Handleiding betreft: bosbeheerplannen, kapmachtigingen en andere machtigingen voor beheerwerken in bos



Dovnload 0.82 Mb.
Pagina17/23
Datum22.07.2016
Grootte0.82 Mb.
1   ...   13   14   15   16   17   18   19   20   ...   23

III.4.Beroepsprocedure

Openbaar bos: BD art.50 beroep bij de Vlaamse regering.


Privé-bos: Het Bosdecreet voorziet geen beroepsprocedure.
In de begeleidende brief bij de machtiging wordt standaard verwezen naar de mogelijkheid om beroep aan te tekenen bij de Raad van State, bij verzoekschrift ingediend binnen de 60 dagen na de betekening van de beslissing.


III.5.Wijzigingen of afwijkingen van de voorwaarden van de verleende machtiging

Redenen voor wijziging of afwijking van de machtiging kunnen zijn: wijziging dunningspercentage, afwijking schoontijd, enz…


De wijziging of afwijking wordt schriftelijk aangevraagd en gemotiveerd. ANB neemt de beslissing door de vorige machtiging in te trekken en een nieuwe machtiging met aangepaste voorwaarden te verlenen.
Verlenging van de geldigheidsduur kan niet. Wanneer er geen inhoudelijke wijzigingen zijn ten opzichte van de eerste aanvraag, wordt de oude machtiging opgeheven en vervangen door een identieke nieuwe machtiging met enkel een nieuwe geldigheidsperiode. Wanneer een nieuwe inhoudelijke beoordeling nodig is, moet de aanvrager een nieuwe kapaanvraag indienen.

III.6.Richtlijnen m.b.t. bij te houden gegevens over de kapmachtigingen

Privé-bos: De gegevens van aanvragen voor kapmachtigingen worden bij ontvangst ingevoerd in het kapmachtigingsprogramma. Het besluit wordt gegenereerd via dit programma. De machtigingen zelf worden digitaal bijgehouden als word-document in een daartoe voorziene map.


Zie verder: handleiding bij het kapmachtigingsprogramma.
Openbaar bos: Kappingen die opgenomen zijn in de gezamenlijke ANB-houtverkoop worden bijgehouden in de databank IVANHO. Voor die kappingen die niet mee opgenomen zijn in de houtverkoop zal een bijkomend luik gevoegd worden bij IVANHO.

III.7.Kwaliteitscontrole

Jaarlijks worden vanuit de CD bij elke provinciale afdeling 1% (met een minimum van 1) van de dossiers opgevraagd, at random geselecteerd uit de databank en verspreid over de verschillende regio’s. De CD screenen deze dossiers op naleving van de richtlijnen. Hierover wordt een ontwerpverslag opgemaakt. Dit verslag wordt besproken in een overleg met alle dossierbehandelaars. Hierbij wordt opgelijst welke punten bijzondere aandacht vergen en op welke punten de richtlijn aangepast of aangevuld moet worden.


Deze kwaliteitscontrole gaat telkens in één provincie gepaard met een terreinbezoek.

III.8.Controle op de naleving van de voorwaarden van de kapmachtigingen

Tijdens de werken moet de exploitant een kopie van de kapmachtiging bij zich hebben. Dit wordt als standaardvoorwaarde in de kapmachtiging opgenomen. Indien het gaat over een reeks kapmachtigingen (bijv. via de bosgroep) is het aan te bevelen dat de aanvrager een plannetje aan de exploitant bezorgt met daarop aangegeven de plaats van de kapping met verwijzing naar het nummer van de kapmachtiging.


Bij dunning is er geen systematische terreincontrole. (wel na klacht of gepland in specifieke gevallen). Voor eindkappen wordt binnen het jaar na afloop van de geldigheidstermijn van de kapmachtiging door de beleidsadviseur of de bevoegde boswachter een terreincontrole uitgevoerd. Als dan vastgesteld wordt dat de kapping nog maar pas is uitgevoerd, wordt een latere controle voorzien.
Privé-bos: De dossierbeheerder start jaarlijks de controleronde op basis van lijsten uit het kapmachtigingsprogramma.
Indien vastgesteld wordt dat geen herbebossing uitgevoerd werd binnen de vastgestelde termijn, wordt een brief naar de bosbeheerder gestuurd, met de vraag alsnog de herbebossing te realiseren. Het jaar daarna volgt een nieuwe controle. Indien dan nog niet herbebost werd, wordt het dossier doorgestuurd via het voorziene meldingsformulier naar de cel Natuur-Inspectie. Hierbij wordt tegelijk meegedeeld of volgens afdeling Beleid regularisatie aanvaardbaar is en/of er wordt een voorstel tot herstel opgesteld.
Indien al bij de eerste controle vastgesteld wordt dat er geen herbebossing is uitgevoerd en dat er aan het terrein ook een andere bestemming of gebruik wordt gegeven, wordt het dossier onmiddellijk doorgestuurd naar de cel natuurinspectie. (cfr. ANB-richtlijn 2009/03 mbt ontbossing)
Privé-bossen: Wanneer tijdens de terreincontrole vastgesteld is dat andere voorwaarden van een kapmachtiging niet nageleefd zijn, wordt een brief naar de bosbeheerder gestuurd met het verzoek tot herstel van de schade. Indien herstel van schade niet mogelijk is wordt het dossier doorgestuurd naar Natuur-Inspectie

(bv. kappen tijdens de schoontijd, verwijderen van te behouden bomen,...).


In openbare bossen: bij vaststellingen van exploitatieschade en/of niet naleven erkenningsregeling bosexploitanten: zie ANB-richtlijn mbt erkenningsregeling van bosexploitanten (in opmaak)

III.9.Wat bij vaststelling van een niet vergunde kapping?

Privé-bos: Wanneer een beleidsadviseur een niet vergunde kapping vaststelt wordt eerst onderzocht of de kapping volgens de criteria in deze richtlijn had kunnen vergund worden en of er herstel ter plaatse aangewezen is. De vaststelling van de niet vergunde kapping samen met deze informatie wordt via het meldingsformulier bezorgd aan Natuurinspectie.


Openbaar bos: De boswachter moet PV opstellen (cfr. ANB-richtlijn 2008/06 Meldingen aan de Natuurinspectie).


III.10.Inhoudelijke beoordeling




III.10.1.Kappingen in bospercelen gelegen in het VEN

A.Check Criteria voor Duurzaam Bosbeheer

Voor bossen gelegen in het VEN zijn de criteria voor duurzaam bosbeheer verplicht te volgen. Normaal komt dit tot uiting in het uitgebreid bosbeheerplan. Voor privé-bossen kleiner dan 5 ha is er echter geen verplichting tot het opstellen van een bosbeheerplan. Daarom moet bij het verlenen van elke machtiging erop toegezien worden dat dit gebeurt conform de Criteria voor Duurzaam Bosbeheer.


Richtlijn: Volgende criteria moeten hierbij expliciet beoordeeld worden:
1.) criteria voor het waarborgen van sociale en culturele functies
Criterium 2.2: Bossen of delen van bossen met grote sociale, culturele, landschappelijke, geschiedkundige, religieuze betekenis, waardevolle traditionele beheervormen of belangrijke wetenschappelijke of educatieve betekenis worden beschermd en beheerd overeenkomstig hun specifieke waarden en potenties.

Het gaat hier om gebieden waarvan de specifieke waarde kan aangetoond worden, zoals bijvoorbeeld oude bossen, oud hakhout, oud middelhoutbos, archeologische vindplaatsen, holle wegen, boswallen enzovoort.
2.) criteria voor het waarborgen van productie- en economische functies
Indicator 3.1.2: De bosbeheerder behoudt de natuurlijke productiecapaciteit van de bosbodem door een aangepast bosbeheer (bijvoorbeeld door de boomsoortenkeuze, het nastreven van voldoende mengingsgraad). Zo wordt bodembewerking tot een minimum beperkt. Bij gedegradeerde bosbodems zijn herstelmaatregelen mogelijk na voorafgaand bodemonderzoek.
Indicator 3.1.3: De bosbeheerder tracht de mineralenkringloop in zijn bos zo veel mogelijk te sluiten door zowel verliezen als importen te beperken. Bemesting (aanrijking met nutriënten) is niet toegestaan wegens het risico van eutrofiëring, grondwatervervuiling en wijzigingen in de kruidenlaag. Startbemesting met stalmest in de plantput bij verjonging met veeleisende boomsoorten is wel toegestaan.
Indicator 3.3.1: De bosbeheerder kiest een boomsoortensamenstelling die steeds standplaatsgeschikt is. In geval van kunstmatige of gecombineerde verjonging kiest hij steeds voor de door het INBO aanbevolen herkomsten, voor zover die beschikbaar zijn.
Indicator 3.3.2: De bosbeheerder kiest voor kleinschalige kappingen. Kaalslagen zijn beperkt tot 1 ha. Van die regel kan afgeweken worden indien dat grondig gemotiveerd wordt in het bosbeheerplan en in specifieke gevallen (bv. directe omvorming van een homogeen bestand van een uitheemse soort; verjonging van een populierenaanplant).
3.) criteria voor het behoud en de bescherming van het milieu
Criterium 4.2: Ingrijpende veranderingen in bosbeheer en bosgebruik worden vooraf getoetst aan een evaluatie van de te verwachten effecten op natuur en landschap. De evaluatie wordt afgestemd op de schaal en intensiteit van de ingreep en op de natuur- en landschapswaarde van het bos.
Indicator 4.2.2: In functie van de omvang van de ingreep (intensiteit, sterkte, betrokken oppervlakte) en de kwaliteiten van het gebied zijn passende maatregelen genomen om eventuele schade aan de natuur, het natuurlijk milieu en het landschap te voorkomen, te beperken of indien dit niet mogelijk is, te herstellen.
Criterium 4.3: De bosbeheerder ziet erop toe dat bij het beheer bos-vreemde stoffen en producten zo veel mogelijk uit het bos worden geweerd.
Indicator 4.3.1: Olieverversingen van machines zijn in het bos niet toegestaan.
Indicator 4.3.2: Bij het aanwenden van motorzagen wordt alleen biologisch afbreekbare kettingolie gebruikt
Indicator 4.3.4: Voorzover dat nog niet wettelijk is geregeld, is het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen niet toegestaan, tenzij het gebruik van glyfosaat voor het bestrijden van niet-inheemse agressieve soorten (onder meer de Amerikaanse vogelkers) in een planmatige en gecombineerde mechanisch-chemische bestrijdingsmethode. Deze uitzondering geldt zolang er geen ecologisch beter verantwoord product of verantwoorde methode met dezelfde efficiëntie beschikbaar is en pas nadat de noodzaak en mogelijke alternatieven vooraf werden overwogen en uitgeprobeerd.

4.) Criteria voor het behoud en de bevordering van de biologische diversiteit
Indicator 5.1.1: De bosbeheerder houdt bij de bosbedrijfsvoering rekening met het zorgprincipe en het standstillprincipe, toegepast op de biologische diversiteit. Standplaatsen met een van nature rijke boomsoortensamenstelling mogen in geen geval worden vervangen door uniforme bestanden of door een andere vorm van bodemgebruik. Aanplanten van agressieve exoten is uitgesloten. Het omvormen van bossen van inheemse loofboomsoorten naar homogene bossen van fijnspar, populier, andere niet-inheemse soorten en grove dennen is uitgesloten.
Indicator 5.1.2: Het bos en zijn beheer zijn getoetst op de aanwezigheid en het voortbestaan van zeldzame, bedreigde en wettelijk beschermde plant- en diersoorten, alsook indicatorsoorten van oud bos. De relevante gebieden, terreinkenmerken en beheersmaatregelen zijn aangegeven op een beheerskaart. Voor die natuurelementen worden de nodige maatregelen genomen om de instandhouding van hun habitat te garanderen.

De inventarisatie is zowel gericht op de aanwezigheid van indicatoren voor oude en goed ontwikkelde bosecosystemen als op de aanwezigheid van zeldzame en bedreigde soorten en bijzondere natuurelementen. Concreet wordt onder meer rekening gehouden met: oud-bosplanten; oude bomen met holten voor vogels en zoogdieren; nestbomen van roofvogels; zeldzame en bedreigde boom-, struik- en plantensoorten, alsook andere bedreigde organismen en kensoorten, voorzover hiervan terreingegevens beschikbaar zijn. Tevens wordt rekening gehouden met specifieke natuurelementen zoals beken, poelen, vennen en bronnen, open plekken en natuurlijke rand- en overgangssituaties (mantel- en zoomvegetaties) en de aan deze habitats gebonden soorten.
Indicator 5.1.3: Bij beslissingen over het beheer en gebruik van alle bostypen is uitdrukkelijk rekening gehouden met de eisen die zeldzame, bedreigde en wettelijk beschermde plant- en diersoorten stellen aan hun habitat.
Indicator 5.1.4: De bosbeheerder besteedt bij planning en uitvoering van exploitatie speciale aandacht aan de broedperiode van vroege of late broedvogels. Hiertoe worden in het lastenboek passende exploitatievoorwaarden vastgelegd. Er is een lange vaste schoontijd, die loopt van 1 april tot 30 juni. Op voorwaarde dat vooraf machtiging van Bosbeheer werd verkregen, kan van deze standaard schoontijd worden afgeweken : de periode kan zowel verruimd, verengd of opgeheven worden.
Indicator 5.2.2: De bosbeheerder beschikt over een omvormingsplan voor alle homogene aanplantingen van populier, fijnspar, en andere niet-inheemse boomsoorten.

Norm populier: Er wordt een onderetage opgebouwd en behouden van verschillende inheemse houtige gewassen. Die mag als hakhout worden beheerd met populier als bovenstaanders (soort middelhout).

Norm andere homogene niet-inheemse bestanden: Er wordt gestreefd naar gemengde bestanden waarvan 30% van de bedekkingsgraad of grondvlak wordt ingenomen door inheemse loofbomen. In een eerste fase mogen in die 30% ook onderstandige bomen en de onderetage meegerekend worden. Het is echter de bedoeling na verloop van tijd te komen tot 30% inheemse loofbomen in de opperetage
Indicator 5.3.3: De bosbeheerder streeft naar het verkrijgen van meer dood hout in het bos. In het beheerplan staan concrete beheerrichtlijnen vermeld, die gericht zijn op het verkrijgen van meer dood hout in het bos, afhankelijk van de natuurlijke bestandsontwikkeling : bijvoorbeeld snoeihout wordt niet verwijderd; staande of liggende holle of dode bomen die geen gevaar opleveren voor voorbijgangers of voor het verspreiden van ziekten of brand blijven behouden, bij catastrofes of niet-besmettelijke aantastingen worden niet alle getroffen bomen verwijderd, hoogdunning wordt toegepast of wegkwijnende bomen die geen concurrentie betekenen voor potentiële toekomstbomen worden niet verwijderd, wortelkluiten van omgewaaide bomen worden niet systematisch verwijderd en opgevuld. De evolutie van het volume dood hout wordt expliciet gevolgd. Bij planning en uitvoering wordt aandacht besteed aan waarden zoals veiligheid, fytosanitaire conditie en risico’s, en natuurbeleving.

Richtwaarde: 4% van het totale bestandsvolume (staand, liggend, spreiding in alle omtrekklassen > 30cm) of een verdubbeling van de hoeveelheid dood hout binnen de planperiode.
Indicator 5.3.4: De bosbeheerder duidt per bestand een zeker aantal bomen per ha aan, bij voorkeur inheemse loofbomen, tot ze de natuurlijke leeftijdsgrens bereiken.

5) Criteria voor planmatig en controleerbaar beheer
Indicator 6.3.1: De bosbeheerder hanteert duidelijke richtlijnen voor exploitatieactiviteiten en transport binnen zijn bos ter bescherming van mens, natuur en milieu en hij controleert de uitvoering ervan in de praktijk. Deze richtlijnen geven inzicht in de beperkingen die gesteld (kunnen) worden aan exploitatie en transport, ook in het geval van uitbesteding en eventuele schaderegeling.


Samenvatting beoordeling CDB bij kapaanvragen


Kapping weigeren of toestaan:

  • aandacht voor culturele, landschappelijke, geschiedkundige of religieuze betekenis van het bos of delen ervan

  • geen ingrijpende wijzigingen in het bosbeheer (bijv. creëren open plek, omschakeling naar korte omloophoutteelt) =>dan beheerplan nodig

  • zorgprincipe en standstill-principe

  • kaalkap maximaal 1 ha, tenzij bij directe omvorming van exotenbestanden of populier

  • per bestand enkel bomen behouden die oud mogen worden

Exploitatie:

  • geen olieverversing in het bos

  • alleen biologisch afbreekbare olie

  • aandacht voor aanwezigheid zeldzame plant- of diersoorten en specifieke natuurelementen

  • standaardschoontijd of aangepaste schoontijd (cfr. ANB-richtlijn 2010/02 afwegingskader toepassing schoontijd)

  • streven naar meer dood hout, hoogdunning

Herbebossing :

  • standstill-principe, gebruik standplaatsgeschikte soorten en aanbevolen herkomsten, indien beschikbaar

  • bodembewerking beperken

  • geen bemesting

  • omvorming van alle homogene aanplantingen van exoten op lange termijn

  • populier: heraanplanting met populier indien onderetage van inheemse soorten

  • exoten: 30% bijmenging van inheemse soorten

Dit kan vertaald worden naar bijzondere voorwaarden in de kapmachtiging:



  • exploitatievrije zone

      • rupsbanden

      • werken met lier, paard

      • vrijwaren oevers

      • vaste ruimingspistes

      • schoontijd

      • vochtigheid bodem

B.VEN-verboden

Wanneer het bos geheel of gedeeltelijk gelegen is in het VEN moet er rekening gehouden worden met de VEN-verboden (Natuurdecreet art. 25, §3 en het maatregelenbesluit (BVR 21/11/2003)).




    • wijziging van vegetatie, meerjarige cultuurgewassen of kleine landschapselementen:

    • Zaaien of planten van niet-inheemse planten, bomen of struiken

Richtlijn:



  • Privé-bos: heraanplanting met exoten enkel volgens de voorwaarden in CDB

  • Openbare bossen: heraanplanting met exoten wordt in principe niet toegestaan. Uitzonderingen zijn mogelijk mits uitdrukkelijke motivering en conform de Beheervisie voor openbare bossen.


Richtlijn:



  • Gebruik van bestrijdingsmiddelen wordt enkel toegestaan voor bestrijding van Amerikaanse vogelkers of andere agressieve exoten met gespecificeerde voorwaarden. In dat geval wordt er tegelijk met de kapmachtiging ook een VEN-ontheffing verleend.

  • Als overgangsmaatregel kan in afwijking van de CDB voor het gebruik van bestrijdingsmiddelen tegen roestinfecties bij populier in privé-bossen in het VEN tegelijk met de kapmachtiging (of in een aparte VEN-ontheffing) een individuele ontheffing verleend worden indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

        • Enkel met een voor roestbestrijding bij populieren gehomologeerd product, in toegelaten dosering en met in achtnemen van de in de homologatie opgelegde toepassingsvoorwaarden (zie www.fytoweb.be);

        • Bijkomende voorwaarden vanuit ANB :

          • Enkel voor populierenbestanden aangeplant vóór de afbakening van het VEN (dit betekent in de meeste gevallen 18/07/2003)

          • Niet in de nabijheid van woningen en voedsel- of voedergewassen

          • Op minstens 10 m afstand van open water

  • In openbare bossen gelden bovendien de verplichtingen van het decreet van 31/01/2002 houdende de vermindering van het gebruik van bestrijdingsmiddelen door openbare diensten en het BVR van 19/12/2008. Hier moet het gebruik van bestrijdingsmiddelen voorzien zijn in het reductieplan opgesteld in toepassing van dit decreet.



C.Onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur in het VEN.

Bij het verlenen van de kapmachtiging moet het ANB ook rekening houden met art.26 bis van het Natuurdecreet, dat bepaalt dat de overheid geen toestemming of vergunning mag verlenen voor een activiteit die onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur in het VEN kan veroorzaken(= verscherpte natuurtoets).


Richtlijn:

  • Aangezien in VEN de Criteria voor Duurzaam Bosbeheer verplicht moeten worden gevolgd, gaat ANB ervan uit dat de check met de Criteria voor Duurzaam Bosbeheer volstaat om aan te nemen dat de geplande werken geen onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur zullen veroorzaken. In de machtiging moet bij ligging in VEN wel altijd een standaardparagraaf i.v.m. schade in VEN opgenomen worden. (zie model-besluit op ANB-extranet)

III.10.2.Kappingen in bospercelen gelegen in SBZ

Zie I.2.3. Via het luik ‘natuurtoets’ in de kapmachtiging wordt ingeschat of de kapping een betekenisvolle effect kan hebben op de natuurlijke kenmerken van de SBZ. Indien ja, dan wordt onderzocht of door het opleggen van milderende maatregelen dit effect kan tegengegaan worden. Deze maatregelen worden als voorwaarde opgenomen in de kapmachtiging.

Indien geen aantasting van de natuurlijke kenmerken van de SBZ verwacht wordt, wordt dit ook zo expliciet vermeld in de aanhef van de kapmachtiging.
De boomsoortenkeuze mag niet leiden tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van de SBZ. Heraanplanting met niet standplaatsgeschikte soorten kan om die reden geweigerd worden. Wanneer voor de SBZ een natuurrichtplan is opgesteld, moet de boomsoortenkeuze in overeenstemming zijn met de bindende bepalingen in dat plan.

III.10.3.Goedgekeurd natuurrichtplan

Wanneer er voor de betrokken percelen een goedgekeurd natuurrichtplan bestaat, moet onderzocht worden of de gevraagde kapping in overeenstemming is met de bepalingen van het natuurrichtplan.


Wanneer in het natuurrichtplan de doelvegetatie een niet-bosvegetatie is: Zie ook I.2.4.

III.10.4.Algemene inhoudelijke criteria

De hiernavolgende criteria gelden zowel in VEN en SBZ als erbuiten. Als de hiervoor vermelde criteria in VEN of SBZ strenger zijn dan wat hierna volgt, dan primeren ze.


A.Criteria mbt de kapping

Richtlijn:


Eindkapping (kaalkap) :


  • Kaalkap veroorzaakt een grondige verstoring van het bosmicroklimaat en moet dan ook vermeden worden. Groepsgewijze of individuele kapping of schermkap geniet de voorkeur.

  • Maximum aaneengesloten oppervlakte voor kaalkap:

    • Cultuurpopulier, Amerikaanse eik, Grove en Corsicaanse den, lork : 3 ha. Bij de heraanplanting kan groepsgewijze menging van verschillende klonen of soorten opgelegd worden. Voor cultuurpopulier kan afhankelijk van de locatie uitzonderlijk een aaneengesloten kaalkap van meer dan 3 ha toegestaan worden, gekoppeld aan voorwaarden voor heraanplanting, zoals bijv. beplanting met verschillende klonen, omzetting naar minstens 10% inheems loofhout, behoud van natuurlijke verjonging ...enz.

    • Al dan niet met exoten gemengd inheems loofhout : 1 ha. Voor de omvorming van een homogeen bestand naar een gemengd meer structuurrijk bestand, kan deze maximumoppervlakte verhoogd worden tot 3 ha.

Afwijkingen van bovenstaande criteria kunnen slechts toegestaan worden mits een grondige motivatie (bijv. vroegtijdige kappingen van zeer minderwaardige Picea-bestanden, vroeger kappen van Amerikaanse eik, in het kader van een globaal omvormingsplan enz.)

  • Meerdere kaalkappen verspreid over het bos zijn slechts toegestaan indien de onderlinge afstand minstens 100 m bedraagt. Voor zover een bosbeheersplan wettelijk vereist is kunnen dergelijke kaalkappen enkel via een bosbeheersplan geregeld worden. Kaalkappen die op minder dan 100 m van elkaar liggen in eenzelfde bosdomein kunnen slechts uitgevoerd worden met een tussentijd van minstens 3 jaar.

  • Kapbaarheid:

    • afhankelijk van de geformuleerde beheerdoelstellingen en in functie van de houtmarkt kan de bosbeheerder zelf de ‘kapbaarheid’, meer bepaald de na te streven doeldiameter, bepalen.

    • Bij voorstellen voor extreem vroege kaalkappen (bijv. voor oogst biomassa) wordt onderzocht wat de effecten zijn op de ecologische, landschappelijke en recreatieve waarde van het bos. Bij negatieve impact kan de voorgestelde kap geweigerd worden.

  • Bomen en struiken die opgenomen zijn in de inventaris van autochtone bomen en struiken mogen niet gekapt worden



Groepsgewijze eindkap:


  • Zelfde criteria als voor eindkap. De grootte en/of ligging van de groepen wordt vermeld in de machtiging.


Individuele eindkap:


  • Dergelijke kap kan ook vaak aanzien worden als een dunning met het selectief verwijderen van bijv. exoten.


Dunning:


  • De dunning is een bosbouwkundige maatregel met het doel de kwaliteit van het overblijvende bosbestand te verbeteren. Dunningen die enkel houtoogst tot doel hebben, met degradatie van het bestand tot gevolg kunnen geweigerd worden.

  • Gangbare omlooptijden: zie bij uitgebreid bosbeheerplan 4.5 kapregeling (niet verplicht).

  • In de kapmachtiging wordt het maximaal toegestaan dunningspercentage vastgelegd. Voor het dunningspercentage wordt gewoonlijk gewerkt met % van het grondvlak. % van het stamtal is ook aanvaardbaar omdat dit makkelijker is voor de eigenaar. Bij toepassen van de toekomstboommethode kan de dunningsintensiteit ook uitgedrukt worden in termen van % vrijstelling van de toekomtbomen.


Hakhoutkapping:


  • Is enkel toegestaan voor hakhout geschikte soorten, bv. geen opslag van populieren. Om een duidelijk onderscheid te behouden met korte-omloop-houtteelt bedraagt de omlooptijd minstens 8 jaar.


Jaarlijkse brandhoutkappingen:


  • In de machtiging wordt het jaarlijkse aantal te kappen bomen of het gekapt volume vastgelegd. Wanneer er in één jaar meer gekapt wordt, kan er het volgende jaar niet meer gekapt worden.


B.Criteria mbt de ecologische en landschappelijke functie


Het toestaan van de gevraagde kapping kan worden gekoppeld aan de naleving van bindende voorwaarden zoals:




    • Schoontijd : cfr. ANB-richtlijn 2010/02 afwegingskader schoontijd.

  • Beperking van exploitatie i.f.v. bodemkenmerken: cfr. ANB-richtlijn 2010/02 afwegingskader schoontijd, stap 2 ‘aanvullende benadering via vegetatiekenmerken.’ Daarnaast kunnen nog voorwaarden opgelegd worden als:

- uitslepen gevelde bomen met lier van op de bosweg

- uitslepen met paard

- uitslepen via vaste uitsleeppistes

- werken met een rupskraan

- kroonhout ter plaatse


  • Soortenbescherming (zie ook I.2.6.): cf. ANB-richtlijn 2010/02 afwegingskader schoontijd.

    • Voorwaarden i.v.m. behoud van de onderetage of de reeds aanwezige natuurlijke verjonging of i.v.m. afzetten van het hakhout voorafgaand aan de kapping.

    • Te behouden soorten: bij alle types kappingen kan als voorwaarde opgelegd worden dat bepaalde soorten of bepaalde specifiek omschreven bomen behouden dienen te worden (bijv. in functie van naleven CDB.)

    • Indien de betreffende percelen gelegen zijn in een beschermd landschap worden als bijzondere voorwaarde de voorwaarden opgelegd door het bindend advies van Onroerend Erfgoed overgenomen.



C.Criteria m.b.t. bosverjonging

Verjongingswijze:




    • Natuurlijke verjonging: In principe wordt waar mogelijk (voldoende kwaliteit en kwantiteit) en zinvol (standplaatsgeschikt, kwalitatief goed uitgangsmateriaal) gekozen voor natuurlijke verjonging. In dat geval wordt in de kapmachtiging geen herbeplantingsplicht opgelegd en wordt het behoud van de eventueel aanwezige natuurlijke verjonging opgelegd. Bij twijfel wordt een voorwaardelijke vrijstelling van herbeplantingsplicht gegeven voor maximaal 5 jaar: voorwaarde: “indien 5 jaar na het verlenen van de kapmachtiging nog onvoldoende natuurlijke verjonging met geschikte soorten aanwezig is, dient de gekapte oppervlakte te worden herbebost met ...(boomsoorten) in eng plantverband (max. 2.5 x 2.5 m).”

De voorwaardelijke vrijstelling van herbeplantingsplicht kan ook gekoppeld worden aan een evaluatie van de aanwezige natuurlijke verjonging door het ANB na het uitvoeren van de kapping (bijv. bij het omvormen van gelijkjarige bestanden van gewone den, populier , fijnspar...). Op die manier is duidelijk hoeveel en welke soorten er reeds aanwezig zijn.


    • De kunstmatige verjonging kan uitgevoerd worden tot 3 jaar na de eindkap.

Boomsoortenkeuze:




    • Bij de keuze van de boomsoorten wordt steeds het standstill-principe toegepast.



Boomsoort

Inheems loofhout

Niet-inheems loofhout

Inheems naaldhout

Niet-inheems naaldhout

Vervangen door :

Inheems loofhout















Vervangen door :

Inheems naaldhout






Vooral in het kader van bestrijding van agressieve exoten







Vervangen door :

Niet-inheems loofhout












Aanplanten van agressieve exoten is uitgesloten

Vervangen door :

Niet-inheems naaldhout















Voor een overzicht van de inheemse boomsoorten in Vlaanderen wordt voorlopig verwezen naar de bijlagen I en III bij het BVR 27 juni 2003 betreffende de subsidiëring van beheerders van openbare en privé-bossen. Een ANB-instructie met een lijst van inheemse soorten, informatie i.v.m. standplaatsgeschiktheid van boom- en struiksoorten en aanplantingadvies i.v.m. al of niet aanwezig zijn van autochtoon plantmateriaal is in opmaak.

  • Buiten VEN en SBZ worden geen verdere beperkingen opgelegd aan de boomsoortenkeuze. Er wordt wel voldoende aandacht besteed aan het adviseren van de meest standplaatsgeschikte soorten. Dit gebeurt steeds op basis van de potentieel natuurlijke vegetatie (PNV).

  • Het gebruik van ‘streekeigen’ soorten wordt in principe niet als voorwaarde opgelegd, tenzij dit zou opgelegd worden via een natuurrichtplan, of in het bindend advies van OE.

  • Het gebruik van autochtoon plantsoen is niet verplicht, maar wordt gestimuleerd via de subsidies voor bosbeheerders.

    • Het gebruik van aanbevolen herkomsten is buiten VEN niet verplicht, maar wordt aangeraden indien geopteerd wordt voor de productie van kwaliteitshout: categorie ‘geselecteerd’, ‘gekeurd’ of ‘getest’.

Plantafstand:





    • Om bosbehoud te kunnen verzekeren worden een minimaal aantal boompjes per hectare aangeplant in een maximaal plantverband. Deze minimale aantallen variëren naargelang de boomsoort (zie onderstaande tabel) en zijn dezelfde als voor het verkrijgen van een subsidie voor herbebossing en bebossing.

Voor de productie van kwaliteitshout is het wel aangewezen om in een nauwer plantverband te planten.


Boomsoort

Minimum aantal per ha

Maximaal plantverband

Zomereik (Quercus robur)

2000

2m x 2.5m

Wintereik (Quercus petraea)

2000

2m x 2.5m

es (Fraxinus excelsior)

1600

2.5m x 2.5m

beuk (Fagus sylvatica)

1600

2.5m x 2.5m

zoete kers (Prunus avium)

1600

2.5m x 2.5m

Haagbeuk (Carpinus betulus)

2000

2m x 2.5m

linde (Tilia cordata, Tilia platyphyllos en Tilia x vulgaris)

2000

2m x 2.5m

zwarte els (Alnus glutinosa)

2000

2m x 2.5m

berk (Betula pendula en Betula pubescens)

2000

2m x 2.5m

olm (Ulmus glabra (syn. U. scabra), Ulmus minor(syn. U. campestris))

2000

2m x 2.5m

gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus )

1600

2.5m x 2.5m

wilg (Salix spp.)

2000

2m x 2.5m

ratelpopulier (Populus tremula)

1600

2.5m x 2.5m

grauwe abeel (Populus canescens)

123

9m x 9m

grove den (Pinus sylvestris)

2500

2m x 2m

vlier (Sambucus nigra), lijsterbes (Sorbus aucuparia), hazelaar (Corylus avellana), vuilboom (Frangula alnus), Gelderse roos (Viburnum opulus), kardinaalsmuts (Euonymus europaeus), rode kornoelje (Cornus sanguinea), vogelkers (Prunus padus), Spaanse aak (Acer campestre), meidoorn (Crataegus spp.), sleedoorn (Prunus spinosa), wilde rozen (Rosa spp.), hulst (Ilex aquifolium), wegedoorn (Rhamnus catharticus), duindoorn (Hippophae rhamnoides), wilde appel (Malus sylvestris), wilde peer (Pyrus pyraster), mispel (Mespilus germanica), taxus (Taxus baccata), jeneverbes (Juniperus communis), fladderiep (Ulmus laevis)

2000

2m x 2.5m



  • Voor wilg, populier en olm kan na advies van het INBO afgeweken worden van de in de tabel vermelde plantafstanden

  • Voor de soorten niet opgenomen in de lijst worden volgende maximale plantafstanden opgelegd: 2.5 m x 2.5 m voor inheems loofhout en lork, 2 m x 2 m voor ander naaldhout, 10 m x 10 m voor cultuurpopulier.

  • Kleine variaties van het maximaal plantverband met behoud van het minimum aantal per ha kunnen toegestaan worden in functie van de mogelijkheid voor machinaal vrijstellen.

  • De maximale plantafstand kan eventueel groter zijn bij gebruik van groot plantsoen als er tussen het plantsoen voldoende natuurlijke verjonging of opslag van struiken en hakhout is. Voor de productie van kwaliteitshout wordt een nauwer plantverband aangeraden.





1   ...   13   14   15   16   17   18   19   20   ...   23


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina