Handleiding betreft: bosbeheerplannen, kapmachtigingen en andere machtigingen voor beheerwerken in bos



Dovnload 0.82 Mb.
Pagina2/23
Datum22.07.2016
Grootte0.82 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   23

Hoofdstuk I : Geïntegreerde toepassing van de procedures uit het Bosdecreet en het Natuurdecreet bij de beoordeling van bosbeheerplannen en het verlenen van kapmachtigingen en andere machtigingen




I.1.Te volgen procedure conform het Bosdecreet voor het uitvoeren van beheermaatregelen in bossen.

De meeste beheermaatregelen die voorzien zijn in een goedgekeurd bosbeheerplan kunnen uitgevoerd worden zonder bijkomende machtigingen of vergunningen. Richtlijnen voor de behandeling van bosbeheerplannen zijn opgenomen in hoofdstuk II.


Voor een aantal beheermaatregelen zoals o.m. begrazing, plaggen, maaibeheer, aanleg poel, nivelleringswerken, storten van grond, werken die de waterhuishouding wijzigen … is er strikt genomen ook nog een machtiging nodig conform art. 90 of 97 van het Bosdecreet.
De tabel als bijlage 1 geeft een overzicht van de vereiste machtigingen conform het Bosdecreet voor een hele reeks vaak voorkomende bosbeheerwerken.
Om te vermijden dat bosbeheerders met een goedgekeurd bosbeheerplan voor bepaalde beheerwerken toch nog een bijkomende machtiging zouden moeten vragen, geldt als richtlijn het volgende: bij de goedkeuring van het bosbeheerplan verleent ANB ook tegelijkertijd de machtiging voor die beheermaatregelen waarvoor dat juridisch nodig is.
Daarvoor wordt in het goedkeuringsbesluit (zie hierover II.6.9) expliciet de rechtsgrond (= het betreffende artikel uit het Bosdecreet) en een korte verwijzing naar de betreffende beheerwerken opgenomen.
Wanneer een bosbeheerder die beschikt over een goedgekeurd bosbeheerplan beheerwerken wenst uit te voeren die niet in een goedgekeurd bosbeheerplan zijn voorzien, dan moet de bosbeheerder in toepassing van art.44 van het Bosdecreet een machtiging tot afwijking van het Bosbeheerplan vragen. Zie hierover verder punt II.8.
Wanneer de bosbeheerder niet beschikt over een goedgekeurd bosbeheerplan is voor de meeste bosbeheerwerken toch een machtiging nodig.
Voor kappen van bomen gaat het over een machtiging in toepassing van art.50 van het Bosdecreet voor openbare bossen en van art.81 van het Bosdecreet voor privé-bossen. Voor richtlijnen voor het verlenen van dergelijke machtigingen, zie hoofdstuk III.
Voor andere beheerwerken betreft het een machtiging in toepassing van art. 20, 90, 96, 97 of 99. Zie de tabel in bijlage 1. Richtlijnen voor deze machtigingen zijn opgenomen in hoofdstuk IV.
Ook hier geldt als richtlijn dat indien voor een aantal beheerwerken verschillende machtigingen vereist zijn, deze tegelijkertijd in één beslissing verleend worden.

I.2.Gecombineerde toepassing van procedures uit het Natuurdecreet.




I.2.1.Algemeen


Voor het uitvoeren van een aantal beheerwerken zijn er mogelijks ook een aantal verplichtingen in toepassing van het Natuurdecreet.
Het doel van deze handleiding is o.m. te komen tot een zoveel mogelijk geïntegreerde toepassing van de procedures van Bosdecreet en Natuurdecreet:

  • bij het beoordelen van bosbeheerplannen en aanvragen voor machtigingen onderzoekt de dossierbehandelaar bij ANB systematisch welke procedures uit het Natuurdecreet er voor de geplande beheerwerken nodig zijn.

  • al bij de ontvangst van de aanvraag wordt onderzocht of ook alle elementen vereist voor de toepassing van de procedures Natuurdecreet voorhanden zijn.

  • waar mogelijk wordt zoveel mogelijk, zonder dat de aanvrager een apart dossier moet indienen, tegelijk met de goedkeuring van het beheerplan of het verlenen van de machtiging, ook de eventueel vereiste ontheffing verleend.

  • In de machtigingen en besluiten tot goedkeuring van bosbeheerplannen wordt expliciet vermeld op welke manier er aan de verplichtingen inzake het Natuurdecreet voldaan is.



I.2.2.Het bos ligt geheel of gedeeltelijk in het VEN

Wanneer het bos geheel of gedeeltelijk gelegen is in het VEN moet er rekening gehouden worden met de VEN-verboden (Natuurdecreet art. 25, §3 en het maatregelenbesluit (BVR 21/11/2003)).




  • voor een aantal bepalingen geldt het VEN-verbod niet, indien de werken expliciet zijn opgenomen in het bosbeheerplan. Het VEN-verbod geldt wel bij aanvragen voor een kapmachtiging of andere machtigingen in toepassing van het Bosdecreet:

    • wijziging van vegetatie, meerjarige cultuurgewassen of kleine landschapselementen (ND art.25, §3, 2°,2):

    • Zaaien of planten van niet-inheemse planten, bomen of struiken (maatregelenbesluit art.6,1°)


Bosbeheerplan: Voor deze punten is er naast de goedkeuring van het bosbeheerplan geen individuele ontheffing nodig.
Richtlijn: het beheerplan moet een voldoende ecologische motivatie omvatten voor de voorgestelde ingrepen.

- Privé-bos: Voor de boomsoortenkeuze, bijvoorbeeld de heraanplant met populier of andere exoten, gelden de Criteria Duurzaam Bosbeheer als maatstaf.

- Openbare bossen: heraanplanting met exoten wordt in principe niet toegestaan. Uitzonderingen zijn mogelijk conform de Beheervisie voor openbare bossen.
Kapmachtigingen: Naast de kapmachtiging is er ook een individuele ontheffing van het VEN-verbod nodig. Deze individuele ontheffing, verleend door de provinciaal directeur, kan na visum van de celverantwoordelijke beleidsuitvoering of beheer tegelijkertijd in één besluit met de kapmachtiging verleend worden.
Richtlijn:

- Privé-bos: heraanplanting met exoten in VEN wordt slechts toegestaan onder de voorwaarden van de Criteria voor Duurzaam Bosbeheer..

- Openbaar bos: heraanplanting met exoten in VEN wordt in principe niet toegestaan. Uitzonderingen zijn mogelijk volgens de voorwaarden van de Beheervisie voor openbare bossen (zie III.10.1)



  • Voor andere bepalingen geldt het VEN-verbod wel, ook als er een bosbeheerplan is:

    • Gebruik van bestrijdingsmiddelen

    • Wijzigen van het reliëf

    • Werken die het grondwaterpeil verlagen of bestaande afwatering versterken

    • Structuur van waterlopen wijzigen

Het is niet nodig dat er een aparte aanvraag tot het bekomen van een VEN-ontheffing ingediend wordt. De beslissing over de VEN-ontheffing wordt, voor zover de nodige informatie ter beschikking is, tegelijkertijd genomen met de beslissing over het beheerplan of de machtiging. De nodige standaardparagrafen hiervoor worden opgenomen in het besluit tot goedkeuring van het bosbeheerplan of het model voor een machtiging (zie resp. II.6.9 en III.3.6)


Richtlijn:

In principe wordt enkel voor volgende werken VEN-ontheffing verleend:



    • het gebruik van glyfosaat voor bestrijding van Amerikaanse vogelkers of andere agressieve exoten.

    • Roestbestrijding bij populieren, aangeplant vóór de afbakening van het VEN, met een gehomologeerd product (zie www.fytoweb.be) en gebruikt mits in achtname van een aantal veiligheidsmaatregelen (zie o.m. IV.9.2 )

    • de aanleg van een poel, indien voldaan wordt aan een aantal voorwaarden, zie IV.9.8

De ontheffing wordt in principe niet verleend voor gebruik van bestrijdingsmiddelen om andere redenen dan exotenbestrijding en roestbestrijding bij populieren.


Bij de goedkeuring van het bosbeheerplan of het verlenen van de kapmachtiging moet het ANB ook rekening houden met art.26 bis van het Natuurdecreet, dat bepaalt dat de overheid geen toestemming of vergunning mag verlenen voor een activiteit die onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur in het VEN kan veroorzaken.


Daarvoor moet onderzocht worden of het beheerplan of de aanvraag voor een kapmachtiging een voldoende ecologische evaluatie omvat, waaruit kan afgeleid worden of de beheerwerken onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur kunnen veroorzaken. Aangezien in VEN de Criteria voor Duurzaam Bosbeheer verplicht moeten gevolgd worden, gaat het ANB ervan uit dat de check met de Criteria voor Duurzaam Bosbeheer volstaat om aan te nemen dat de geplande werken geen onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur zullen veroorzaken.
In de aanhef van het goedkeuringsbesluit voor een bosbeheerplan of van een machtiging in toepassing van het Bosdecreet wordt bij ligging in VEN dan ook volgende standaardparagraaf opgenomen:

Overwegende dat, mits naleving van de voorwaarden opgenomen in dit besluit, de aangevraagde werken geen onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur zullen veroorzaken,




I.2.3.Het bos ligt in of grenst aan SBZ


Wanneer het bos geheel of gedeeltelijk gelegen is of grenst aan een SBZ moet rekening gehouden worden met de bepalingen van art. 36ter van het Natuurdecreet. Indien één of meerdere van de voorgestelde beheerwerken kunnen leiden tot een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de SBZ, dan is er een ‘passende beoordeling’ nodig en moeten eventueel milderende maatregelen opgelegd worden.
Per SBZ worden bij besluit instandhoudingsdoelstellingen vastgelegd. Deze instandhoudingsdoelstellingen zullen nadien geconcretiseerd worden in natuurrichtplannen. Vanaf de goedkeuring van dergelijk natuurrichtplan moeten de beheermaatregelen ermee in overeenstemming zijn. (zie I.2.4)
Bosbeheerplan:

  • De indiener moet in het beheerplan aangeven of de voorgestelde ingrepen een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de SBZ kunnen veroorzaken.

  • Deze toetsing wordt verwerkt in het ontwerp beheerplan:

    1. In volgende onderdelen van het uitgebreid bosbeheerplan:

      • 1.7 Ligging in speciale beschermingszones

      • 3.2 Beheerdoelstellingen met betrekking tot de ecologische functie

      • 3.4 Beheerdoelstellingen met betrekking tot de milieubeschermende functie

      • 4 Beheermaatregelen: alle beheermaatregelen, maar expliciete motivering vooral in volgende deeltjes:

        • 4.8 Open plekken

        • 4.10 Specifieke maatregelen ter bescherming van flora en fauna

        • 4.18 Beheermaatregelen en richtlijnen met betrekking tot de wetenschappelijke functie

        • 4.21 Toetsing aan SBZ’s en IHD’s: hieronder dient een duidelijke conclusie te staan omtrent de mogelijke te verwachten betekenisvolle effecten op de natuurlijke kenmerken van de SBZ. Indien er te verwachten negatieve effecten zijn, dan dienen hier ‘milderende maatregelen’ te worden opgegeven, welke zullen getroffen worden om de te verwachten betekenisvolle effecten weg te werken.

2. In het beperkt bosbeheerplan : aan het formulier voor beperkt bosbeheerplan wordt een apart luikje ‘Toetsing aan SBZ’s en IHD’s’ toegevoegd.
Richtlijn:

    • De voorgestelde milderende maatregelen worden intern teruggekoppeld met de IHD-teams of het aanspreekpunt passende beoordeling

    • Indien de toetsing en/of voorgestelde milderende maatregelen in het uitgebreid bosbeheerplan onvoldoende zijn uitgewerkt: het beheerplan is onontvankelijk.

    • Bij beperkte bosbeheerplannen worden na overleg met de IHD-teams of het aanspreekpunt passende beoordeling zoveel mogelijk zelf milderende voorwaarden voorgesteld.

    • Bij de goedkeuring van het beheerplan kunnen ‘milderende maatregelen’ als voorwaarde opgelegd worden.


Machtiging:

  • In principe moet de aanvrager op het aanvraagformulier, in het luik ‘natuurtoets’, aangeven of de voorgestelde ingrepen een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de SBZ kunnen veroorzaken.

Richtlijn:



    • Indien nodig worden, na overleg met de IHD-teams of het aanspreekpunt passende beoordeling zoveel mogelijk zelf milderende voorwaarden opgelegd via voorwaarden in de machtiging.

Enkel als het op basis van het dossier niet mogelijk is milderende voorwaarden te formuleren om aantasting van de natuurlijke kenmerken van de SBZ te voorkomen, wordt aan de aanvrager gemeld dat de aanvraag onontvankelijk is en dat er een ‘passende beoordeling’ moet opgemaakt worden.
In de aanhef van het goedkeuringsbesluit voor een bosbeheerplan of van een machtiging in toepassing van het Bosdecreet wordt bij ligging in of bij SBZ volgende standaardparagraaf opgenomen:

Overwegende dat mits naleven van de voorwaarden opgenomen in dit besluit, de aangevraagde werken geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de speciale beschermingszone veroorzaken,’



I.2.4.Het bos ligt in een gebied waarvoor een natuurrichtplan is goedgekeurd

Wanneer er een goedgekeurd natuurrichtplan is, dan moet bij de beoordeling van het beheerplan of de aanvraag voor een machtiging onderzocht worden of de voorgestelde beheermaatregelen in overeenstemming zijn met de bepalingen van het natuurrichtplan.


De meeste maatregelen kunnen gewoon in het kader van het bosbeheerplan of een (kap)machtiging, vergund worden. Meer in het bijzonder indien, indien volgens de bindende bepalingen in de gebiedsvisie van het natuurrichtplan een niet-bos vegetatie het doel is, moet het ANB hiermee rekening houden bij de goedkeuring van het beheerplan.

Richtlijn algemeen:



    • Alle beheermaatregelen worden afgewogen tegenover de bindende bepalingen in het natuurrichtplan

Richtlijn bij doel niet-bos vegetatie:

  • De nodige kappingen moeten zoveel mogelijk gebeuren binnen de grenzen van het begrip ‘open plekken’ (zie ANB-richtlijn 2006/04’ Criteria voor het creëren van open plekken in het bos en voor het beheer van bestaande open plekken in het bos’)

  • Indien dat niet kan, omdat de realisatie van de doelvegetatie een ontbossing impliceert, dan kan het uitvoeren van die ontbossing niet geregeld worden in het bosbeheerplan.

    • Indien de bosbeheerder zelf voor de eindkap nog dunningen wenst uit te voeren, kan dat nog toegestaan worden, indien ontbossing op lange termijn bereikt wordt

  • Indien de bosbeheerder een kaalkap wenst uit te voeren: De kaalkap kan toegestaan worden, zonder heraanplantingsplicht. Het ANB zorgt in dat geval zelf voor het aanvragen van de stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing. Bij ontbossing voor de realisatie van de IHD’s, is er vrijstelling van compensatieplicht. Aangezien het een werk van algemeen belang betreft is er dan geen ontheffing van het ontbossingsverbod nodig.



I.2.5.Het bos ligt niet in VEN of SBZ

Het zogenaamde ‘integratiebeginsel’ (art.16 Natuurdecreet) stelt dat elke vergunningverlenende overheid er zorg moet voor dragen dat er geen vermijdbare schade aan de natuur kan ontstaan. Dit kan door de vergunning te weigeren of door redelijkerwijs voorwaarden op te leggen om schade te voorkomen, te beperken of te herstellen.


Bij de beoordeling van het beheerplan of de kapmachtiging moet ook onderzocht worden of de voorgestelde beheerwerken een vegetatiewijziging of een wijziging van kleine landschapselementen inhouden.
Het verbod tot vegetatiewijziging en wijziging van kleine landschapselementen, zoals bepaald in het BVR 23 juli 19981, art.7, §1 bepaalt dat het wijzigen van volgende kleine landschapelementen en vegetaties verboden is:

1° holle wegen;

2° graften;

3° bronnen;

4° historisch permanente graslanden, met inbegrip van het daaraan verbonden microreliëf en poelen, indien deze gelegen zijn in groengebieden, parkgebieden, buffergebieden en bosgebieden of in beschermd landschap of de beschermingsgebieden Poldercomplex en het Zwin;

5° vennen en heiden;

6° moerassen en waterrijke gebieden;

7° duinvegetaties.


De natuurvergunningsplicht voor vegetatiewijzigingen is van toepassing in volgende gebieden: de groengebieden, de parkgebieden, de buffergebieden, de bosgebieden, de valleigebieden, de brongebieden, de agrarische gebieden met ecologisch belang of waarde, de agrarische gebieden met bijzondere waarde2, de natuurontwikkelingsgebieden, Speciale Beschermingszones, Ramsargebieden en beschermde duingebieden.
De natuurvergunningsplicht voor wijzigen van kleine landschapselementen is in de zelfde gebieden van toepassing, aangevuld met het IVON en de waardevolle agrarische gebieden en de agrarische gebieden.
Zowel het verbod als de natuurvergunningsplicht gelden niet indien de werken zijn voorzien in een goedgekeurd bosbeheerplan of in een machtiging afgeleverd op basis van het Bosdecreet.

(voor andere vrijstellingen zie art. 9 van het besluit).

Richtlijn:


  • Beheerplannen: Indien de voorgestelde beheermaatregelen de vegetatie of KLE in stand houden, dan is er geen probleem. Indien er door de beheermaatregelen een wijziging veroorzaakt wordt, dan moet geoordeeld worden of die wijziging grondig ecologisch gemotiveerd wordt en of er uitdrukkelijk voldaan is aan de zorgplicht (art.14 en 16 van het natuurdecreet). Zo niet, dan kan aan de indiener gevraagd worden de voorgestelde beheermaatregelen aan te passen of de goedkeuring van het beheerplan kan geweigerd worden.

  • Machtiging: Wijzigingen van de vegetatie of KLE zonder grondige ecologisch motivatie kunnen geweigerd worden. Door het opleggen van voorwaarden wordt schade aan de natuur zo veel mogelijk voorkomen.



I.2.6.Relevante bepalingen in het soortenbeschermingsbesluit

In het BVR met betrekking tot soortenbescherming en soortenbeheer dd. 15/05/2009 (BS 13/08/2009, inwerkingtreding 1/09/2009) is vooral volgende bepaling van belang:


Art.14 §1 Het is verboden de nesten van beschermde vogelsoorten of de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van andere beschermde diersoorten dan vogels opzettelijk te vernielen, te beschadigen of weg te nemen.
§2. Het vernielen, beschadigen of wegnemen van nesten, voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van beschermde diersoorten wordt ondermeer geacht onopzettelijk te zijn wanneer de verantwoordelijke voor deze handeling niet wist en redelijkerwijze niet hoorde te weten dat deze handeling kon leiden tot de in §1 beschreven negatieve gevolgen voor nesten, Voortplantingsplaatsen of rustplaatsen.
Ten aanzien van de diersoorten waarbij categorie 3 is aangekruist in bijlage 1 is evenwel ook het onopzettelijk vernielen of beschadigen van de voortplantingsplaatsen of de rustplaatsen verboden.
§3. Onder nesten worden begrepen de bewoonde nesten, de nesten die in aanbouw zijn als voorbereiding op het komende broedseizoen, alsook de nesten die in de regel jaar na jaar tijdens het broedseizoen hergebruikt worden.
Diersoorten van categorie 3 (zie bijlage bij het besluit): vleermuizen, bever, hamster, hazelmuis, lynx, wilde kat, otter, gladde slang, enkele soorten kikkers en salamanders, enkele libellen, kevers en motten…). Het onopzettelijk vernielen of beschadigen van de voortplantingsplaatsen of de rustplaatsen van deze dieren is in principe strafbaar. ANB moet dus bij het goedkeuren van bosbeheerplannen en het verlenen van machtigingen door het opleggen van voorwaarden zoveel mogelijk voorkomen dat dergelijke plaatsen vernield of beschadigd worden.
De bescherming van aanwezige fauna gebeurt in de eerste plaats door het opleggen van een aangepaste schoontijd en aangepaste exploitatievoorwaarden. Zie stap 3 ‘aanvullende soortenbenadering’ in de ANB-richtlijn 2010/02 afwegingskader toepassing schoontijd.



1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   23


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina