Havo en Vwo domein A: Vaardigheden en werkwijzen



Dovnload 307.84 Kb.
Pagina2/4
Datum18.08.2016
Grootte307.84 Kb.
1   2   3   4




Subdomein: Kaartvaardigheden

De kandidaat kan

6 cartografische informatie vanuit gegeven of zelf geformuleerde geografische vragen en gekozen werkwijzen, mede met behulp van ICT, verwerken en daarbij:

Subdomein Kaartvaardigheden

6 het verwerken van cartografische informatie mede met behulp van ICT wordt in vijf subvaardigheden uiteengelegd:





  1. de informatiewaarde van een kaart bepalen door te letten op: projectie, schaal en symbolen en op vertekening, vereenvoudiging, weglating en overdrijving (kaartselectie);

  1. als bepaald moet worden of een kaart geschikte informatie bevat voor het beantwoorden van een bepaalde vraag is er sprake van kaartselectie. Daarbij speelt niet alleen een rol dat het gaat om een kaart (verkleinde en symbolische weergave van de werkelijkheid) maar ook dat er altijd sprake is van een bepaalde kaartsoort (er is een thema op te zien) en een kaarttype (de informatie wordt op een bepaalde manier weergegeven).



  1. verschijnselen op overzichtskaarten en thematische kaarten en op topografische en topologische kaarten identificeren (kaartlezen);

  1. bij kaartlezen gaat het om het identificeren van punten, lijnen, vlakken en schrift op verschillende soorten en typen kaarten. De kaartsoorten die gebruikt worden zijn: topografische en overzichtskaarten, oriëntatiekaarten en thematische kaarten. De kaarttypen zijn: chorochromatische kaart, isolijnen-kaart, choropleet, gridkaart, stippenkaart, diagramkaart, anamorfose kaart en synthesekaart.



  1. verschijnselen op verschillende kaarttypen (stippenkaarten, isopleten-, choropleten- en chorochromatische kaarten) classificeren en relateren (kaartanalyse);

  1. bij kaartanalyse gaat het om het uiteenleggen van het kaartbeeld in delen, op basis van relaties tussen elementen (relateren) en overeenkomsten tussen elementen (classificeren). Het heeft betrekking op alle soorten en alle typen kaarten.



D. verschijnselen op verschillende kaarttypen (stippenkaarten, isopleten-, choropleten- en chorochromatische kaarten) verklaren en voorspellen (kaartinterpretatie);

  1. bij kaartinterpretatie gaat het om het verklaren en voorspellen van samenhang tussen elementen op alle soorten kaarten en alle typen kaarten.



E . geografische informatie verwerken tot een kaart, waarbij grafische variabelen als vorm, richting, kleur, textuur, grein, grijswaarden en grootte correct gebruikt worden (kaartproductie).

  1. kaartproductie is het ontwerpen en maken van een kaart bij een gegeven thema of gebruiksdoel. Daarbij gelden de volgende criteria:

    • juiste keuze van de kaartsoort (geschikt voor een bepaalde inhoud);

    • juiste keuze van het kaarttype (juiste wijze van weergeven van de cartografische informatie);

    • juist gebruik van cartografische variabelen (vorm, kleur, grootte, grijswaarde en richting).



In het centraal examen voor havo wordt uitsluitend het gebruik van verschillende kaarttypen en -soorten getoetst. Bij vwo worden ook vragen gesteld over eigenschappen van typen en soorten kaarten zonder dat naar de benaming van kaarten wordt gevraagd.

In de papieren examens worden alleen deelvaardigheden getoetst, zoals het maken van een legenda of het maken van een klassenverdeling

In de computerversie van het examen wordt ook het maken van kaarten getoetst. .




Subdomein: Onderzoeksvaardigheden

De kandidaat kan

7 met gebruikmaking van de omschreven vaardigheden en werkwijzen, individueel of in groepsverband, op een gestructureerde wijze geografisch onderzoek verrichten.

Hij kan



Subdomein Onderzoeksvaardigheden
7 bij het zelfstandig verrichten van geografisch onderzoek, individueel of in groepsverband gaat het om de betrouwbaarheid en validiteit. Om daar zicht op te krijgen staat er dat het onderzoek op een gestructureerde wijze moet plaats vinden. Daarom bestaan de subvaardigheden hier uit de onderzoeksstappen die achtereenvolgens gezet moeten worden.

Toetsing in het CE kan betrekking hebben op een of meer van deze stappen.



  1. in de fase van voorbereiding

  1. een gefundeerde relevante geografische probleem- of vraagstelling formuleren;


  1. de probleem- of vraagstelling uitwerken in relevante deelvragen;


  1. een haalbare activiteiten- en tijdsplanning maken.




  1. de voorbereiding

  1. hier kan de kandidaat gevraagd worden bij een geografische probleemstelling een relevante geografische vraag (zie eindterm 1) te formuleren die eenduidig, concreet en beperkt is. Bovendien kan gevraagd worden bij een verklarende vraag een hypothese op te stellen;

  2. hier kan de kandidaat gevraagd worden relevante deelvragen te formuleren die aansluiten bij de hoofdvraag omdat ze betrekking hebben op een aspect ervan of omdat ze voorwaardelijke kennis opleveren voor het beantwoorden van de hoofdvraag;

  3. hier kan de kandidaat gevraagd worden een werkplan op te stellen.




  1. in de fase van uitvoering

  1. relevante informatie verzamelen door eigen waarneming en/of het raadplegen van bronnen;

  2. de verzamelde informatie analyseren en interpreteren, dat wil zeggen:

  1. beoordelen op bruikbaarheid, betrouwbaarheid en representativiteit;

  2. per deelvraag ordenen en zonodig bewerken;



    1. een beredeneerde conclusie en eventueel een eigen mening ten aanzien van de probleem- of vraagstelling formuleren die minimaal is/zijn voorzien van een argument en een rechtvaardiging.

  1. de uitvoering

      1. hier kan de kandidaat gevraagd worden welke informatie relevant is voor een bepaalde onderzoeksvraag (zie eindterm 3);

      2. hier kan de kandidaat gevraagd worden informatie te analyseren en te interpreteren met behulp van geografische werkwijzen. Het meetniveau van een variabele heeft belangrijke consequenties voor de analysemogelijkheden van onderzoeksgegevens. We onderscheiden de volgende meetniveaus: nominaal (identiteit/kwalitatief), ordinaal (volgorde), interval (mate van verschil), ratio (verhoudingen/kwantitatief). (zie eindterm 2);

      3. hier kan de kandidaat gevraagd worden een beredeneerde conclusie te trekken (zie eindterm 4).



  1. in de fase van afsluiting

        1. de onderzoeksresultaten op samenhangende wijze presenteren en eventuele eigen opvattingen verdedigen.

          1. afsluiting

            1. onderzoeksresultaten presenteren wordt op het c.e. niet getoetst.



  1. in de fase van evaluatie

  1. de resultaten en het verloop van het onderzoek beoordelen.

    1. evaluatie

  1. resultaten en verloop beoordelen op grond van tevoren gestelde criteria wordt op het c.e. niet getoetst .




Subdomein: Oriëntatie op studie en beroep

De kandidaat kan

8 zich oriënteren op de vervolgopleidingen en beroepen waarin aardrijkskunde een rol speelt en daarbij: informatie inwinnen over de betreffende vervolgopleidingen en beroepen;


Subdomein: Oriëntatie op studie en beroep

8 Deze eindterm wordt niet in het centraal examen getoetst.



  1. nagaan in hoeverre hij de vereiste houding, capaciteiten en interesses bezit die wenselijk dan wel noodzakelijk worden geacht voor de betreffende vervolgopleidingen en beroepen.








Havo domein B: Migratie en vervoer

centraal examen 2004 en 2005



Explicitering:

Subdomein: Migratie en ruimtelijke inrichting
De kandidaat kan

9 actuele migratiestromen analyseren en interpreteren.





  1. verschillende typen migratiestromen onderscheiden.

Het betreft:

  1. arbeidsmigratie;

  2. vluchtelingenstromen;

  3. volgmigratie zoals gezinsvorming en -hereniging;

  4. urbanisatie en suburbanisatie.




Subdomein: Migratie en ruimtelijke inrichting

9 bij analyse en interpretatie van migratiestromen spelen naast motieven ook kenmerken van migranten een rol (selectiviteit naar opleiding, leeftijd, sekse en inkomen).





1. onder arbeidsmigratie dient ook seizoens- en cirkelmigratie te worden verstaan;

2. bij vluchtelingenstromen dient onderscheid gemaakt te worden tussen politieke en economische motieven;


4. bij urbanisatie en suburbanisatie dienen de begrippen urbanisatiegraad en urbanisatietempo te worden betrokken.
Geografische werkwijze

Veranderen van ruimtelijke schaal bij het onderscheiden van migratiestromen.




  1. de volgende migratiestromen verklaren:

  1. mondiale Zuid-Noord-migratie;



  2. binnenlandse migratie in Nederland.






1. het gaat om de Zuid-Noord-migratie vanaf 1960, met de nadruk op de laatste 10 jaren;

2. bij de binnenlandse migratiestromen in Nederland gaat het om de periode na 1970.





  1. gevolgen van migratie voor de ruimtelijke structuren van de stad en platteland in ontwikkelingslanden aangeven.

Hij betrekt daarbij

x 1 ontwikkelingen in vertrek- en vestigings­gebieden;

x 2 de interactietheorie van Ullman;

x 3 het push/pull-model.





x 1 bij ontwikkelingen in vertrek- en vestigingsgebied dient onderscheid gemaakt te worden in ontwikkelingen van ecologische, economische, politieke en sociaal-culturele aard;


x 2 bij de interactietheorie van Ullman dienen de begrippen complementariteit, transporteerbaarheid en tussenliggende mogelijkheden te worden gehanteerd.
Geografische werkwijzen
Relateren en vergelijken van gebieden waartussen migratie- en mobiliteitsstromen bestaan
Confronteren van dimensies om ontwikkelingen in gebieden te interpreteren.






Subdomein: Europese migratievraagstukken

De kandidaat kan

10 actuele migratievraagstukken in Europa analyseren en beoordelen.


  1. de spreiding van migranten in Europa beschrijven en verklaren.



Subdomein: Europese migratievraagstukken
10


  1. het betreft de huidige spreiding van migranten die zich na 1960 in West-Europa hebben gevestigd. Daarbij wordt ingegaan op: de spreiding over de landen, de spreiding binnen de landen, de spreiding binnen steden (o.a. sociale en ruimtelijke segregatie) van alle migranten en het aantal, de herkomst en de bestemming van asielzoekers.

Hij betrekt daarbij:

y 1 ontwikkelingen in vertrek- en vestigingsgebieden;

y 2 de invloed van het gevoerde politiek en economisch beleid en de invloed van het koloniale verleden.
Geografische werkwijze

Veranderen van ruimtelijke schaal om de spreiding van migranten te beschrijven.



  1. het Nederlandse toelatings- en spreidingsbeleid vergelijken met dat van een ander Westeuropees land en verschillende standpunten over het gevoerde beleid vergelijken.

Hij betrekt daarbij

y 1 ontwikkelingen in vertrek- en vestigings­gebieden;

y 2 de invloed van politieke en economische factoren op (mondiale) migratiestromen.


  1. op het c.e. wordt alleen naar het toelatings- en spreidingsbeleid in Nederland en de standpunten daarover gevraagd.
    Bij het spreidingsbeleid gaat het vooral om de vraag of en onder welke voorwaarden spreiding van specifieke groepen migranten gewenst/toelaatbaar is.







Subdomein: Vervoer en ruimtelijke inrichting

De kandidaat kan

11 vervoersstromen analyseren en interpreteren.


  1. vervoersstromen op verschillende schaalniveaus verklaren.

Het betreft:

  • vervoersstromen tussen ontwikkelingslanden en Europa;

  • tussen Nederland en de rest van Europa;

  • binnen Nederland.



Subdomein: Vervoer en ruimtelijke inrichting

11


  1. het gaat hier om vervoersstromen die zijn opgesplitst naar aard, omvang, richting en modaliteit.


Geografische werkwijze
Het veranderen van ruimtelijke schaal.

  1. de gevolgen van vervoersstromen voor de ruimtelijke inrichting aangeven.

  1. het gaat hier met name om conflicterend ruimtegebruik in Nederland. Onder vervoersstromen worden personen- en goederenstromen verstaan.

Geografische werkwijze
Relateren van vervoersstromen aan ruimtegebruik.

  1. overeenkomsten en verschillen aangeven tussen een Nederlandse mainport en een internationale mainport in het buitenland.

Hij betrekt daarbij

x 1 de interactietheorie van Ullman; hierbij dienen de begrippen complementariteit, transporteerbaarheid en tussenliggende mogelijkheden te worden gehanteerd

x 2 technische ontwikkelingen in het vervoer zoals IT;

x 3 bedrijfsmatige ontwikkelingen zoals logistiek management en vestigingsplaatseisen;

x 4 economische ontwikkelingen zoals de welvaartsgroei;

x 5 het nationaal overheidsbeleid ten aanzien van vervoer;

x 6 de invloed van vervoersinfrastructuur op de locatiekeuze van bedrijven;

x 7 locatiefactoren zoals bereikbaarheid.


C. het betreft een vergelijking tussen de haven van Rotterdam en een internationale haven en een vergelijking tussen de luchthaven Schiphol en een concurrerende West-Europese luchthaven. De vergelijking heeft betrekking op:



  • bereikbaarheid (bij haven bijv. dokhaven of open haven);

  • herkomst en bestemming van goederen;

  • omvang en samenstelling van goederenstromen (bij een haven: bulkhaven of stukgoed- /containerhaven);

  • vervoersmodaliteiten;

  • bereik (omvang achterland);

  • functie in transportnetwerk (bij een haven: eindhaven of transithaven; bij een luchthaven: hub en spoke);

  • regionale effecten van de mainport op het gebied van milieu, infrastructuur en werkgelegenheid.

Geografische werkwijze

Vergelijken van een Nederlandse mainport met een buitenlandse internationale mainport.




1   2   3   4


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina