Havo en Vwo domein A: Vaardigheden en werkwijzen



Dovnload 307.84 Kb.
Pagina1/4
Datum18.08.2016
Grootte307.84 Kb.
  1   2   3   4
Bijlage.1 Explicitering domeinen centraal examen aardrijkskunde havo en vwo.


Havo en Vwo domein A: Vaardigheden en werkwijzen


Explicitering:
centraal examen havo miv 2004 en vwo miv 2005


Subdomein: Informatievaardigheden
De kandidaat kan:

  1. verschillende typen vragen herkennen en zelfstandig vragen formuleren en daarbij onderscheid maken in vragen naar:

Subdomein: Informatievaardigheden



  1. teneinde het herkennen en formuleren van vragen beter mogelijk te maken wordt hieronder aangegeven wat de structuur is van de onderscheiden vraagtypen en waar de beantwoording van deze typen vragen aan moet voldoen.

  1. ruimtelijke kenmerken van verschijnselen en hun relaties (beschrijving);

A. voorbeelden van typen beschrijvende geografische vragen zijn:

      • waar is dat?

      • wat is daar?

      • hoe is dat daar?

        • hoe beleeft men dat daar?

Een geografische beschrijving bestaat minimaal uit:

  • kenmerken van en relaties tussen verschijnselen;

  • ruimtelijke/regionale context van verschijnselen.



  1. ontstaan en ontwikkeling van ruimtelijke kenmerken van verschijnselen en hun relaties (verklaring);

B. voorbeelden van typen verklarende geografische vragen zijn:

  • waarom is dat daar?

  • waarom is daar dat?

  • waarom is dat daar zo?

  • waarom beleeft men dat daar zo?

Een geografische verklaring bestaat minimaal uit:

  • een oorzaak;

  • een gevolg;

  • een verklarend principe;

  • bijzondere ruimtelijke/regionale omstandigheden.



  1. toekomstige ontwikkeling van ruimtelijke kenmerken van verschijnselen en hun relaties (voorspelling);

C. voorbeelden van typen voorspellende geografische vragen zijn:

  • waar zal dat zijn?

  • wat zal daar zijn?

  • hoe zal dat daar zijn?

  • hoe zal men dat daar beleven?

Een geografische voorspelling bestaat minimaal uit:

  • een verschijnsel;

  • een verwachting;

  • een voorspellend principe;

  • een (ruimtelijke/regionale) omstandigheid.

  1. maatregelen om het verschil tussen de huidige en de gewenste ruimtelijke kenmerken van verschijnselen en hun relaties op te lossen (probleemoplossing);

D. voorbeelden van typen probleemoplossende geografische vragen zijn:

  • waar kan dat?

  • wat kan daar?

  • hoe kan dat daar?

Een geografische probleemoplossing bestaat uit:

  • een probleemanalyse gebaseerd op gegevens;

  • evt. enkele scenario’s waar tussen gekozen kan worden;

  • criteria (positieve en negatieve) waaraan een oplossing moet voldoen;

  • de gekozen oplossing met argumenten die verwijzen naar criteria;

  • prioritering van criteria op grond van achterliggende waarden;

  • evt. voorbehoud (ten aanzien van verwachte effectiviteit en neveneffecten).

  1. waardering van ruimtelijke kenmerken van verschijnselen en hun relaties (waardering).

Hij betrekt daarbij


x 1 relevante begrippen/concepten ontleend aan de benaderingswijzen in de geografie (de ruimtelijke benadering, de regionale benadering, de gedragsbenadering, de mens-milieu-benadering en de aardwetenschappelijke benadering).


E. voorbeelden van typen waarderende vragen zijn:

  • is dat daar gewenst?

  • is daar dat gewenst?

  • is dat daar zo gewenst?

Een waardering bestaat uit:

  • een situatiebeschrijving;

  • evt. verwijzing naar gegevens over de situatie;

  • een oordeel;

  • een norm waarop het oordeel is gebaseerd;

  • evt. een achterliggende waarde die de norm rechtvaardigt;

  • evt. een voorbehoud ten aanzien van de geldigheid van het oordeel.



x 1 Deze benaderingen worden niet getoetst in het centraal examen.






  1. geografische werkwijzen kiezen waarmee geografische vragen beantwoord kunnen worden, deze werkwijzen afzonderlijk en in combinatie toepassen en daarbij:

  1. geografische werkwijzen worden gebruikt om geografische vragen te stellen en te beantwoorden. Hieronder wordt bij elke geografische werkwijze aangegeven wat de functie ervan is en op welke denkvaardigheden een beroep wordt gedaan. Daarbij gaat het steeds om twee denkvaardigheden: het maken van onderscheid en het opsporen van samenhangen. Bij elke werkwijze wordt een voorbeeld gegeven.



A. van verschijnselen en gebieden aangeven uit welke delen ze bestaan en tot welke grotere gehelen ze behoren (wisselen van analyseniveau);



A. wisselen van analyseniveau wordt gebruikt om gebieden en verschijnselen in hun geografische context te plaatsen. De denkvaardigheden zijn: een onderscheid maken tussen gebieden als gebieden verdeeld worden in deelgebieden (indelen) en samenhangen opsporen als nagegaan wordt tot welk groter geheel een gebied behoort (toedelen).




Voorbeeld

De kandidaat moet weten tot welk groter geheel de onderdelen van een gebied behoren om antwoord te kunnen geven op de vraag: was de Europese steun in het kader van het structuurbeleid aan de provincie Flevoland terecht? We moeten dan weten tot welke regionale arbeidsmarkt de verschillende delen van Flevoland behoren want steun in het kader van regionaal werkgelegenheidsbeleid dient gericht te zijn op werkgelegenheidsregio's.



We onderscheiden in Flevoland stedelijke en agrarische gemeenten (indelen). De stedelijke gemeenten Almere en Lelystad behoren tot de arbeidsmarkt van de noordvleugel van de Randstad (toedelen). Veel inwoners van Almere en Lelystad verdienen hun inkomen buiten de provincie maar binnen de arbeidsmarktregio. De arbeidsmarktregio waar Almere en Lelystad deel van uitmaken zou nooit in aanmerking komen voor Europese steun omdat het gemiddelde BRP er te hoog is.


B. verschijnselen en gebieden op verschillende schaal beschouwen (veranderen van ruimtelijke schaal);

    1. veranderen van ruimtelijke schaal wordt gebruikt om globale geografische beelden te detailleren en omgekeerd. De denkvaardigheid is: een onderscheid maken tussen globale en gedetailleerde ruimtelijke patronen.
      Voorbeeld.

De kandidaat moet weten hoe verschijnselen op verschillende ruimtelijke schaal functioneren om bijvoorbeeld antwoord te kunnen geven op de vraag: welk transportmiddel is het meest geschikt voor personenvervoer naar grootstedelijke gebieden?
We inventariseren allereerst de ruimtelijke schalen die voor deze vraag van belang zijn: de regionale, nationale en continentale schaal. Op regionale schaal is dat de auto omdat deze vervoer van deur tot deur mogelijk maakt. Op nationale schaal is dat de trein omdat deze sneller is dan de auto. Op continentale schaal is dat veelal het vliegtuig omdat de gemiddelde snelheid van het vliegtuig veruit het hoogst is en het voor- en natransport relatief weinig tijd kost.



C.aan verschijnselen meer dimensies onderscheiden en gebieden op grond van meer dimensies karakteriseren (confronteren van dimensies);

  1. confronteren van dimensies wordt gebruiktom een kritische beschouwing te geven. De denkvaardigheid is: verschillende aspecten aan verschijnselen onderscheiden (natuur, cultuur, economie, politiek) en de samenhangen daartussen opsporen.
    Voorbeeld. De kandidaat moet weten welke dimensies van belang zijn voor een verschijnsel om bijvoorbeeld de vraag te kunnen beantwoorden: wat zijn de oorzaken van het territoriale conflict in Joegoslavië na 1990? Allereerst inventariseer je de dimensies die van belang zijn voor dit conflict: politiek, cultuur en economie. De politieke dimensie van dit conflict is het streven naar autonomie van voormalige deelstaten versus het streven naar een Groot-Servië. De culturele dimensie bestaat uit tegenstellingen op religieus, talig en etnisch vlak. De economische dimensie bestaat uit belangentegenstellingen tussen de meer welvarende gebieden (Slovenië en Kroatië) en de armere delen (Bosnië-Herzegovina, Montenegro en Macedonië). In een kritische beschouwing worden deze dimensies afgewogen.



  1. overeenkomsten en verschillen aangeven tussen gebieden en tussen verschijnselen (maken van vergelijkingen);

  1. vergelijken van gebieden en verschijnselen wordt gedaan om categorieën te vormen. De denkvaardigheid is: het onderscheiden van overeenkomsten en verschillen.
    Voorbeeld. De kandidaat moet weten welke overeenkomsten en verschillen er tussen gebieden en verschijnselen zijn om bijvoorbeeld antwoord te kunnen geven op de vraag: welke Oost-Europese kandidaat-leden van de EU hebben de meeste kans om volwaardig EU lid te worden? We inventariseren daarvoor verschijnselen die van belang zijn voor toetreding, zoals BNP, werkloosheid, verdeling van de beroepsbevolking over de sectoren. We vergelijken de kenmerken van deze verschijnselen van de kandidaat-landen met de gemiddelde waarden van deze verschijnselen in de EU. Ten slotte trekken we daaruit de conclusie dat de landen die de minste afwijking vertonen ten opzichte van de EU de meeste kans hebben op toetreding.



  1. verticale samenhangen tussen verschijnselen binnen een gebied en horizontale samenhangen tussen gebieden aangeven (leggen van relaties).

  1. relaties worden gelegd om een samenhangend geografisch wereldbeeld te op te bouwen. De denkvaardigheid is: verbanden opsporen tussen gebieden (horizontale relaties) en tussen verschijnselen binnen gebieden (verticale relaties).
    Voorbeeld. De kandidaat moet weten welke samenhangen er zijn tussen gebieden en verschijnselen om bijvoorbeeld de vraag te kunnen beantwoorden: waarom gaan er zoveel Nederlanders op vakantie naar het Middellandse-Zeegebied? Allereerst inventariseren we de verschijnselen die hiervoor van belang zijn: attractiepunten, toeristische voorzieningen en bereikbaarheid. Voorzieningen en bereikbaarheid maken het mogelijk om daar op vakantie te gaan. Attractiepunten zijn klimaat, landschap, vegetatie en bezienswaardigheden. Ze hangen met elkaar samen (verticale relatie). Ze zijn attractief voor Nederlanders omdat ze sterk verschillen met de Nederlandse situatie. Deze complementariteit leidt tot toerisme (horizontale relatie).


Havo-kandidaten moeten de geografische werkwijzen kunnen gebruiken, vwo-kandidaten moeten ook weten wanneer en waarom ze welke geografische werkwijzen moeten gebruiken.





  1. bij gegeven of zelf geformuleerde geografische vragen en gekozen werkwijzen informatie verwerven en daarbij:

      1. de informatiebehoefte vaststellen;

      2. beschikbare informatiebronnen inventariseren;

      3. relevante informatiebronnen selecteren;

      4. uit die bronnen informatie selecteren;

      5. de volgende informatiebronnen hanteren:

        1. de waarneembare werkelijkheid door in het kader van veldwerk waarnemingen te verrichten, te observeren, te enquêteren, te interviewen, te registreren;

        2. algemene en vakliteratuur met inbegrip van kaarten en cartogrammen, (lucht)foto's en satellietbeelden, tabellen, grafieken en diagrammen;

        3. toepassing van ICT met inbegrip van remote-sensing beelden en geografische informatiesystemen.

        4. leerlingen elders door informatie uit te wisselen over woongebied en leefsituatie, eventueel met behulp van telecommunicatie.




  1. het verwerven van geografische informatie is hier in de fasen A tot en met D weergegeven. Het proces start bij het vaststellen van de informatiebehoefte op grond van een vraag. Na inventarisatie en selectie van beschikbare en geschikte informatiebronnen volgt het selecteren van informatie. Met informatiebron wordt hier bedoeld: alles en iedereen waaraan we informatie kunnen ontlenen. Dus zowel personen als de werkelijkheid, beelden en teksten.

In E worden enkele informatiebronnen genoemd die specifiek voor de aardrijkskunde van belang zijn. Niet alle bronnen zijn geschikt voor het centraal examen. De waarneembare werkelijkheid (E1) en de informatie van leerlingen elders (E4) zijn alleen geschikt voor het schoolexamen.

De ICT-toepassingen (E3) worden alleen in de computerversie van de havo-examens gebruikt. In het vwo- examen en de papieren versie van het havo-examen gaat het om de bronnen genoemd onder E2.








  1. geografische informatie vanuit gegeven of zelf geformuleerde geografische vragen mede met behulp van ICT verwerken en daarbij:

  1. informatie ordenen

verschijnselen en gebieden in hun ruimtelijke context beschrijven op grond van hun locatie en afstand tot andere verschijnselen en gebieden (identificeren).

Hij betrekt daarbij

y 1 geografische begrippen

y 2 topografie



  1. informatie analyseren

  1. verschijnselen en gebieden die op elkaar lijken, groeperen in klassen en als deel van die klasse beschrijven op grond van hun ruimtelijke spreiding en geleding (classificeren);

    1. verschijnselen en gebieden die met elkaar te maken hebben in samenhang beschrijven op grond van hun ruimtelijke interactie (relateren).




  1. het verwerken van geografische informatie wordt hier in enkele stappen beschreven: het ordenen, analyseren en interpreteren van geografische informatie en het beargumenteren van een standpunt met geografische informatie.

Voor het interpreteren (C) en argumenteren (D) wordt het argumentatiemodel van Toulmin gebruikt. Een situatie wordt volgens dat model beoordeeld of verklaard door allereerst een beschrijving van de situatie te geven onder verwijzing naar de gegevens waar de beschrijving op gebaseerd is. Vervolgens wordt aangegeven op basis van welke norm of verklarend principe we tot een bepaald oordeel of verklaring komen. Die norm en dat principe kunnen we nog onderbouwen door te verwijzen naar achterliggende waarden respectievelijk meer algemene principes. Tenslotte kunnen we een voorbehoud formuleren bij een verklaring of een oordeel omdat ze niet overal en altijd geldig zijn. Als een conclusie luidt dat de ene plaats een lagere temperatuur heeft dan de andere omdat de eerste hoger ligt, dan baseren we dat op gegevens omtrent de hoogteligging van beide plaatsen. De rechtvaardiging is de fysische wetmatigheid: lucht die opstijgt koelt af.

Een rechtvaardiging kan echter ook een probabilistische zijn: als plaatsen groter worden neemt de bereikbaarheid toe. Tenslotte gebruiken we ook conventies als rechtvaardiging: heuvels lager dan 200m maken deel uit van het laagland omdat we alle gebieden lager 200m tot het laagland rekenen.




  1. informatie interpreteren:

  1. aangeven hoe geografische informatie bepaald wordt door opvattingen (waaronder regionale beelden) en belangen van actoren;

  2. generalisatie(s) formuleren en beargumenteren met behulp van:

    1. geografische informatie over verschijnselen en gebieden;

    2. een rechtvaardigingsregel in de vorm van algemene geografische principes ontleend aan de benaderingswijzen (afstands-, implicatie-, uniciteits-, relationele-, en evolutionaire principe);

    3. modellen en theorieën over ruimtelijke associatie en ruimtelijke systemen;

  1. de relativiteit van ruimtelijke modellen en theorieën aangeven;

    1. een verklaring of voorspelling confronteren met alternatieve verklaringen of voorspellingen;

    2. een eventueel voorbehoud bij een conclusie formuleren.





    1. eerste regel: geldt alleen voor vwo.



  1. een standpunt bepalen en onderbouwen en daarbij:

  1. een oordeel formuleren en beargumenteren met behulp van geografische informatie over verschijnselen en gebieden en een rechtvaardigingsregel in de vorm van algemene waarden (doelmatigheid, rechtvaardigheid, tolerantie, duurzaamheid) en normen;

  2. de context van waarden en normen aangeven;

  3. een eigen standpunt confronteren met standpunten van anderen (bijvoorbeeld mensen elders);

  4. de mogelijke gevolgen van een standpunt aangeven voor betrokken actoren en voor de leefsituatie en het milieu in het betreffende gebied en elders;

5.eventuele consequenties van een standpunt voor het persoonlijk gedrag aangeven

Een voorbeeld van een standpuntbepaling kan er schematisch als volgt uit zien:


situatie

tracé A1 loopt door het open landschap





oordeel

tracé A1 is onaanvaardbaar







norm

belevingswaarde van landschap handhaven






gegevens

zie plankaart






voorbehoud

tenzij een deel verdiept wordt aangelegd






waarde

duurzaamheid









    1. de resultaten van een leeractiviteit overdragen aan anderen en daarbij:



  1. Deze eindterm wordt niet in het centraal examen getoetst.

    1. een geëigend medium kiezen (bijvoorbeeld mondeling, schriftelijk, (audio)visueel m.b.v. video en ICT);






    1. rekening houden met doel, doelgroep en randvoorwaarden;






    1. gebruik maken van:

  1. beelden

  1. natuurgetrouwe beelden (foto's, luchtfoto's, tekeningen);

  2. structuurgetrouwe beelden (kaarten, schetsen);

  3. analoge beelden (kartogrammen, doorsneden, grafieken, diagrammen, RS- beelden);

  1. teksten

  1. verhalende teksten;

  2. informatieve teksten;

  3. betogende teksten.

  1. cijfermatige gegevens.






  1   2   3   4


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina