Havo en Vwo domein A: Vaardigheden en werkwijzen



Dovnload 307.84 Kb.
Pagina4/4
Datum18.08.2016
Grootte307.84 Kb.
1   2   3   4


Vwo domein D: Migratie en mobiliteit

Centraal examen 2005 en 2006

Explicitering:



Subdomein: Migratie, mobiliteit en ruimtelijke inrichting
De kandidaat kan

15 actuele migratie- en mobiliteitsstromen analyseren en interpreteren.



  1. verschillende typen migratiestromen onderscheiden.

Het betreft:



    1. arbeidsmigratie;

    2. vluchtelingenstromen;



    3. volgmigratie zoals gezinsvorming en -hereniging;

    4. urbanisatie en suburbanisatie.



Subdomein: Migratie, mobiliteit en ruimtelijke inrichting

15.



  1. bij analyse en interpretatie van migratiestromen spelen naast motieven ook eigenschappen van migranten een rol (selectiviteit naar opleiding, leeftijd, sekse en inkomen).




  1. onder arbeidsmigratie dient ook seizoens - en cirkelmigratie te worden verstaan

  2. bij vluchtelingenstromen dient onderscheid gemaakt te worden tussen politieke en economische motieven



  1. bij urbanisatie en suburbanisatie dienen de begrippen urbanisatiegraad en urbanisatietempo te worden betrokken


Geografische werkwijze

Veranderen van ruimtelijke schaal bij het onderscheiden van migratiestromen.




  1. de volgende migratiestromen verklaren:

  1. mondiale Zuid-Noord-migratie;




  1. de buitenlandse migratie van en naar Nederland;



  1. binnenlandse migratie in Nederland;

  2. migratiebewegingen binnen ontwikkelingslanden.






      1. het gaat om de mondiale Zuid-Noord-migratie vanaf 1960, met de nadruk op de laatste 10 jaren;

      2. bij de buitenlandse migratie van en naar Nederland gaat het om de periode na 1960 en het betreft arbeidsmigranten, asielzoekers, retourmigranten, gezinsvorming en -hereniging;

      3. bij de binnenlandse migratiestromen in Nederland gaat het om de periode na 1970.


Geografische werkwijze

Relateren van de oorzaak van de migratie aan de richting en het type migratiestroom.

Wisselen van analyseniveau om migratie te zien als afzonderlijke (getrapte) stromen en als deel van een grote stroom.


  1. de volgende mobiliteitsstromen verklaren:

  1. internationaal toerisme;

  2. woon-werkverkeer.

Hij betrekt daarbij

x 1 ontwikkelingen in vertrek- en vestigingsgebieden;
x 2 de interactietheorie van Ullman;

x 3 het push/pull-model.






  1. het internationaal toerisme kan beperkt blijven tot toerisme vanuit en naar Nederland;

  2. het woon-werkverkeer kan beperkt blijven tot het woon-werkverkeer in Nederland.

x 1 bij ontwikkelingen in vertrek- en vestigingsgebied dient onderscheid gemaakt te worden in ontwikkelingen van ecologische, economische, politieke en sociaal-culturele aard;

x 2 bij de interactietheorie van Ullman dienen de begrippen complementariteit, transporteerbaarheid en tussenliggende mogelijkheden te worden gehanteerd.
Geografische werkwijzen

Relateren en vergelijken van gebieden waartussen migratie- en mobiliteitsstromen plaats vinden.

Confronteren van dimensies om ontwikkelingen in gebieden te interpreteren.





Subdomein: Migratievraagstukken
De kandidaat kan

16 actuele migratievraagstukken analyseren en beoordelen.



    1. de spreiding van migranten in Europa beschrijven en verklaren.

Subdomein: Migratievraagstukken

16
A. het betreft de huidige spreiding van migranten die zich na 1960 in West-Europa hebben gevestigd. Daarbij wordt ingegaan op: de spreiding over de landen, de spreiding binnen de landen, de spreiding binnen steden (o.a. sociale en ruimtelijke segregatie) van alle migranten en het aantal, de herkomst en de bestemming van asielzoekers.

Hij betrekt daarbij

x 1 ontwikkelingen in vertrek- en vestigingsgebieden;

x 2 compartimentering en décompartimentering van de Europese ruimte;

x 3 naast de invloed van het gevoerde politiek en economisch beleid dient ook de invloed van het koloniale verleden erbij te worden betrokken.


Geografische werkwijze

Veranderen van ruimtelijke schaal om de spreiding van migranten te beschrijven.





  1. het Nederlandse toelatings- en spreidingsbeleid met dat van een ander West-Europees land vergelijken en ten aanzien van het gevoerde beleid een beargumenteerd eigen standpunt verwoorden.

Hij betrekt daarbij

x 1 ontwikkelingen in vertrek- en vestigingsgebieden;

x 2 compartimentering en décompartimentering van de Europese ruimte

x 3 de invloed van politieke en economische factoren op migratiestromen


    1. op het c.e. wordt alleen naar het toelatings- en spreidingsbeleid in Nederland en de standpunten daarover gevraagd.
      Bij het spreidingsbeleid gaat het vooral om de vraag of en onder welke voorwaarden spreiding van specifieke groepen migranten gewenst/toelaatbaar is.

x 1, x 2 en x 3 vervallen hier.




  1. de invloed aangeven van migratie op de toekomstige bevolkingssamenstelling in vertrek- en vestigingsgebieden.

Hij betrekt hierbij de toekomstige samenstelling naar
y 1 leeftijd;
y 2 inkomen;
y 3 sekse.

C. het gaat om de invloed van buitenlandse migratie op de toekomstige samenstelling van de bevolking in vestigingsgebieden in Nederland.
y naast de factoren leeftijd, inkomen en sekse wordt ook de samenstelling naar etniciteit betrokken.


  1. de betekenis aangeven van migratiestromen tussen rurale vertrekgebieden en stedelijke vestigingsgebieden binnen een ontwikkelingsland.

Hij betrekt daarbij:

z 1 oorzaken, omvang en richting van migratiestromen;

z 2 ruimtelijke gevolgen voor vertrek- en vestigingsgebieden;

z 3 het gevoerde overheidsbeleid.




  1. bij migratiestromen tussen rurale vertrekgebieden en urbane vestigingsgebieden binnen een ontwikkelingsland kan men zich beperken tot Marokko en Turkije.

z 2 bij vertrekgebieden gaat het om rurale gebieden en bij vestigingsgebieden om stedelijke gebieden;

z 3 bij het gevoerde overheidsbeleid gaat het alleen om het overheidsbeleid ten aanzien van migratiestromen.
Geografische werkwijzen

Relateren van oorzaken van migratie aan richting van de migratiestroom.

Relateren en vergelijken van gebieden waartussen migratiestromen plaats vinden.





Subdomein: Mobiliteitsvraagstukken
De kandidaat kan

17 actuele mobiliteitsvraagstukken in Nederland op nationaal en regionaal schaalniveau analyseren en beoordelen.



  1. de oorzaken van de toenemende mobiliteit noemen;




Subdomein: Mobiliteitsvraagstukken

17


  1. bij oorzaken komt ook het in het verleden gevoerde groeikernenbeleid aan de orde.


Geografische werkwijze

Veranderen van ruimtelijke schaal bij het analyseren en beoordelen van actuele mobiliteitsvraagstukken.



  1. de invloed van de toenemende mobiliteit op de inrichting van stedelijke en landelijke woongebieden in Nederland uitleggen en daaromtrent een beargumenteerd eigen standpunt verwoorden.

Hij betrekt daarbij

x 1 de ruimtelijke kwaliteit van het leefmilieu (gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde).




x 1 de ruimtelijke kwaliteit van het leefmilieu wordt beoordeeld met behulp van de begrippen:

    • gebruikswaarde: functionele geschiktheid, doelmatig gebruik, doelmatige aanleg, doelmatig beheer, bereikbaarheid, interferentie (o.a. meervoudig ruimtegebruik);

    • belevingswaarde: identiteit, diversiteit, herkenbaarheid en zingeving;

    • toekomstwaarde: doelmatigheid in tijd, uitbreidbaarheid, aanpasbaarheid en duurzame structuur.

Geografische werkwijze

Relateren van mobiliteit aan welvaart en aan de ruimtelijke inrichting.





  1. beleidsdilemma's en keuzes van de overheid met betrekking tot het woon-werkverkeer beschrijven aan de hand van een voorbeeld.

Hij betrekt daarbij:

y 1 de strijd om schaarse ruimte door concurrerende vormen van ruimtegebruik;

y 2 de effecten op de ingerichte ruimte;

y 3 de ruimtelijke kwaliteit van het leefmilieu (gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde).


  1. het gaat hier om huidige beleidsdilemma’s.

y 3 zie toelichting bij B x 1
Verder betrekt hij daarbij

y 4 het locatiebeleid van de overheid ten aanzien van wonen en werken en gebruikt daarbij de begrippen: ABC-beleid, Vinex-locaties, compacte stad;

y 5 maatregelen ter beperking van forensisme.
Geografische werkwijze

Wisselen van analyseniveau om gebieden te zien als verdeeld in woon- en werk- en recreatiegebieden en als onderdeel van een groter arbeidsmarktgebied.






Vwo domein E: Vervoer en Ruimtelijke inrichting

Centraal examen 2005 e.v.

Explicitering:



Subdomein: Vervoer en ruimtelijke inrichting
De kandidaat kan

18 vervoersstromen in relatie met de ruimtelijke inrichting analyseren en interpreteren op diverse schaalniveaus.
aard, omvang en richting van vervoersstromen verklaren.
Hij betrekt daarbij
x 1 ontwikkelingen in herkomst- en bestemmingsgebieden;

x 2 de interactietheorie van Ullman;


x 3 de wijze waarop de goederen worden vervoerd.


Subdomein: Vervoer en ruimtelijke inrichting

18.




  1. onder vervoersstromen verstaan we hier goederenstromen.

x 1 het gaat om ontwikkelingen in herkomst- en bestemmingsgebieden die hun oorzaak vinden in verschijnselen op het gebied van economie, politiek, cultuur en ecologie;

x 2 bij de interactietheorie van Ullman dienen de begrippen complementariteit transporteerbaarheid en tussenliggende mogelijkheden te worden gehanteerd;

x 3 het gaat om de vervoerswijze: per auto, trein, schip, vliegtuig en (pijp)leiding.


Geografische werkwijzen

Confronteren van dimensies.


Veranderen van ruimtelijke schaal.


  1. de invloed van vervoersstromen op de ingerichte ruimte aangeven en daaromtrent een beargumenteerd eigen standpunt verwoorden.
    Hij betrekt daarbij
    y 1 de ruimtelijke kwaliteit van het leefmilieu (gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde.




  1. het gaat hier met name om conflicterend ruimtegebruik in Nederland. Onder vervoersstromen verstaan we hier zowel personen- als goederenstromen.

y 1 de ruimtelijke kwaliteit van het leefmilieu wordt beoordeeld met behulp van de begrippen:



  • gebruikswaarde: functionele geschiktheid, doelmatig gebruik, doelmatige aanleg, doelmatig beheer, bereikbaarheid, interferentie (o.a. meervoudig ruimtegebruik);

  • belevingswaarde: identiteit, diversiteit, herkenbaarheid en zingeving

  • toekomstwaarde: doelmatigheid in tijd, uitbreidbaarheid, aanpasbaarheid en duurzame structuur.

Geografische werkwijze

Relateren van vervoersstromen aan ruimtegebruik.





  1. uitgaande van het Nederlandse schaalniveau, verklaren hoe vervoersstromen veranderen.

Hij betrekt daarbij:

z 1 de interactietheorie van Ullman;

z 2 technische ontwikkelingen in het vervoer zoals informatietechnologie;

z 3 bedrijfsmatige ontwikkelingen zoals logistiek management

en vestigingsplaatseisen;

z 4 economische ontwikkelingen zoals de welvaartsgroei;

z 5 het nationale overheidsbeleid ten aanzien van vervoer.


  1. het gaat om de verandering van goederenstromen naar aard, omvang, richting en modaliteit.

z.1 bij de interactietheorie van Ullman dienen de begrippen complementariteit transporteerbaarheid en tussenliggende mogelijkheden te worden gehanteerd;

z 2 naast de genoemde technische ontwikkelingen: containerisatie;

z 3 naast de genoemde bedrijfsmatige ontwikkelingen: het ontstaan van multimodale transportcentra.



Geografische werkwijze

Relateren van veranderingen in goederenstromen aan de aard, omvang, richting en modaliteit van die stromen.



  1. overeenkomsten en verschillen aangeven tussen een Nederlandse mainport en een internationale mainport in het buitenland.

  1. het betreft een vergelijking tussen de haven van Rotterdam en een internationale haven en een vergelijking tussen de luchthaven Schiphol en een concurrerende West-Europese luchthaven. De vergelijking heeft betrekking op:

  • bereikbaarheid (bij haven bijv. dokhaven of open haven);

  • herkomst en bestemming van goederen;

  • omvang en samenstelling van goederenstromen (bij een haven: bulkhaven of stukgoed- /containerhaven);

  • vervoersmodaliteiten (zie 18A x3);

  • bereik (omvang achterland);

  • functie in transportnetwerk (bij een haven: eindhaven of transithaven; bij een luchthaven: hub en spoke);

  • regionale effecten van de mainport op het gebied van milieu, infrastructuur en werkgelegenheid.


Geografische werkwijze

Vergelijken van een Nederlandse mainport met een buitenlandse internationale mainport.





  1. uitleggen welke invloed de vervoersinfrastructuur heeft op de locatiekeuze van bedrijven in Noord-West Europa.

Hij betrekt hierbij:

o1 transportknooppunten en –corridors;

o2 de locatiefactor bereikbaarheid.









Subdomein: Vervoer en ruimtelijke veranderingen
De kandidaat kan

19 verband tussen veranderingen in de politiek- en economisch-geografische geleding en vervoersstromen verklaren en voorspellen.



  1. de gevolgen van décompartimentering en schaalvergroting op Europees en mondiaal niveau voor internationale mainports aangeven.

Subdomein: Vervoer en ruimtelijke veranderingen

19 de veranderingen worden beperkt tot het verklaren van de goederenstromen.




  1. het gaat hierbij om het verklaren van de gevolgen voor de Europese mainports van:

  • de Europese integratie;

  • de uitbreiding van de EU;

  • de schaalvergroting op Europese en mondiale schaal.


Geografische werkwijze

Wisselen van analyseniveau: Europese landen zien als onderdeel van een groot Europa (decompartimentering) en Europa zien als opgesplitst in deelgebieden (compartimentering).





  1. de invloed van décompartimentering en compartimentering van Europa op Europese en mondiale vervoersstromen aangeven.

  1. het gaat hierbij om het verklaren van de gevolgen voor Europese en mondiale goederenstromen van:

  • de Europese integratie;

  • de uitbreiding van de EU.


Geografische werkwijze

Wisselen van analyseniveau: Europese landen zien als onderdeel van een groot Europa (decompartimentering) en Europa zien als opgesplitst in deelgebieden (compartimentering).





  1. aangeven welke invloed de ‘global shift’ kan hebben op veranderingen in vervoersstromen.









Subdomein: Vervoer en concurrentie om de ruimte
De kandidaat kan

20 de invloed van veranderende vervoersstromen en infrastructuur op economie, milieu en de ingerichte ruimte beschrijven en beoordelen.



  1. de positie van de Nederlandse internationale mainports in een groter Europees ruimtelijk verband in kaart brengen.





Subdomein: Vervoer en concurrentie om de ruimte

20 het gaat hier zowel om goederen- als om personenvervoer.




  1. in kaart brengen moet in het kader van het centraal examen figuurlijk woorden opgevat:
    er wordt geen kaartproductie getoetst.



Geografische werkwijze
Wisselen van analyseniveau: Nederlandse mainport zien als onderdeel van het Europese netwerk.



  1. uitgaande van de keuze van de Nederlandse overheid voor de uitbouw van de distributiefunctie van Nederland, inventariseren welke ruimtelijke aanpassingen nodig zijn om de positie van Nederland als distributieland te behouden en te versterken.

Hij betrekt daarbij

x 1 de relevante ruimtelijke plannen van de Nederlandse overheid.



Hij betrekt hierbij

x 1 de ruimtelijke plannen van de Nederlandse overheid voor wat betreft:


  • het ruimtegebruik in mainports: Tweede Maasvlakte en uitbreiding Schiphol;

  • de verbindingen: de Betuwelijn, hogesnelheidslijnen, aansluiting op Europese wegennet.



Geografische werkwijze

Relateren van distributiefunctie aan eisen m.b.t. ruimtelijke inrichting.





  1. beleidsdilemma's die samenhangen met de toenemende transportbehoefte en de gevolgen voor de ruimtelijke kwaliteit van het leefmilieu in Nederland toelichten en ten aanzien van een voorbeeld van zo'n beleidsdilemma een beargumenteerd eigen standpunt verwoorden. Hij betrekt hierbij:

y 1 economische en milieukundige aspecten;

y 2 effecten op korte en lange termijn;

y 3 de rol van de betrokken pressie- en belangengroepen;

y 4 de ruimtelijke kwaliteit van het leefmilieu (gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde).









Geografische werkwijze

Dimensies confronteren als het gaat om beleidsdilemma’s inzake ruimtelijke inrichting.








Subdomein: Vervoer en ontwikkeling
De kandidaat kan

21 het verband tussen vervoersinfrastructuur en regionale ontwikkeling in een ontwikkelingsland analyseren en beoordelen.



  1. de ontwikkeling van het vervoerssysteem in het desbetreffende gebied beschrijven en verklaren.

Hij betrekt daarbij

x 1 de invloed van de koloniale periode.



Subdomein: Vervoer en ontwikkeling

21 deze eindterm dient te worden toegepast op een Afrikaans land of Afrikaanse regio.





Hij betrekt hierbij verder



  • site en situation (ruimtelijke kenmerken);

  • relaties binnen het gebied en met andere gebieden (relationele kenmerken);

  • welvaart en politiek systeem (bevolkingskenmerken);

  • bevolkingsdichtheid, bevolkingsspreiding en bestaansbronnen (gebiedskenmerken).



Geografische werkwijze
Relateren van de ontwikkeling van de vervoersinfrastructuur aan de geschiedenis van het gebied.



  1. de invloed van het vervoerssysteem op de regionale ontwikkeling van het desbetreffende gebied aangeven.

  1. het gaat hier om het bij A bedoelde land of regio.


Geografische werkwijze

Relateren van de vervoersinfrastructuur aan de regionale ontwikkeling.





  1. met een voorbeeld aantonen hoe verbetering van het vervoerssysteem een bijdrage kan leveren aan de ontwikkeling van het desbetreffende gebied.

Hij betrekt daarbij

y 1 economische en sociale aspecten.







Geografische werkwijze

Relateren van de vervoersinfrastructuur aan de regionale ontwikkeling.








Vwo domein G: Actieve aarde

(centraal examen 2005 e.v.)

Explicitering:



Subdomein: Platentektoniek
De kandidaat kan

27 de veranderingen in de ruimtelijke structuur van het aardoppervlak beschrijven en verklaren.



  1. ontstaan en opbouw van continenten (en delen daarvan) en de daarbij behorende processen beschrijven en verklaren.

Hij betrekt daarbij

x 1 reliëfvormen;


x 2 vulkanisme;


x 3 aardbevingen.


Subdomein: Platentektoniek

27 het gaat hier om processen die samenhangen met de platen­tektoniek.




x 1 bij reliëfvormen gaat het met name om: plooiingsgebergten, breukgebergten (horsten en slenken), schilden, sedimentaire bekkens, mid-oceanische ruggen, diepzeetroggen en eilandbogen;

x 2 bij vulkanisme gaat het ook om soorten vulkanen: strato­vulkanen, schildvulkanen, spleeterupties en hot spots;

x 3 bij aardbevingen worden ook zeebevingen inbegrepen.


Geografische werkwijze
Relateren van geologische processen aan de geomorfologie. (vulkanisme, aardbevingen, reliëf.)


  1. maatregelen beschrijven gericht op het zo beperkt mogelijk houden van schadelijke gevolgen van aardbevingen en vulkanisme in bewoonde gebieden (hazard management);







  1. het klimaat uit vroegere geologische perioden afleiden uit de ligging van continenten en continentdelen in die perioden.

Hij betrekt daarbij

y 1 het principe van het actualisme;

y 2 de verschillende aspecten van de gesteentecyclus;

y 3 de geologische tijdsindeling.







y 3 het gaat in dit verband om de geologische tijdschaal vanaf het Carboon (alleen de relevante perioden en de tijdvakken van het Kwartair: Pleistoceen en Holoceen).
Geografische werkwijze
Relateren van hazard management aan de specifieke sociaal-geografische context van een gebied (welvaart, economie, beleid).


28 het voorkomen van ertsen en mineralen op bepaalde plaatsen op aarde verklaren.

  1. aan de hand van voorbeelden (afbeeldingen of handstukken) belangrijke gesteenten, ertsen en mineralen herkennen.




  1. het gaat om de volgende gesteenten, ertsen en mineralen:

    • stollingsgesteenten: graniet en basalt;

    • sedimentgesteenten: kalksteen, zandsteen, schalie en steenkool;/

    • metamorfe gesteenten: marmer en leisteen;

    • ertsen van ijzer, koper, nikkel en aluminium;

    • mineralen: gips, steenzout en kwarts (bijvoorbeeld bergkristal).



Geografische werkwijze
Relateren van kenmerken van gesteenten aan de ontstaanswijze ervan.



  1. het ontstaan van ertsen en mineralen verklaren.

het gaat hier om delfstoffen. Naast de in 28A genoemde ertsen kan het beperkt blijven tot zout en de fossiele energiedragers olie, gas en steenkool in Nederland. Bij het ontstaan daarvan moet een relatie worden gelegd tussen de plaats waar ze zijn ontstaan en (voor zover relevant) het verschuiven van ‘Nederland’ door verschillende klimaatzones vanaf het Carboon. Onder Nederland wordt ook het Nederlandse deel van het continentaal plat begrepen.

Geografische werkwijze
Relateren van geologische processen aan het ontstaan van ertsen en mineralen.

C. het voorkomen en benutten van ertsen en mineralen relateren aan de omvang van het gebruik en de beschikbaarheid van de voorraden (resource management).
Hij betrekt daarbij

z 1 het onderscheid tussen geologisch aangetoonde voorraden, technologisch winbare voorraden en economisch winbare voorraden;

z 2 de gebondenheid aan bepaalde geologische structuren.


  1. ook hier speciale aandacht voor energiedragers en de situatie in Nederland in mondiaal perspectief.


Geografische werkwijze
Relateren van resource management aan fysisch- en sociaal- geografische omstandigheden van een gebied.






Subdomein: Klimaat en klimaatveranderingen
De kandidaat kan

29 het klimaat op wereldschaal en klimaatveranderingen op verschillende schaalniveaus beschrijven en verklaren.



  1. de processen die verantwoordelijk zijn voor het bestaande klimaat op aarde beschrijven.




Subdomein: Klimaat en klimaatveranderingen

A. hierbij betrekt hij de ligging van de belangrijkste klimaatzones op aarde en de begrippen: stralingsbalans, hoge- en lage-drukgebieden en luchtcirculatie; (het gaat hier om voldoende kennis van klimaat­systemen om de invloed van klimaatveranderingen in de vorm van het verschuiven van de klimaatzones (zie 29 B) te kunnen aangeven.



    1. verschillende opvattingen over de factoren die op een bepaalde schaal en een bepaalde tijdsorde sturend zijn voor klimaatveranderingen aangeven.

  1. het kunnen noemen van verschillende opvattingen over klimaatveranderingen volstaat;
    hierbij betrekt hij de bij 29C onder x1 en x2 genoemde factoren.



  1. klimaatveranderingen signaleren door het gebruik van verschillende (gesimuleerde) onderzoekstechnieken.

Hij betrekt daarbij

x 1 veranderingen in de energiebalans en de algemene luchtcirculatie;

x 2 veranderingen in de relatie aarde-zon, de koolstofbalans, de ligging van de continen­ten, de zeestromen en menselijke activiteiten;

x 3 (gesimuleerde) onderzoekstechnieken, bijvoorbeeld uit de paleogeologie, paleo­klimatologie (O16/O18), geomorfologie, palynologie, dendrochronologie en geschiedenis.




  1. het volstaat wanneer de kandidaat van de verschillende technieken kan aangeven wat ermee kan worden gesignaleerd en op welke tijdschaal het speelt (zie het schema in de bijlage).



x 2 bij menselijke activiteiten gaat het om die activiteiten die bijdragen aan het versterkt broeikaseffect en de aantasting van de ozonlaag;

x 3 paleogeologie vervalt: in plaats daarvan dient de C14-methode (geochronologie) te worden gehanteerd. Het actualiteits­principe (zie 27C y1) is ook hier van toepassing.


(Voor een overzicht zie het schema in de bijlage.)






Subdomein: Ontwikkeling van het leven
De kandidaat kan

30 de ontwikkeling van het leven op hoofdlijnen mede verklaren vanuit de verplaatsing van continenten of continentdelen en klimaatveranderingen.



  1. aan de hand van voorbeelden (afbeeldingen of handstukken) belangrijke gidsfossielen herkennen.




Subdomein: Ontwikkeling van het leven

30 Dit subdomein wordt niet getoetst in het centraal examen

Het subdomein is in 2005 uitgesloten. Voor 2006 en 2007 is nog geen beslissing over een uitsluiting genomen


  1. fossielen plaatsen op de tijdschaal van de ontwikkeling van het leven;







  1. de ontwikkeling van het leven op aarde beschrijven in relatie met de continentverplaatsing en bijbehorende klimaatveranderingen.

Hij betrekt daarbij

x 1 het ontstaan of verbreken van verbindingen tussen aardkorstdelen (contact of isolatie);

x 2 klimaatveranderingen;

x 3 de rol van inslaande meteorieten.






Bijlage bij de explicitering van eindterm 29 C


x 3 (gesimuleerde) onderzoekstechnieken, bijvoorbeeld uit de paleogeologie, paleoklimatologie (O16/O18), geomorfologie, palynologie, dendrochronologie en geschiedenis.
paleogeologie vervalt: in plaats daarvan dient de C14-methode (geochronologie) te worden gehanteerd. Het actualiteitsprincipe (zie 27C y1) is ook hier van toepassing.(Voor een overzicht zie het schema in de bijlage.)



Tak van wetenschap:

Object van onderzoek:

Methode van onderzoek:

Tijdsschaal:

paleoklimatologie


kalkskeletten en

ijskappen




O16/O18

(zuurstofisotopen)




geologisch

geomorfologie



landschapsvormen


reliëfanalyse en sedimentologie

geologisch

palynologie


stuifmeelkorrels


pollenanalyse


geologische



dendrochronologie



jaarringen van (fossiele) bomen

vaststellen breedte jaarringen

prehistorisch

geschiedenis



afbeeldingen en geschriften

analyseren van afbeel-dingen en geschriften

historisch

geochronologie


organisch materiaal

C14-methode

geologisch

Bijlage.2


Literatuurverwijzingen

Bij Domein A

Eindterm 1

De verschillende typen geografische vragen en benaderingen worden toegelicht in:

Berg, G. van den, H. Stiphout, L. Vankan. (red.): (1995) Handboek vakdidactiek aardrijkskunde (hoofdstuk 1) Amsterdam: Meulenhoff Educatief

Eindterm 2

Geografische werkwijzen zijn beschreven en toegelicht met voorbeelden uit geografische literatuur in een interne Unilo publicatie:

Vankan, L. (1997): Zelfstandig aardrijkskunde leren. Geografische werkwijzen in het aardrijkskundeonderwijs. Nijmegen: Unilo

Eindterm 4

Het argumentatiemodel van Toulmin wordt kort beschreven in het Handboek vakdidactiek:

Berg, G. van den, H. Stiphout, L. Vankan. (red.): (1995) Handboek vakdidactiek aardrijkskunde (p. 44) Amsterdam: Meulenhoff Educatief

Een uitvoerige toelichting met oefeningen is te vinden in:

Terpstra, M. (1994) Redeneren en redetwisten met beleid (hoofdstuk 2). Uitgeverij Damon

Eindterm 6

Alle aspecten van de hier vermelde eindtermen worden besproken in twee duidelijke artikelen van Johan Russchen.

Hij geeft van elke kaartsoort en kaarttype voorbeelden uit de Grote Bosatlas.

Russchen. J. (1999): Een kaart moet helder zijn. Geografie Educatief, Jrg. 8 nr. 2

Russchen, J. (1999): Kaartafbeeldingsmethoden en kaartsoorten. Geografie Educatief, Jrg. 8 nr. 2

Eindterm 7

De onderzoeksstappen zijn uitvoerig verantwoord en van voorbeelden voorzien in twee publicaties:

Donkers, H. e.a. (1999): Handreiking onderzoeksvaardigheden in de gammavakken Enschede: SLO

Krogt, M. van der & Sinkeldam, R. (1998): Handleiding praktische opdrachten, tweede fase havo/vwo. Arnhem: Cito

Bij havo domein B (ET 12) en vwo Domein D (ET 17) en Domein E (ET 18)

Ruimtelijke Verkenningen, Rijksplanologische Dienst, Den Haag 1996, p. 77


Bij havo domein D

Eindterm 16



'Het milieu van de natuur', Stichting Natuur en milieu, Utrecht 2000, p. 10.

www.voetenbank.nl

1   2   3   4


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina