Handleiding Coach 5



Dovnload 219.79 Kb.
Pagina7/10
Datum20.08.2016
Grootte219.79 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10

3.5 Diversen





  • Internet gebruiken

Onder de gele knop “Toon Webpagina” kunnen vanuit een Coach 5-activiteit Internetadressen of bestanden (bijv. Word, Excel) worden geraadpleegd die door de docent zijn klaargezet, of kunnen interessante links worden toegevoegd die door de leerling op Internet zijn gevonden. Zie ook de rubriek ‘Ondersteuning’ in http://www.cma.science.uva.nl/


  • Verslaggeving & rapportage

Leerlingen kunnen in Coach 5 zelf teksten maken en plaatjes (BMP, GIF, JPG) neerzetten, als toelichting op hun werk. Hierdoor is een projectverslag heel goed in de vorm van een Coach-5-resultaat te bewaren (bijvoorbeeld voor het examendossier).

Ook bevat Coach 5 verschillende faciliteiten voor het maken van een verslag in een Windowstekstverwerker. Onder de hamerknoppen van de vensters zijn de bekende bewerkingsfuncties “knippen, kopiëren en plakken” beschikbaar. Daarmee kunnen afbeeldingen van grafieken en tabellen, maar ook van plaatjes en teksten probleemloos worden meegenomen naar een tekstverwerker of andere Windows-applicatie. Ook kunnen gegevens uit andere applicaties in Coach 5 worden ‘geplakt’ (bijv. een tabel met meetgegevens van een Internet-site).

Door met de rechtermuisknop op het paneel van de interface te klikken komen zelfs functies beschikbaar voor het kopiëren en plakken van de afbeelding van de interface, inclusief sensoren en actuatoren (de experimentele opstelling).

3.6 Ontwerpen van besturingssystemen (sturen in Coach 5)

We beschrijven hierna de algemene functies die Coach 5 biedt voor het ontwerpen, maken en testen van besturingssystemen die u bijvoorbeeld in de “Werkplaats” kunt vinden.

Bestudeer de onderstaande beschrijving om een conceptueel beeld te vormen van de mogelijkheden van de software. Start vervolgens Coach 5 “Sturen en Regelen ”. Doe de oefeningen in “introductie sturen” voor een eerste kennismaking met de software. De activiteiten in “voorbeelden sturen “ zijn bedoeld om het schrijven van stuurprogramma’s (met CoachLab II) te oefenen.

R
aadpleeg de Help in de software voor verdere verdieping.


Voorbereiding op modelbesturing

Coach 5 ondersteunt alle door CMA geleverde interfaces met aanstuurbare uitgangen (zie ook http://www.cma.science.uva.nl). Ter voorbereiding van de modelbesturing wordt een interface met bijbehorende sensoren en actuatoren op de PC aangesloten volgens de aanwijzingen in de hardware-handleiding.

De software kan als volgt voor modelbesturing worden ingesteld:





  • Interface kiezen

In de software is meestal al een interface geselecteerd. Voor sturen zonder programma kan in principe van interface gewisseld worden door rechts te klikken op het paneel en te kiezen uit de lijst. Een bij de interface behorende stuurtaal wordt echter niet automatisch meegewisseld. Daarom staat in de “Werkplaats” voor elke interface een aparte activiteit klaar, incl. de bijbehorende stuurtaal. Sturen is mogelijk met CoachLab, CoachLab II, de Controlbox en het systeembord. Van de LEGO DACTA Interfaces wordt zowel de Interface B als de RCX (intelligente steen) ondersteund.

Raadpleeg voor meer informatie ook de handleidingen (en lesmateriaal) bij de interfaces (zie Signaal).




  • Stuurmodus kiezen

In de activiteit-opties kan Coach 5 op besturing worden ingesteld.

De hiervoor relevante keuzemogelijkheden zijn “Sturen”, “Sturen met programma” en “Meten met programma”. We bespreken de effecten van de verschillende instellingen:



  • “Sturen” stelt Coach 5 in op louter handbesturing (met de muis!) van actuatoren. Het is niet mogelijk om te meten of programma’s te schrijven.

  • Bij “Sturen” en “Met programma” is modelbesturing zowel met de hand als met een programma mogelijk. In de activiteit verschijnt nu een knop (blauwe P) waarmee een programmeervenster kan worden klaargezet. Meten is nu alleen programmagestuurd mogelijk. Telkens als het commando “SlaOp” wordt uit­gevoerd, worden programmavariabelen (dus ook in het programma gebruik­te sensorwaarden) opgeslagen. Afbeelding in grafiek of tabel is zowel tijdens als na uitvoering van het programma mogelijk.

  • Bij “Meten (tijdgestuurd)” en “Met programma” wordt onafhankelijk van de programma-uitvoering tijdgetriggerd gemeten voor de sensoren en actuatoren die op het paneel klaarstaan. Het meten start op het moment dat de groene startknop voor uitvoering van het programma is ingedrukt.

“Meten (pulsgestuurd)” en “Met programma” maakt pulsgestuurd meten met programma mogelijk.

  • Om het downloaden van programma’s in de LEGO DACTA RCX mogelijk te maken moet ook ‘Datalogger’ zijn aangevinkt. In de activiteit verschijnt dan een verzendknop en een ontvangknop (let op: de programmaknop wordt hier alleen zichtbaar bij aangesloten RCX en contact met Coach 5).




Het voorbereiden op meten is al beschreven in § 3.2.
Raadpleeg deze paragraaf voor het klaarzetten van sensoren bij modelbesturing. Bedenk dat grafieken en tabellen nu pas gevuld worden tijdens het uitvoeren van een programma (tenzij in de activiteitenopties alleen voor meten is gekozen).


  • Voorbereiden op sturen

Een aanstuurbaar model bevat actuatoren (motoren, lampjes, zoemers, …) die softwarematig kunnen worden aangestuurd. Deze actuatoren worden aangesloten op de uitgangen van de beschikbare interface. Rechts naast het paneel staan verschillende actuator-iconen klaar. Voor het aansturen van modellen moeten deze iconen naar overeenkomstige uitgangen op het paneel worden gesleept. Net als bij sensoren kunnen actuatorwaarden in een venster worden afgebeeld na rechtsklikken op een actuator-icoon van het paneel. Deze weergave kan ook ná de uitvoering van een programma worden gekozen om de resultaten van modelbesturing te bestuderen. Bij sommige interfaces (CoachLab II en LEGO Dacta) is het vermogen op de uitgangen softwarematig instelbaar (raadpleeg de Help).

De werking van een besturingsmodel testen





  • Handbesturing

Na het plaatsen van iconen op het paneel en de weergaven in de vensters kan de werking van het model worden getest via muisbesturing van actuatoren op het paneel. De actuatoren zijn aan/uit te zetten door op de LED’s bij de uitgangen te klikken. Bij sommige interfaces (CoachLab II, LEGO) bevat het actuator-icoon een schuif waarmee het vermogen van de uitgang is in te stellen (bijvoorbeeld om het toerental van een motor te wijzigen). De signaalwaarden van sensoren en de toestanden van actuatoren zijn tijdens de muisbesturing af te lezen op het icoon. Ook kan (via rechtsklikken op het icoon) de actuatorwaarde tijdens handbesturing in een venster worden afgebeeld.



  • Testen van het gedrag van het besturingsmodel

Handbesturing is heel nuttig om te onderzoeken of het besturingsmodel juist is aangesloten, de sensoren goed functioneren en om de werking van het model na te gaan onder verschillende omstandigheden. Zo’n test is een belangrijke voorbereiding op het schrijven van stuurprogramma’s.
Stuurprogramma’s schrijven

Voor het schrijven van stuurprogramma’s zijn er twee mogelijkheden:




Programma’s worden geschreven door selectie van commando’s uit een lijst.
Deze manier van programmeren is zeer geschikt voor beginnende programmeurs. In het project “voorbeelden sturen” staan voor CoachLab II oefeningen klaar met uitleg. In de activiteit “Eigen commando’s” wordt uitgelegd hoe eigen commando’s aan de lijst kunnen worden toegevoegd. Nieuwe commando’s worden gemaakt met behulp van de al aanwezige commando-lijst. Bij complexere programma’s bevordert het gebruik van eigen commando’s gestructureerd programmeren.

Meer gevorderde programmeurs zullen liever vrij programmeren omdat de mogelijkheden dan groter zijn.




  • Vrij programmeren

Het is ook mogelijk stuurprogramma’s te schrijven door te typen in het programmavenster. Dan kunnen niet alleen de commando’s worden gebruikt die in de lijst staan, maar zijn ook de andere commando’s en instructies van Coachtaal beschikbaar (zie de Help in de software). Het is zelfs mogelijk gecombineerd gebruik te maken van menugestuurd en vrij programmeren.

Sommige commando’s zijn alleen beschikbaar voor een bepaald type interface. Bij CoachLab II bijvoorbeeld is het vermogen op de uitgang regelbaar met het commando ZetNiveau, terwijl CoachLab I niet over zo’n faciliteit beschikt.


Programma’s testen, uitvoeren en bewaren





  • De Monitor – Testen en uitvoeren van een programma

Als een programma, met het Programmavenster in beeld, wordt gestart dan verschijnt automatisch een monitorvenster (de Monitor). In de Monitor is de uitvoering van het programma regel voor regel (met een instelbare snelheid) te volgen. De Monitor is bovendien een hulpmiddel voor het opsporen van fouten in het programma.

Door het programma met een gesloten Programmavenster te starten wordt het buiten de Monitor op maximale snelheid uitgevoerd.




  • Bewaren en ophalen van programma’s

Een resultaat in Coach 5 is méér dan een programma. Bij het opslaan van resultaten worden bijvoorbeeld ook meetgegevens, teksten, plaatjes en alle instellingen (afbeelding paneel met sensoren en actuatoren) opgeslagen. Het is raadzaam een stuurprogramma eerst op te slaan voor dat het wordt uitgevoerd.

Na het ophalen van een resultaat staan alle gegevens weer op het scherm zoals ze zijn bewaard en kan het programma meteen worden uitgevoerd, gewijzigd, enz.. Via de Hamerknop in het Programmavenster kan ook een afzonderlijk programma (met bijbehorende commandolijst) uit een eerder bewaard resultaat worden opgehaald en in een bestaande activiteit worden gebruikt.



4. Gebruiksmogelijkheden voor docenten



1   2   3   4   5   6   7   8   9   10


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina