Havo en Vwo domein A: Vaardigheden en werkwijzen



Dovnload 307.84 Kb.
Pagina3/4
Datum18.08.2016
Grootte307.84 Kb.
1   2   3   4




Subdomein: Vervoersvraagstukken in Nederland
De kandidaat kan

12 actuele vervoersvraagstukken in Nederland analyseren en beoordelen.



  1. aangeven welke ruimtelijke aanpassingen nodig zijn om de positie van Nederland als distributieland te behouden en versterken;



Subdomein: Vervoersvraagstukken in Nederland
12

  1. het gaat hier om de ruimtelijke plannen van de Nederlandse overheid voor wat betreft:
    - het ruimtegebruik in mainports: Tweede Maasvlakte en uitbreiding Schiphol;
    - de verbindingen: de Betuwelijn, hogesnelheidslijnen, aansluiting op het Europese wegennet.

Hij betrekt daarbij


y 1 ontwikkelingen in herkomst- en bestemmingsgebieden;
y 2 de invloed van politieke en economische factoren op (mondiale) vervoersstromen.



Geografische werkwijze
Relateren van distributiefunctie aan eisen m.b.t. ruimtelijke inrichting.

  1. beleidsdilemma's die samenhangen met de toenemende transportbehoefte beschrijven en gevolgen voor de ruimtelijke kwaliteit van het leefmilieu in Nederland aangeven.
    Hij betrekt daarbij

y 1 ontwikkelingen in herkomst- en bestemmingsgebieden;

y 2 de invloed van politieke en economische factoren op (mondiale) vervoersstromen;


y 3 ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit van het leefmilieu: de aspecten gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde.



de ruimtelijke kwaliteit van het leefmilieu wordt beoordeeld met behulp van de begrippen:

  • gebruikswaarde: functionele geschiktheid, doelmatig gebruik, doelmatige aanleg, doelmatig beheer, bereikbaarheid, interferentie (o.a. meervoudig ruimtegebruik);

  • belevingswaarde: identiteit, diversiteit, herkenbaarheid en zingeving;

  • toekomstwaarde: doelmatigheid in tijd, uitbreidbaarheid, aanpasbaarheid en duurzame structuur.

y 1 en y 2 vervallen hier (zijn verplaatst naar 12A)


Geografische werkwijze
Dimensies confronteren als het gaat om beleidsdilemma's inzake ruimtelijke inrichting.



Havo domein C: Politiek en ruimte
Centraal examen 2006 en 2007


Explicitering:

Subdomein: Ruimtelijk gedrag en politiek-ruimtelijke organisatie
De kandidaat kan

13 de consequenties van ruimtelijk gedrag van de bewoners van een gebied in Nederland voor de politiek-ruimtelijke organisatie van dat gebied uitleggen en daaromtrent een eigen standpunt verwoorden.



  1. het ruimtelijke gedrag van mensen in het desbetreffende gebied in kaart brengen (richting, afstand, frequentie, wijze, duur, kosten).

Hij betrekt daarbij verplaatsingen als gevolg van:

x 1 werken;

x 2 winkelen;

x 3 recreëren;

x 4 gebruik maken van voorzieningen.


Subdomein: Ruimtelijk gedrag en politiek-ruimtelijke organisatie

  1. Het in kaart brengen van het ruimtelijke gedrag van mensen in het desbetreffende gebied moet voor het centraal examen figuurlijk worden opgevat: kaartproductie wordt hier niet getoetst.

x 4 ten aanzien van voorzieningen kan men zich beperken tot voorzieningen op het terrein van het onderwijs en de gezondheidszorg.

Geografische werkwijze
Wisselen van analyseniveau om te zien dat het betreffende gebied bestaat uit deelgebieden en deel uitmaakt van een grotere functionele regio.



  1. de politiek-ruimtelijke organisatie van het desbetreffende gebied in kaart brengen.

  1. het in kaart brengen van de politiek ruimtelijke organisatie van het desbetreffende gebied moet voor het centraal examen figuurlijk worden opgevat: kaartproductie wordt hier niet getoetst.


Geografische werkwijze
Wisselen van analyseniveau om te zien dat het betreffende gebied bestaat uit deelgebieden en deel uitmaakt van een groter bestuurlijk gebied.



  1. aangeven in hoeverre het ruimtelijke gedrag van de bewoners van het desbetreffende gebied aansluit bij de politiek-ruimtelijke organisatie van dat gebied.




Geografische werkwijze

Vergelijken van functionele en bestuurlijke regio's.





  1. op grond van de eventuele discrepantie tussen ruimtelijk gedrag van de bewoners en politiek-ruimtelijke organisatie van het desbetreffende gebied een beargumenteerd voorstel formuleren over bestuurlijke (her)indeling van dat gebied.
    Hij betrekt daarbij:
    y 1 regionaal bewustzijn (identiteit, exclusiviteit en afgrensbaarheid);
    y 2 functionaliteit;

    y 3 fysiek-ruimtelijke structuur.






y 2 het gaat om functionaliteit met betrekking tot het ruimtelijke gedrag van de inwoners met als mogelijk gevolg een bestuurlijke herindeling van het gebied;

y 3 bij de fysiek-ruimtelijke structuur gaat het met name om alle inrichtingselementen en fysisch-geografische factoren die als grens gaan fungeren en compartimentering tot gevolg hebben.
Geografische werkwijze
Relateren van politiek-ruimtelijke organisatie aan bewustzijn, ruimtelijk gedrag en fysieke structuur.






Subdomein: Economie en politiek ruimtelijke organisatie

De kandidaat kan

14 de economische gevolgen van de samenwerking in de Europese Unie analyseren en interpreteren.


  1. de economische vervlechting van Nederland binnen de Europese Unie beschrijven aan de hand van de economische betrekkingen op het gebied van:

    1. landbouw;

    2. industrie;

    3. diensten.

Hij betrekt daarbij

x 1 de richting van de goederenstromen;

x 2 de mate van regionale specialisatie.


14.
A.


x 2 de mate van regionale specialisatie dient te worden bezien op de ruimtelijke schaal van Europa.



Geografische werkwijze

Relateren van economische activiteiten in Nederland aan economische activiteiten in de rest van de Europese Unie.





  1. aangeven op welke gronden de Europese Unie komt tot economische samenwerking (intern) dan wel handelsbelemmeringen (extern).
    Hij betrekt daarbij
    y 1 economische, politieke en sociaal-culturele overwegingen;
    y 2 de begrippen protectionisme, exclusieve economische zones en regionale specialisatie.



B.

Geografische werkwijzen

Wisselen van analyseniveau om te zien dat de Europese Unie bestaat uit afzonderlijke landen en deel uitmaakt van de mondiale economie.


Confronteren van dimensies om het belemmeren dan wel bevorderen van de handel van de Europese Unie te beoordelen.



  1. de gevolgen van de samenwerking in de Europese Unie aangeven voor de:

  1. economische ontwikkeling van deelgebieden binnen de Unie;

  2. relaties tussen de Europese Unie en Oost-Europa;

  3. relaties met gebieden buiten Europa, met name ontwikkelingslanden, Japan en de NAFTA.



C.

Geografische werkwijze
Relateren van de ontwikkeling van de handel van de Europese Unie aan ontwikkelingen in en buiten Europa.




Havo domein D: Natuur en milieu
Centraal examen 2004 e.v.


Explicitering:

Subdomein: Ontstaan en veranderingen in de landschappelijke diversiteit
De kandidaat kan

15 de landschappelijke hoofdstructuur van Nederland analyseren en beoordelen.



  1. de landschappelijke diversiteit van Nederland op hoofdlijnen verklaren vanuit natuurlijke processen en menselijke activiteiten uit het verleden.



Subdomein: Ontstaan en veranderingen in de landschappelijke diversiteit


  1. het gaat hier om de zes hoofdlandschappen in Nederland: zandlandschap, rivierkleilandschap, zeekleilandschap, duinlandschap, veenlandschap en lösslandschap.
    Bij natuurlijke processen gaat het om de invloed van wind, water en ijs op de vorming van de genoemde Nederlandse landschappen. Bij de afzettingen kan men zich beperken tot die afzettingen en oppervlaktevormen die nu in de betreffende landschappen aan de oppervlakte liggen.
    Bij menselijke activiteiten gaat het om ontginning, bodemgebruik, verkavelingpatroon, wegenstructuur en nederzettingspatroon.
    Uitgangspunt zijn de landschappen zoals zij zich aan ons voordoen en zoals ze op foto's en kaarten kunnen worden afgebeeld.
    Voor de verschillende landschapselementen kan men zich beperken tot die elementen die op de structuurkaarten van de zes landschapstypen in de Grote Bosatlas genoemd worden op de kaartbladen 14 t/m18 (51e druk) of 18 t/m 22 (52e druk , Wolters Noordhoff, Groningen, 2001/02).


Geografische werkwijze
Relateren van landschappelijke diversiteit aan sociale en fysische factoren.

  1. de verandering in menselijke activiteiten ten opzichte van het natuurlijke milieu beschrijven;

  1. het gaat hier om beleidsmaatregelen en wel om de oude aanpak (ruilverkaveling) ten opzichte van de nieuwe aanpak (landinrichting).



Geografische werkwijze
Vergelijken van menselijke activiteiten ten opzichte van het milieu, vroeger en nu.

  1. de gevolgen van de huidige ruimtelijke inrichting op de landschappelijke diversiteit beschrijven;

    1. het gaat zowel om activiteiten die de diversiteit verkleinen, bijvoorbeeld schaalvergroting, als om activiteiten die de diversiteit vergroten, bijvoorbeeld het herstellen van een natuurlijker afwatering, ontpoldering of natuurontwikkeling.



Geografische werkwijze
Relateren van de ruimtelijke inrichting aan de landschappelijke diversiteit.

  1. een ethische afweging maken met betrekking tot de manier waarop de mens omgaat met het milieu bij de ruimtelijke inrichting van een gebied.
    Hij betrekt daarbij

x 1 kwartairgeologische en historisch-geografische processen;

x 2 de eilandtheorie en het ontstaan van grensmilieus;

x 3 ecologische criteria zoals diversiteit en complexiteit;

x 4 de functies van het natuurlijke milieu, te weten: productiefunctie, draagfunctie, informatiefunctie en regulatiefunctie.



  1. bij een ethische afweging gaat het om een waardenoordeel voorzien van een argumentatie (zie ook de toelichting bij domein A, eindterm 4D).

    x 2 hij betrekt daarbij de ecologische hoofdstructuur van Nederland met begrippen als kerngebieden en corridors, zoals gebaseerd op de eilandtheorie;


    x 3 met diversiteit wordt biodiversiteit bedoeld.


Geografische werkwijze
Confronteren van dimensies bij het beoordelen van de manier waarop de mens omgaat met het milieu.




Subdomein: Werking en gebruik van het natuurlijk milieu
De kandidaat kan

16 de aard en omvang van de milieugebruiksruimte relateren aan de eigenschappen van het natuurlijke milieu en de voorwaarden voor duurzame ontwikkeling.

A. de structuur en de werking van ecosystemen op verschillende schaalniveaus beschrijven (lokaal, regionaal, fluviaal, continentaal en mondiaal).



Subdomein: Werking en gebruik van het natuurlijk milieu
A.

Geografische werkwijze
Veranderen van ruimtelijke schaal om de werking en de structuur van ecosystemen te beschrijven.

B. invloeden van menselijke activiteiten op die verschillende schaalniveaus beschrijven (verontreiniging, aantasting, uitputting).



B. de bedoelde schaalniveaus zijn bij 16 A genoemd.

Geografische werkwijze
Relateren van menselijke activiteiten aan verontreiniging, aantasting en uitputting op verschillende ruimtelijke schaal

C. verstoringen van het ecologische evenwicht binnen een ecotoop analyseren en voorspellen;

C. het kan beperkt blijven tot ecotopen in Nederland: het gaat om verdroging, vermesting en verzuring in ecotopen als bossen, heide en hoogvenen, vennen, laagveenmoerassen, rivieren, beekdalen en duinen.
Geografische werkwijze
Relateren van elementen binnen een ecotoop.

D. voor de inwoners van Nederland en van een ontwikkelingsland vaststellen wat de omvang is van de verschillende hulpbronnen, die de milieugebruiksruimte vormen.

Hij betrekt daarbij

x 1 interne en externe hulpbronnen met een voorraadkarakter;

x 2 hulpbronnen met een stroomkarakter.



D. een manier om de milieugebruiksruimte per persoon of per land uit te drukken is de ecologische voetafdruk. Het maakt vergelijken makkelijker. Er zijn programma's waarmee leerlingen snel hun voetafdruk kunnen bepalen alsook gegevens uit binnen- en buitenland om de uitkomsten mee te vergelijken. x1 met intern wordt binnenland bedoeld en met extern buitenland;

x2 bedoeld worden: zon, water en wind.



Geografische werkwijze
Vergelijken van verschillende typen hulpbronnen.



E. voorwaarden inventariseren die nodig zijn voor de instandhouding of vergroting van de hulpbronnen bodem en zoet water.

Hij betrekt daarbij

y 1 relevante ontwikkelingen in de samen­leving, zoals bevolkingsontwikkeling, ontwikkeling van de welvaart (productie en consumptie), technologische ontwik­kelingen, en de belasting van het natuurlijke milieu.



E.
Geografische werkwijze
Relateren van ontwikkelingen in de samenleving aan veranderingen in de omvang van de hulpbronnen.





Subdomein: Veranderingen in het natuurlijk milieu op lange termijn
De kandidaat kan

17 veranderingen in het natuurlijke milieu door menselijke activiteiten relateren aan natuurlijke veranderingen op lange termijn.



  1. klimaatveranderingen op verschillende tijdschalen van elkaar onderscheiden;



Subdomein: Veranderingen in het natuurlijk milieu op lange termijn
17 Dit subdomein wordt in 2004 en 2005 niet getoetst in het centraal examen.
Over een uitsluiting in 2006 is nog geen besluit genomen
(zie: Uitleg, Gele Katern nr. 9, afl. 5, 10 april 2002)

  1. de hoofdoorzaken van de klimaatveranderingen beschrijven;






  1. de menselijke activiteiten die van invloed zijn op de energiebalans en de algemene luchtcirculatie beschrijven;






  1. de huidige klimaatveranderingen relateren aan menselijke invloeden en natuurlijke veranderingen op lange termijn.
    Hij betrekt daarbij
    x 1 de geologische- en historische tijdschaal.

D. het gaat vooral om het verschuiven van klimaatzones.



Vwo domein B: Politiek en ruimte
Centraal examen 2007 en 2008; in 2004 maakt dit Domein ook deel van het c.e. uit.


Explicitering

De Explicitering is niet van toepassing op het c.e. van 2004.:

Subdomein: Regionaal bewustzijn en politiek-ruimtelijke organisatie
De kandidaat kan

9 territoriale conflicten in niet-westerse gebieden analyseren en daarbij een relatie leggen met het spanningsveld tussen het regionale bewustzijn van de betrokkenen en de politiek-ruimtelijke organisatie van de betreffende gebieden.



  1. aangeven hoe regionaal bewustzijn ontstaat en in stand wordt gehouden.

Hij betrekt daarbij

x 1 de begrippen identiteit, exclusiviteit en afgrensbaarheid;

x 2 sociaal-culturele, politieke en economische factoren.


Subdomein: Regionaal bewustzijn en politiek-ruimtelijke organisatie



x 1 daarnaast betrekt hij ook de begrippen: volk, natie, staat, eenheidsstaat en federale staat;

x 2 onder sociaal-culturele factoren verstaan we hier: taal, religie en etniciteit.
Geografische werkwijze
Confronteren van dimensies om zicht te krijgen op het ontstaan van regionaal bewustzijn.



  1. de politiek-ruimtelijke organisatie van de desbetreffende gebieden in kaart brengen;

    1. in kaart brengen moet voor het centraal examen figuurlijk worden opgevat: kaartproductie wordt hier niet getoetst.



Geografische werkwijze

Wisselen van analyseniveau om te zien dat het betreffende gebied bestaat uit deelgebieden en deel uitmaakt van een groter bestuurlijk gebied.




  1. aangeven in hoeverre de politiek-ruimtelijke organisatie van de desbetreffende gebieden aansluit bij het regionale bewustzijn.

Hij betrekt daarbij:

y 1 ligging en situatie (ruimtelijke kenmerken);

y 2 relaties binnen het gebied en met andere gebieden (relationele kenmerken);

y 3 etniciteit, taal, religie, welvaart en politiek systeem (bevolkingskenmerken);

y 4 bevolkingsdichtheid, bevolkingsspreiding en bestaansbronnen (gebiedskenmerken).




y 1 voor ligging en situatie kan ook 'site' en 'situation' worden gelezen.




Geografische werkwijze
Vergelijken van bestuurlijke en mentale regio’s.

  1. aangeven in hoeverre territoriale conflicten voortvloeien uit het niet samenvallen van politiek-ruimtelijke organisatie en regionaal bewustzijn.

Het betreft:

  1. vormen van regionalisme, irredentisme en separatisme.

D.



  1. voorbeelden van bedoelde territoriale conflicten zijn:

    • Nigeria als een vorm van regionalisme;

    • Kashmir als een vorm van irredentisme; Koerdisch gebied in Irak als een vorm van sepratisme



Geografische werkwijze

Relateren van territoriale conflicten aan verschillen tussen bestuurlijke en mentale regio’s.








Subdomein: Ruimtelijk gedrag en politiek-ruimtelijke organisatie

De kandidaat kan

10 de consequenties van ruimtelijk gedrag van de bewoners van een gebied in Nederland voor de politiek-ruimtelijke organisatie van dat gebied uitleggen en daaromtrent een eigen standpunt verwoorden.


  1. het ruimtelijke gedrag van mensen in het desbetreffende gebied in kaart brengen (richting, afstand, frequentie, wijze, duur, kosten).

Hij betrekt daarbij verplaatsingen als gevolg van

x 1 werken;

x 2 winkelen;

x 3 recreëren;

x 4 gebruik maken van voorzieningen.


Subdomein: Ruimtelijk gedrag en politiek-ruimtelijke organisatie
(dit subdomein is in 2004 uitgesloten van het centraal examen; voor 2007 en 2008 is nog geen besluit over een uitsluiting genomen; vermoedelijk wordt dan een ander subdomein uitgesloten))


  1. het in kaart brengen van het ruimtelijke gedrag van mensen in het desbetreffende gebied moet voor het centraal examen figuurlijk worden opgevat: kaartproductie wordt hier niet getoetst.

x 4 ten aanzien van voorzieningen kan men zich beperken tot voorzieningen op het terrein van het onderwijs en de gezondheidszorg.


Geografische werkwijze

Wisselen van analyseniveau om te zien dat het betreffende gebied bestaat uit deelgebieden en deel uitmaakt van een grotere functionele regio.





  1. de politiek-ruimtelijke organisatie van het desbetreffende gebied in kaart brengen.

  1. het in kaart brengen van de politiek-ruimtelijke organisatie van het desbetreffende gebied moet in het kader van het centraal examen figuurlijk worden opgevat: kaartproductie wordt hier niet getoetst.


Geografische werkwijze

Wisselen van analyseniveau om te zien dat het betreffende gebied bestaat uit deelgebieden en deel uitmaakt van een groter bestuurlijk gebied.





  1. aangeven in hoeverre het ruimtelijke gedrag van de bewoners van het desbetreffende gebied aansluit bij de politiek-ruimtelijke organisatie van dat gebied.

C.





Geografische werkwijze

Vergelijken van functionele en bestuurlijke regio's.





  1. op grond van de eventuele discrepantie tussen ruimtelijk gedrag van de bewoners en politiek-ruimtelijke organisatie van het desbetreffende gebied een beargumenteerd voorstel formuleren over bestuurlijke (her)indeling van dat gebied.

Hij betrekt daarbij
y 1 regionaal bewustzijn (identiteit, exclusiviteit en afgrensbaarheid);
y 2 functionaliteit;

y 3 fysiek-ruimtelijke structuur.



D.

y 2 het gaat om functionaliteit met betrekking tot het ruimtelijke gedrag van de inwoners met als mogelijk gevolg een bestuurlijke herindeling van het gebied;

y 3 bij de fysiek-ruimtelijke structuur gaat het met name om alle inrichtingselementen en fysisch-geografische factoren die als grens gaan fungeren en compartimentering tot gevolg hebben.

Geografische werkwijze

Relateren van politiek ruimtelijke organisatie aan bewustzijn, ruimtelijk gedrag en fysieke structuur.








Subdomein: Economie en politiek-ruimtelijke organisatie
De kandidaat kan

11 de economische gevolgen van de samenwerking in de Europese Unie analyseren en interpreteren.



  1. de economische vervlechting van Nederland binnen de Europese Unie beschrijven aan de hand van de economische betrekkingen op het gebied van:

    1. landbouw;

    2. industrie;

    3. diensten.

Hij betrekt daarbij

x 1 de richting van de goederenstromen;

x 2 de mate van regionale specialisatie.


Subdomein: Economie en politiek-ruimtelijke organisatie


x 2 de mate van regionale specialisatie dient te worden bezien op de ruimtelijke schaal van Europa.


Geografische werkwijze

Relateren van economische activiteiten in Nederland aan economische activiteiten in de rest van de Europese Unie.




  1. aangeven op welke gronden de Europese Unie komt tot economische samenwerking (intern) dan wel handelsbelemmeringen (extern).

Hij betrekt daarbij

y 1 economische, politieke en sociaal-culturele overwegingen;

y 2 de begrippen protectionisme, exclusieve economische zones en regionale specialisatie.





Geografische werkwijzen

Wisselen van analyseniveau om te zien dat de Europese Unie bestaat uit afzonderlijke landen en deel uitmaakt van de mondiale economie.

Confronteren van dimensies om het belemmeren dan wel bevorderen van de Europese handel te beoordelen.



  1. de gevolgen van de samenwerking in de Europese Unie aangeven voor de:
    z 1 economische ontwikkeling van deelgebieden binnen de Unie;
    z 2 relaties tussen de Europese Unie en Oost-Europa;
    z 3 relaties met gebieden buiten Europa, met name ontwikkelingslanden, Japan en de NAFTA.

C.
Geografische werkwijze

Relateren van de ontwikkeling van de Europese handel aan ontwikkelingen in en buiten Europa.






1   2   3   4


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina