Handleiding bij het gebruik van internet



Dovnload 33.59 Kb.
Datum20.08.2016
Grootte33.59 Kb.
Handleiding bij het gebruik van internet

1 Inleiding


Deze handleiding is bedoeld om beginnende internetgebruikers enigszins wegwijs te maken op het internet. Je vindt hier informatie over de geschiedenis en de basisprincipes van het internet, uitleg over hoe een en ander werkt, wat je zoal met internet kunt doen en welke omgangsregels er van toepassing zijn.

Als je deze handleiding gelezen hebt, weet je wat internet is, hoe het is ontstaan, waaruit het bestaat en hoe je er informatie zoekt en contact legt met andere mensen, bedrijven of instellingen. Je kunt de internetopdrachten voor je opleiding maken en je zult ontdekken dat je in de ‘grootste bibliotheek ter wereld’ alles kunt vinden wat je wilt weten of zien.

Als je nog nooit met internet hebt gewerkt, zullen de gebruikte termen in het begin wat moeilijk zijn. De meeste woorden zijn bovendien in het Engels. De begrippen en termen die de meeste uitleg nodig hebben, komen in deze handleiding aan de orde.

Als je al eerder gebruik hebt gemaakt van het internet, dan kun je deze handleiding ook gebruiken als naslagwerk.



2 Wat is internet?


In dit hoofdstuk zullen we een beknopt overzicht geven van het ontstaan en de ontwikkeling van het internet en aangeven waaruit het bestaat. De begrippen die aan de orde komen zijn: TCP/IP, netwerk, World Wide Web, HTML, URL, provider, browser en scrollen.

Geschiedenis


Het internet is ontstaan in 1969, toen het Ministerie van Defensie van de Verenigde Staten besloot om een aantal belangrijke computers met elkaar te verbinden. Dit eerste zogenaamde computernetwerk werd het ARPA-net genoemd (Advanced Research Projects Agency). In het begin werd het alleen gebruikt door instellingen die zich met militair onderzoek bezighielden en op die manier informatie konden uitwisselen. Het systeem bleek prima te werken en in korte tijd hadden bijna alle universiteiten in de Verenigde Staten een aansluiting.

In 1977 werd TCP/IP (Transmission Control Protocol/Internet Protocol) ontwikkeld. Dat wordt nog steeds gebruikt als standaard voor het internet. Het bestaat uit twee delen, het IP- en het TCP-protocol en deze bepalen samen hoe electronische boodschappen worden ‘ingepakt’, geadresseerd en verstuurd. Kortom, hoe de communicatie tussen computers die met elkaar zijn verbonden, verloopt. Dankzij TCP/IP is het internet tegenwoordig voor iedereen over de hele wereld toegankelijk. Zie het maar als de universele taal waarmee alle computers met elkaar kunnen ‘praten’.



Netwerk


Computers kunnen met elkaar verbonden worden tot een netwerk. Hierdoor is het mogelijk om vrijwel elke soort informatie uit te wisselen tussen de verschillende computers waaruit het netwerk bestaat. Naast tekst kan het bij informatie ook om een illustratie, geluid of video gaan. Deze informatie is dan toegankelijk voor iedereen die inbelt op het netwerk. Inbellen gaat inderdaad via een telefoonlijn, vandaar de term. Het apparaat dat de digitale informatie van een computer ‘vertaalt’, zodat het over de telefoonlijn verstuurd kan worden, heet een modem.

Het mooie van het internet is dat dankzij TCP/IP alle computers met elkaar kunnen communiceren, waar ze zich ook bevinden. Elke computer die op het netwerk is aangesloten, kan gebruik maken van de diensten en informatie van computers over de hele wereld. Eigenlijk is het internet zelf weer een wereldwijde aaneenschakeling van een groot aantal computernetwerken.

Het internet heeft lange tijd gediend als netwerk voor wetenschappelijk onderzoek. De laatste jaren zien steeds meer bedrijven en particulieren de mogelijkheden van internet om informatie op te vragen, te communiceren en zaken te doen.

World Wide Web (WWW)


Het World Wide Web, of simpelweg WWW of het Web, is de meest gebruikte manier om informatie te presenteren. WWW is het grafische gedeelte van het internet en zorgt ervoor dat alle beschikbare informatie op het internet gemakkelijk toegankelijk is voor elk type computer. Op dit gedeelte van het net vind je informatie in paginaformaat: de webpagina’s, vaak voorzien van plaatjes (foto’s en/of video) en geluid. Pagina’s die met elkaar te maken hebben of over hetzelfde onderwerp gaan, verwijzen naar elkaar met links: meestal onderstreepte woorden/zinnen of afbeeldingen met een blauwe kleur, waar je met de muis op kunt klikken (één keer op de linker-muisknop drukken). Je komt dan op die andere pagina terecht. Hierover vertellen we in het volgende hoofdstuk meer.

Veel mensen denken dat internet en WWW hetzelfde is, maar dat is niet waar. Internet is het gehele netwerk van alle computers die met elkaar verbonden zijn en omvat ook e-mail, FTP (dit zijn sites waar je in plaats van leesbare informatie, software kunt vinden) en chatboxes. WWW is een (groot) onderdeel van het internet.

Als je WWW ziet als één grote bibliotheek, vormen de weblocaties (adressen) daarin de boeken, terwijl de pagina’s (sites) de verschillende bladzijden zijn. De home page (de introductiepagina van een weblocatie) is dan vergelijkbaar met de omslag of de inhoudsopgave van het boek.

Om de informatie zo gebruikersvriendelijk mogelijk aan te bieden, maakt WWW gebruik van HTML en URL’s. Daarover vertellen we hieronder meer.




HTML


HTML staat voor HyperText Markup Language en is een soort standaard voor de vormgeving van documenten op het internet. Hierdoor wordt een document veel sneller leesbaar. Ook maakt HTML het mogelijk om de vormgeving van kranten, tijdschriften en andere gedrukte media heel goed weer te geven.

Een nadeel van het HTML is dat wanneer je een pagina maakt voor het WWW, je gebonden bent aan een bepaalde opmaak. Een voordeel is weer dat je ook gebruik kunt maken van bijvoorbeeld foto’s en geluidsfragmenten. En het is vergeleken met gedrukte media veel goedkoper.




URL


URL staat voor Universal Resource Locators en zorgt ervoor dat je een koppeling (‘link’) kunt maken naar andere gegevens, desnoods in een computer aan de andere kant van de wereld. In feite is een URL het adres van een webpagina. Meestal begint een URL met http://www. Daarachter staat meestal de naam van de site en daar weer achter het ‘domein’, bijvoorbeeld nl voor Nederland. De laatste drie letters na de punt geven aan wat voor soort pagina het is; com zegt dat je op een commerciële web-pagina bent, edu betekent dat je bent beland bij een universiteit of hogeschool en org staat voor organisatie. In een link zit een URL, oftewel een webadres, ingesloten.


Provider


Een provider is een organisatie die voor bedrijven of particulieren de toegang tot het internet regelt. Het is een computer met bijbehorende software, die als ‘voedingsbron’ voor andere computers en programma’s dient. Iemand die het internet opgaat, maakt verbinding met zijn provider en krijgt alle informatie op zijn computer binnen via die provider. Sommige zijn gratis, maar voor de meeste providers betaal je abonnementsgeld. In de meeste grote steden zijn meerdere, soms tientallen providers. Enkele bekende en grote providers (groot, omdat ze veel aansluitingen hebben) zijn Planet Internet, Worldaccess, Tiscali, Euronet en XS4ALL. Er komen ook steeds nieuwe providers bij.

In de jaren negentig maakte het internet een enorme groei door. Volgens sommigen wordt het aantal aangesloten computers nu elk jaar verdubbeld. Waren er in 1984 wereldwijd nog maar duizend computers met elkaar verbonden, in 1994 waren dat er al twee miljoen, in honderd landen. Het aantal gebruikers bedroeg toen al 23 miljoen... Hoeveel zullen het er op dit moment zijn?




Browser


Net zoals Microsoft Word een hulpmiddel is bij het schrijven en opmaken van teksten, is de browser een hulpmiddel om te ‘navigeren’ over het internet en toegang te krijgen tot informatie. Met behulp van de browser bekijk je de webpagina’s. De Internet Explorer en de Netscape Navigator zijn de meest gebruikte browsers.

De werkbalk van de browser, bovenaan je beeldscherm, bevat de besturingselementen. Hiermee kun je, door er met de muis op te klikken, allerlei handelingen uitvoeren. Onder de knop ‘search’ of ‘zoeken’ is standaard ook altijd een aantal zoekmachines opgenomen. Op de adresbalk, onder de werkbalk, zie je altijd het adres van de weblocatie waar je je op het moment bevindt.




Scrollen


Je moet veel lezen, als je op het internet bent. Je beeldscherm staat vaak vol met teksten en afbeeldingen. Aan de rechterkant en vaak ook aan de onderkant van een webpagina, vind je ‘schuifbalkjes’, waarmee je met behulp van de muis een pagina kunt scrollen. In dit verband betekent scrollen niets anders dan lezen. Je kunt van boven naar beneden (rechter schuifbalkje) en van links naar rechts (onderste schuifbalkje) door een tekst heen. Je klikt met de linker-muisknop op één van de zwarte driehoekjes aan de uiteinden van de schuifbalkjes en je ziet vanzelf wat er gebeurt: de tekst ‘rolt’ over het scherm. Als je één keer klikt, ga je één regel omhoog of omlaag, houd je de muisknop ingedrukt, dan blijft de tekst ‘lopen’.


3 Zoeken naar informatie


Het internet wordt tegenwoordig het meest gebruikt voor het versturen van electronische post. Toch kent internet naast e-mailen (zie het volgende hoofdstuk) nog vele andere mogelijkheden.

Nu je wat meer weet over hoe het internet in elkaar zit en hoe het is ontstaan, ga je leren hoe je zelf het beste kan zoeken naar informatie (met zoekmachines). In dit hoofdstuk maak je ook kennis met de volgende termen: links en hypertekst, strings, queries en boolean searching en surfen.




Zoeken


Om het zoeken naar informatie op het internet gemakkelijker te maken, zijn er zoekinstrumenten (dit zijn speciale computerprogramma’s) ontwikkeld. Deze kunnen zoeken naar webpagina’s over een bepaald onderwerp, dat jij opgeeft.

Er zijn verschillende soorten zoekinstrumenten, oftewel ‘search tools’, die we grofweg in twee soorten opdelen:

Zoekmachines (search engine) - hierbij typ je één of meer woorden in, waarna de zoekmachine op zoek gaat naar webpagina’s waarin deze voorkom(t)(en).

Onderwerpcatalogussen - elke webpagina wordt hierbij in een categorie gezet en door middel van hoofd- en subcategorieën kan de gezochte pagina gevonden worden. Ook kun je via trefwoorden zoeken.

In dit hoofdstuk bespreken we alleen de zoekmachines, omdat die het meest gebruikt worden en je hiermee alles kunt vinden wat je zoekt.

Je moet natuurlijk eerst bepalen wat je wilt weten. Het beste kun je een vraag formuleren, die dat wat je wilt weten duidelijk omschrijft. Als je bijvoorbeeld wilt weten wat de leefregels zijn voor iemand met diabetes, dan kun je daar de volgende vraag van maken: ‘welke leefregels gelden voor iemand met diabetes?’. Je kunt deze vraag in zijn geheel typen in het daarvoor bestemde vakje van de zoekmachine. Je kunt ook bepalen wat de kernbegrippen of -woorden zijn en die typen. Als je meer dan één kernwoord typt, is er sprake van een ‘zoekstring’ of een ‘query’. Je kunt in het bovenstaande voorbeeld dus zowel gericht zoeken naar de zoekstring ‘leefregels voor diabetici’ als naar meer algemene informatie over ‘diabetici’. Als je alleen ‘leefregels’ invult, is het echter onwaarschijnlijk dat je vindt wat je zoekt, want dit is een te algemene term. Op die manier vindt de zoekmachine veel pagina’s en categorieën die niets te maken hebben met wat je zoekt.

Je kunt in een zoekstring ook woorden opgeven die niet in de gezochte pagina moeten voorkomen. Dan zet je een min (-) voor dat woord. Een voorbeeld: Gates-Bill zoekt naar pagina’s waarin de naam ‘Gates’ voorkomt, maar niet die met de voornaam ‘Bill’. Een plus (+) geeft juist aan dat het woord dat erachter staat, moet voorkomen in de gezochte pagina. Niet alle zoekmachines hebben deze mogelijkheid.

Je kunt bij sommige zoekmachines ook gebruik maken van de zogenaamde ‘Boolean operators’: ‘and’, ‘or’, ‘not’ en ‘and not’. Woorden die bij elkaar horen, zet je tussen haakjes. Een voorbeeld: de zoekstring ‘Gates and (Bill or John) zoekt naar webpagina’s met het woord ‘Gates’ en òf het woord ‘Bill’ òf het woord ‘John’. Bij de veelgebruikte en snelwerkende zoekmachine Google kun je door middel van dubbele aanhalingstekens (“…”) aangeven dat je de woorden die je zoekt achter elkaar in de pagina gevonden moeten worden.

Er zijn vele mogelijkheden om te zoeken; het verschilt per zoekinstrument en hangt af van wat je zoekt. Zoekinstrumenten hebben allemaal hun eigen help-pagina, die je kunt raadplegen voor meer informatie.


Zoekmachines


Er zijn op het World Wide Web zo’n 250 zoekmachines en er komen steeds nieuwe bij. Ze werken allemaal net een beetje anders en geven verschillende informatie weer. Dit komt doordat iedere zoekmachine een andere rangorde aanbrengt in de informatie op een webpagina. Het belang van een pagina voor de zoeker wordt onder andere bepaald door het aantal keren dat het opgegeven kernwoord op de pagina voorkomt en de plaats waar dit kernwoord voorkomt (in de titel, een tussenkopje of een alinea). Overigens doorzoeken de zoekmachines niet alle webpagina’s; AltaVista, één van de grootsten, haalt bijvoorbeeld 30%. De reden hiervoor is dat elke site moet worden aangemeld om opgenomen te worden in het bestand van de zoekmachine (als je het goed wilt doen, doe je dat bij elke zoekmachine) en dat gebeurt niet altijd. Google maakt in de snelste tijd de meeste links met de trefwoorden die je intypt.

Er zijn Nederlandse en internationale zoekmachines. Elke zoekmachine zoekt op zijn eigen manier naar informatie. De één is meer gericht op het zoeken naar wetenschappelijke stukken (bijvoorbeeld Infoseek) en de andere zoekt vooral naar ‘funsites’ (bijvoorbeeld Yahoo!).

Voordat je gaat zoeken is het dus van belang dat je weet welke zoekmachine je voor een bepaalde zoektocht het beste kunt gebruiken. Nederlandse zoekmachines zijn o.a. Ilse, Vindex. Soms is het handig hierin te zoeken. De meeste hits zul je echter toch vinden met de grootste internationale zoekmachines: Google en Altavista.

Surfen


Er is nog een manier om informatie te vergaren. Je kunt ook met de muis van pagina naar pagina klikken, zonder een zoekmachine. Je komt dan van alles tegen en je laat je leiden door de links en de hypertekst die je tegenkomt. Dit noemen we ‘surfen’. Het heeft iets avontuurlijks, want je weet niet waar je terechtkomt. Je bezoekt bij het surfen een heleboel verschillende sites en servers (een server is een computer met software die informatie of diensten aanbiedt aan andere computers of doorschakelt naar andere servers).

De term ‘surfen’ voor het navigeren over het Web werd in 1992 bedacht. Bij het surfen (of: netsurfen) zijn links en hypertekst je leidraad.




Links en hypertekst


Een link is een verbinding met een ander document (vaak gaat het over hetzelfde onderwerp als de pagina waar je je bevindt of het heeft er in ieder geval mee te maken). Bij een link ga je dus naar een andere site, oftewel een ander webadres. In de tekst zijn links meestal gemakkelijk te herkennen aan de blauwe kleur van de letters en doordat ze onderstreept zijn. Hypertekst ziet er net zo uit (blauw, onderstreept) en ook daarmee kun je naar een ander document met verdere informatie over het onderstreepte, blauwe woord, maar dan binnen dezelfde site. Links en hypertekst bestaan ook vaak uit afbeeldingen. Je kunt een link of hypertekst herkennen doordat het muispijltje verandert in een handje.


4 Overige toepassingen


In dit hoofdstuk zullen we enkele veelgebruikte en praktische toepassingen van het internet bespreken. Als je op zoek bent naar informatie, kun je snel en gemakkelijk een document ‘binnenhalen’ in je computer en vervolgens afdrukken met een printer. Afbeeldingen, filmpjes, foto’s en ander materiaal kun je ook binnenhalen, oftewel downloaden. Hoe dat in zijn werk gaat en hoe je met e-mail een bestand (het Engelse woord is file en het is een bepaalde hoeveelheid opgeslagen gegevens; een tekst, een foto, een programma enzovoort) kunt versturen naar een andere computer en ook kunt ontvangen, lees je in dit hoofdstuk. Ook zullen we wat vertellen over nieuwsgroepen, mailinglijsten en chatboxes.

Downloaden


Downloaden is eigenlijk niets anders dan kopiëren; je haalt van het internet een document, een afbeelding, software of andere digitale informatie binnen naar je eigen computer. Om dit te doen, hoef je in principe alleen te klikken op het woord 'download' of het bijbehorende icoon (‘knop’ met bepaald symbool of plaatje) te klikken, dat vaak vlakbij het item staat dat je wilt hebben. We kunnen het eigenlijk niet vaak genoeg zeggen: lees goed wat er op je beeldscherm staat, maak goed gebruik van de ‘scrollbalkjes’ en kijk waar je kunt klikken.

Als je de opdracht ‘download’ hebt gegeven, vraagt je computer of je het bestand wilt openen, dat wil zeggen alleen bekijken, of opslaan. Als je het wilt opslaan op je harde schijf, klik je dus op opslaan. De computer reageert nu met de vraag waar op de harde schijf hij het moet opslaan. Dat bepaal je zelf, met de muis en/of het toetsenbord (soms wil je het onder een nieuwe naam opslaan en die typ je dan bij ‘bestandsnaam’). Er verschijnt een venster op je beeldscherm. Er staat informatie bij over de naam van het bestand en hoe groot het is (dat wil zeggen, hoeveel bytes het bevat). Nu vindt het kopiëren plaats. Dat duurt meestal enige tijd; hoe groter het bestand, hoe langer het duurt. Bestanden die erg veel ruimte op je harde schijf zouden innemen, worden vaak kleiner gemaakt, gecomprimeerd. Als je deze bestanden opent, worden ze als het ware ‘uitgepakt’ en als je ze weer opbergt, ingepakt. Hier is een speciaal programmaatje voor. Omdat het automatisch gaat, gaan we er hier verder niet op in.




E-mail


E-mail is elektronische post, die wordt verstuurd en ontvangen door computers. Aangezien dit met bijna de lichtsnelheid gebeurt, gaat dit heel wat sneller dan een brief sturen via de post! E-mailen kan op verschillende manieren. Soms heeft de browser, bijvoorbeeld de nieuwste versie van de Internet Explorer, een speciaal icoon voor e-mail, die in de werkbalk staat. Bij de Netscape Navigator vind je het als ‘messenger mailbox’ in ‘communicator’, in de grijze menubalk boven de werkbalk. Als je je e-mail hebt geopend, kun je de berichten die je hebt gekregen lezen, en zelf een bericht schrijven en sturen.

Het enige wat je nodig hebt, is een e-mailadres. Zo’n adres bestaat uit achtereenvolgens je naam, een zogenaamd ‘apenstaartje’, het symbool @ (boven het cijfer 2 op je toetsenbord) en de naam van je internetprovider. Je kunt binnengekomen berichten meteen beantwoorden. Een bericht hoeft ook niet uit alleen tekst te bestaan: ook foto’s, geluiden en zelfs videobeelden kunnen ‘bijgesloten’ worden. Deze aan de e-mail 'vastgeplakte' bestanden worden 'attachments' genoemd.

Een e-mailbericht komt in theorie binnen enkele seconden bij de ontvanger aan, ook al woont hij aan de andere kant van de wereld. Soms duurt het echter wat langer, omdat het bericht door verschillende netwerken heen moet en kan worden opgehouden als er een ‘file’ staat op de electronische snelweg (een lange rij ‘informatie-pakketjes’, die allemaal langs hetzelfde punt moeten).

Je kunt een boodschap ook naar verschillende mensen tegelijk sturen. Als je eenmaal door hebt hoe het werkt, is het een erg handige, snelle, goedkope (het kost namelijk slechts enkele telefoon-minuten op lokaal tarief) en eenvoudige manier van post versturen.




Nieuwsgroepen


Een nieuwsgroep is een groep internet-gebruikers die electronische boodschappen uitwisselen over een bepaald onderwerp. Zo zijn er nieuwsgroepen van bijenhouders, voetbalfans en liefhebbers van accordeonmuziek, om maar enkele voorbeelden te noemen. Er zijn ook nieuwsgroepen op het gebied van de gezondheidszorg.

De bijdragen van de deelnemers worden niet via e-mail uitgewisseld, maar zijn toegankelijk via een aantal centrale computers. Je kunt berichten inzenden, andere berichten lezen en erop reageren. Reacties komen ook allemaal op een centrale plek terecht.

In de internet-gemeenschap is het vanwege technische redenen (opslagcapaciteit) gebruikelijk dat een provider een selectie maakt van de bestaande nieuwsgroepen. Worldaccess, bijvoorbeeld, geeft een selectie van 27.000 nieuwsgroepen door. Zij doen niet aan buitenlandse nieuwsgroepen en nieuwsgroepen die kinderporno bieden.

Mailinglijst


Het begrip mailinglijst hangt samen met nieuwsgroepen.Hierbij kan een bericht in één keer verstuurd worden naar alle personen op een lijst, die geïnteresseerd zijn in hetzelfde onderwerp of die zijn verbonden aan een bepaalde organisatie. Electronische tijdschrifen zijn mailinglijsten waarbij een redactie de bijdragen van anderen selecteert en bundelt en eens in de zoveel tijd naar zijn abonnees stuurt.


Chatten


Chatten betekent ‘kletsen’ en is ook de afkorting van Conversational Hypertext Access Technology. Een chatbox is dan ook een netwerkprogramma op het internet, waar je door middel van electronische berichten rechtstreeks (in computertermen: in ‘real time’) met elkaar kunt communiceren. Je tikt iets in op je beeldscherm en een ander, die zich in dezelfde chatbox bevindt, kan daar meteen op reageren. Er zijn over de hele wereld duizenden van deze zogenaamde ‘virtuele kamers’. Elk chatprogramma zit anders in elkaar, maar ze werken ongeveer op dezelfde manier. Zo kun je bijvoorbeeld zowel een gesprekspartner kiezen uit een lijst van mensen die op dat moment aanwezig zijn, als willekeurig met iemand een gesprek aangaan.

5 Netetiquette


Er zijn gedragsregels voor het gebruik van het internet. Dat moet ook wel, want elke dag maken miljoenen mensen gebruik van de electronische snelweg. Ze communiceren met elkaar, versturen informatie naar elkaar, doen spelletjes, werken samen, enzovoort. Duizenden netwerken zijn op elkaar aangesloten en miljoenen datapakketjes ‘reizen’ hier doorheen. Gebruikers moeten zich er bewust van zijn dat ze het netwerk belasten door het versturen en/of ontvangen van grote hoeveelheden data. Iedereen ontvangt zijn data langzamer door het data-verkeer van anderen; iedereen zit elkaar als het ware een beetje in de weg. Gelukkig wordt de capaciteit van het net nog steeds groter en groter, maar tegelijkertijd groeit natuurlijk ook het aantal gebruikers.

Elk netwerk heeft zijn eigen procedures en gedragscodes. Wat bij sommige netwerken toegestaan is, mag bij andere weer niet. Het is de verantwoordelijkheid van de gebruiker om zich aan de procedures en regels te houden. Denk eraan: het gebruik van internet is een voorrecht, geen recht! Dat recht kan op elk moment worden ingetrokken als er misbruik van wordt gemaakt. Bijvoorbeeld: onfatsoenlijk taalgebruik, het versturen van kettingbrieven of andere ongewenste berichten, het plaatsen van geheime of verboden informatie en het bewust verspreiden van computervirussen.

Hieronder zullen we de ‘Tien geboden voor computergebruik’ en een korte uitleg geven van zaken waar je aan moet denken bij het versturen en ontvangen van elektrische post.


Tien geboden


Het Computer Ethics Institute uit de Verenigde Staten stelde de volgende tien geboden op voor computer-ethiek, oftewel hoe gedraag je je in een netwerk van computers?


  • Gij zult de computer niet gebruiken om anderen te schaden.

  • Gij zult andermans computerwerk niet verstoren.

  • Gij zult niet rondneuzen in andermans bestanden.

  • Gij zult de computer niet gebruiken om te stelen.

  • Gij zult de computer niet gebruiken om een valse getuigenis af te leggen.

  • Gij zult de licentievoorwaarden van uw software respecteren.

  • Gij zult andermans computercapaciteit niet gebruiken zonder toestemming.

  • Gij zult niet andermans geestesvruchten als uw eigen dragen.

  • Gij zult nadenken over de sociale consequenties van de programma’s die gij maakt.

  • Gij zult de computer met overleg en respect gebruiken.



Elektronische post


De inhoud en het onderhoud van je electronische postbus (e-mailbox) is je eigen verantwoordelijkheid. Je kunt het beste elke dag kijken of je post hebt gekregen. Berichten die je niet wilt bewaren, kun je beter meteen verwijderen, zodat er zo weinig mogelijk berichten in je mailbox staan. Hoe meer ruimte jouw berichten in beslag nemen, hoe minder er is voor anderen en hoe langzamer het systeem werkt.

Kijk uit met vertrouwelijke berichten. Die kun je beter niet verzenden en bewaren bij je provider, maar naar je eigen systeem overbrengen. Anders kunnen andere personen mogelijk door je post neuzen.

Je moet ook nooit je loginnaam (naam die toegang geeft tot een netwerk) en je wachtwoord aan iemand anders geven, alleen aan de beheerder van je netwerk of van de website.

Laat je computer regelmatig controleren door een virusscanner, vooral wanneer je bestanden hebt gedownload van een andere computer. Zo voorkom je de verspreiding van virussen.



Houd je berichten kort en duidelijk. Hoe korter, hoe minder verwerkingstijd ze van het internet vragen en hoe minder schijfruimte ze innemen bij de ontvanger. Geef altijd een subject (onderwerp) mee aan een mail. De ontvanger kan dan meteen zien waar het over gaat. Ook een duidelijke afzender is belangrijk.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina