wordt of aangeplant wordt.

  • Meerdere kaalkappen verspreid over het bos zijn slechts toegestaan indien de onderlinge afstand minstens 100 m bedraagt.

  • Kaalkappen die op minder dan 100 m van elkaar liggen in eenzelfde bosdomein kunnen slechts uitgevoerd worden met een tussentijd van minstens 3 jaar.

  • Kapbaarheid: Afhankelijk van de geformuleerde beheerdoelstellingen en in functie van de houtmarkt kan de bosbeheerder zelf de ‘kapbaarheid’, meer bepaald de na te streven doeldiameter bepalen.

Bij voorstellen voor extreem vroege kaalkappen (bijv. voor oogst biomassa) wordt onderzocht wat de effecten zijn op de ecologische, landschappelijke en recreatieve waarde van het bos. Bij negatieve impact kan de voorgestelde kap geweigerd worden.

  • Gebruikelijke marges: Een kaalkap kan vanaf het jaar x tot het eind van de looptijd van het beheerplan uitgevoerd worden. Dit mag echter niet leiden tot het groeperen van kaalkappen binnen een periode van 3 jaar. De onderlinge afstand tussen kaalkappen voorzien in 3 opeenvolgende jaren bedraagt steeds minstens 100 m. Deze beperking moet expliciet in het beheerplan of in het goedkeuringsbesluit opgenomen worden. De marges kunnen aangepast (beperkt) worden indien de kaalkap nodig is in het kader van omvorming naar inheems of meer gemengde bestanden.

  • Bomen en struiken die opgenomen zijn in de inventaris van autochtone bomen en struiken mogen niet gekapt worden (zie website www.natuurenbos.be> soortenbeleid> autochtone bomen en struiken)



Groepsgewijze eindkap:


  • Zelfde criteria als voor eindkap. De grootte en/of ligging van de groepen wordt vermeld op de bestandsfiches. Minder flexibiliteit indien in functie van omvorming of natuurwaarden


Individuele eindkap (Ei):


  • Dit symbool wordt niet vaak gebruikt. Dergelijke kap kan ook vaak aanzien worden als een dunning met het selectief verwijderen van bijv. exoten: het is logisch hier de zelfde marges te hanteren als bij een dunning


Dunning:


  • De dunning is een bosbouwkundige maatregel met het doel de kwaliteit van het overblijvende bosbestand te verbeteren. Dunningen die enkel houtoogst tot doel hebben, met degradatie van het bestand tot gevolg kunnen geweigerd worden.



  • Gangbare omlooptijden: (niet verplicht)




Leeftijd

Omlooptijd

Naaldhout

< 40 jaar

3 jaar




> 40 jaar

6 jaar




vanaf 70 - 90 jaar

9 - 12 jaar

Loofhout

< 70 - 80 jaar

4 - 6 jaar




> 70 - 80 jaar

8 -12 jaar




  • In het beschrijvende gedeelte of op de bestandfiches wordt het maximaal aantal dunningen, het minimaal aantal jaren tussen twee dunningen en het maximaal toegestaan dunningspercentage over de volledige looptijd van het beheerplan vastgelegd. De beheerder moet zelf de gegevens over de uitgevoerde dunningen bijhouden en bij terreincontrole eventueel voorleggen aan ANB. Voor het dunningspercentage wordt gewoonlijk gewerkt met % van het grondvlak. % van het stamtal is ook aanvaardbaar omdat dit makkelijker is voor de eigenaar. Bij dunning volgens de toekomstboommethode kan de intensiteit van de dunning ook aangeduid worden in termen van % vrijstelling van de toekomstbomen.


Hakhoutkapping:


  • is enkel toegestaan voor hakhout geschikte soorten, bv. geen opslag van populieren. De planning in de kaptabel is niet bindend. Op de bestandfiches wordt de minimale hakhoutcyclus vermeld. Die bedraagt minimum 8 jaar. Een maximum wordt niet opgelegd, tenzij dit vereist is voor het behalen van de beheerdoelstellingen.



Jaarlijkse brandhoutkappingen:


  • kunnen naargelang het type kapping worden aangeduid met het symbool Ei of X, met specificaties van het aantal te kappen bomen of het gekapt volume. Jaarlijks mag er niet meer dan de jaarlijkse aanwas gekapt worden. Dit wordt best uitgedrukt in een maximum aantal stère of vertaald naar aantal bomen. Wanneer er in één jaar meer gekapt wordt, kan er het volgende jaar niet meer gekapt worden.


Criteria duurzaam bosbeheer:

Indicator 3.2.2: In bossen of delen van bossen waarvoor geen specifieke doelstellingen gelden rond het behoud en bevorderen van biologische diversiteit of sociaal-recreatieve argumenten moet een zeker voorraadpeil gehandhaafd worden door een evenwicht te bewaren tussen houtoogst en aanwas.

Indicator 3.3.2: De bosbeheerder kiest voor kleinschalige kappingen. Kaalslagen zijn beperkt tot 1 ha. Van die regel kan afgeweken worden indien dat grondig gemotiveerd wordt in het bosbeheerplan en in specifieke gevallen (bv. directe omvorming van een homogeen bestand van een uitheemse soort; verjonging van een populierenaanplant).

Indicator 3.3.4: De bosbeheerder streeft bij zijn bosbedrijfsvoering naar evenwichtig en omzichtig bepaalde bedrijfstijden, wat een voldoende evenwicht inhoudt tussen economische en ecologische factoren.


              1. Bosexploitatie

Inhoud:


  • Korte beschrijving hoe exploitatie zal gebeuren. Bestanden vermelden waar met vaste ruimingtracés zal gewerkt worden.

  • Per bestand wordt duidelijk vastgelegd of er een schoontijd van toepassing is of niet en zo ja of het gaat over de standaardschoontijd of een aangepaste schoontijd, met vermelding van de motivering hiervoor.

  • Voor bepaalde bosdomeinen (zeker in zwaar loofhout op vochtige bodem) kan het nuttig zijn een exploitatiekaart toe te voegen aan het beheerplan en eventueel vaste ruimingtracés, houtstapelplaatsen en te mijden kwetsbare zones, KLE, fauna-elementen vooraf vast te leggen.

Richtlijn:



  • Algemeen: Bij het uitvoeren van exploitatiewerken wordt schade aan de standplaats en aan het overblijvende bestand (o.a. de verjonging) vermeden, en wordt verstoring van fauna en flora tot een minimum beperkt. Hiertoe worden kwetsbare zones (bv. zones met bronbosvegetatie) steeds aangeduid op kaart en worden specifieke voorzorgsmaatregelen opgenomen in de exploitatievoorwaarden (enkel voor openbare bossen of voor privébos bij verkoop via de bosgroep).

  • Schoontijd: zie ANB-richtlijn 2010/02 afwegingskader schoontijd. Hierbij moet rekening gehouden worden met de in het beheerplan voorziene evolutie in het bestand. (Afwijken van de in het beheerplan vastgestelde schoontijd wordt geregeld via een machtiging tot afwijking van het bosbeheerplan, zie II.8.2)

  • Beperking van exploitatie ifv bodemkenmerken: zie ANB-richtlijn 2010/02 afwegingskader schoontijd nl. de ‘aanvullende benadering via vegetatiekenmerken.’ Daarnaast kunnen nog voorwaarden opgelegd worden als:

- uitslepen gevelde bomen met lier van op de bosweg

- uitslepen met paard

- uitslepen via vaste uitsleeppistes

- werken met een rupskraan

- kroonhout ter plaatse


  • Soortenbescherming (zie ook I.2.6.): zie ANB-richtlijn 2010/02 afwegingskader schoontijd. Geen exploitatie: Sommige zones zijn zo kwetsbaar dat er bij voorkeur geen exploitatie gebeurt. Deze zones worden steeds op kaart aangeduid.

Conform de Beheervisie voor Openbare bossen geldt in de openbare bossen als algemene regel dat er geen exploitatie gebeurt in permanent natte broekbossen en in alle alluviale bossen aangeduid op de Ferrariskaart. In deze bossen kunnen wel beheermaatregelen worden uitgevoerd in functie van flora- en faunaherstel (bv. hakhoutkappingen, kappen van exoten, kappen van beuken in beekvalleien).

Voor de privébossen geldt dat in de permanent natte broekbossen en alluviale bossen die sinds Ferraris permanent bebost zijn geweest, bij voorkeur geen exploitatie gebeurt. Indien de bosbeheerder toch wenst te exploiteren moeten extra voorzorgsmaatregelen genomen worden bv. langere schoontijd, behoud natuurlijke verjonging, enkel inheemse soorten aanplanten.


Criteria duurzaam bosbeheer:

Indicator 3.1.4: Bij exploitatie en beheerwerken wordt schade aan de productiecapaciteit van de standplaats, de bodem, het overblijvend bestand (inclusief verjonging) en verstoring van fauna en flora tot een minimum beperkt. In overeenkomsten met aannemers zijn werkbare procedures opgenomen om de schade in eerste instantie te voorkomen of - indien schade onvermijdelijk is - die te beperken of indien dit niet mogelijk is, te herstellen. Er zijn procedures van kracht om aan de hand van terreincontroles toezicht te houden op het verloop van de terreinwerkzaamheden en hierbij passend op te treden, bijvoorbeeld door de werkzaamheden stil te leggen of bijzondere voorwaarden op te leggen.

Indicator 5.1.4: De bosbeheerder besteedt bij planning en uitvoering van exploitatie speciale aandacht aan de broedperiode van vroege of late broedvogels. Hiertoe worden in het lastenboek passende exploitatievoorwaarden vastgelegd. Er is een lange vaste schoontijd, die loopt van 1 april tot 30 juni. Op voorwaarde dat vooraf machtiging van Bosbeheer werd verkregen, kan van deze standaard schoontijd worden afgeweken : de periode kan zowel verruimd, verengd of opgeheven worden.

Indicator 6.3.1: De bosbeheerder hanteert duidelijke richtlijnen voor exploitatieactiviteiten en transport binnen zijn bos ter bescherming van mens, natuur en milieu en hij controleert de uitvoering ervan in de praktijk. Deze richtlijnen geven inzicht in de beperkingen die gesteld (kunnen) worden aan exploitatie en transport, ook in het geval van uitbesteding en eventuele schaderegeling.



              1. Brandpreventie

Inhoud:


  • Is er een preventie- en bestrijdingsplan voor bosbranden?

  • Worden werken uitgevoerd, maatregelen getroffen voor brandpreventie?

  • Voor grote bosdomeinen kan het aangewezen/wenselijk zijn om een kaart aan het beheerplan toe te voegen met aanduiding van de wegen toegankelijk voor de hulpdiensten en van de waterreservoirs.




              1. Open plekken

                1. Richtlijnen voor het creëren van open plekken in het bos

Zie hiervoor de ANB-richtlijn 2006/04 ‘Criteria voor het creëren van open plekken in het bos en voor het beheer van bestaande open plekken in het bos’. Hieronder wordt enkel het samenvattend schema overgenomen.


Deze richtlijn betreft enkel open plekken voor natuurbehoud. Voor creatie van open plekken voor recreatie is er nog geen beoordelingskader uitgewerkt. Voorlopig wordt het creëren van open plekken voor recreatie niet toegestaan in het kader van een bosbeheerplan. Creëren van open plekken voor recreatie kan enkel toegestaan worden na het bekomen van een ontheffing van het ontbossingsverbod en een stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing met bijhorende boscompensatie. Zie ANB-richtlijn 2009/03 ‘Ontbossing: de toepassing van art.90bis van het Bosdecreet’.

1. kwantitatieve afweging (cf. deel I)

  • grootte open plekken <3ha en van dienstnota 2006/01ggende bos bosoppervlakte.de breedte van het bos en n we echter bovenop de definitie bijkomend nog twee cvoor minstens de helft van de omtrek omgeven door bos?

  • Bos tussen de open plekken minstens 100 meter breed en bij voorkeur 200 meter

  • verhouding open plekken/totale bosoppervlakte <15%?




aan elk van de 3 kwantitatieve voorwaarden wordt voldaan


verder naar afweging 2

aan één of meer kwantitatieve voorwaarden wordt niet voldaan

  • aanpassing grootte en/of aantal open plekken voorstellen (is enkel nuttig indien ook afwegingen 2 en 3 positief zijn)

  • verwijzen naar procedure ontbossing + al een preadvies

2. afweging meerwaarde open streefbeeld – bosvegetatie (cf. deel II)

  • ruimtelijke context (II.A)

  • historiek (II.B)

  • abiotische situatie (II.C)

  • uitgangssituatie en potenties bosvegetaties (II.D)

  • uitgangssituatie en potenties niet-bosvegetaties (II.E)

  • uitgangssituatie en potenties flora en fauna (II.F)

  • andere elementen die pleiten voor bosbehoud (II.G)

  • creëren open plek levert een globale meerwaarde op landschappelijke schaal

  • abiotiek is geschikt voor het creëren van de open plek

  • rekeninghoudend met historiek, uitgangssituatie en potenties, wordt geoordeeld dat het creëren van de open plek mogelijk en wenselijk is en dat dit opweegt tegen het verdwijnen van de bosvegetatie




verder naar afweging 3

aan één of meerdere van de bovenstaande voorwaarden wordt niet voldaan

  • creëren open plekken kan niet toegestaan worden: aanpassing beheerplan voorstellen

3. afweging realisatie van open streefbeeld
(cf. deel III)

  • schaalniveau (III.A)

  • praktische uitvoering (III.B)

  • schaalniveau is geschikt

  • middelen en mankracht realistisch

  • beheermaatregelen zinvol

  • creëren open plekken kan goedgekeurd worden

  • schaalniveau niet geschikt

  • middelen en mankracht lijken ontoereikend

  • beheermaatregelen niet geschikt

                1. beheer van bestaande open plekken in het bos

Bestaande open plekken binnen het bos die voldoen aan de definitie zoals opgenomen in ANB-richtlijn 2006/01 ‘Definitie bos, ontbossen en open plekken binnen het bos’, onder punt I.1.7, en die opgenomen worden in het beheerplan, dienen een gepast beheer in functie van natuurbehoud te krijgen. Deze afweging kan gebeuren zoals beschreven in ANB-richtlijn 2006/04, Hoofdstuk II onder deel II.2.3. B.


Bestaande bosvrije oppervlaktes die niet voldoen aan de definitie van een open plek binnen het bos zoals opgenomen in ANB-richtlijn 2006/01 ‘Definitie bos, ontbossen en open plekken binnen het bos’, onder punt I.1.7 maar die toch conform de ANB-richtlijn deel I.2 worden opgenomen in het bosbeheerplan, dienen op dezelfde wijze beoordeeld te worden. Het advies met betrekking tot deze open ruimtes is echter niet bindend, aangezien deze niet onder de toepassing van het Bosdecreet vallen.
Criteria duurzaam bosbeheer:

Indicator 4.1.1: Bij beslissingen over het beheer en gebruik van het bos is uitdrukkelijk rekening gehouden met de ecologische functies van het bos en dit tevens in relatie met zijn omgeving.

Indicator 5.1.2: Het bos en zijn beheer zijn getoetst op de aanwezigheid en het voortbestaan van zeldzame, bedreigde en wettelijk beschermde plant- en diersoorten, alsook indicatorsoorten van oud bos. De relevante gebieden, terreinkenmerken en beheermaatregelen zijn aangegeven op een beheerkaart. Voor die natuurelementen worden de nodige maatregelen genomen om de instandhouding van hun habitat te garanderen.

De inventarisatie is zowel gericht op de aanwezigheid van indicatoren voor oude en goed ontwikkelde bosecosystemen als op de aanwezigheid van zeldzame en bedreigde soorten en bijzondere natuurelementen. Concreet wordt o.m. rekening gehouden met: oud-bosplanten; oude bomen met holten voor vogels en zoogdieren; nestbomen van roofvogels; zeldzame en bedreigde boom-, struik- en plantensoorten, alsook andere bedreigde organismen en kensoorten, voorzover hiervan terreingegevens beschikbaar zijn. Tevens wordt rekening gehouden met specifieke natuurelementen zoals beken, poelen, vennen en bronnen, open plekken en natuurlijke rand- en overgangssituaties (mantel- en zoomvegetaties) en de aan deze habitat gebonden soorten.

Indicator 5.1.3: Bij beslissingen over het beheer en gebruik van alle bostypen is uitdrukkelijk rekening gehouden met de eisen die zeldzame, bedreigde en wettelijk beschermde plant- en diersoorten stellen aan hun habitat.

Indicator 5.3.2: Bij het beheer van het bos worden kansen geboden, maximaal rekening houdend met natuurontwikkeling en dat minimaal voor 5% van de totale oppervlakte onder beheerplan. Dit gebeurt bij voorkeur in die bestanden met een reeds aanwezige of potentiële natuurwaarde. Aangepast beheer van open plekken en bosranden komen eveneens in aanmerking. Eerst wordt een streefbeeld met natuurdoeltypen in het beheerplan vooropgesteld. Vervolgens wordt in een planning aangegeven hoe dat streefbeeld gerealiseerd kan worden. Voor bossen sluit dit streefbeeld zo goed mogelijk aan bij de natuurlijke bosgemeenschap van die plaats, of de potentieel natuurlijke vegetatie. Economisch waardevolle bosproducten kunnen ten gevolge van dit beheer worden gevaloriseerd indien dit de soortensamenstelling en structuur niet noemenswaardig beïnvloedt.


              1. Gradiënten en bosrandontwikkeling

Inhoud:


  • Beschrijven in welke bestanden en/of op kaart aanduiden waar bosranden voorkomen? Waarom of m.a.w. wat is de ecologische meerwaarde? Welk specifiek beheer is eraan gekoppeld?

Richtlijn:



  • Een ideale bosrand bestaat uit een zoom van hoge meerjarige kruiden (minstens 0,5 m breed, bij voorkeur breder) en een mantel die bestaat uit een begroeiing van struiken (minstens 2 m breed, bij voorkeur breder). Structuur en soortensamenstelling hangen af van de standplaats, het aangrenzende bos en het beheer. De zoomvegetaties worden periodiek gemaaid en de mantelvegetaties worden periodiek gekapt.

  • Bij de aanleg van bosranden worden geen aanplantingen uitgevoerd in de 6 m strook grenzend aan gronden met bestemming agrarisch gebied.

  • Bosranden worden meegeteld voor de 5%-norm i.v.m. natuurontwikkeling en de 5% tot 15%-norm uit de Beheervisie Openbare bossen i.v.m. open plekken op voorwaarde dat ze een duidelijke ecologische meerwaarde hebben en een aangepast beheer krijgen.


Criteria duurzaam bosbeheer:

Indicator 4.1.1: Bij beslissingen over het beheer en gebruik van het bos is uitdrukkelijk rekening gehouden met de ecologische functies van het bos en dit tevens in relatie met zijn omgeving.

Indicator 5.1.2: Het bos en zijn beheer zijn getoetst op de aanwezigheid en het voortbestaan van zeldzame, bedreigde en wettelijk beschermde plant- en diersoorten, alsook indicatorsoorten van oud bos. De relevante gebieden, terreinkenmerken en beheermaatregelen zijn aangegeven op een beheerkaart. Voor die natuurelementen worden de nodige maatregelen genomen om de instandhouding van hun habitat te garanderen.

De inventarisatie is zowel gericht op de aanwezigheid van indicatoren voor oude en goed ontwikkelde bosecosystemen als op de aanwezigheid van zeldzame en bedreigde soorten en bijzondere natuurelementen. Concreet wordt o.m. rekening gehouden met: oud-bosplanten; oude bomen met holten voor vogels en zoogdieren; nestbomen van roofvogels; zeldzame en bedreigde boom-, struik- en plantensoorten, alsook andere bedreigde organismen en kensoorten, voor zover hiervan terreingegevens beschikbaar zijn. Tevens wordt rekening gehouden met specifieke natuurelementen zoals beken, poelen, vennen en bronnen, open plekken en natuurlijke rand- en overgangssituaties (mantel- en zoomvegetaties) en de aan deze habitat gebonden soorten.

Indicator 5.1.3: Bij beslissingen over het beheer en gebruik van alle bostypen is uitdrukkelijk rekening gehouden met de eisen die zeldzame, bedreigde en wettelijk beschermde plant- en diersoorten stellen aan hun habitat.

Indicator 5.3.2: Bij het beheer van het bos worden kansen geboden, maximaal rekening houdend met natuurontwikkeling en dat minimaal voor 5% van de totale oppervlakte onder beheerplan. Dit gebeurt bij voorkeur in die bestanden met een reeds aanwezige of potentiële natuurwaarde. Aangepast beheer van open plekken en bosranden komen eveneens in aanmerking. Eerst wordt een streefbeeld met natuurdoeltypen in het beheerplan vooropgesteld. Vervolgens wordt in een planning aangegeven hoe dat streefbeeld gerealiseerd kan worden. Voor bossen sluit dit streefbeeld zo goed mogelijk aan bij de natuurlijke bosgemeenschap van die plaats, of de potentieel natuurlijke vegetatie. Economisch waardevolle bosproducten kunnen ten gevolge van dit beheer worden gevaloriseerd indien dit de soortensamenstelling en structuur niet noemenswaardig beïnvloedt.


              1. Specifieke maatregelen ter bescherming van flora en fauna

Inhoud:


  • Welke maatregelen worden voorzien voor de bescherming van zeldzame, bedreigde en beschermde soorten. Bv. bestanden afsluiten voor recreatie/exploitatie, extra voorwaarden opleggen bij exploitatie.

  • Voor welke soorten zal een opvolging gebeuren en door wie (bv. plaatselijke natuurvereniging)?

  • De zeldzame bedreigde en beschermde soorten worden besproken en in kaart gebracht onder punt 2.3.3 'Flora' en punt 2.3.4 'Fauna'. Vaak zullen zeldzame, bedreigde en beschermde planten- en diersoorten voorkomen in open plekken (punt 4.8) en bosranden (punt 4.9) zodat hier kan verwezen worden naar punt 4.8 en 4.9.

  • Welke maatregelen worden voorzien voor de bescherming van autochtone bomen en struiken, zoals opgenomen in de inventaris van ANB (zie website www.natuurenbos.be> soortenbeleid> autochtone bomen en struiken)

Richtlijn:



  • Het bepalen van welke soorten zullen opgevolgd worden, zal in overleg met de het Agentschap voor Natuur en Bos gebeuren rekening houdende met de specifieke ecologische kenmerken van het bos.

  • Het is belangrijk dat de indiener van het beheerplan in deze paragraaf duidelijk aantoont dat het plan de VEN-toets (indien in VEN gelegen) doorstaat.

  • In SBZ: toetsing aan IHD’s.


Criteria duurzaam bosbeheer:

Indicator 4.1.1: Bij beslissingen over het beheer en gebruik van het bos is uitdrukkelijk rekening gehouden met de ecologische functies van het bos en dit tevens in relatie met zijn omgeving.

Indicator 5.1.2: Het bos en zijn beheer zijn getoetst op de aanwezigheid en het voortbestaan van zeldzame, bedreigde en wettelijk beschermde plant- en diersoorten, alsook indicatorsoorten van oud bos. De relevante gebieden, terreinkenmerken en beheermaatregelen zijn aangegeven op een beheerkaart. Voor die natuurelementen worden de nodige maatregelen genomen om de instandhouding van hun habitat te garanderen.

De inventarisatie is zowel gericht op de aanwezigheid van indicatoren voor oude en goed ontwikkelde bosecosystemen als op de aanwezigheid van zeldzame en bedreigde soorten en bijzondere natuurelementen. Concreet wordt onder meer rekening gehouden met: oud-bosplanten; oude bomen met holten voor vogels en zoogdieren; nestbomen van roofvogels; zeldzame en bedreigde boom-, struik- en plantensoorten, alsook andere bedreigde organismen en kensoorten, voorzover hiervan terreingegevens beschikbaar zijn. Tevens wordt rekening gehouden met specifieke natuurelementen zoals beken, poelen, vennen en bronnen, open plekken en natuurlijke rand- en overgangssituaties (mantel- en zoomvegetaties) en de aan deze habitat gebonden soorten.

Indicator 5.1.3: Bij beslissingen over het beheer en gebruik van alle bostypen is uitdrukkelijk rekening gehouden met de eisen die zeldzame, bedreigde en wettelijk beschermde plant- en diersoorten stellen aan hun habitat.

Indicator 6.2.1: Overeenkomstig de schaal en intensiteit van de activiteiten in het bos worden de relevante ecologische, economische en sociale effecten nagegaan en geëvalueerd en wordt de bedrijfsvoering zo nodig aangepast.

De verzameling van gegevens is inhoudelijk afgestemd op het beheerplan en de inspanningen staan in redelijke verhouding tot de bedrijfsgrootte.



              1. Dood hout en oude bomen

Inhoud:


  • Schatting van het volume dood hout (staand + liggend) op niveau bos. Welke maatregelen worden voorzien om het aandeel dood hout te verhogen?

  • Hoeveel oude bestanden/bomen? Welke maatregelen worden voorzien om het aandeel oude bomen te verhogen?

  • Voor het aanduiden van de oude bomen bestaan 2 mogelijkheden:

  • In de bestanden waar een eindkap gepland is, worden te behouden bomen geselecteerd en gemerkt aan de voet. Bij de terreincontrole (in het kader van de goedkeuring van het beheerplan) wordt door het Agentschap nagegaan of inderdaad een aantal bomen zijn weerhouden en gemerkt. Deze te weerhouden bomen kunnen eventueel worden aangeduid op kaart.

  • In alle bestanden worden de te behouden bomen (individueel of in groep) gemerkt aan de voet en aangeduid op kaart.

Richtlijn:



  • Dood hout: In het beheerplan worden maatregelen voorzien om het aandeel dood hout te verhogen, bv.:

    • snoeihout niet verwijderen;

    • staande of liggende holle of dode bomen die geen gevaar opleveren voor voorbijgangers of voor het verspreiden van ziekten of brand behouden,

    • bij catastrofes of niet-besmettelijke aantastingen niet alle getroffen bomen verwijderen,

    • hoogdunning wordt toegepast, m.a.w. wegkwijnende bomen die geen concurrentie betekenen voor potentiële toekomstbomen niet kappen,

    • wortelkluiten van omgewaaide bomen niet systematisch verwijderen.

Richtwaarde voor dood hout: 4% van het totale bestandsvolume (staand, liggend, spreiding in alle omtrekklassen > 30 cm) of wanneer de uitgangssituatie zo slecht is volstaat een verdubbeling van de hoeveelheid dood hout binnen de planperiode.




  • Oude bomen

Per bestand worden een aantal bomen of groepen aangeduid, bij voorkeur inheemse loofbomen, die hun natuurlijke leeftijdsgrens kunnen bereiken.

    • Richtwaarde individuele bomen: 10 bomen/ha of lager indien 10 bomen > 10% van het grondvlak innemen. Deze bomen moeten niet de economische waardedragers zijn of de toekomstbomen zijn. De individuele bomen nemen 2,5% tot 5% van de bestandsoppervlakte in.

    • Richtwaarde groepen:

bestand < 2 ha: min. 1 groep van 5 are,

bestand 2 - 4 ha: min. 1 groep van 10 are,

bestand > 4 ha: veelvoud van groepen van 10 are,

De groepen worden zo goed mogelijk verspreid over het bosdomein en omvatten zoveel mogelijk verschillende boomsoorten.


Criteria duurzaam bosbeheer:

Indicator 5.3.3: De bosbeheerder streeft naar het verkrijgen van meer dood hout in het bos. In het beheerplan staan concrete beheerrichtlijnen vermeld, die gericht zijn op het verkrijgen van meer dood hout in het bos, afhankelijk van de natuurlijke bestandsontwikkeling: bv. snoeihout wordt niet verwijderd; staande of liggende holle of dode bomen die geen gevaar opleveren voor voorbijgangers of voor het verspreiden van ziekten of brand blijven behouden, bij catastrofes of niet-besmettelijke aantastingen worden niet alle getroffen bomen verwijderd, hoogdunning wordt toegepast of wegkwijnende bomen die geen concurrentie betekenen voor potentiële toekomstbomen worden niet verwijderd, wortelkluiten van omgewaaide bomen worden niet systematisch verwijderd en opgevuld. De evolutie van het volume dood hout wordt expliciet gevolgd. Bij planning en uitvoering wordt aandacht besteed aan waarden zoals veiligheid, fytosanitaire conditie en risico’s, en natuurbeleving.

Richtwaarde: 4% van het totale bestandsvolume (staand, liggend, spreiding in alle omtrekklassen > 30 cm) of een verdubbeling van de hoeveelheid dood hout binnen de planperiode.

Indicator 5.3.4: De bosbeheerder duidt per bestand een zeker aantal bomen per ha aan, bij voorkeur inheemse loofbomen, tot ze de natuurlijke leeftijdsgrens bereiken.


              1. Beheermaatregelen en richtlijnen m.b.t. de toegankelijkheid

                1. Plan wegennet - opengestelde boswegen

Met ‘opengestelde boswegen’ wordt bedoeld de toegankelijke boswegen in toepassing van het BVR 5 december 2008 betreffende de toegankelijkheid van de bossen en de natuurreservaten (B.S. 5/12/2008)


Inhoud:

  • Indien er een aparte toegankelijkheidsregeling met bijhorend bebordingsplan is opgesteld, volstaat een verwijzing daarnaar. (zie 2010/04 procedure voor goedkeuring van een toegankelijkheidsregeling (in opmaak))




  • Bij principiële toegankelijkheid (de boswegen zijn enkel voor voetgangers toegankelijk) moet de eigenaar of bosbeheerder geen afzonderlijke toegankelijkheidsregeling opstellen. Het volstaat dan de volgende standaardbepaling op te nemen onder dit punt in het bosbeheerplan:

Het bos x is enkel toegankelijk voor voetgangers op de boswegen’




  • Daarnaast moet er dan toch in het beheerplan een duidelijk plan van de boswegen te vinden zijn. Dat kan eventueel gecombineerd worden met het plan onder punt 1.5 Statuut van de wegen en waterlopen.




                1. Speelzones

Meer info over speelzones vind je terug in de publicatie “Actiegerichte handleiding speelzones in bossen’, een uitgave van de Vereniging voor Bos in Vlaanderen, in samenwerking met het Agentschap en Steunpunt Jeugd vzw (http://www.vbv.be/speelzones/actiehandleiding_speelzones_web.pdf).

Inhoud:


  • De aanduiding en erkenning als speelzone gebeurt via de goedkeuring van de toegankelijkheidsregeling (zie ANB-richtlijn 2010/04 procedure voor goedkeuring van een toegankelijkheidsregeling (in opmaak)).

  • In het bosbeheerplan worden enkel de voorziene beheermaatregelen opgenomen voor de inrichting en het onderhoud van de speelzone, zoals plaatsen constructies, maaibeheer, verwijderen of laten liggen van dode bomen, voorziene kappingen,….

Richtlijn:



  • In de eerste plaats is een speelzone een ‘echt’ bos, waarin gespeeld mag worden. Traditionele speeltoestellen horen dan ook niet thuis in een speelbos. (zie verder 4.12.3)

  • De geplande beheermaatregelen zijn nodig voor de veiligheid van de spelende kinderen en voor een goede toegankelijkheid. De negatieve impact op de ecologische waarde is zo beperkt mogelijk.




                1. Recreatieve infrastructuur

Voor het plaatsen van toegangspoortjes, wegafsluitingen, slagbomen, wegwijzers en verbodsborden, informatieborden, zitbanken en vuilnisbakken is geen stedenbouwkundige vergunning nodig, voor zover de beheermaatregelen zijn opgenomen in een goedgekeurd bosbeheerplan18.


Voor de plaatsing van zaken die als ‘speeltoestel’ worden voorzien is wel een stedenbouwkundige vergunning nodig.
Een speeltoestel is een ‘product bestemd voor vermaak of ontspanning, ontworpen of kennelijk bestemd om te worden gebruikt door personen die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, waarbij uitsluitend van zwaartekracht of van fysieke kracht van de mens gebruik wordt gemaakt, en bestemd voor collectief gebruik op een tijdelijk of blijvend speelterrein.

Wanneer er in het bos (bijv. in de speelzone, maar ook daarbuiten) dergelijke ‘speeltoestellen’ te vinden zijn, dan vallen die ook onder de toepassing van de regelgeving mbt speeltoestellen19.


Voor alle ‘constructies’ is er ook een machtiging in toepassing van art.97 van het BD nodig (constructie), die kan verleend worden tegelijk met de goedkeuring van het bosbeheerplan (zie IV.9.14).
Inhoud:

  • Indien recreatieve infrastructuur aanwezig is of wordt voorzien: korte bespreking.

  • Korte bespreking van het recreatief medegebruik zoals bv. wandel- en fietsroutes die door het bos lopen, geleide wandelingen die georganiseerd worden, ...

Richtlijn:



    • Het plaatsen van de in het BVR 5.12.2008 voorziene toegankelijkheidsborden: Het volstaat te verwijzen naar het Bebordingsplan dat:

      • ofwel reeds is goedgekeurd samen met het de toegankelijkheidsregeling

      • of samen met het bosbeheerplan ter goedkeuring ingediend werd

      • of pas later na de goedkeuring van het bosbeheerplan zal ingediend worden met een ontwerp-toegankelijkheidsregeling.

  • Andere recreatieve infrastructuur: ANB plant de opmaak van een vademecum ‘recreatieve infrastructuur’. Inhoudelijke criteria zullen vastgesteld worden na afwerking van dat vademecum. Zie ook IV.9.14

  • Paden, wegen en verhardingen : zie 4.19 en IV.9.7

Criteria duurzaam bosbeheer:

Indicator 2.1.4: Het beheer van bossen moet aandacht hebben voor het recreatief medegebruik en moet de selectieve bostoegankelijkheid voor het publiek stimuleren. Het bos kan toegankelijk gesteld worden voor het publiek op een manier die de ecologische functievervulling niet in het gedrang brengt en die verstoring - zowel in de tijd als in de ruimte - beperkt en zo nodig uitsluit.

Indicator 2.2.1: De beheerdoelstellingen en -maatregelen voor bossen of delen van bossen met grote sociale of educatieve betekenis zijn uitdrukkelijk afgestemd op de specifieke waarden en potenties.


              1. Beheermaatregelen en richtlijnen m.b.t. de jacht

Inhoud:


  • Wordt het jachtrecht uitgeoefend? Zo ja, zijn de jagers aangesloten bij een erkende wildbeheereenheid?

  • Is er een wildbeheerplan van toepassing op het gebied? Zo ja, welke er te nemen maatregelen zijn van toepassing op het bos?

  • Zijn er wildakkers/wildvoederplaatsen/onkruidakkers?

Wildakkers kunnen opgenomen zijn in een beheerplan maar het beheerplan heeft geen juridische waarde voor deze wildakkers. Wildakkers mogen niet migreren binnen een beheerplan want het creëren van wildakkers staat gelijk met ontbossing.

Wildakkers, bv. ingezaaid met maïs, kunnen immers niet beschouwd worden als een open plek in functie van natuurbehoud, aangezien deze monofunctioneel enkel als voederplaats voor wild dienen. Open plekken waar wild komt grazen, komen wel in aanmerking indien deze daadwerkelijk beheerd worden in functie van natuurbehoud en ontwikkeling van de aanwezige natuurwaarden.


Criteria duurzaam bosbeheer:

Indicator 3.4.1: Stroperij en niet-weidelijke jachtmethoden worden actief bestreden.

Indicator 3.4.2: De bosbeheerder ziet erop toe dat er geen wild wordt uitgezet in zijn bos, tenzij in het kader van wettelijk toegestane soortbeschermingsmaatregelen.

              1. Beheermaatregelen en richtlijnen m.b.t. de visserij

Inhoud:


  • korte bespreking

Vb. er komt een visvijver voor in het bosdomein


              1. Beheermaatregelen en richtlijnen m.b.t. gebruik niet-houtige bosproducten

Merk op: Voor de oogst van niet houtige bosproducten is er naast de goedkeuring van het bosbeheerplan ook een machtiging in toepassing van art.97 nodig. Deze machtiging wordt verleend tegelijk met de goedkeuring van het bosbeheerplan.


Inhoud:

  • korte bespreking

Vb. beheer erkende zaadbestanden, oogst van zaad, ... .

Criteria duurzaam bosbeheer:

Indicator 3.4.3: De bosbeheerder ziet erop toe dat het gebruik van andere niet-houtige bosproducten (visvangst; plukken en verzamelen van planten, vruchten en paddenstoelen enz.) gebeurt volgens de geldende wetgeving en dat er, voor zover dat is toegestaan, minimale schade wordt aangericht aan het bosecosysteem, de habitat en de populaties van wilde dier- en plantensoorten.


              1. Beheermaatregelen en richtlijnen m.b.t. cultuurhistorische elementen

Indien het bos gelegen is in een beschermd landschap of een ankerplaats, vormt dit deel het luik ‘landschap’, conform art. 16, §4, van het landschapsdecreet


Inhoud:

  • Korte bespreking van de maatregelen en richtlijnen die voorzien worden voor de cultuurhistorische elementen die onder punt 1.7.2 'Nationale beschermingszones en regionale aandachtsgebieden' en punt 2.1.2 'Kenmerken van het vroegere beheer' worden besproken. (vb. archeologische vindplaatsen, holle wegen, boswallen, enz.)

  • Link met de landschapsatlas : aantonen dat voldaan wordt aan de zorgplicht; verwijzen naar de motiveringsnota (indien van toepassing20) of onder dit punt de motvering opnemen.

  • De maatregelen waarvoor subsidies gevraagd worden in het kader van het landschapsdecreet dienen hier uitvoerig beschreven te worden.


Criteria duurzaam bosbeheer:

Indicator 2.2.1: De beheerdoelstellingen en -maatregelen voor bossen of delen van bossen met grote culturele, landschappelijke, geschiedkundige of religieuze betekenis zijn uitdrukkelijk afgestemd op de specifieke waarden en potenties.


              1. Beheermaatregelen en richtlijnen m.b.t. de milieubeschermende functie

Inhoud:


  • korte beschrijving

Vb. indien het bos gelegen is in waterwinningsgebied: omvorming van naaldhout naar loofhout, het niet toegankelijk stellen van steile hellingen omwille van erosiebestrijding



              1. Beheermaatregelen en richtlijnen m.b.t. de wetenschappelijke functie

Inhoud:


  • In welke bestanden worden specifieke beheermaatregelen genomen en/of gelden specifieke richtlijnen m.b.t. de wetenschappelijke functie en waarom?

Vb. specifieke richtlijnen om bosreservaat of proefbestand te beschermen.
Criteria duurzaam bosbeheer:

Indicator 2.2.1: De beheerdoelstellingen en -maatregelen voor bossen of delen van bossen met grote wetenschappelijke betekenis zijn uitdrukkelijk afgestemd op de specifieke waarden en potenties.

Criterium 5.4: Representatieve voorbeelden van natuurlijke inheemse bosgemeenschappen, waardevolle bostypen en goed ontwikkelde bosecosystemen worden beschermd en beheerd overeenkomstig hun specifieke waarde.

Indicator 5.4.1: De beheerdoelstellingen en -maatregelen voor deze gebieden zijn uitdrukkelijk afgestemd op de waardevolle aspecten van de gebieden.



              1. Werken die de biotische of abiotische toestand van het bos wijzigen (art.20, art.90, art.96, art. 97 en art.99 van het decreet)

Het kan o.m. gaan over volgende werken: chemisch of mechanisch bestrijden van agressieve exoten, maaibeheer + afvoer maaisel, ontstronken, wegenaanleg en –onderhoud, plaggen, verwijderen strooisellaag, gebruik prikkeldraad, begrazing, houden van dieren binnen een omheining, reliëfwijziging (aanleg poel, inrichting speelzones,…), vuur maken, plaatsen van constructies.


Wegen waar onderhoudswerken gepland worden, worden aangeduid op kaart onder punt 1.5 'Statuut van de wegen en waterlopen'.
Voor oogst paddenstoelen of andere niet-houtige producten: zie 4.15
Inhoud:

  • Welke werken + motivering (bijv. natuurbeheer, hertel natuurwaarden,…).

  • Welke maatregelen worden genomen om schade aan de natuur te voorkomen/beperken/herstellen?

Richtlijn:



  • voor de inhoudelijke criteria: IV.9



Criteria duurzaam bosbeheer:

Indicator 3.1.2: De bosbeheerder behoudt de natuurlijke productiecapaciteit van de bosbodem door een aangepast bosbeheer (bv. door de boomsoortenkeuze, het nastreven van voldoende mengingsgraad). Zo wordt bodembewerking tot een minimum beperkt. Bij gedegradeerde bosbodems zijn herstelmaatregelen mogelijk na voorafgaand bodemonderzoek.

Indicator 3.1.3: De bosbeheerder tracht de mineralenkringloop in zijn bos zo veel mogelijk te sluiten door zowel verliezen als importen te beperken. Bemesting (aanrijking met nutriënten) is niet toegestaan wegens het risico van eutrofiëring, grondwatervervuiling en wijzigingen in de kruidenlaag. Startbemesting met stalmest in de plantput bij verjonging met veeleisende boomsoorten is wel toegestaan.

Indicator 4.2.1: Bij beslissingen over ingrijpende veranderingen in bosbeheer en bosgebruik is rekening gehouden met de resultaten van voorafgaand onderzoek naar de mogelijke effecten op de natuur, het natuurlijk milieu en het landschap.

Indicator 4.2.2: In functie van de omvang van de ingreep (intensiteit, sterkte, betrokken oppervlakte) en de kwaliteiten van het gebied zijn passende maatregelen genomen om eventuele schade aan de natuur, het natuurlijk milieu en het landschap te voorkomen, te beperken of indien dit niet mogelijk is, te herstellen.

Indicator 4.4.1: De bosbeheerder zal de bestaande vrije loop van stromende waters binnen zijn bos niet beïnvloeden.

Indicator 4.4.2: De bosbeheerder zal waterrijke gebieden, zoals gedefinieerd in het decreet natuurbehoud, en overstromingsgebieden niet ontwateren. Buiten deze gebieden kunnen bestaande drainagesystemen, ont- en afwateringen behouden blijven indien dat noodzakelijk is en leidt tot een betere groei van standplaatsgeschikte boomsoorten. Bestaande drainage, ontwatering of afwatering kan in uitzonderlijke gevallen worden gewijzigd om de andere functies te kunnen optimaliseren.

Indicator 4.4.3: Nieuwe drainage of andere ontwatering- en afwateringsvoorzieningen zijn nergens toegestaan.


              1. Planning van de beheerwerken

Inhoud:


  • Overzicht van de beheerwerken die zullen uitgevoerd worden. Dit overzicht bevat zeker de beheerwerken waarvoor subsidies kunnen verkregen worden en/of waarvoor een machtiging of vergunning vereist is (cf. Punt 4.19 - 4.12). Tevens wordt vermeld wanneer en hoe geëvalueerd zal worden.



              1. Toetsing aan SBZ’s en IHD’s

Zie I.2.3.


Inhoud: Conclusie voor alle in het beheerplan voorgestelde beheermaatregelen:

  • zijn er mogelijks betekenisvolle effecten te verwachten op de natuurlijke kenmerken van de speciale beschermingszone?

  • Indien ja, welke milderende maatregelen worden genomen om die betekenisvolle effecten op te vangen?

Richtlijn:



  • Er zijn geen betekenisvolle effecten of de voorgestelde milderende maatregelen zijn voldoende om het effect op te vangen.

              1. Samenvatting per bestand van de bosbouwopnames

Zie 2.3




              1. Samenvatting per bestand van de vegetatieopnames

Zie 2.3


              1. Consultatie van de bevolking

Inhoud: Verslag van de consultatieronde:



  • kopie van de bekendmaking

  • overzicht van de ingediende opmerkingen /bezwaren

  • bespreking waarom al dan niet met opmerkingen/bezwaren is rekening gehouden

  • overzicht wie wanneer i.v.m. wat gecontacteerd is.




1   ...   10   11   12   13   14   15   16   17   ...   23


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina