Handleiding betreft: bosbeheerplannen, kapmachtigingen en andere machtigingen voor beheerwerken in bos



Dovnload 0.82 Mb.
Pagina15/23
Datum22.07.2016
Grootte0.82 Mb.
1   ...   11   12   13   14   15   16   17   18   ...   23

II.13.2.Beperkt bosbeheerplan

Bij het opstellen van een beperkt beheerplan voor een privé-bos wordt gebruik gemaakt van het daartoe voorziene formulier. Het formulier bestaat uit een algemeen gedeelte en een reeks bestandsfiches (evenveel als er bestanden zijn). Aangepaste versies van het formulier zijn ook toegelaten, op voorwaarde dat alle gegevens die in het standaardformulier gevraagd worden hier ook verstrekt worden. (Een niet beveiligde versie van het formulier kan op vraag bezorgd worden.)


Een beperkt bosbeheerplan moet niet voldoen aan de criteria voor duurzaam bosbeheer.

            1. Identificatie van het bos

              1. Eigendom, zakelijke en persoonlijke rechten

Richtlijn:



  • Er moet volledige duidelijkheid zijn over de eigendomstoestand en de zakelijke of persoonlijke rechten

              1. Kadastraal overzicht

Inhoud:

  • Een overzicht van alle kadasterpercelen die behoren tot het bosdomein waarvoor het beheerplan wordt opgemaakt, met vermelding van de overeenkomstige bestanden.

  • Afzonderlijk wordt een afdruk toegevoegd van de kadastrale percelen waarop de bosbestanden zijn aangeduid. Bij een gezamenlijk bosbeheerplan wordt op het plan ook aangeduid wie de bosbeheerder is voor elk bestand.

Voor het toekennen van nummers voor bospercelen en bosbestanden wordt bij voorkeur de zelfde werkwijze gevolgd als bij uitgebreide bosbeheerplannen (zie: II.13.1 uitgebreid bosbeheerplan, punt 1.2 kadastraal overzicht).

Richtlijn:


  • ANB kan vrijblijvend aanpassingen aan de bestandsindeling voorstellen die een optimale subsidieverwerving mogelijk maken. Omgekeerd kan een bosbouwkundig onverantwoorde bestandindeling, die enkel tot doel heeft maximaal subsidies te verwerven geweigerd worden.

              1. Situatieplan (schaal 1/10.000 tot 1/25.000)

Inhoud:

  • Kopie van een stratenplan of topografische kaart, op schaal 1/10.000 tot 1/25.000, waarop voldoende merkpunten aangegeven staan om de percelen terug te vinden op het terrein.

  • Wanneer een beheerplan wordt opgemaakt voor een boscomplex wordt op het situatieplan duidelijk aangegeven in welke delen het bosbeheerplan juridisch van kracht is of waar het bosbeheerplan enkel geldt als richtinggevend document (bv. omringende open ruimte, bebouwde gedeelten).




              1. Bestemming volgens het geldende plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan

Hierbij volstaat het niet om enkel de bestemming volgens het Gewestplan na te gaan. Er moet ook nagegaan worden of de bestemming volgens het Gewestplan niet gewijzigd is door een APA (algemeen plan van aanleg), BPA (bijzonder plan van aanleg), een RUP (gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan) of een GRUP (gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan).


Via de website www.geo-vlaanderen.be kan naast de gewestplanbestemming ook opgezocht worden of er een APA of BPA of een RUP bestaat voor het betrokken terrein. Alle RUP’s, waaronder ook de RUP’s waarvoor het openbaar onderzoek nog loopt kunnen geconsulteerd worden op www.ruimtelijkeordening.be. Daar zijn ook de bestemmingsvoorschriften te vinden.
Gemeentelijke en provinciale RUP’s zijn nog niet gebundeld ter beschikking voor heel Vlaanderen. Hiervoor consulteert men best de website van de gemeente of de provincie of de dienst ruimtelijke ordening van de gemeente of de provincie zelf.
Inhoud:

  • Indien meerdere bestemmingen in één beheerplan: bij voorkeur wordt een kaart toegevoegd met aanduiding van het bosdomein en de bestemming volgens het geldende plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan




              1. Ligging in speciale beschermingszones

1.5.1 Internationale beschermingszones
Inhoud:

  • Vermelden of het gebied werd aangeduid als Vogelrichtlijn- of habitatrichtlijngebied

1.5.2 Nationale beschermingszones en regionale aandachtsgebieden


Inhoud:

  • Vermelden of het bos ligt in beschermd landschap, een stads- en dorpsgezicht, een ankerplaats, erfgoedlandschap of beschermde archeologische zone of monument.


            1. Algemene beschrijving

              1. Bestandskaart (schaal 1/5000 of 1/10.000)

De bestandskaart kan gecombineerd worden met de afdruk van het kadastraal plan met aanduiding van de bosbestanden (zie 1.2).



              1. Bestandsbeschrijving

De bestandsbeschrijving wordt per bestand ingevuld in deel I van de bestandsfiche.


Inhoud:

  • de standplaats (reliëf, bodemtype en waterhuishouding)

  • bestandskenmerken (bestandtype, leeftijd hoofdetage, sluitingsgraad, bedrijfsvorm, meningsvorm) (voor definities zie onder uitgebreid bosbeheerplan, 2.3.2, a)

  • boomsoortensamenstelling en korte beschrijving van soorten struiken en kruidlaag, aanwezigheid markante bomen, mogelijke aanwezigheid autochtone genenbronnen, bijzondere fauna, bodemgebruik, constructies,….




              1. Biologische waarderingskaart

Te vermelden op de bestandsfiche, deel I, bij standplaats



            1. Beheerdoelstellingen

              1. Beheerdoelstellingen met betrekking tot de economische functie

In een beperkt bosbeheerplan wordt geen raming van het kapkwantum gevraagd.

Het volstaat om aan te geven in welke mate houtoogst gepland wordt en hoe belangrijk dit is voor de bosbeheerder in vergelijking met de andere bosfuncties. Daarnaast wordt ook gevraagd welke houtsortimenten (brandhout, industriehout, zaaghout of fineerhout) de bosbeheerder verwacht te kunnen oogsten.
Worden er andere producten geoogst dan hout ?
Wordt het jachtrecht uitgeoefend?
Richtlijn:


  • In de ruimtelijk kwetsbare gebieden wordt omvorming van bestaand bos naar korteomloophoutteelt niet toegestaan. (Buiten de ruimtelijk kwetsbare gebieden wordt omzetten van bestaand bos naar korteomloophoutteelt beschouwd als ontbossing.)

  • zorgplicht en het standstill-principe

              1. Beheerdoelstellingen met betrekking tot de ecologische functie

Inhoud:


  • op welke manier zal de ecologische functie van het bos versterkt worden.

  • Welke zeldzame of te beschermen soorten of autochtone genenbronnen krijgen extra aandacht bij het beheer

Richtlijn:



    • Bij het formuleren van de beheerdoelstellingen is er voldaan aan de zorgplicht en het standstill-beginsel.

  • in SBZ: de beheerdoelstellingen zijn geformuleerd rekeninghoudend met behoud en uitbreiding van de habitats en soorten waarvoor het gebied werd aangemeld.

  • indien er een natuurrichtplan is: de beheerdoelstellingen zijn verenigbaar met de doelstellingen uit het natuurrichtplan

    • Het creëren van nieuwe open plekken in het bos is in principe enkel mogelijk via een uitgebreid Bosbeheerplan. Enkel indien open plekken al voorzien en gemotiveerd zijn in een natuurrichtplan, natuurinrichtingsproject ,… kan dit via het beperkt beheerplan goedgekeurd worden. Beoordelingskader zie bij uitgebreid beheerplan, onder III.2 en ANB-richtlijn 2006/04 ‘criteria voor het creëren van open plekken in het bos en voor het beheer van bestaande open plekken in het bos’.

    • Bij aanleg poel of moeras: criteria zie hoofdstuk IV

    • Indien autochtone bomen of struiken, opgenomen in de inventaris van ANB, er zijn voldoende maatregelen om de autochtone bomen of struiken te beschermen




              1. Beheerdoelstellingen met betrekking tot de sociale en educatieve functie

Meer info over speelzones vind je terug in de publicatie “Actiegerichte handleiding speelzones in bossen’, een uitgave van de Vereniging voor Bos in Vlaanderen, in samenwerking met het Agentschap en Steunpunt Jeugd vzw (http://www.vbv.be/speelzones/actiehandleiding_speelzones_web.pdf).


De gegevens over lengte en oppervlakte zijn vooral belangrijk i.v.m. mogelijke subsidies.
Inhoud:

  • Is het bos toegankelijk en zo ja, op welke manier?

  • Verwijzing naar de toegankelijkheidsregeling (zie II.5)

  • Toegankelijke oppervlakte

  • Lengte opengestelde boswegen – statuut van de opengestelde wegen?

  • Komen speelzones voor in het bos? Welke oppervlakte? De aanduiding en erkenning als speelzone gebeurt via de goedkeuring van de toegankelijkheidsregeling (zie ANB-richtlijn 2010/04 procedure voor goedkeuring van een toegankelijkheidsregeling (in opmaak)).

  • Open plekken voor recreatie: speel- of ligweiden, picknickplaatsen: bestaande plaatsen worden aangeduid op het bosplan. Nieuwe open plekken voor recreatie worden in het kader van het beperkt bosbeheerplan niet toegestaan. (cf. Procedure ontbossing)




              1. Beheerdoelstellingen met betrekking tot de milieubeschermende functie




              1. Beheerdoelstellingen met betrekking tot de wetenschappelijke functie

Inhoud:


  • zaadbronnen autochtone bomen en struiken, erkende zaadbestanden, proefbestanden, samenwerking met wetenschappelijke instellingen.



            1. Beheermaatregelen

              1. Bosbouwkundige beheermaatregelen

De bosbouwkundige beheermaatregelen worden ingevuld per bestand in Deel II van de bestandsfiche



                1. Bosverjonging

Richtlijn:


Verjongingswijze:


  • In principe wordt waar mogelijk (voldoende kwaliteit en kwantiteit) en zinvol (standplaatsgeschikt, kwalitatief goed uitgangsmateriaal) gekozen voor natuurlijke verjonging.

  • Indien 5 jaar na de eindkap blijkt dat de natuurlijke verjonging onvoldoende is, moet toch beplant worden met de nagestreefde boomsoorten.

  • De kunstmatige verjonging kan uitgevoerd worden tot 3 jaar na de eindkap. Dit wordt expliciet in het beheerplan opgenomen, zo niet wordt het als voorwaarde in het goedkeuringsbesluit opgenomen.

Boomsoortenkeuze:




  • Bij de keuze van de boomsoorten wordt steeds het standstill-principe toegepast: Dit betekent dat inheemse boomsoorten niet mogen vervangen worden door exoten, en inheemse loofboomsoorten niet door naaldboomsoorten en dat homogene bestanden ondergeschikt zijn aan gemengde bestanden.



Boomsoort

Inheems loofhout

Niet-inheems loofhout

Inheems naaldhout

Niet-inheems naaldhout

Vervangen door :

Inheems loofhout















Vervangen door :

Inheems naaldhout






Vooral in het kader van bestrijding van agressieve exoten







Vervangen door :

Niet-inheems loofhout












Aanplanten van agressieve

exoten is uitgesloten



Vervangen door :

Niet-inheems naaldhout















Voor een overzicht van de inheemse boomsoorten in Vlaanderen wordt voorlopig verwezen naar de bijlages I en III bij het BVR 27 juni 2003 betreffende de subsidiëring van beheerders van openbare en privé-bossen. Een ANB-instructie met een lijst van inheemse soorten, informatie ivm standplaatsgeschiktheid van boom- en struiksoorten en aanplantingsadvies ivm al of niet aanwezig zijn van autochtoon plantmateriaal is in opmaak.


  • Buiten VEN en SBZ worden geen verdere beperkingen qua boomsoortenkeuze opgelegd. Er wordt wel voldoende aandacht besteed aan het adviseren van de meest standplaatsgeschikte soorten. Dit wordt bepaald op basis van de PNV (potentieel natuurlijke vegetatie).

  • Het gebruik van ‘streekeigen’ soorten wordt in principe niet als voorwaarde opgelegd, tenzij dit zou opgelegd worden via een natuurrichtplan.

  • Het gebruik van autochtoon bosplantsoen is niet verplicht, maar wordt gestimuleerd via de subsidies voor bosbeheerders.

  • Het gebruik van aanbevolen herkomsten is niet verplicht, maar wordt aangeraden indien geopteerd wordt voor de productie van kwaliteitshout: categorie ‘geselecteerd’, ‘gekeurd’ of ‘getest’.

  • Bij ligging in SBZ: de boomsoortenkeuze mag niet leiden tot betekenisvolle effecten op de natuurlijke kenmerken van de SBZ. Heraanplanting met niet standplaatsgeschikte soorten kan om die reden geweigerd worden. Wanneer voor de SBZ een natuurrichtplan is opgesteld, moet de boomsoortenkeuze in overeenstemming zijn met de bindende bepalingen in dat plan.

Plantafstand:




  • Om bosbehoud te kunnen verzekeren worden een minimaal aantal boompjes per hectare aangeplant in een maximaal plantverband. Deze minimale aantallen of maximaal plantverband variëren naargelang de boomsoort (zie onderstaande tabel) en zijn dezelfde als voor het verkrijgen van een subsidie voor herbebossing en bebossing.

Voor de productie van kwaliteitshout wordt aangeraden om in een nauwer plantverband te planten.


Boomsoort

Minimum aantal per ha

Maximaal plantverband

Zomereik (Quercus robur)

2000

2m x 2.5m

Wintereik (Quercus petraea)

2000

2m x 2.5m

es (Fraxinus excelsior)

1600

2.5m x 2.5m

beuk (Fagus sylvatica)

1600

2.5m x 2.5m

zoete kers (Prunus avium)

1600

2.5m x 2.5m

Haagbeuk (Carpinus betulus)

2000

2m x 2.5m

linde (Tilia cordata, Tilia platyphyllos en Tilia x vulgaris)

2000

2m x 2.5m

zwarte els (Alnus glutinosa)

2000

2m x 2.5m

berk (Betula pendula en Betula pubescens)

2000

2m x 2.5m

olm (Ulmus glabra (syn. U. scabra), Ulmus minor(syn. U. campestris))

2000

2m x 2.5m

gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus )

1600

2.5m x 2.5m

wilg (Salix spp.)

2000

2m x 2.5m

ratelpopulier (Populus tremula)

1600

2.5m x 2.5m

grauwe abeel (Populus canescens)

123

9m x 9m

grove den (Pinus sylvestris)

2500

2m x 2m

vlier (Sambucus nigra), lijsterbes (Sorbus aucuparia), hazelaar (Corylus avellana), vuilboom (Frangula alnus), Gelderse roos (Viburnum opulus), kardinaalsmuts (Euonymus europaeus), rode kornoelje (Cornus sanguinea), vogelkers (Prunus padus), Spaanse aak (Acer campestre), meidoorn (Crataegus spp.), sleedoorn (Prunus spinosa), wilde rozen (Rosa spp.), hulst (Ilex aquifolium), wegedoorn (Rhamnus catharticus), duindoorn (Hippophae rhamnoides), wilde appel (Malus sylvestris), wilde peer (Pyrus pyraster), mispel (Mespilus germanica), taxus (Taxus baccata), jeneverbes (Juniperus communis), fladderiep (Ulmus laevis)

2000

2m x 2.5m




  • Voor wilg, populier en olm kan na advies van het INBO afgeweken worden van de in de tabel vermelde plantafstanden

  • Voor de soorten niet opgenomen in de lijst worden volgende maximale plantafstanden opgelegd: 2.5 m x 2.5 m voor inheems loofhout en lork, 2 m x 2 m voor ander naaldhout, 10 m x 10 m voor cultuurpopulier.

  • Kleine variaties van het maximaal plantverband met behoud van het minimum aantal per ha kunnen toegestaan worden in functie van de mogelijkheid voor machinaal vrijstellen.

  • De maximale plantafstand kan eventueel groter zijn bij gebruik van groot plantsoen als er tussen het plantsoen voldoende natuurlijke verjonging of opslag van struiken en hakhout is. Voor de productie van kwaliteitshout wordt een nauwer plantverband aangeraden.



                1. Bosomvorming

Gegevens over bosomvorming worden in een beperkt bosbeheerplan niet apart bijgehouden. De gegevens m.b.t. bosomvorming worden volledig gecombineerd met de gegevens over bosverjonging en de kappingen.





                1. Bosbehandelings- en verplegingswerken

Voor privé-bossen buiten VEN is er geen verbod op het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Wettelijk toegestane producten kunnen dus zonder vergunning of ontheffing toegepast worden, voor zover ze gebruikt worden in die situaties waarvoor ze officieel gehomologeerd zijn.


Meer info www.fytoweb.be en ANB-nota i.v.m. roestbestrijding populier
Inhoud:

  • vrijstelling

  • vormsnoei

  • zuivering

  • bestrijding agressieve exoten…




                1. Brandpreventie

Inhoud:

  • Is er een preventie- en bestrijdingsplan voor bosbranden?

  • Worden werken uitgevoerd, maatregelen getroffen voor brandpreventie?

  • Voor grote bosdomeinen kan het aangewezen/wenselijk zijn om een kaart aan het beheerplan toe te voegen met aanduiding van de wegen toegankelijk voor de hulpdiensten en van de waterreservoirs.




                1. Kapregeling

De kapregeling kan een overzicht in tabelvorm omvatten met de voorziene dunningen en eindkappen per perceel of bestand en per jaar voor de komende 20 jaar. Het is een planningsinstrument voor de beheerder, dat niet verplicht te volgen is. De marges waarbinnen de kappingen kunnen worden uitgevoerd, zijn expliciet opgenomen op de bestandfiches. Ook voorwaarden als schoontijd en andere bindende voorwaarden worden op de bestandfiches vermeld.


Afspraken m.b.t. de benaming van de soorten kappen: zelfde als bij uitgebreid beheerplan, 4.5 kapregeling

Richtlijn:


Eindkapping (kaalkap):


  • Kaalkap veroorzaakt een grondige verstoring van het bosmicroklimaat en moet dan ook vermeden worden. Groepsgewijze of individuele kapping of schermkap geniet de voorkeur.

  • Maximum aaneengesloten oppervlakte voor kaalkap:

    • Cultuurpopulier, Amerikaanse eik, Grove en Corsicaanse den, lork : 3 ha. Bij de heraanplanting kan groepsgewijze menging van verschillende klonen of soorten opgelegd worden. Voor cultuurpopulier kan afhankelijk van de locatie uitzonderlijk een aaneengesloten kaalkap van meer dan 3 ha toegestaan worden, gekoppeld aan voorwaarden voor heraanplanting, zoals bijv. beplanting met verschillende klonen, omzetting naar minstens 10% inheems loofhout, behoud van natuurlijke verjonging ...enz.

    • Al dan niet met exoten gemengd inheems loofhout: 1 ha. Voor de omvorming van een homogeen bestand naar een gemengd meer structuurrijk bestand, kan deze maximumoppervlakte verhoogd worden tot 3 ha.

Afwijkingen van bovenstaande criteria kunnen slechts toegestaan worden mits een grondige motivatie (bijv. Vroegtijdige kappingen van zeer minderwaardige Picea-bestanden, vroeger kappen van Amerikaanse eik, in het kader van een globaal omvormingsplan enz.)

  • Meerdere kaalkappen verspreid over het bos zijn slechts toegestaan indien de onderlinge afstand minstens 100 m bedraagt. Kaalkappen die op minder dan 100 m van elkaar liggen in eenzelfde bosdomein kunnen slechts uitgevoerd worden met een tussentijd van minstens 3 jaar.

  • Kapbaarheid:

    • Afhankelijk van de geformuleerde beheerdoelstellingen en in functie van de houtmarkt kan de bosbeheerder zelf de ‘kapbaarheid’, meer bepaald de na te streven doeldiameter, bepalen.

    • Bij voorstellen voor extreem vroege kaalkappen (bijv. voor oogst biomassa) wordt onderzocht wat de effecten zijn op de ecologische, landschappelijke en recreatieve waarde van het bos. Bij negatieve impact kan de voorgestelde kap geweigerd worden.

  • Gebruikelijke marges: Een kaalkap kan vanaf het jaar x tot het eind van de looptijd van het beheerplan uitgevoerd worden. Dit mag echter niet leiden tot het groeperen van kaalkappen binnen een periode van 3 jaar. De onderlinge afstand tussen kaalkappen voorzien in 3 opeenvolgende jaren bedraagt steeds minstens 100 m. Deze beperking moet expliciet in het beheerplan of in het goedkeuringsbesluit opgenomen worden. De marges kunnen aangepast (beperkt) worden indien de kaalkap nodig is in het kader van omvorming naar inheems of meer gemengde bestanden.

  • Bomen en struiken die opgenomen zijn in de inventaris van autochtone bomen en struiken mogen niet gekapt worden


Groepsgewijze eindkap:


  • Zelfde criteria als voor eindkap. De grootte en/of ligging van de groepen wordt vermeld op de bestandsfiches. Minder flexibiliteit indien in functie van omvorming of natuurwaarden


Individuele eindkap (Ei):


  • Dit symbool wordt niet vaak gebruikt. Dergelijke kap kan ook vaak aanzien worden als een dunning met het selectief verwijderen van bijv. exoten: het is logisch hier de zelfde marges te hanteren als bij een dunning


Dunning:


  • De dunning is een bosbouwkundige maatregel met het doel de kwaliteit van het overblijvende bosbestand te verbeteren. Dunningen die enkel houtoogst tot doel hebben, met degradatie van het bestand tot gevolg kunnen geweigerd worden.

  • Gangbare omlooptijden: zie bij uitgebreid bosbeheerplan 4.5 kapregeling (niet verplicht).

  • Op de bestandfiches wordt het maximaal toegestaan dunningspercentage en het (minimaal en) maximaal aantal dunningen over de volledige looptijd van het beheerplan vastgelegd. De beheerder moet zelf de gegevens over de uitgevoerde dunningen bijhouden en bij terreincontrole eventueel voorleggen aan ANB. Voor het dunningspercentage wordt gewoonlijk gewerkt met % van het grondvlak. % van het stamtal is ook aanvaardbaar omdat dit makkelijker is voor de eigenaar. Bij dunning volgens de toekomstboommethode kan de intensiteit van de dunning ook aangeduid worden in termen van % vrijstelling van de toekomstbomen.


Hakhoutkapping:


  • Is enkel toegestaan voor hakhout geschikte soorten, bv. geen opslag van populieren. De planning in de kaptabel is niet bindend. Op de bestandfiches wordt de minimale hakhoutcyclus vermeld. Die bedraagt minimum 8 jaar. Een maximum wordt niet opgelegd, tenzij dit vereist voor het behalen van de beheerdoelstellingen.


Jaarlijkse brandhoutkappingen:


  • Kunnen naargelang het type kapping worden aangeduid met het symbool Ei of X, met specificaties van het aantal te kappen bomen of het gekapt volume in de kolom 'opmerkingen'. Jaarlijks mag er niet meer dan de jaarlijkse aanwas gekapt worden. Dit wordt best uitgedrukt in een maximum aantal stère of vertaald naar aantal bomen. Wanneer er in één jaar meer gekapt wordt, kan er het volgende jaar niet meer gekapt worden.



              1. Beheermaatregelen en richtlijnen met betrekking tot de ecologische functie

Inhoud:


  • Indien het bos in SBZ ligt: op het algemene formulier geeft de indiener aan of de voorgestelde beheermaatregelen mogelijks een betekenisvol effect kunnen hebben op de natuurlijke kenmerken van de SBZ. Indien ja, dan stelt hij ‘milderende maatregelen’ voor om dat effect tegen te gaan.

  • Alle overige gegevens worden per bestand ingevuld in deel III van de bestandsfiches:

    • Bosomvorming: streefbeeld en beheermaatregelen

    • Aanleg en beheer van open plekken, bosranden, poel, moeras, andere: streefbeeld en beheermaatregelen

    • Schoontijd: geen schoontijd, standaard schoontijd of aangepaste schoontijd + motivering

    • Voorwaarden voor de exploitatie

Richtlijn:



  • Bosomvorming: minimum standstill en in SBZ in overeenstemming met IHD’s

  • Open plekken: (cf. definitie voor open plek in functie van natuurbehoud in ANB-richtlijn 2006/01)

  • aanleg van nieuwe open plekken is in principe enkel toegestaan via een uitgebreid bosbeheerplan. Indien de motivering voor het creëren van open plekken al opgenomen is in een natuurrichtplan, natuurinrichtingsproject,…, dan kan dit ook toegestaan worden via de goedkeuring van een beperkt bosbeheerplan. Het zelfde afwegingskader als bij de uitgebreide bosbeheerplannen wordt dan gehanteerd (ANB-richtlijn 2006/04 ‘criteria voor het creëren van open plekken in het bos en voor het beheer van bestaande open plekken in het bos. ‘ zie ook bij uitgebreid beheerplan 4.8.1. richtlijnen voor het creëren van open plekken in het bos…). Deze richtlijn betreft enkel open plekken voor natuurbehoud. Voor creatie van open plekken voor recreatie is er nog geen beoordelingskader uitgewerkt. Voorlopig wordt het creëren van open plekken voor recreatie niet toegestaan in het kader van een bosbeheerplan. Creëren van open plekken voor recreatie kan enkel toegestaan worden na het bekomen van een ontheffing van het ontbossingsverbod en een stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing met bijhorende boscompensatie. Zie ANB-richtlijn 2009/03 ‘Ontbossing: de toepassing van art.90bis van het Bosdecreet’.

  • Bestaande open plekken kunnen opengehouden worden door maaien en/of regelmatige verwijderen van opslag.

  • Bosranden:

  • Een ideale bosrand bestaat uit een zoom van hoge meerjarige kruiden (minstens 0,5 m breed, bij voorkeur breder) en een mantel die bestaat uit een begroeiing van struiken (minstens 2 m breed, bij voorkeur breder). Structuur en soortensamenstelling hangen af van de standplaats, het aangrenzende bos en het beheer. De zoomvegetaties worden periodiek gemaaid en de mantelvegetaties worden periodiek gekapt.

  • Bij de aanleg van bosranden worden geen aanplantingen uitgevoerd in de 6 m strook grenzend aan gronden met bestemming agrarisch gebied.

  • Poel-moeras: criteria voor aanleg poel: zie hoofdstuk IV

  • Specifieke vegetaties: in SBZ hier vermelden welke maatregelen genomen worden mbt beschermde soorten of habitats.

  • Schoontijd : cf. ANB-richtlijn 2010/02 afwegingskader schoontijd. Hierbij moet rekening gehouden worden met de in het beheerplan voorziene evolutie in het bestand. (Afwijken van de in het beheerplan vastgestelde schoontijd wordt geregeld via een machtiging tot afwijking van het bosbeheerplan)

  • Voorwaarden voor de exploitatie ifv bodemkenmerken: zie ANB-richtlijn 2010/02 afwegingskader schoontijd nl. de ‘aanvullende benadering via vegetatiekenmerken.’ Daarnaast kunnen nog voorwaarden opgelegd worden als:

- uitslepen gevelde bomen met lier van op de bosweg

- uitslepen met paard

- uitslepen via vaste uitsleeppistes

- werken met een rupskraan

- kroonhout ter plaatse


  • Soortenbescherming (zie ook I.2.6.): cf. ANB-richtlijn 2010/02 afwegingskader schoontijd.

  • Voorwaarden ivm behoud van de onderetage of de reeds aanwezige natuurlijke verjonging of ivm afzetten van het hakhout voorafgaand aan de kapping.

  • te behouden soorten: bij alle types kappingen kan als voorwaarde opgelegd worden dat bepaalde soorten of bepaalde specifiek omschreven bomen behouden dienen te worden.



              1. Beheermaatregelen en richtlijnen met betrekking tot de sociale en educatieve functie

Op het algemeen gedeelte van het formulier wordt aangegeven welke recreatieve infrastructuur aanwezig is of gepland wordt. De voorziene beheermaatregelen voor het onderhoud van de speelzone, zoals maaibeheer, verwijderen of laten liggen van dode bomen, voorziene kappingen, … worden op de bestandsfiches vermeld.


Voor het plaatsen van toegangspoortjes, wegafsluitingen, slagbomen, wegwijzers en verbodsborden, informatieborden, zitbanken en vuilnisbakken is geen stedenbouwkundige vergunning nodig, voor zover de beheermaatregelen zijn opgenomen in een goedgekeurd bosbeheerplan21.
Voor de plaatsing van zaken die als ‘speeltoestel’ worden voorzien is wel een stedenbouwkundige vergunning nodig.
Een speeltoestel is een ‘product bestemd voor vermaak of ontspanning, ontworpen of kennelijk bestemd om te worden gebruikt door personen die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, waarbij uitsluitend van zwaartekracht of van fysieke kracht van de mens gebruik wordt gemaakt, en bestemd voor collectief gebruik op een tijdelijk of blijvend speelterrein.

Wanneer er in het bos (bijv. in de speelzone, maar ook daarbuiten) dergelijke ‘speeltoestellen’ te vinden zijn, dan vallen die ook onder de toepassing van de regelgeving mbt speeltoestellen22.


Voor alle ‘constructies’ is er ook een machtiging in toepassing van art.97 van het BD nodig (constructie), die kan verleend worden tegelijk met de goedkeuring van het bosbeheerplan (zie IV.9.14).
Inhoud:

  • Aangeven welke recreatieve infrastructuur aanwezig is of wordt voorzien. Bij nieuwe recreatieve infrastructuur : best meer gedetailleerde info bijvoegen (aangezien er dan geen stedenbouwkundige vergunning meer nodig is)

Richtlijn:



    • Het plaatsen van de in het BVR 5.12.2008 voorziene toegankelijkheidsborden: Het volstaat te verwijzen naar het Bebordingsplan dat:

      • ofwel reeds is goedgekeurd samen met het de toegankelijkheidsregeling

      • of samen met het bosbeheerplan ter goedkeuring ingediend werd

      • of pas later na de goedkeuring van het bosbeheerplan zal ingediend worden met een ontwerp-toegankelijkheidsregeling.

    • In de eerste plaats is een speelzone een ‘echt’ bos, waarin gespeeld mag worden. Traditionele speeltoestellen horen dan ook niet thuis in een speelbos.

    • Andere recreatieve infrastructuur: ANB plant de opmaak van een vademecum ‘recreatieve infrastructuur’. Inhoudelijke criteria zullen vastgesteld worden na afwerking van dat vademecum.

    • Paden, wegen en verhardingen: Zie 4.7 en IV.9.14




              1. Beheermaatregelen en richtlijnen met betrekking tot de milieubeschermende functie

              2. Beheermaatregelen en richtlijnen met betrekking tot de wetenschappelijke functie

Inhoud:


  • In welke bestanden worden specifieke beheermaatregelen genomen en/of gelden specifieke richtlijnen m.b.t. de wetenschappelijke functie en waarom?




              1. Beheermaatregelen en richtlijnen met betrekking tot cultuurhistorische elementen. (facultatief luik voor bossen gelegen in beschermd landschap, conform art. 16, §4 van het landschapsdecreet)

Indien het bos gelegen is in een beschermd landschap of een ankerplaats, vormt dit deel het luik ‘landschap’, conform art. 16, §4, van het landschapsdecreet
Inhoud:

  • Korte bespreking van de maatregelen en richtlijnen die voorzien worden voor de aanwezige cultuurhistorische elementen.

  • De maatregelen waarvoor subsidies gevraagd worden in het kader van het landschapsdecreet dienen hier uitvoerig beschreven te worden.



              1. Ingrepen en activiteiten onderworpen aan een machtiging (artikel 90, artikel 96 en artikel 97 van het decreet)

Op het formulier wordt aangegeven welke werken/activiteiten er gepland zijn. Als bijlage moet altijd op kaart aangeduid worden waar de werken zich situeren. Bovendien moet ook in een nota een motivering en een duidelijke omschrijving van de geplande werken gegeven worden.


Richtlijn: zie hoofdstuk IV


1   ...   11   12   13   14   15   16   17   18   ...   23


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina