Hans De Belder



Dovnload 213.21 Kb.
Pagina1/3
Datum22.08.2016
Grootte213.21 Kb.
  1   2   3
Vlaanderen, Europese Regio ?

Hans De Belder


Er bestaat in Vlaanderen een steeds groeiende belangstelling voor het thema van de verhouding tussen Vlaanderen en de Europese Unie. De geïnteresseerde Vlaamse burger is bovendien met deze vraag op zijn honger blijven zitten na de recente, van hun doel afgeleide regionale en Europese verkiezingen: bij geen van beide heeft hij de gelegenheid gehad om zich uit te spreken over deze wezenlijke politieke kwestie die hem/haar, in het begin dezer nieuwe eeuw, nochtans na aan het hart ligt.


Ik voel dat zowel de politieke als de bedrijfswereld, ieder op zijn manier, op zoek is naar argumenten om zijn verlangen te kunnen vertolken naar meer internationale autonomie voor Vlaanderen, en dan in de eerst plaats in Europa. Vlaanderen en Europa liggen dus steeds dichter bij elkaar.
Om het debat in positieve zin te beïnvloeden zou ik in deze bijdrage een overzicht willen maken van de voornaamste ingrediënten die deze verhouding karakteriseren. Deze synthese berust op mijn professionele ervaring: als ex-federaal diplomaat, als (gepensioneerd) Vlaams ambtenaar en als voormalig Europees Secretaris Generaal van de Assembly of European Regions ben ik nogal geneigd om uitgerekend zulke elementen aan boord te halen waarmee,op een pragmatische manier, concrete vorderingen kunnen gemaakt worden op de weg van steeds grotere verantwoordelijkheid voor Vlaanderen in de Europese context.
Het gaat hier dus niet over een politieke blauwdruk of over een “grand deseign”: dit artikel is veeleer een checklist van instrumenten die Vlaanderen op dit ogenblik al in zijn institutionele gereedschapskist heeft zitten maar die niet altijd zorgvuldig worden gebruikt
Voor mij moet er dus niet gewacht worden tot wanneer het Belgische staatsbestel helemaal zal verdampen en tot wanneer Vlaanderen dientengevolge wel verplicht zal zijn om zijn internationale weg alleen te kiezen. Een Vlaamse regering en een Vlaams Parlement die, vandaag al, echt gemeend werk willen maken van het Vlaams internationaal en Europees profiel ,die kunnen dat, als ze maar willen. Wie het beschikbare instrumentarium vandaag al niet volledig weet te benutten, die zal er ook geen behoorlijk werk van maken wanneer Vlaanderen, God weet wanneer, eindelijk onafhankelijk zou worden.
Ziehier dus hoe ik denk dat wij de zaak moeten bekijken.
1.Vertrekpunt
Als ik wil nagaan welke de huidige toestand is waarin Vlaanderen zich volkenrechtelijk bevindt, dan moet ik vertrekken van de Belgische grondwet, zoals die vandaag bestaat want daarin is het huidige Europese optreden van Vlaanderen verankerd.
Als ik tegelijkertijd wil uiteenzetten hoe op dit ogenblik een Europese regio er uitziet (want Vlaanderen is vooralsnog geen soevereine lidstaat van de EU), dan moet ik naar de van kracht zijnde EU-verdragen grijpen, want het is daarin dat bepaald wordt of, en in hoeverre, een regio op dit ogenblik een rol speelt op Europees niveau.
Er moet dus in de eerste plaats bekeken worden hoe Vlaanderen van zijn (huidige, Belgische) internationale bevoegdheden tot nu toe gebruik gemaakt heeft om zich in Europa te doen gelden. Omgekeerd moet tevens in het oog worden gehouden tot waar de Europese Unie van haar kant tot op vandaag gegaan is om de regio’s, zoals Vlaanderen en één is, bij het Europese integratieproces te betrekken. Het is dus van even groot belang het regionaliseringproces in Europa, zowel binnen de lidstaten als binnen de verdragen, goed te evalueren.
Zowel Vlaanderen als Europa zijn, constitutioneel en institutioneel gezien, mobiele constellaties die met elkaar op een duidelijke orbiet moeten afgestemd worden.
Aan Vlaamse kant zien wij elementen aan het werk van status quo en van Belgicistische recuperatie enerzijds en anderzijds van federale structuren, daarnaast van “2+2”- grondwetsconcepten (met twee deelstaten, Vlaanderen en Franstalig België en twee deelgebieden, een Brussels en een Duitstalig),van homogenere bevoegdheidspakketten, steeds duidelijker materiele en fiscale autonomie en van steeds toenemende confederale accenten.
Voor ons onderwerp is het van belang te onderstrepen dat dit allemaal geen groot verschil uitmaakt tegenover de Europese Unie, haar instellingen en haar werking omdat de huidige Belgische Gemeenschappen en Gewesten of mogelijke Deelstaten of zelfs Bondsstaten nog altijd niet het statuut zouden verwerven van een volwaardige volkenrechtelijke ondertekenaar van de Europese verdragen.
Van zodra men de weg zou opgaan van het scenario van overeengekomen secessie (naar het model van Zweden/Noorwegen in 1905 of van Tsjechië/ Slowakije) of van verbrokkeling (zoals België in 1830 of Joegoslavië meer recent) en a fortiori in geval van rattachisme, veroorzaken wij wel directe gevolgen in de Europese evenwichten. Die zouden zich direct laten gevoelen in de Raad van Ministers (stemmengewicht), in het Europees Parlement (zetelverdeling), in de Commissie (ledenaantal), in het Hof (samenstelling) en in het Comité van de Regio’s of van het Economisch en Sociaal Comité. Ook in de Raad van Europa zou dit institutionele aanpassingen vergen. Het netwerk der bilaterale verdragen zou eveneens sterk de effecten voelen van deze statenopvolging.
In deze gevallen zou ook een direct signaal gegeven worden in de richting van andere naar extreme autonomie strevende regio’s uit de huidige EU al moet ik duidelijk stellen dat alleen de Belgische grondwet voorziet dat de gedecentraliseerde overheden internationale verdragen kunnen sluiten en hun externe betrekkingen autonoom kunnen organiseren. Geen enkele Duitse, Oostenrijkse, Britse, Spaanse of Italiaanse grondwet gaat zover.
Of en wanneer deze verschillende stromingen zullen leiden tot nieuwe stappen in de herziening van de Grondwet is dus op dit ogenblik alweer de actuele vraag in Vlaanderen.
Uitgerekend op ditzelfde ogenblik neemt de Europese Unie een historische wending: vijftien jaar na de val van de Berlijnse Muur treden tien, weldra dertien nieuwe lidstaten toe tot deze Unie die zopas, dank zij het noeste werk van het Ierse Voorzitterschap, voor het eerst in haar geschiedenis in staat is gebleken om haar eigen Grondwettelijk Verdrag goed te keuren. Het is daarin dat beschreven staat wie voortaan wat zal doen in de Europese Unie, hoe zij zal functioneren en welke plaats de regio’s daarbij zullen innemen. Uit de lezing van deze grondwet blijkt in hoeverre nationale soevereiniteit voortaan nog onontbeerlijk is om op Europees niveau te kunnen meepraten. Hierin staat m.a.w te lezen in hoever nationale soevereiniteit in het begin van de XXI° eeuw nog mee onze Europese problemen kan oplossen.
De betekenis van nationale onafhankelijkheid wordt dus door dit verdrag in zekere zin gerelativeerd. Maar Hugo Schiltz heeft zeker gelijk wanneer hij zijn interview voor de Tijd op 28 juni jl. besluit, zeggende:” Door de uitbreiding van enerzijds de Vlaamse en anderzijds de Europese bevoegdheden, zou de betekenis van België van zelf verschrompelen, maar als ik de evolutie op Europees vlak zie ben ik er niet meer zo gerust op. Als Europa niet verder integreert, kan separatisme onvermijdelijk worden”.
Vlaanderen’s belangen moeten dus zorgvuldig gestuurd worden doorheen het turbulente water van de gelijktijdige politiek-constitutionele evoluties in België en in Europa.
Wat ik hier zeg betekent dus dat het voor iedere Vlaming van even groot belang is dat hij/zij van zelfsprekend voor de binnenlandse debatten belangstelling zou tonen en maar tevens dat mij met dezelfde natuurlijkheid en intensiteit zou deelnemen aan de Europese discussie, dat hij de Belgische regering voortdurend zou controleren op het stuk van haar Europees beleid (dat zij voert, mede in naam van Vlaanderen!), dat hij/zij haar Vlaamse overheden (die al heel wat Europese bevoegdheden hebben verworven) op de voet zou volgen.
Ik betreur dat er in Vlaanderen geen echte Europese debatcultuur bestaat. Hoogstens werd er voor en na 1 mei wat nagedacht over de gevolgen van de uitbreiding op Vlaanderen (en dan nog meestal op chagrijnige manier: immigratie, delocalisatie, kosten van de operatie!) en ging er wat belangstelling uit naar de vraag wie er uiteindelijk ging verkozen worden voor het Europese Parlement. Als er Europese verdragen of wetgeving moet goedgekeurd worden door het Vlaamse Parlement, dan komen wij traditioneel steeds als laatste en niemand in Vlaanderen weet wat er daar gebeurt. Hoe primitief. Met de Europese Instellingen op ons grondgebied!
Als wij de begrippen “Vlaanderen” en “Europese Regio” zorgvuldig tegen het licht houden, zullen wij vaststellen dat wij op beide terreinen tot op heden erg ondermaats hebben gepresteerd. De Vlaamse overheid zou van onze huidige externe en Europese Vlaamse bevoegdheden naar mijn gevoel veel ruimer en beter kunnen gebruik maken. Anderzijds hebben wij het potentieel van de formule der Europese regio tot nu toe nogal geringschattend bejegend en in ieder geval van Vlaamse officiële zijde ruimschoots onderschat. Bij gebrek aan beter, zouden wij dit instrument dat ons door Europa wordt aangereikt, veel beter moeten gebruiken .
Ik zal daarom eerst beschrijven welke Vlaanderen’s externe bevoegdheden zijn en wat wij er de laatste tien jaar zoal mee aangevangen hebben. Dan zal ik het fenomeen van het Europese regionalisme even uit de doeken doen zoals het geëvolueerd is voor en na het Verdrag van Maastricht van 1992, tot en met de zopas aangenomen tekst van Europese Grondwet: met het statuut van Europese regio valt m.i. al reeds heel wat land te bezeilen.
Als wij dan de beschreven voordelen aan beide kanten zullen aan boord halen, zou wel eens kunnen blijken dat Vlaanderen, om zijn Europese belangen te vrijwaren, globaal gezien al over een veel groter potentieel beschikt dan wij vandaag vermoeden.

2. Vlaanderen’s buitenlands beleid.


Het feit dat Vlaanderen zelfstandige beslissingen neemt betreffende zijn externe relaties is nog niet altijd en overal evident. Wij gebruiken dit gedeelte van de verworven autonomie nog steeds niet volgens zijn capaciteiten en wij geven de indruk dat een cultuur van internationale betrekkingen niet echt nodig is. In opeenvolgende Vlaamse regeringen en parlementen wordt het buitenlands beleid nooit prioritair bejegend ondanks het feit dat wij over enorme bevoegdheden, machtige juridische instrumenten en een uitstekende administratie beschikken. En: en massale Vlaamse belangen en verwachtingen.

§A/ Hoe kan Vlaanderen internationaal optreden?

Door de Belgische grondwet en op basis van het Verdrag van Wenen van 1969. Ik zie 5 elementen van Vlaanderen’s diplomatiek profiel.


1. De convergentie tussen het interne en het externe beleid. Dit adagium heet: “In foro interno, in foro externo”. Vlaanderen treedt internationaal op voor zover het intern in België bevoegdheden heeft verworven. Dat zijn er ondertussen al heel wat. Dat betekent ook dat België op die terreinen niet meer bevoegd is en dus internationaal ook niet meer kan optreden.
2. Het tweede beginsel is dat van de fundamentele gelijkwaardigheid van alle overheden in België. Buitenlandse Zaken heeft m.a.w.geen overwicht over Vlaanderen.
Samen met punt 1 maken deze twee axioma de belangrijkste karakteristiek uit van het Belgisch systeem dat daardoor alleen al niet te verglijken valt met enig ander federaal systeem ter wereld. Ook al dient daaraan onmiddellijk de dubbele correctie te worden aangebracht van de verplichte voorafgaandelijke informatie over de intentie om een verdrag af te sluiten enerzijds en de mogelijkheid van substitutie vanwege het federaal niveau (in vier limitatief opgesomde gevallen) anderzijds Er moet natuurlijk een onderscheid worden gemaakt tussen Verdragen waarvoor Vlaanderen exclusief bevoegd is en gemengde verdragen.
3. Dadelijk na de vermelding dezer twee beginselen moet er verwezen worden naar de bevoegdheid van Vlaanderen om de internationale samenwerking te regelen, met inbegrip van het verdragsrecht. Dit verdragsrecht is dus een onderdeel van onze internationale bevoegdheid maar het is er wellicht het voornaamste pronkstuk van. De transpositie van het Europese recht in Vlaanderen vormt er een logisch tegengewicht van.

4. Voor onze contacten met andere regio’s hebben wij deze Belgische constitutionele onderbouw in zekere zin niet nodig. Er bestaan honderden interregionale afspraken; zij hebben doorgaans een internationaal -privaatrechtelijke ondergrond. Aldus beschikt Vlaanderen over een tweeledig internationaal instrument om zijn internationale/interregionale betrekkingen mee te structureren


5. Tenslotte moet ik onderstrepen dat dit systeem van onze buitenlandse bevoegdheden technisch zeer moeilijk is omwille van zijn vrij uniek karakter. Het vergt heel wat voorafgaandelijk terreinwerk vooraleer de grond geëffend is om verdragen te kunnen sluiten, (it takes two to tango), internationale publieke vertegenwoordigingen te doen erkennen (diplomatiek statuut!), en juridische volkenrechtelijke aansprakelijkheid te doen erkennen door een internationale partner (een land of een internationale organisatie) die ons grondwettelijk systeem niet kent . Vaak wil de internationale buitenwereld dit Belgische systeem niet voor het hoofd stoten en wordt het ingewikkelde karakter ervan als voorwendsel gebruikt om toch maar Frans te blijven spreken en alleen Buitenlandse Zaken e willen frequenteren of, meer nog, om een Vlaams initiatief af te remmen ten gunste van een andere deelstaat (die daaraan in zulke gevallen meestal niet eens geïnteresseerd is.
Dit ondankbare werk wordt doorgaans met veel kennis van zaken en geduld ondernomen door de Administratie van Buitenlands beleid. De Vlaamse regering schiet hier schromelijk tekort . Er zijn zelfs gevallen bekend van ministeriële verklaringen waarin deze moeilijkheidsfactor gebruikt werd om de terugkeer naar het Belgisch tijdvak te bepleiten

§ B/ Hoe gebeurt dat practisch?

1. Ofwel gaat het over een terrein waarover Vlaanderen volledig bevoegd is en dan is de enige formaliteit die moet vervuld worden om een verdrag te kunnen afsluiten, dat het ministerie van Buitenlandse Zaken wordt ingelicht. In enkele zeldzame gevallen zou de Koning zich kunnen verzetten maar dat is tot nutoe nog nooit gebeurd.
2. Ofwel zitten wij op het terrein der gemengde bevoegdheden en daarover is sedert 1994 een zeer belangrijk “Samenwerkingsakkoord voor het sluiten van gemengde verdragen” afgesloten tussen Buitenlandse Zaken en de deelgebieden.

Dit is het terrein waarop de Interministeriële Conferentie voor het Buitenlands Beleid” een voorname rol speelt (ICBB).


Hierdoor wordt de actieradius van het Vlaams opreden naar buitenuit bepaald. Hier wordt ook het Belgisch Europees beleid en de manier van optreden vastgelegd. Hier zou de Federale overheid de Deelgebieden moeten informeren over alle aspecten van het buitenlands beleid.
Er zijn al heel wat bedenkingen geformuleerd over het stroeve karakter van het Samenwerkingsaccoord dat zich overigens slechts moeilijk aanpast aan de evoluties en waar Vlaanderen nogal gekneld zit tussen tal van moeilijke meestal francofone partners. Het ICBB is alles bij elkaar nogal log, komt weinig samen en behandelt eerder betwiste dossiers dan dat het een productief instrument zou zijn van (federaal ) buitenlands beleid. De werkgroep “Gemengde verdragen” doet wellicht behoorlijk zijn werk maar het aspect “informatie” warvoor het ministerieel ICBB verantwoordelijk is vliegt zeer laag. En dit al geruime tijd.
Er bestaan bovendien een twintigtal dergelijke samenwerkingsaccoorden die tot stand zijn gekomen tussen BZ en de Deelgebieden. Zij regelen vb. de manier waarop België vertegenwoordigd is in de EU-ministerraden, de Intergouvernementele Conferenties, de vertegenwoordigers in het buitenland, buitenlandse handel en investeringen, internationaal milieubeleid enz. persoonlijk betreur ik dat er zo weinig ruchtbaarheid gegeven wordt aan de problematiek rond deze belangrijke bottlenecks waardoor Vlaanderen zich moet wringen om naar buiten te kunnen optreden.
3. Eens de vorige hindernissen genomen kan Vlaanderen zelf aan het werk gaan. Om te weten wat wij de laatste tien jaar (sedert de speciale wet van 1993) hebben verricht inzake buitenlands beleid moeten wij de teksten lezen van de opeenvolgende regeringsverklaringen,van de Beleidsbrieven voor Buitenlands Beleid en moeten wij de activiteiten van de Commissie voor Externe Betrekkingen van het Vlaams Parlement bekijken. Daarin vinden wij de strategische doelstellingen enerzijds en kunnen wij de verschillende beleidscomponenten bestuderen anderzijds: de bilaterale betrekkingen (politieke, economisch-commerciele, culturele en de ontwikkelingssamenwerking; de multilaterale en tenslotte: Vlaanderen in de Europese unie.)
Het gaat hier meestal over sectoren waarin Vlaanderen bijzonder actief is gaan optreden en die ook voor de toekomst van groot belang zullen zijn. Ik stap hierbij welbewust over enkele andere componenten die ik helaas niet kan behandelen zoals dat zou moeten: het Vlaamse informatie- en communicatiebeleid, de promotie van het Vlaams imago en ook: de promotie van Vlaanderen per sector (innovatie,Vlaanderen maritieme regio)
Bij de bilaterale betrekkingen kan men stilstaan bij: onze buren, landen en regio’s. Het is indrukwekkend wat voor een arsenaal van verdragen en afspraken wij hebben lopen (en hoeveel problemen er zijn, en niet alleen met Nederland!). Onze economisch-commerciele betrekkingen zijn een hoofdstuk op zichzelf terwijl ik vind dat onze Vlaamse buitenlandse cultuurpolitiek een duidelijker, minder bescheiden profiel zou moeten hebben (bvb. inzake Art. 151 van het Eu verdrag, om zo maar een voorbeeld te noemen, Europa van de Culturen, ons taalbeleid, onderwijs, de Raad van Europa en Unesco) om nog niets te zeggen over het Vlaams ontwikkelingsbeleid zoals het er nu voorstaat…
Bij het multilateraal beleid onderstreep ik dat Vlaanderen sedert 1993 een excellente “window of opportunity” heeft geopend om zijn internationaal profiel, dat steunde op een indrukwekkend geheel van exclusieve bevoegdheden, te presenteren en te promoten. Sedertdien zijn interessante studies gemaakt om deze nieuwe dimensie in ons optreden te evalueren: er kan dus veel meer gebeuren!

4. Met welke instrumenten werkt Vlaanderen? De instrumenten van het Vlaams buitenlans beleid zijn: de ministeriele cabinetten (liefst slechts één, maar dat was in het verleden doorgaans niet het geval - en OVV en VVB hebben hierop in hun memoranda van deze week aan de Vlaamse formateur terecht geïnsisteerd-), de Administratie voor Buitenlands Beleid, Flanders Investment and Trade ( de nieuwe naam van de “Vlaamse Dienst voor de Buitenlandse Handel”, nadien “Export Vlaanderen”). Heel voornaam vind ik verder het bijzonder kostbaar netwerk van de Vlaamse Vertegenwoordigers in het buitenland (politieke en economische, toeristische en inzake O.S.)


Daarnaast is het zeer leerrijk om door het geheel der Vlaamse verdragen te wandelen. Er zijn tot nu toe 25 exclusieve, 2O8 gemengde, en 37 culturele verdragen en 34 transnationale contracten. Er vallen al heel wat lessen te trekken uit het soort van partners en sectoren. Ik vind vbv. dat wij ons niet altijd moeten vastpinnen op diplomatieke verdragen met andere landen: er is heel veel te doen met andere regio’s, met grensoverschrijdende partners, met internationale organisaties.Het beheer van een dergelijk indrukwekkend park van verdragen vergt een degelijk bestuur en gelukkig hebben wij dat!

3. De Vlaamse Europapolitiek.

Met de hierboven beschreven strategie, componenten en instrumenten heeft Vlaanderen de laatste tien jaar postgevat in Europa, Oost en West. Wij zijn daarbij op twee manieren tewerk gegaan.
In de eerste plaats hebben wij met zowat alle toetredingskandidaten (en van zelfsprekend ook met de vijftien EU landen) verdragen afgesloten die te maken hadden met de voorbereiding van hun lidmaatschap van de Europese Unie. Wij hebben daartoe al onze Vlaamse bevoegdheden aangewend en die zijn de partners goed van pas gekomen! In dezelfde context hebben wij ons verdragsinstrument aangevuld met het Programma voor Samenwerking met Centraal en Oost Europa. Dit programma financierde al die tijd ongeveer 50 projecten per jaar en besteedde alzo meer dan 75 miljoen euro in de betrokken landen, gespreid over alle Vlaamse bevoegdheden.
Ten tweede is Vlaanderen doorgedrongen niet meer op de klassieke, geografische, bilaterale manier zoals net vermeld, maar wel via de Europese Verdragen en via het Europees eenmakingsproces.
Hiervoor hebben wij gebruik gemaakt van het hierboven vermeld Samenwerkingsaccoord van 1994 waarin de (Belgische) spelregels van ons (Vlaams) optreden waren overeengekomen. Ik heb hierover een uitgebreide studie ondernomen waarmede ik heb deelgenomen aan de wedstrijd van de Van de Gucht stichting en waarmede ik vorige maand een van de drie laureaten ben geworden van dit Vlaams maecenas-initiatief.
Daarin trachtte ik op meer gedetailleerde manier het spoor te volgen van de Vlaamse actie ,op Europees terrein, van aan de bron der Europese wetgeving, via de Permanente Vertegenwoordiging van België bij de Europese Unie, tot bij de Raad van Ministers (waarin de Vlaamse Ministers voortaan rechtstreeks betrokken zijn volgens het nieuwe artikel 203 van het Verdrag). Ook de houding van Vlaanderen in het Europees Parlement en in het Comité van de Regio’s heb ik daarin uitvoerig bestudeerd. Ik heb er meteen ook gekeken naar de rol van Vlaanderen in de Raad van Europa waar recent toch een en ander te doen is geweest dat voor Vlaanderen van belang was…

Alweer is het dus van belang zich de vraag te stellen: hoe is Vlaanderen vandaag betrokken bij het Europees beleid?


Je moet beginnen bij het begin: daar waar de Europese Commissie met haar wetgevend werk vertrekt. Bij de zeer capillaire en vaak informele expertengroepen en bij de voorafgaande consultaties ( de comitologie!)die de Commissie organiseert vooraleer zij formeel aan het werk gaat. Daar stel ik al veel te weinig Vlaamse aanwezigheid vast. Ook weten wij nog niet eens behoorlijk wie de Vlamingen zijn die in de Europese Commissie verantwoordelijkheid dragen.
Dan komt de fase der voorbereiding: (alweer) het samenwerkingsakkoord van 1993 en de coördinatie door BZ.via de Algemene Directie E (het vroegere P11 dat ik jaren lang heb geleid en waar ik ontzettend veel heb geleerd). Hier wordt de Belgische positie voorbereid voor de minstens negen formaties van de Europese Raad (plus: de Europese Raad, het Belgisch EU- voorzitterschap en alle Intergouvernementele Conferenties).
Vervolgens: de manier waarop België vertegenwoordigd is in deze verschillende raadsformules. (Let dus op: zelfs als een Vlaamse Minister zitting heeft, dan vertegenwoordigt hij niet Vlaanderen maar gans België!) Hiervoor geldt de combinatie van twee criteria: de materie die in de verschillende raadsvormen wordt behandeld enerzijds en de bevoegdheidsverdeling binnen België anderzijds. Zo kan je minstens vier (zoniet zes) categorieën van raadsformaties onderscheiden waarvoor de Belgische aanwezigheid zal verschillen van puur federaal via federaal met een gedecentraliseerde “bijzitter” tot gedecentraliseerd met federale “bijzitter” tot volledig gedecentraliseerde delegatie. (zeg maar: Vlaanderen alleen). Vermits er bovendien slechts één persoon mag stemmen is er een rotatiesysteem tussen gemeenschappen en gewesten van doen om tijdig aan te duiden wie ter zitting zal moeten optreden.
Dit buitengewoon ingewikkeld systeem (voor een buitengewoon ingewikkeld land in een buitengewoon ingewikkeld probleem) botst bij de Vlaamse goegemeente op heel wat kritiek, ook al omdat daaraan ten slotte nog het akkoord moet gekoppeld worden volgens hetwelk, in geval van gebrek aan consensus tussen de Belgische autoriteiten, de ” Belgische “ delegatie (federaal of niet) zich zal moeten onthouden en er dus in sommige gevallen geen Vlaamse positie kan ingenomen worden.
Mijn ex-collega’s diplomaten zeggen mij dat dit systeem al jaren lang behoorlijk werkt omdat het gesteund wordt door een volgehouden consensus tussen de administraties, ten zeerste gespecialiseerd in deze constitutionele high technology (waarnaar van uit het buitenland met bewondering en soms met enige jaloezie gekeken wordt). Mijn politieke vrienden echter vinden dit systeem vernederend en zij wantrouwen het soort van permanente consensus die telkens weer mogelijk blijkt te zijn, vermoedelijk “omdat er voortdurend toegevingen worden gedaan die het daglicht schuwen”.
Van de problemen in verband met de Vlaamse vertegenwoordiging bij het Comité van Permanent Vertegenwoordigers hou ik er maar één over: de rol van de Belgische Ambassadeur die op een gegeven ogenblik in zijn Belgische autoriteit alle bevoegdheden concentreert, zelfs als zij van in den beginne door Vlaamse experten waren behandeld en als zij nadien worden doorgegeven naar een Vlaamse Minister: op het moment der beslissing in het Coreper is het de ene (Belgische) autoriteit die alles concentreert. Dat gaat in tegen de filosofie van het hele Belgische federale staatsbestel. Hier moet met enige soepelheid worden omgesprongen want een materieel ideale oplossing –binnen het federale stramien- is er niet.
Het systeem van de “split vote” in de Raad vind ik eveneens materieel niet doenbaar, ook al omdat men hiermee de grens overschrijdt van de politiek-juridische constitutionele logica. Bovendien is daartoe een verandering nodig van het Verdrag van Nice (dat anyway door de recente Europese grondwet wordt voorbijgestoken vermits de meerderheid niet meer met gepondereerde stemmen zal berekend worden maar met een percentage van de lidstaten en een percentage van de bevolking, gecombineerd) .
Stroomafwaarts van de communautaire beslissingen in de Raad van Ministers komen wij in de bevoegdheidssfeer van het Vlaamse parlement. Bijna 80% van onze interne wetgeving vindt haar oorsprong in Europese wetgeving: dus is ons eigen Parlement in zekere zin een machtig instrument voor de toepassing van de Europese regelgeving. Soms staan we voor een fenomeen van “verkruimeling” van Europese reglementering vermits er verschillende wetgevende lagen van het Belgisch systeem tegelijkertijd kunnen bevoegd zijn voor de interne toepassing. Vandaar alweer de noodzaak van een (federale) coördinatie: tegenover het stroomopwaarts “ P11” staat het stroomafwaartse “J12”…
Ik besluit dit gedeelte met een speciale verwijzing naar het netwerk van meer dan 200 vertegenwoordigingen van Europese regio’s die alle te Brussel gevestigd zijn. Zij vormen in menig opzicht een parallelle diplomatie waarmee Vlaanderen nuttige betrekkingen zou kunnen onderhouden. Ik vind dat Vlaanderen overigens zelf , met vlag en wimpel, tussen deze regionale familieleden, duidelijk aanwezig zou moeten zijn. Ik heb, voor dit officiële lobbywerk, in mijn studie “Vlaanderen, Europese Regio” een formeel voorstel uitgewerkt. Zo zou Vlaanderen letterlijk in Europa moeten staan (“Vlaanderen staat in Europa”). En omgekeerd.
Besluit? Niet iedereen is tevreden met de manier waarop de Vlaamse regeringen het buitenlands beleid recent hebben georganiseerd en gevoerd. Ook het budget voor het buitenlands beleid gaat zienderogen achteruit. Maar het meest storende blijft het feit dat de snel op elkaar volgende ministers , belast met het Vlaamse buitenlands beleid, deze portefeuille doorgaans combineren met tal van andere functies zodat er niet voldoende professioneel kan gewerkt worden terwijl de verschillende sectoren van het buitenlands optreden overal verspreid zitten tussen de verschillende Ministers waardoor,in het buitenland en in ede EU een slordige indruk wordt gegeven (als de ministers al aanwezig zijn!). En vooral: dat het Vlaams buitenlands beleid vaak gewoon een aanhangsel wordt van het Belgisch beleid dat zich langzaam maar zeker klaar maakt voor een sluipende recuperatie eerst van de werking, dan van de bevoegdheden.

5. Wat betekent Vlaanderen als Europese Regio?

Als Belgische “Deelstaat” is Vlaanderen dus, gebruik makend van zijn indrukwekkende constitutionele externe bevoegdheden in het Europese continent een volwaardige diplomatieke partner geworden. Wij hebben het arsenaal van onze verdragen en officiële vertegenwoordigingen zeer intens gebruikt en dit werd door soevereine staten en internationale instellingen die onze internationale partners zijn geworden, erkend, alsof wij de allures hadden van een Europese Staat.
Anderzijds, binnen het kader van de Europese Unie waarvan juridisch gezien alleen lidstaten lid kunnen zijn, worden wij in vele opzichten behandeld (ook door onze “diplomatieke partners”) als een regio, wat door velen aanzien wordt als een degradatie.
Zelfs al behoren wij tot de harde kern van langzamerhand in macht en aanzien winnende regio’s met constitutioneel geregelde wetgevende bevoegdheid, er blijft een wezenlijk verschil tussen een dergelijke niet soevereine instantie enerzijds en anderzijds de nieuwe lidstaten die vanaf het ogenblik der toetreding juridisch gelijkgesteld worden met de andere lidstaten, ondertekenaars van de Verdragen.
Buiten de Europese Unie ademt Vlaanderen dus ruimer dan er binnen? Terwijl het belang der Unie steeds groter wordt en wij daar dus niet afwezig kunnen blijven? Neen: Vlaanderen moet als dusdanig niet alleen betrokken zijn bij, maar het moet zo snel mogelijk institutioneel deelnemen aan de uitwerking van alle Europese beleidsopties. Bij gebreke van een duidelijke UDI (Unilateral Declaration of Independance) op korte en voorzienbare termijn, zal ik trachten duidelijk maken wat wij ondertussen, als Europese Regio, in die richting al zouden kunnen ondernemen.

A= Het Europees regionalisme.



Het is van groot belang, vind ik, dat wij Vlamingen wat beter zouden begrijpen wat er in Europa met de regio’s is gebeurd sedert WOII.
1.Eerst wil ik even stilstaan bij het begrip “Regio” want daar wordt dus vaak in alle richtingen mee geschermd. Wat is dat, een “regio”? Dit begrip heeft meestal iets te maken met area, grond,veld, wijk, gehucht,dorp,stad,agglomeratie, gouw, gewest, district, zone. (Mercator: Amazonum Regio). Kan echter ook iets te maken hebben met de hemel (regio vespertina) of met de zee (regio maritima) en kan zelfs metafysische betekenissen hebben.Men kan met dit begrip van ruimte-afbakening dan ook werkelijk alle regio’s (richting,grenslijn) uit. Regionalisatie is de indeling in gebieden waarbinnen een overzichtelijk en samenhangend stelsel van voorzieningen kan functioneren. Regionaliseren betekent het toevertrouwen van een voordien nationale bevoegdheid an een regionaal bestuur terwijl regionalisme overeen komt met ht cultiveren van de aparte tradities van een bepaalde regio; het streven om de eigenaardigheid en de tradities van en streek te doen kennen en eerbiedigen, of nog: het streven naar gewestelijke autonomie. Regionalisme is een –isme, dwz. het geloof in de voordelen van regionaal bestuur en dito democratie.
Een Europese regio ten slotte? Quot capita, tot sensus. Onmogelijk om één bepaling te geven die overal en altijd aan tijd en ruimte zou kunnen weerstaan. Binnen de verdragen ging het tot nu toe over een geografisch begrip dat met statistische criteria kon benaderd worden en dat vooral te maken had met economische en sociale prestaties. Daar komt nu verandering in omdat de regio, in de laatste evolutiefazen der verdragen, meer en meer beschouwd wordt als een onderdeel en zelfs als een directe politieke partner van de Europese Unie.
Iedere Europese Instelling hanteert zo haar eigen bepaling, al naar gelang de respectieve noodwendigheden. Zo heeft van zelfsprekend het ontwerp van “Europees Handvest voor de regionale autonomie” van de raad van Europa (4 Juli 1996) een versie, terwijl het Europees P arlement al in zijn “Charter van de Europese Regionalisering” van 18 november 1988 een eigen definitie had uitgeschreven
Buiten de verdragen is de regio veel menselijker omdat zij, als politiek min of meer autonome instelling overal voortspruit uit de geschiedenis. De graad van haar politieke, administratieve, financiële autonomie is vrijwel nooit dezelfde. Vervolgens kan zij eerder politiek zijn dan economisch . Sommige zijn economisch zeer sterk en andere wegen demografisch zwaarder dan een reeks soevereine staten. Ofwel werden zij door de centrale regering tot stand gebracht (gedecentraliseerd) ofwel komen zij (bottom-up) uit eigen initiatief tot stand. In beide gevallen symboliseren zij de directe democratie, dicht bij de burger.
Haar allereerste kenmerk is dus de grote verscheidenheid. Voor alles echter zijn de Europese regio’s de dragers van de culturele en linguïstieke rijkdom van Europa.
Ook buiten de instellingen zijn er verschillende pogingen ondernomen om “het geslacht der engelen” te bepalen? Ikzelf beveel uiteindelijk de bepaling aan die wij in de Assembly of European Regions na grondige discussie tussen de 300 leden hiervan (die zelf allemaal regio’s zijn en die het dus wel zullen weten), hebben aangenomen op 6 december 1996 in Bazel (CH).
“.The regio: definition and concept.

1.The region is the territorial body of public law, established at the level immediately below that of the state and endowed with political self-government.

2.The region shall be recognised in the national constitution or in the legislation which guarantees its autonomy, identity, powers and organisational structures.

3.The region shall have its own constitution, statute of autonomy or other law which shall form part of the legal order of the state at the highest level, establishing at least its organisation and powers. The status of a region can be altered only in cooperation with the region concerned. Regions within the same state may have different status, in keeping with their historical, political, social or cultural characteristics.

4. The region is the expression of a distinct political identity which may take very different political forms, reflecting the democratic will of each region to adopt the form of political organisation it deems preferable. The region shall resource and staff its own administration and adopt insignia for its representation.”
2.Doorheen de economische ups and downs der Europese geschiedenis en tegen de achtergrond van welfare state en globalisering sinds de jaren vijftig heeft het beleid dat zich met de regio’s bezig hield, zeer verschillende gedaanten aangenomen. Eerst was er de bezorgdheid van achtergebleven streken waar specifieke industriële sectoren in verval geraakt waren en die vanuit de hoofdsteden onder handen genomen werden zonder veel plaatselijke inspraak. Nadien veranderde dat en het is met de nadruk op de eigen specifieke prioriteiten dat de echte regionale politiek ten allen kante in gang getrokken werd. De verschillende staatstradities (de angelsaksische, de napoleontische, de germaanse en de scandinavische) hebben ieder hun eigen model van gedecentraliseerde besturen geproduceerd.
Aan dit stereotype beeld moet zeker een correctie worden aangebracht voor de enkele uitzonderingen war het nationalisme en de tendens naar separatisme altijd al hadden meegespeeld en waar het historisch perspectief door de eeuwen hen steeds aanwezig was gewest. Voor Vlaanderen geldt dit ook, vooral vanaf de XIX° eeuw.
Het overzicht van de decentraliseringprocessen in het merendeel der Europese landen zou het voorwerp kunnen zijn van een aparte synthe -er zijn bibliotheken vol over geschreven en er bestaan goed bruikbare overzichten ! En hoe interessant ook, in dit bestek moet ik er mij toe beperken te stellen dat de decentralisering vrijwel alle West-Europese grondwetten heeft gekenmerkt en dat dit proces nog steeds aan momentum wint. Het kan niet zijn dat de in de maak zijnde Europese Grondwet dit fenomeen niet zou erkennen –of erger nog: er zou tegenin gaan. Wat de grondwetten aan de regio’s hebben toevertrouwd, kan nu niet door Europa worden afgenomen . Ik denk hierbij dus aan Vlaanderen, Schotland, Baskenland en Catalonie, aan Toscane en Lombardije, aan de Duitse en Oostenrijkse Laender, aan Corsica en Noord Ierland enz maar ook aan de nieuwe Poolse Voivode.
Wat eerst nog ervaren werd als een staatsgevaarlijk proces bleek achteraf een instrument te worden waarmee zowaar de democratie kon worden gered! Beter regeren was minder regeren en een goede regering was er een die gedecentraliseerd werkte: dat was het motto in de jaren zestig/zeventig, toen België druk bezig was met zijn opeenvolgende grondwetsherzieningen.
In de jaren tachtig zag men dat de decentralisatie meer progressief begon te worden: de druk op structuren en instellingen die aan dit proces en passende politieke en democratische inkleding moeste geven, nam sterk toe en de burger werd dichter bij het beslissingsproces betrokken.

Wat ons in het kader van dit artikel meer interesseert, is het volgende. Tot in het begin der jaren tachtig heeft dit regionaliseringproces zich hoofdzakelijk afgespeeld binnen het kader van de verschillende nationale grondwetten .Welnu, in de loop der jaren tachtig is dit proces feitelijk en vooral juridisch gekatapulteerd in het aan momentum winnende europeaniseringproces van dat ogenblik. Sedertdien kan op deze verstrengeling niet meer worden teruggekomen tenzij het integratieproces zou vertragen of stilvallen want dat zou sommige regio’s van zelfsprekend kunnen aanzetten om resoluut het pad der secessie en der soevereine autonomie te kiezen.


De verdragen van Parijs en Rome (1951 en 1957) schonken vrijwel geen aandacht aan de regio die in ieder geval binnen het kader van de lidstaten werd gezien. Na de toetreding van het UK in 1975 werd het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling opgericht terwijl met de Eenheidsakte van 1986 de regio met één ruk naar voor schuift tot in het centrum der communautaire prioriteiten. De omweg langs de nationale bureaucratie is voortaan niet meer nodig en de regio’s kunnen rechtstreeks deelnemen aan de voordelen van de nieuwe, grote Interne Markt. Met het Basireglement van 1988 begint Europa zelf de criteria uit te werken op basis waarvan een regio in aanmerking komt voor regionale steun of niet.
Sedertdien beslissen de regio’s dus voortaan zelf mee op basis van partnerschap (dat een historische omwenteling veroorzaakte) en subsidiariteit( doordat de verantwoordelijkheid door de betrokken regio’s zelf werd gedragen) complementarieit en addidionaliteit (Europees geld kan niet in de plaats komen van nationaal).
De volgende belangrijke stap in de evolutie van het Europese regionalisme was het Verdrag van Maastricht. Hier werden tegelijkertijd drie belangrijke bressengeslagen in het fort van de nationale soevereiniteit dat de Europese Gemeenschap (die vanaf toen de “Europee Unie” heet) tot dan toe was geweest: ten gerieven van de regio’s: in de eerste plaats werd het beginsel van de subsidiariteit ingebouwd in het Verdrag. Daarnaast werd het Comité van de Regio’s opgericht en ten derde zouden de regio’s voortaan, in bepaalde gevallen –zoals wij al vroeger zagen- mee kunnen optreden in de EU –raad van Ministers (waar de belangrijkste beslissingen genomen worden). Hierdoor kwamen drie directe mogelijkheden tot stand om institutioneel mee verantwoordelijkheid te dragen in de meest spectaculaire formule van internationale samenwerking die de geschiedenis van Europa heeft opgeleverd.
Sedertdien zijn de regio’s dus niet meer alleen elementen uit de Europese structuurfondsen maar het zijn de regio’s uit de nationale grondwetten (een veel ruimer begrip, zoals wij hebben gezien) die nu mee naar voren komen als institutionele partners ,niet alleen belast met een belangrijke verantwoordelijkheid in het domein der economische en sociale cohesie, maar ook van de Europese integratie in het algemeen. Ik geloof niet dat Vlaanderen het belang hiervan heeft ingezien. Ik geloof wel dat wij nooit de kans hebben genomen om deze wending naar onze hand te zetten.
Wie heeft ooit Vlaandren’s belangen vertolkt in het debat over de subsidiariteit? De discussie loopt nog steeds, ook na de Grondwetsgoedkeuring, over de manier waarop dit politiek/juridisch beginsel kan worden afgedwongen. In ieder geval zou Vlaanderen er als de kippen moeten bijzijn om met het gebruik van dit beginsel vertrouwd te zijn en om daarmee in Europa onze “regionale” belangen met hand en tand te kunnen verdedigen. Wij krijgen in de EU immers geen geschenken.
Met het gebruik van ART 2O3 hebben wij tijdens het Belgisch EU-voorzitterschap aan de EU laten zien dat dit systeem behoorlijk kan werken: verschillende EU-Ministerraden waren door regionale ministers voorgezeten en zij hebben goed werk verricht. Maar waar blijven de Vlaamse argumenten om dit artikel te behouden en eventueel verder te ver-regionaliseren nu blijkt dat de Grondwet hierop zou willen terugkrabbelen, oa. op Spaans verzoek?
En waarom zijn wij toch zo negatief tegenover het Comité van de regio’s? De klassieke argumenten van onduidelijke samenstelling en van zijn adviserende bevoegdheid zijn door de politiek actualiteit voor een groot stuk achterhaald en duiden er op dat degenen die op die manier in het debat treden niet vertrouwd zijn met de Europese evolutie. Maar wie in Vlaanderen weet wie ons vertegenwoordigt in dit Comité (dat nochtans genereuze zitpenningen uitreikt)? Na tien jaar heeft het Comité in menig opzicht aan prestige gewonnen: ten bewijze zie de tekst der Europese grondwet (cfr verder).
Vlaanderen zou zijn profiel ook beter kunnen uittekenen in het Europees Parlement. De veertien Vlaamse verkozenen hebben gans Vlaanderen als hun kiesdistrict. Derhalve zou de Vlaamse regering zich een beetje aan hen moeten opdringen om er Vlaamse vertegenwoordigers van te maken, naar het voorbeeld van de Schotten en zelfs van de Noord- Ieren. Overigens heeft het Europees Parlemetn zich al in 1988 bezig gehouden met het Handvest van het Europees Regionalisme Wij zouden dat eens kunnen vergelijken met dat van de Raad van Europa dat nog steeds door Nederland en het Uk om onbegrijpbare redenen wordt tegengehouden en met het handvest van de “Assembly of European regions”. Vlaanderen zou daarmee de ideeën over het regionalisme in Europa eens kunnen opfrissen en meteen de leiding nemen van een politieke beweging die de democratische en culturele integratie van het toekomstige Europa een veel menselijker gelaat kan geven dan de huidige Economische en Monetaire Unie (zoals wij in Vlaanderen alsmaar luidop eisen. Welnu: hier hebben wij de kans om er eens iets aan te doen).
Ik zou de lezer ook graag een uiteenzetting willen doen van het enorm rijke veld van de Europese regionale organisaties die wellicht te weinig gekend zijn en waarin Vlaanderen doorgaans te veel afwezig is of waarover ons veel te weinig wordt verteld. In ieder van hen zou Vlaanderen een instrument kunnen hebben om aan ons europees profiel te kunnen werken en het totaal resulaat zou ons op den duur een volledig verschillend beeld van Europa opleveren aan de ene kant en van Vlaanderen in de EU aan de andere kant.
Ik zou het willen hebben over de Assembly of European Regions waarvan ik Secretaris Generaal ben geweest en waarin de ca 280 Europese regio’s uit oost en west Europa verenigd zijn; het Congres der Lokale en regionale Autoriteiten van Europa, een onderdeel van de raad van Europa (het Minderhedenverdrag!); en de zovele regionale en sectorale organisaties. Voor ieder van hen zou ik het belang voor Vlaanderen willen aantonen (en zou ik kunnen aantonen hoe zij op dit ogenblik verwaarloosd worden)…
Ik moet echter terugkeren naar het laatste stuk uit het overzicht van het europees regionalisme en resumeren wat er gebeurd is sedert 2001. In wezen kan ik dit doen door te verwijzen naar drie elementen. In ieder van deze drie staat Vlaanderen centraal.
1. Er is vooreerst het “Witboek over de Europese Governance”, over de kunst van het beheren van Europa, vandaag. Daarin staat beschreven dat het voortaan niet alleen meer soevereine staten zijn die Europa besturen, maar ook en tegelijk de burgers, de NGO’s, de multinationals, de civil society: een beheer op verschillende lagen waarin de ene de andere aanvult. De dagen van de nationale soevereiniteit zijn voor een groot gedeelte voorbij. Ook de regio’s hebben voortaan hunplaats in dit dynamisch geheel.
2. Vervolgens is er de Regleg –groep: de groep der regio’s met constitutionele wetgevende bevoegdheid die zich aanmelden als volwaardige partners bij de uitvoering van het europese beleid en die vanaf nu ook het recht opeisen om niet alleen op het einde van de wetgevingscyclus op te treden maar ook vanaf het begin .Hun stem klinkt alsmaar luider en hun positie tegenover het Comité van de regio’s wordt heel belangrijk. Ik vind alleen dat de Vlaamse bevoegde Minister hier een veel groter belang zou moeten aan hechten en de mensen zouden moeten weten wat daar allemaal besproken wordt. Deze groep speelt immers op het terrein “Vlaanderen – Europa” waarvoor in het Vlaamse middenveld zulke grote belangstelling bestaat. Hij speelt echter volledig in het donker.
3. En ten slotte: wat levert de zopas goedgekeurde Europese grondwet op voor de regio’s? Gaat het regionalisme er op vooruit? Kan Vlaanderen met de nieuwe bepalingen opschieten? Keuren wij dit grondwettelijk verdrag dan goed of niet?
Persoonlijk ben ik van mening dat deze tekst aan de regio’s met wetgevende bevoegdheid (zoals Vlaanderen) zoveel nieuwigheden aanreikt dat het debat over de Vlaamse onafhankelijkheid en ons zelfstandig optreden in Europa er op ingrijpende wijze door gekleurd wordt. Ik vind verder dat, als de Vlaamse Regering zich met man en macht op de toepassing van dit verdrag zou toeleggen, ons profiel in Europa erg zou kunnen verduidelijkt worden, onze houding tegenover de Belgische federale structuren gevoelig zou kunnen verbeteren en dat de Vlaming met opgeheven hoofd voortaan zou kunnen meewerken aan de Europese beslissingen, zowel aan de wetgevende als aan de uitvoerende.
Voor de fijnproevers onder mijn lezers som ik enkele van mijn argumenten op. -De formule van de Conventie zou voortaan in principe aan Vlaanderen moeten kunnen toelaten om zijn eigen stem te laten horen wanneer de Europese verdragen nog zullen worden gewijzigd (in het voorbije geval was dat niet zoals het moest, maar dat is een lang, ander verhaal!).

-De preambule verwijst naar “de volkeren van Europa’, naar de “verscheidenheid” (uit de regionale woordenschat).

-Bij de doelstellingen van de Unie wordt de territoriale cohesie ingevoerd, en eis van de regio’s.

-De Unie eerbiedigt haar rijke verscheidenheid aan culturen en talen en ziet toe op de in standhouding en de ontwikkeling van het Europees cultureel erfgoed. (Deze eerbied kan dus bvb.door Vlaanderen vanaf nu worden afgedwongen).

-De unie eerbiedigt de nationale identiteit van haar lidstaten, die besloten ligt in hun fundamentele politieke en grondwettelijke structuren,” waaronder die voor regionaal en lokaal zelfbestuur.” (Het beginsel van regionaal zelfbestuur staat dus vanaf nu in het verdrag, al is dat langs de omweg van de nationale identiteit, maar het staat er en het kan dus eveneens worden afgedwongen)

-Titl III regelt de kwestie der bevoegdheden en die der grondbeginselen die aan de basis liggen van de verdeling daarvan: het attributiebeginsel, de subsidiariteit en de evenredigheid. Het “Protocol betreffende de toepassing der beginselen der subsidiariteit en der evenredigheid” voorziet dat de parlementen (dus ook het Vlaamse!) de toepassing kunnen controleren.

-De subsidiariteitsfiche laat financiële controle toe terwijl het waarschuwingssysteem het Vlaamse parlement direct toezicht geeft in de Europese wetgeving

-De bevoegdheden van het Comité van de regio’s gaan er op vooruit door het feit dat het zelf voor het Hof de verdediging van zijn prerogatieven kan bepleiten : het kan dus toezien op de juiste toepassing van bvb het principe van de subsidiariteit. Het kan de juridische grondslag van de Commissie-initiatieven aanvechten. Het kan de locomotief worden van de constitutionele ambities van de regleg-groep

- Ook met andere artikels uit het verdrag kan Vlaanderen zijn gerief doen: bvb. het feit dat de EU voortaan rechtspersoonlijkheid verwerft laat haar toe op te treden in gebieden die raken aan Vlaanderen’s bevoegdheden.

- Al is de bijdrage tot het budget van de Unie een federale kwestie ( die, à propos de volgende maanden riskeert heel wat stof te doen opwaaien!) toch is het de Vlaming die ook daar voor het belangrijkste deel bijdraagt. Ik vind dus dat het Vlaamse parlement hier nauwkeurig zou moeten te werk gaan en zijn inspraak en bevoegdheid in deze materie zou moeten scherp stellen Het debat over het financiële pakket 2007-2013 biedt daartoe voldoende gelegenheid. In het ‘”Protocol op de subsidiariteit” lees ik der enige zin in het Verdrag die daar mee te maken heeft: “De commissie houdt er rekening mee dat alle financiële en administratieve lasten voor de Unie, de nationale regeringen, de regionale of lokale overheden moeten beperkt worden en in verhouding moeten staan tot het te bereiken doel”. Als het er op aankomt om te betalen dan vermeldt het verdrag de regio’ s zonder schroom, op gelijke hoogte met de nationale regeringen.

-Dat het Handvest van de grondrechten in het verdrag is opgenomen stemt vele Vlamingen tevreden. In dit handvest is er echter geen sprake van “collectieve rechten of rechten voor het Vlaamse Volk, laat staan voor de Deelstaat/regio Vlaanderen.

- Een van de enige dingen die de Regio’s niet hebben bereikt is de directe toegang tot het Hof. Alleen het Comité van de regio’s heeft dit recht verworven, niet de regio’ afzonderlijk. Het wordt interessant om te zien hoe deze bepaling op de duur zal evolueren


Besluit
Vlaanderen moet zijn plaats in Europa verdienen. Er wacht ons veel werk. Als koploper van de Regleg-groep zouden wij door een dynamische aanpak van onze Regering en parlement voortaan kunnen doordringen tot in de wetgevende organen van de Unie. Wij zullen op tijd worden geraadpleegd als de Commissie en initiatief wil nemen; ons Vlaams parlement kan meewerken aan de europese wetten en reglementen ; onze Ministers zetelen in de Raad wanneer Europa zich let onze bevoegdheden bezig houdt.

Eigenlijk staat Vlaanderen dus, als het de aangereikte instrumenten maar wil gebruiken, al volop in Europa. Het staat er, zonder een Staat te zijn.




  1   2   3


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina