Help, een ramp! Hoe schrijf ik een verhaal? 1 Toelichting



Dovnload 78.27 Kb.
Datum22.07.2016
Grootte78.27 Kb.




Help, een ramp!
Hoe schrijf ik een verhaal?



1 Toelichting
Om een verhaal te schrijven, heb je ideeën nodig. Je verzint personages die ergens iets meemaken dat een lezer kan boeien. Dat gedachtegoed moet je nog in een goede volgorde zien te gieten. Bovendien moet je ook nog precies kunnen formuleren wat je personages denken, voelen, doen. Een hele klus dus, die we je stap voor stap willen leren.

2 Doelen

2.1 Wat moet je kunnen
Je moet een verhaal kunnen bedenken.
Je moet je verhaal kunnen uitbouwen.

Je kunt samen met anderen een werkplan opstellen.


Je moet je gedachten precies kunnen verwoorden.
Je moet je tekst kunnen bijsturen op basis van de feedback van je medeleerling.

2.2 Wat moet je kennen
Je moet de w-vragen kennen om een verhaal aan op te hangen.
Je moet weten dat inleiding, midden en slot de basisstructuur van een verhaal vormen.

3 Tijdsduur
Je krijgt hier drie lesuren voor.
Ook thuis zul je nog moeten schrijven en bijsturen.

4 Leerstof



4.1 Bouwstenen van een verhaal
Om een verhaal op te bouwen, kun je met w-vragen (of topische vragen) werken.
Je zoekt een antwoord op

- WIE -> hoofd- en nevenpersonages

- WAT -> feiten, problemen, conflicten (soms in combinatie met waarom)

- WAAR -> plaats, ruimte


- WANNEER -> tijd (nu, vroeger, toekomst)

- HOE -> verloop, structuur, middelen



4.2 Structuur in een verhaal
Een goed verhaal bevat een inleiding, een midden en een slot.

In de inleiding krijg je de aankondiging van de personages, de plaats, de tijd of de sfeer.


In het middenstuk schrijft de auteur wat er achtereenvolgens gebeurt en hoe personages zich daarbij voelen.
In het slot krijg je de ontknoping van het verhaal; je leest hoe het afloopt.

Structuur duid je aan door alinea’s of door hoofdstukken in langere verhalen.



Opdracht Nederlands Schrijf een verhaal
Naam: Klas:

Tijdsduur opdracht:2 lesuren


Begindatum opdracht:
Einddatum opdracht:




Hulpmiddelen
Tekst over De slavenring van Simone Van der Vlugt.
Een spellingsgids en een verklarend woordenboek.
Pc om de studiewijzer te downloaden.


1 Opdracht en werkwijze



Stap 1 Eerst even plannen


Je kunt een verhaal leren schrijven door te kijken hoe ervaren schrijvers dit doen.
Samen met je buur zul je een studie van zo’n verhaal maken.
In principe moet je vier stappen uitvoeren. Je start met het verhaal te lezen. Via vragen kom je iets over de bouwstenen en de structuur te weten. Ten slotte staan jullie ook even stil bij de stijl van het verhaal.

Probeer nu eerst een realistische timing op te stellen om deze stappen in twee lesuren te maken.


Reserveer minstens 15 minuutjes om de aanzet van je eigen verhaal te bedenken.



Taken

Minuten

Jullie lezen elk een stuk van de tekst over De slavenring hardop.




Jullie zoeken de basisingrediënten van het verhaal.




Jullie zoeken de structuur van de tekst.




Jullie bestuderen hoe je gedachten precies formuleert (stijl).




Jullie beginnen aan het eigen verhaal te schrijven






Stap 2 Waarover zal ik schrijven

Lees even volgend stukje over De slavenring van Simone Van der Vlugt.

’De slavenring’ vertelt het verhaal van twee slaven in Pompeji, ten tijde van het Romeinse Rijk.
Folkrad is een Canefaat uit het Rijnland. Hij kon ontsnappen toen zijn dorp uitgemoord werd door de Romeinen. Hij worstelt nog steeds met een schuldgevoel, want hij voelt zich verantwoordelijk voor de dood van zijn stamleden.
En dan is er Chloë, een vondelinge die opgroeit in een welgesteld gezin. Wanneer de zaken minder goed gaan, wordt zij als slavin verkocht. Haar schoonheid wordt een vloek, want Marcus, de zoon des huizes, kan niet van haar afblijven en Chloë wordt zwanger.
Wanneer Chloë en Folkrad elkaar ontmoeten groeit de hoop op een beter leven. Maar het is 79 na Christus en de Vesuvius rommelt. Is dit de weg naar de vrijheid of de weg naar de dood?
Simone Van de Vlugt romantiseert het slavenbestaan allerminst. Mishandeling, machtspelletjes en verkrachting zijn schering en inslag. Wanneer een slaaf probeert te ontsnappen, wacht hem of haar een gruwelijke dood. Het boek boeit door de menselijke tragiek binnen een historisch kader.

Naar: Idee 6, Averbode 2004

Zoek nu per twee naar de antwoorden op deze vragen.

1 Wie is de hoofdfiguur in dit verhaal?
Kan het nog iemand anders zijn?
Waaruit besluit je dit?
2 Wie zou er nevenfiguur kunnen zijn?
Hoe leid je zoiets af?

3 Wat is de hoofdvraag in dit verhaal?


Wat wil je als lezer eigenlijk te weten komen?

4 Wanneer speelt het verhaal zich af?

5 Waar speelt het verhaal zich af?

6 Hoe loopt het verhaal af?

7 Op welke vraagwoorden moet je een antwoord kunnen geven als je een verhaal wil maken? Kijk hiervoor naar de vorige vragen.

8 Bij welk punt past de waaromvraag het best?





Stap 3 Structuur van een verhaal

Om volgende opdrachten te beantwoorden, gebruik je opnieuw de tekst over De slavenring.

1 In hoeveel delen is de tekst zichtbaar opgebouwd?

2 Tot waar zou je de inleiding laten lopen?


Waar zou je het slot laten beginnen?

3 Wat kan er allemaal in de inleiding van een verhaal komen?

4 Wat kan er allemaal in het slot van een verhaal komen?

5 Wat kan er dan in het midden van een verhaal komen?

6 Op welke manier maak je structuur van je verhaal duidelijk voor de lezer?


Stap 4 Hoe verwoord ik mijn gedachten?

De manier waarop je schrijft, is je stijl. Om goed te schrijven heb je misschien een dosis aanleg nodig, maar je kunt ook veel halen uit schrijftechnieken die je wel degelijk aan kunt leren.


We leren enkele schrijftechnieken ontdekken door close-up van een stukje uit De slavenring.

Als Chloë van de markt komt, merkt ze dat haar kindje niet meer in het wiegje ligt. De andere slaven geven toe dat het kind weggenomen werd omdat slaven geen bezit mogen hebben. Chloë is in alle staten.

’Ik wil haar terug!’ Chloë rukt zich los uit mama Constantia’s greep en vliegt de linnenkamer uit. Halverwege het atrium botst ze bijna tegen Lucius en Philos op. Achter hen komt Valeria net de trap op. Ze houdt haar pas in.
’Het is mijn kind!’ roept Chloë huilend.
’Het is mijn kind en ik wil haar terug!’
Heer Lucius kijkt rustig op Chloë neer.
’Het kind is van mijn zoon’, corrigeert hij.

‘En hij heeft het recht om te handelen naar zijn goeddunken.’


Chloë valt stil. Opeens realiseert ze zich dat ze te ver is gegaan.
’Vergeef me, heer’, brengt ze er met moeite uit.
(…) ‘Kom.’ Mama Constantia slaat een arm om Chloë heen en voert haar mee naar de keuken. Ze zet Chloë op een driepotig krukje en geeft haar een beker wijn. Chloë blijft zwijgend zitten, de beker in haar hand, zonder te drinken.
’U wist dat dit ging gebeuren’, zegt ze toonloos. Mama Constantia zucht. ‘Slaven hebben geen bezit. Zelfs hun kinderen behoren hun niet toe. Ik ben ook van mijn moeder gescheiden, maar toen was ik twaalf. Vroeg of laat was je Elena kwijtgeraakt, lieverd. En hoe later dat gebeurt, hoe meer pijn het doet.’
Chloë luistert niet. Als verstijfd zit ze op haar krukje en kijkt met nietszeggende ogen naar de witgepleisterde muur voor haar.
Uiteindelijk zet ze de beker onaangeroerd op tafel en gaat aan het werk Ze vermijdt het naar het lege mandje van Elena te kijken. Als ze de keuken uitgaat en even later terugkomt, is het weg, maar de lege plek schreeuwt haar de hele dag toe.

1 Wat kun je zeggen over de lengte van de zinnen?


Zijn ze eerder kort of eerder lang?

2 In het Nederlands bouw je doorgaans zinnen met de volgorde onderwerp - pv.


Toch doorbreekt de schrijver dit patroon nu en dan; geef twee voorbeelden.
Waarom zou de schrijver dit doen?
Kun je nog op iets anders variëren dan op zinsbouw?

3 In welke tijd speelt het verhaal zich af?


In welke tijd schrijft de schrijver?
Is er een reden om in deze tijd te schrijven?

4 De auteur doet haar best om de dingen en de personages goed te beschrijven.


Ga na of je weet hoe de muur van de keuken en het krukje eruit zien.
Door welke woorden verneem je iets over de sfeer van het moment?


Stap 5 Op verhaal komen

Je gaat nu aan de slag om zelf een verhaal te schrijven.

Jouw verhaal moet zich afspelen in het provinciaal domein dat je bezocht. Er moet zich ook een ramp voordoen waardoor het rampenplan van de provincie in werking wordt gesteld.
Voor de rest mag je alles verzinnen: het aantal personages, de aard van de ramp, de tijd, de gebeurtenissen…
Uiteraard hou je rekening met de leerstof die je in stap 2,3 en 4 kreeg.
Je verhaal telt minimum 1,5 bladzijde en maximum 3 bladzijden.
Je begint aan het verhaal in de klas, je schrijft het thuis verder uit tegen …
Je tikt je verhaal uit en je zorgt dat er een marge van 2 cm is.



Stap 6 Peerevaluatie in de klas

Je brengt je verhaal mee naar de klas.


Jouw verhaal komt bij een medeleerling terecht en jij krijgt ook een werk van iemand anders.

Je leest dit verhaal met de bedoeling tips te geven om het werk nog te verbeteren.


Je gebruikt hiervoor de criteria die we eerder in deze lessenreeks opbouwden.
In de marge mag je aantekeningen maken: begrijp ik niet, te langdradig, suggestie, spellingsfout …

Bovendien vul je ook het beoordelingsblad in. Het blad dient om je medeleerling de kans te geven zichzelf nog bij te sturen.


Als je aan iets twijfelt, vraag je je leraar om hulp.



Stap 7 De puntjes op de ie

Je neemt nu het commentaarblad van je medeleerling als uitgangspunt om je werk nog wat bij te sturen. Bij problemen moet je uiteraard je leraar om uitleg vragen.


Je corrigeert je werk thuis.
Je geeft dit samen met het beoordelingsblad van je medeleerling aan de leraar af.


2 Toetsing en beoordeling

- Je moet de leerstof kennen om te kunnen toepassen bij het lezen van nieuwe verhalen en bij het schrijven van allerhande teksten.
- Je verdient met je verhaal punten voor schrijfvaardigheid.
Je krijgt een bonuspunt als je bij de 5 beste verhalen bent.

- Je leraar zal de 5 beste verhalen in de klas voorlezen.


De klas stemt welk verhaal uiteindelijk voor het stripscenario in aanmerking komt.

3 Tips en valkuilen

- Schrijven vraagt tijd. Stel je opdracht niet uit tot de laatste avond voor het indienen.

- Schrijven is schrappen. Doe de moeite om zinnen te herformuleren en woorden te zoeken.

- Lees je verhaal hardop en luister of je nog bij moet sturen.



- Foutieve spelling ontsiert een goed werk. Extra controleren na een dagje te laten rusten.


Naam lezer:
Verhaal van:
Titel verhaal:


ja

nee

?

bemerking

1 Bouwstenen van een verhaal
Is er een antwoord op de topische vragen?
wie, wat, waar, wanneer en hoe















2 Structuur van het verhaal
Is er een inleiding, een midden en een slot zichtbaar?
Zijn er voldoende alinea’s in het verhaal?















3 Lengte zinnen
Zijn de zinnen voldoende kort gebouwd?















4 Variatie in zins- en woordbouw
Beginnen de zinnen op verschillende manieren?
Is er voldoende gebruik van synoniemen?















5 Rake typering en sfeerschetsing
Is er een precies woordgebruik?















6 Tijdsgebruik
Staat het verhaal in eenzelfde tijd?
Is er bij voorkeur gebruik van de tegenwoordige tijd?













7 Opbouw van het verhaal
Is het verhaal logisch opgebouwd?
Is het verhaal langdradig?
Is het verhaal spannend?















Algemene commentaar van de lezer













Algemene indruk:
Tip:















Help, een ramp!

Hoe maak ik een strip?
1 Toelichting

Om je verhaal in een strip om te zetten, is inzicht in de taal van de strip noodzakelijk.

Voor het vertellen in beelden (en beeldtaal) selecteer je personages en voorwerpen die in het hele verhaal gebruikt worden.

Dan kun je aan de slag, verhaal en beeld worden één. Je krijgt een stripverhaal.


2 Doelen

2.1 Wat moet je kunnen

- Je kunt bij een titel de reeks en de striptekenaar vermelden.

- Je kunt het verhaal van iemand kort weergeven.

- Je kunt je mening in een discussieforum argumenteren.

- Je kunt naar de argumenten van de anderen luisteren en je mening bijsturen.

- Je kunt de codetaal van de strip toepassen.

- Je kunt samen met anderen een werkplan opstellen.
2.2 Wat moet je kennen

- Je kent de codetaal van de strip

- Je weet wat een anachronisme is.
3 Tijdsinvestering

Je krijgt 3 lesuren.


4 Leerstof
4.1 Tekens, codes, ballonnen ... in strips
1 Wat de persoon zegt, komt in een tekstballon en is met een stengeltje met de figuur verbonden.

2 Wat de persoon denkt, komt in een gedachtewolk en is met een reeks belletjes met de figuur verbonden.

3 Er komt een mededeling van de verteller in een tekstbalk of tekststrook, bovenaan het kader en vaak in een andere kleur.

4 De klanknabootsing kan zowel binnen als buiten een tekstballon voorkomen.

5 Weergeven van gevoelens gebeurt door allerlei beeldtekens.

6 Het is opvallend hoe weinig vloeken in strips voorkomen. Allerlei tekens tonen een vreemd beeldschrift zodat het voor de lezer toch duidelijk genoeg is.

7 Leestekens zijn hulpmiddelen bij het aangeven van ritme en intonatie. Ze vervangen wat iemand zegt of denkt. Vooral het vraagteken en uitroepteken treden in strips op.
4.2 Personages en attributen

Gevolgen van tijd en ruimte.

Eens je een bepaalde tijd en ruimte gekozen hebt, heeft dit gevolgen voor de personages, de plaats en de attributen.

Bv. in de middeleeuwen waren geen polshorloges, mini-rokken of hamburgers. Als er wel zo'n fout in je werk sluipt, creëer je een anachronisme.


Opdracht Nederlands Een stripverhaal maken

Naam: klas:

Tijdsduur opdrachten: 3 lesuren

Begindatum opdracht:

Einddatum opdracht:
Hulpmiddelen

- Zelf meegebrachte strips.

- Het geselecteerde verhaal waarmee een strip gemaakt wordt.

- Pc om de studiewijzers te downloaden.


1 Opdracht en werkwijze
Stap 1 Eerst even plannen
Jullie vertrekken van eigen strips om iets over jullie stripfavorieten te vertellen. Daarna moeten jullie de stripcode achterhalen.

In de 3de stap sta je stil bij het typeren van de personages en tot slot bepalen jullie hoe de personages in jullie verhaal denken en handelen. Jullie krijgen hier 2 lesuren voor.

Plan de stappen in dit schema.


Namen


Minuten

1 Info over mijn favoriete strip




2 Ontdekken van de stripcode




3 Personages in stripverhalen




4 De personages in ons verhaal






Stap 2 Strips ontdekken
Je kreeg van je leerkracht de vraag om een tweetal verschillende strips naar de klas mee te brengen. Samen met je buur heb je (hopelijk) vier verschillende stripverhalen. Samen proberen jullie volgende opdrachten uit te voeren
Namen:
Noteer hier de striptekenaar, de titel en de reeks van de strips (bronvermelding):

bv. Willy Vandersteen, Suske en Wiske, De dulle Griet

bv. Jef Nys, Jommeke, Het hemelhuis
1
2
3
4

Vertel nu eerst iets over je favoriete strip aan je buur. Welke titel?

Welke reeks?

Hoe kom je aan strips? Koop je die wel eens zelf? Lees je ook stripverhalen in de krant?

Ken je stripreeksen waar (teken)films van gemaakt werden? Bekijk je die ook? Wat verkies je dan?

Noteer nu in een viertal lijnen wat je buur op vorige vragen antwoordde.



Stap 3 Tekst in strips
De tekst kan op verschillende manieren in het beeldkader verwerkt worden. Gebruik jullie strips om de volgende vragen te beantwoorden. Zoek telkens een voorbeeld.
1 Hoe merk je dat een personage spreekt?
2 Hoe merk je dat een personage denkt?
3 Hoe merk je dat de verteller informatie wil meedelen?
4 Hoe duidt de stripmaker geluid of klank aan?
5 Kunnen ook gevoelens meegegeven worden?
6 Vind je "vloekende" personages? Hoe werkt de tekenaar dat uit?
7 Waarvoor gebruikt de striptekenaar leestekens? Welke komen het meeste voor?
8 Hoe duidt de striptekenaar volgende zaken aan

- een personage roept, schreeuwt;

- een actie verloopt heel snel;

- een personage heeft pijn …



- spanning.
Controleer jullie antwoorden nu met de leerstof die je vindt bij 'Leerstof 4.1'. Heb je alles gevonden. Zo niet, vul aan wat er ontbreekt.

Stap 4 Personages: een held of een schurk?
In strips ontmoet je dikwijls typetjes. Kies drie personages uit de strips: een held, een schurk, de professor (de knappe bol) …
Noteer bij elk personage vijf bijvoeglijke naamwoorden die hun typeren.


Personage










5 eigenschappen











































Stap 5 De overstap: jullie verhaal
Maak een lijstje van de personages in het verhaal. Kun je uit de tekst een aantal eigenschappen afleiden?


Personages

















5 eigenschappen






































































Bespreek de personages nu klassikaal. Straks zul je hen selecteren uit Stripstudio of tekenen in de lessen PO.



Stap 6 De omkadering
In een beeldkader tref je naast personages ook nog voorwerpen aan. Alles speelt in een bepaalde ruimte en een bepaalde tijd. Ga weer op zoek in het geselecteerde verhaal en noteer:
- Belangrijke voorwerpen:

bv. auto, huis van hoofdpersonage


- Ruimte: Waar?

bv. bos (welke bomen?) …


- Tijd:

bv. zomer, winter …?

bv. 2004 – 2005?
Wat je niet in het verhaal vindt, bespreek je gedurende 20 minuten via een discussieforum met de andere leerlingen. Je wilt het type auto bepalen. Je kiest de boomsoorten, je zet de actie in de zomer of de winter enz. Jullie leraar duidt 5 leerlingen aan die de discussie volgen, maar niet mee discussiëren. Zij vormen straks de 5 wijzen die samen het besluit voor de definitieve invulling van de strip vastleggen.



  1. Toetsing en beoordeling

- Je kunt de codetaal van een strip in een nieuwe strip uitleggen.

- Je weet wat een anachronisme is en je kunt het ook in elke andere toepassing herkennen en benoemen.




3 Tips en valkuilen

- Hoe jullie timing goed in de gaten als je met zijn tweeën werkt.

- Doe de moeite om je strippersonage precies te typeren (zoek de juiste woorden).

- Probeer de verworven theorie ook in je eigen werkje zichtbaar te maken.



Fransien Vandermeersch & Operatie X 01-09-04
Marleen Lippens Help, een ramp! Hoe schrijf ik een verhaal?




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina