Herder en schapen afscheidspredikatie



Dovnload 54.9 Kb.
Datum25.07.2016
Grootte54.9 Kb.
HERDER EN SCHAPEN
Afscheidspredikatie

van de

Gereformeerde Kerk

te Zwagerveen

door

Ds. H. Hazenberg



op 8 december 1946

Liturgie


1. Votum en zegengroet.

2. Psalm 100 : 2. 4.

3. Belijdenis des geloofs.

4. Psalm 95 : 4a.

5. Schriftlezing: Johannes 10 : 1-16.

6; Gebed.

7. Psalm 23 : I, 2, 3.

8: Text: Ezechiël 34 : 31.

9. Prediking.

10. Psalm 79 : 7.

11. Afscheidswoord.

12. Dankgebed.

13. Gezang 29.

14. Slotzegen.


EZECHIËL 34 : 31. “Gij nu, o Mijne schapen, schapen Mijner weide! Gij zijt mensen, maar Ik hen uw God, spreekt de Heere HEERE “.

Gemeente van onze Here Jezus Christus.


Het boek Ezechiël staat vol oordeelsaankondigingen tegen de heidenen èn tegen Jeruzalem, vol weeklagen over de Gode vijandige volkeren met hun goddeloze koningen en ook over de valse profeten in Israël.

Moeten wij nu uit dat sombere boek voor 't laatst als Uw Dienaar des Woords U Gods Woord verkondigen ? Ja, gemeente. Want tegenover de donkerheid van zonde en oordeel in Ezechiëls dagen, en evenzeer in onze dagen, straalt des te heerlijker Gods genadelicht. Wanneer Ezechiëls profetieën niets anders waren dan gerichtsdreigingen niet alleen over een verwarde wereld, maar óók over een verbondsbreukig volk Gods èn over de slechte herders van Israël, o, dan zouden we allen, gemeente zowel als leraar, moede- loos worden. Maar dan zou Ezechiël niet Gods Woord moeten zijn. -En dat is het! Daarom, Gods genadelicht breekt ook hier dwars door het oordeel heen. Dit boek is, als een verduisterd huis uit de oorlogstijd, die we samen doorworsteld hebben. Ogenschijnlijk geen sprankje licht te zien. Alles nachtzwarte grimmigheid. Toch was er wèl licht! Als men goed toekeek, schemerde hier en daar een flauw schijnsel. En als U door de deur naar binnen ging, was er toch volop licht. Zo is het met Gods Woord in Ezechiël. Lang lijkt het wanhopig donker, met af en toe een glimp genadelicht, totdat in ons Hoofdstuk de deuren opengaan en Gods heilsstralen het donker op doen klaren. Hier in Hoofdstuk 34 begint het troostboek van de profeet Ezechiël. De nieuwe heilstijd gaat gloren.

Het gebouw van Israël's volksbestaan was een ruïne. Gedeeltelijk was 't volk gedeporteerd naar Babel, waaronder ook Ezechiël. Een ander gedeelte bevond zich nog in Jeruzalem, dat op 't punt stond in de handen van Nebukadnezar te vallen of misschien reeds in puin lag. En de rest van het volk was verstrooid en bezig roemloos te gronde te gaan, midden tussen de heidenen, die ze opslokten. Zo was de troosteloze toestand van Gods Bondsvolk. En: daarvoor waren Israëls herders, dat zijn de Koningen en leidslieden des volks, verantwoordelijk gesteld door de Here. Die Koningen waren geen vaders des vaderlands. Maar als kwade herders zochten ze slechts, door de schapen uit te melken en kaal te scheren, eigen voordeel. Voorts lieten ze de schapen aan hun lot over, zodat deze zich verstrooiden, omdat er geen echte herder was en wegzonken in afgoderij. Precies op dezelfde wijze als vele gedoopten in de wereld ondergaan, omdat niemand zorgde voor hun ziel. Maar nu de materieële en geestelijke nood op 't hoogst is, laat de profeet ineens niet meer de sirenes van Gods oordelen loeien. Nu klinkt er een melodieus lied, het lied van de nieuwe heilstaat, van Israëls wederopbouw, het lied van tijdelijke en geestelijke zegeningen. Het lied van de goede Herder, die zijn volk zal .bijeen verzamelen en zal weiden met oordeel. Nu klinkt Ezechiëls donkere stem opeens heel teer en zacht, zoals Jesaja's stem, toen deze profeteren mocht: "De Here zal Zijn kudde weiden, gelijk een herder. Hij zal de lammeren in Zijn armen vergaderen en in Zijn schoot dragen; de zogende zal Hij zachtkens leiden". Nu horen we hier als het ware het voorspel van Joh. 10, waar Onze Heiland Zelf zegt: "Ik ben de goede Herder; de goede Herder stelt Zijn leven voor de schapen; maar de huurling en die geen her. der is, wien de schapen niet eigen zijn, ziet de wolf komen en verlaat de schapen en vliedt; en de wolf grijpt ze, en verstrooit de schapen en de huurling vliedt, overmits hij een huurling is en heeft geen zorg voor de schapen".

Diezelfde stem klinkt hier ook in het Oude Testament reeds bij Ezechiël. Ook hier waarschuwt de Here tegen de slechte herders en predikt Hij aan Zijn volk: maar Ik ben de goede, de ware Herder. En Hij geeft 'n heerlijke belofte voor de toekomst; “En Ik zal een enige Herder over hen verwekken, en HIJ zal hen weiden, n.l. Mijn knecht David. Die zal hen ze weiden en Die zal hun tot een Herder zijn". Hier hoort ge adventskIanken, van 't geen Davids ten huis was toegezegd. Een nieuwe tijd gaat Gods volk tegemoet. 't Zal worden: één volk onder één Herder: de tweede nieuwe David, dè Man naar Gods hart! Onder die herderstaf zullen de schapen vrede, veiligheid en voorspoed hebben.

Zo straalt hier Nieuw-Testamentisch licht, ja, hemellicht. De Here, als de Opperherder van Zijn Volk, zal in en door de komende Christus het herdersambt over Zijn schapen uitoefenen.

Dat is de troost van Ezechiël 34 en van onze text. De troost ook vandaag, wanneer de Here een onderherder van zijn post afroept om elders te dienen. Dan nog blijft de Overste Herder der schapen, en Hij bemoedigt: : "Gij nu,o mijn schapen, schapen Mijner weide, gij zijt mensen, maar Ik ben uw God, spreekt de Here HERE".


Dit Woord zegt ons:

Hoe de Opperherder Zijn schapen troostend toespreekt.


1e. Wat Hij van de schapen zegt.

2e. Wat Hij van Zichzelf zegt.
Psalm 23 : 1, 2, 3.
De God des heils wil mij ten herder wezen

‘k Heb geen gebrek, ‘k heb geen gevaar te vrezen.

Hij zal mij zacht, in liefelijke weiden,

Aan d' oevers van zeer stille waat'ren leiden.

Hij sterkt mijn ziel; richt, om Zijn naam, mijn treden

In 't effen spoor van Zijn gerechtigheden.


1.

Onze textwoorden zijn een samenvatting van de troostboodschap aan Gods volk, dat in deze wereld door 1000 zorgen, 1000 doden gekweld wordt. Het is de bezegeling, het amen van dit Evangelie: dat de Opperherder, vanaf Zijn hemelhoge inspectietoren, Zèlf de teugels in handen houdt, en voor de kudde waakt en zorgt.

Hij heeft in 't voorafgaande óver de schapen gesproken, maar nu wendt Hij zich rechtstreeks tót hen. Evenals een vuurtoren zich wendt en z'n lichtbundels over de donkere golven uitgiet, zo Ziet de Here Z'n schapen ineens in de volle lichtglans van Zijn liefde. Hij richt Zich tot Zijn volk en roept ze op tot luisteren: "Gij, nu -".

En wat is het eerste, dat Hij zegt? Neen niet: "gij, zondaren", maar "mijn schapen". Zijt ge dan geen zondaren? Ja, dat zeker wel! Tot dolen en dwalen ieder ogenblik gereed. Dat ervaart een onderherder, hoe langer hoe meer, laat staan de Opperherder! Gelukkig, als ge dat zelf ook weet, niet als een aangeleerde formule, maar als een smartelijke levensrealiteit. Maar dat wil de Here u nu niet verwijtend voorhouden. Troostend zegt Hij hier: "Mijn schapen". "Mijn schapen". Deze woorden klinken zacht en zoet van een wonderdiepe liefde des Heren. Hierin openbaart zich de verbondsbetrekking tussen Herder en Kudde, waarvan de psalmen op vele plaatsen zingen: "De Here is mijn Herder, mij zal niets ontbreken, Hij doet mij nederliggen in grazige weiden, Hij voert mij zachtkens aan zeer stille wateren, Hij verkwikt mijn ziel. Hij leidt mij in de rechte sporen, om Zijns Naams wil. (Ps. 23.) "Want Hij is onze God en wij zijn 't volk Zijner weide en de schapen, die Zijn hand wil leiden (Ps. 95) En om niet meer te noemen: "Hij heeft ons gemaakt, van Hem zijn wij: Zijn volk en de schapen Zijner .weide". (Ps. 100)

Voor ons is deze beeldspraak niet meer uit het leven gegrepen. De ouderen onder ons kennen misschien nog de vroegere scheperijen, ook hier te lande. Maar, voor de Oosterling was het een beeld der werkelijkheid. . Daar waren alom de ommuurde plaatsen; waar 's nachts ,de witgewolde schapen veilig rustten, onder bewaking der herders. Dáár waren de rijke herdersvorsten, die schapen in menigte bezaten en ze door hun herders en huurlingen lieten grazen in de met grassen en kruiden begroeide steppen. Hier wordt de Here voorgesteld als zulk een Herdersvorst, die van Zijn volk zeggen 'kan: ,;Mijn schapen”.

Dit wordt nog versterkt door het volgende: "Schapen Mijner weide", dat zijn schapen, die de Here Zèlf weidt.

Hij heeft geen tussenpersonen nodig. Hoe váak is mij dat ook niet gebleken in m'n ambtsbediening, vooral bij zieken en stervenden. En, als Hij ze tóch gebruikt, dan zijn ze geheel van Hem afhankelijk. Ook dat is gebleken tijdens mijn herdersperiode bij u, gemeente. Als het alleen aan mij gelegen had, waren 's Heren schapen geestelijk verhongerd en verstrooid. Hoeveel gebrek en zonde is in mijn arbeid onder u geweest. Elke onderherder kan Ezechiël 34 niet lezen zonder diep te blozen van schaamte. , Zo vergaat het mij. En als iemand geneigd zou zijn critiek te oefenen, dan zou ik antwoorden: "Zwijg gij stil, ik weet het ook wel". Ik heb de critiek van God over de bediening van mijn ambt hier in Ezechiël 34. Maar wanneer ge dan tóch geestelijk gevoed, gesterkt en getroost zijt geworden, dan komt des te heerlijker uit: de grote liefde van de Opperherder. "Schapen Mijner weide" dat is die Hij Zèlf weidt. En dan ook, voor wie Hij altijd weide heeft. .Weer kruipt de schaamte in mij op, als ik bedenk, hoe. ik meermalen vreesde, geen nieuwe weideplaatsen te kunnen vinden voor de gemeente. Hoe de vraag beklemde: waarover zal ik nu weer preken. Of: hoe kom ik er weer mee klaar, omdat er zoveel andere arbeid was. En telkens bleek het: hoe mateloos Gods weiden zijn. Hoe boordevol Zijn schatkameren zijn voor elk schaap der kudde en voor elke omstandigheid. Zelfs op de kale berghoogten van de oorlogstijd was er weide en overvloed. Ja, toen vooral!

Neen, Zijn voedsel was niet schaars of mondjesmaat en behoefde nooit gerantsoeneerd. Als wij 't maar gehoorzaam uitdelen en gelovig eten wilden!

"Gij nu, o Mijn schapen, schapen Mijner weide", zo spreekt de Here u dus toe. En hierin ligt ook uitgedrukt: Gods absolute recht op u. Een onderherder kan wel eens trots spreken van mijn schapen, mijn gemeente, maar ze zijn niet zijn eigendom. Hij is slechts in dienstbetrekking bij de grote Eigenaar. Dat doet de Opperherder hier goed gevoelen, als Hij twee keer achter elkaar zegt: Mijn schapen en schapen Mijner weide. Ge zijt van Hem, gemeente, geheel en al. God heeft recht op u, krachtens Zijn genadeverbond. Maar Hij heeft ook liefde voor u. Hij staat niet koud en onverschillig tegenover Zijn eigendom. Zijn liefde tot u is peilloos diep en onuitblusselijk. Proeft ge dat niet in de woorden: schapen Mijner weide? Hij wil u blijven voeden en weiden, en u beschermen tegen alle vijanden, vooral tegen de grote grijpwolf satan, die op u loert om u weg te slepen en te verscheuren. Wat wordt het dan rustig in uw ziel, zelfs in de donkerste dalen. Want Gods herderstaf is over u uitgestrekt. Dat is de staf des Woords. Ook wel genoemd: de staf lieflijkheid en samenbinding. (Zach. 11 : 7,14). Dat is Zijn machtig congregatiemiddel, dat levenwekkend, herscheppend, vernieuwend werkt. Waardoor de Herder volgzaam en gewillig maakt, zodat wij Hem volgen door woestijnen en over zeeën naar de eeuwige heerlijkheid.
Deze troostboodschap uit Ez. 34, broeders en zusters, is vervuld in Jezus Christus, Die de goede Herder is en Zijn leven stelt voor de schapen. Hij is de enige Herder, die Zijn taak volbrengen kan. Israëls koningen en herders hebben hun ambt gebrekkig vervuld. Ze hebben zich vaak vergrepen aan de kudde des Heren en met Zijn eigendom hebben ze roekeloos en goddeloos omgesprongen. Niet alzo Jezus Christus! Hij heeft Zichzelf niet gezocht. Integendeel! Hij heeft Zijn leven feil gehad voor de schapen en ze zijn gered uit alle plaatsen, waarheen ze ten dage van donkerheid en duisternis verstrooid waren. We denken hier aan de verlossing uit Egypte en uit Babel, verlossing uit alle nood; maar ten diepste aan de verlossing uit de heerschappij van satan en zijn trawanten. En we beginnen als vanzelf te zingen Zondag 1. -Want dit is geen leerstuk aIléén, maar een lied: "dat ik met lichaam en ziel in leven en sterven niet mijns, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigendom ben, die met Zijn dierbaar bloed voor al mijn zonden volkomen betaald (de goede Herder stelt immers Zijn leven voor de schapen) en mij uit alle geweld des duivels verlost heeft". En daarbij blijft het niet! Wie haalt een drenkeling uit het water, om hem ,daarna aan de kant te laten liggen? "En alzo bewaart, dat zonder de wil , mijns Hemelsen Vaders geen haar van mij:n hoofd vallen kan".

Dat is óók het werk van de goede Herder: bewaren, verzorgen. Jezus ,zorgt er voor, dat Zijn schapen altijd weide hebben en overvloed. Ge zijt geen schapen van de heide, maar schapen Mijner weide. Hoe vaak gebeurde het niet, dat we eerst bij onszelf dachten; dáár zal het nooit uit te houden zijn; de weg is zo steil, en de vlakte zo dor en toch, àls we er boven op waren. konden we Psalm 23 zo maar zingen: "de Heer is mijn Herder, 'k Heb al wat mij lust". -Zo is Jezus Christus, in de volle zin des Woords : de goede Herder, door God aangesteld en geauthoriseerd en heet gij: schapen Zijner weide.

Dat moet nu ook mijn en uw troost zijn, dit uur van afscheid en losmaking van banden. Menselijke herders en leraars zijn maar tijdelijk. Hij blijft en voedt en weidt. Ook al lijkt u de levensvlakte vóór u, troosteloos en kaal, al huivert ge voor de donkere diepten langs uw steile levenspad. en voor de vallende nacht en de huilende wolven -geen vrees': Jezus Christus is bij u, gaat vóór u aan. Als ge nu maar stillekens achter Hem aan wandelt, en niet als eigenwijze schapen op eigen gelegenheid u een weg baant. Denkt er aan: Een zelfgekozen weg wordt altijd een weg vol doornen. Een moeilijke weg….. Maar veilig is steeds met Jezus de baan. Hij gaat vooraan. Hij gaat vooraan! Als ge, als gehoorzame schapen Zijner weide u maar dicht houdt bij Christus -hoe dichter bij Hem, hoe beter weide ook! -dan hebt ge niets te vrezen, en geldt het woord van Luther u: "Des Christens hart op rozen gaat, óók als het onder 't kruize staat".

”Gij nu, o mijn schapen, schapen mijner weide" - rijker troost kan de Here u niet bieden. Maar hieraan voegt Hij nog iets toe, dat gij ook nooit moogt vergeten: "gij zijt mensen

Ogenschijnlijk zou het een eretitel kunnen zijn, als we mensen met schapen vergelijken. De rechtopgaande koninklijke mens tegenover het viervoetige schaap. De met verstand en rede versierde mens tegenover het domme dier. De met wilskracht begiftigde mens tegenover het willoos wezen. Maar: mens betekent hier niet meer paradijsmens, kroonjuweel van Gods schepping. De heerlijkheid des mensen is uitgehold door de zonde. Het bederf van het beste is geworden tot het slechtste. Nu is de mens als een broze bloem, zijn heerlijkheid is als het gras, zijn adem is in zijn neusgaten. -Hij gaat ras voorbij.

Daarom ook zegt de Here telkens tot Ezechiël: "Mensenkind", om zijn zwakheid en sterfelijkheid, zijn afhankelijkheid en onderworpenheid hem goed in te prenten. Goed beschouwd is het woord: "schaap" nog gunstiger voor ons, dan "gij zijt mensen". Schapen zijn stemmeloos en zachtmoedig. Ook al zijn er stotige bokken onder, die met schoft en schouder werken om ,elkaar weg te duwen. Maar de beesten weten niet beter. Mensen evenwel, werken met veel geraffineerder middelen dan schoft en schouder, hoornen en poten. De mens kan, wat een schaap niet kan; haten. Daarvoor heeft hij de meest verfijnde instrumenten. Dat behoeven nog niet eens helse machines te zijn. Hij kan het soms ook wel af met z'n hart en z'n tong,' die vol dodelijk venijn: zitten. "Gij zijt mensen", dat zegt de Here tot zijn geméénte. Het volk des verbonds. En nu wordt het nog erger! Zonde in de Kerk des Heren? Twist in de schaapskooi van Christus? Ach ja, dat is er zo vaak en zo veel. Ook deze mijn 6-jarige ambtsperiode werd er door beheerst. Daardoor werd :de strijdende kerk, een kerk, die zichzelf bestrijdt en verteert. Wat een twisting en ijdele eer zoeken. Wat een zelfhandhaving en wegdringen van elkaar buiten de kudde. Wat een stotende rammen in de kudde des Heren. Wat een weinig luisteren naar de stem van de Goede Herder.

“Gij zijt mensen".

Waarom zegt de Here dit hier? .Om Zijn volk te stemmen tot ootmoed en tot dankbaarheid.



Tot ootmoed. Want gij zijt mensen: zwakke, sterfelijke zondige mensen èn gij moogt toch schapen zijn.

Tot dankbaarheid. Zulke zwakke mensen als gij zijt wil God verkiezen tot de schapen Zijner weide.

Die ~t gelovig beluistert, hoort er in: alle roem' is uitgesloten, onverdiende zaligheen, heb ik van mijn God genoten. Er is voor de gelovige alléén te roemen in des Heren souvereine vrijmachtige liefde, die in Zijn verbond zich wonderbaar aan Z'n gemeente openbaart. Wie dit door 't geloof aanvaardt, vindt zijn steun en al z'n vertrouwen in de goede Herder. Oók troost tegenover al z'n zonden. Hij weet, wat maaksel wij zijn, beter dan wij, die zo gemakkelijk en gaarne zeggen: ,,o, mens gevoel uw waarde". Hij weet, dat wij stof zijn. Hij weet, dat wij "mens" zijn, maar Hij wil Zich over die mensen ontfermen als over Zijn schapen. Daarom hebt gij, die gehoorzame schapen wilt zijn, geen gebrek en geen gevaar te vrezen. Ook al wordt nu één van Zijn dienstknechten weggeroepen naar een andere stal. De God des heils zal u ten Herder wezen in en door Jezus Christus. En de nieuwe herder en leraar is bij Hem reeds klaar. Op Zijn tijd zal Hij uw hart tot hem neigen en door u hem roepen: " Kom” en hij komt!

Maar hij zal óók weer slechts een dienstknecht zijn. Zonder de Opperherder en de goede Herder, Jezus Christus, kan hij niets. Daarom, gemeente, wordt ge nooit herderloos. Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en tot in eeuwigheid. Als ge, óók vóórts maar blijft luisteren naar Zijn stem en Hem blijft volgen, wáár Hij met u heengaat. Als ge maar schapen Zijner weide wilt zijn, en uit Zijn hand wilt eten.

Dat wil zeggen als ge maar bij en uit Zijn Woord wilt leven. Dat is Zijn weide. Zijn voedertrog.

Dan zijt ge dicht bij Hem, uw eeuwige Herder, en zal Hij u nimmer om doen komen. Zelfs al zouden we nog donkerder dagen tegengaan dan we samen beleefd hebben, we kunnen gerust van elkaar scheiden, in 't zelfde geloof als eens de dichter van het Wilhelmus uitsprak:

Oorlof (vaarwel) mijn arme schapen

die sijt in grooten noot

u Herder zal niet slapen

al syt ghij nu verstroit!

Tot God wilt u begheven

Zijn heylsaem woort neemt aen

en een vroom Christen leven:

want 't is hier haest gedaen,
2.

Nu rest ons nog de keerzijde van de text u te tonen. We zagen: Wat de Opperherder van Zijn schapen zegt. Nu de andere kant: Wat Hij van Zichzelf zegt.

Iets daarvan bespeurden we al in de woorden: "schapen Mijner weide", Want dit predikt, dat Hij de Herder is, de Herdersvorst. Zoals Abraham Herdersvorst was, die de patriarchale herdersstaf zwaaide over veel personeel en veel vee. Abraham was een ongekroonde koning als het ware: Zó worden later de gekroonde koningen: "herders der volken" genoemd, Nu zijn die menselijke herders slechts schaduwbeelden van de grote Herder der schapen. Het oorspronkelijke Herderschap komt de Allerhoogste Koning toe.

Deze Herder zegt hier nu éérst van Zichzelf" dat Hij Israëls God is. "Ik ben uw God", spreekt de Here HERE. En in deze Naam predikt Hij Zijn macht. Tegenover ons, zwakke, zondige mensen, is Hij de sterke God, de souvereine, de rechtvaardige, de heilige God. Voor die God, geducht in macht, Die voor eeuwig zal regeren, van geslachte tot geslacht, zouden wij, die "mensen" zijn, moeten terugschrikken.

Maar, volk van God, dat hoeft gij niet te doen. Gij moogt uit al 't aards gedruis tot Hem naderen en Zijn heilstem horen.

Want Hij zegt: "Ik ben uw God". Dat woordje "uw" bevat een wereld vol goddelijke liefde, Daarin schittert het wonder van de verbondsgemeenschap tussen God en mens "Uw God", omdat wij Zijn volk zijn, Zijn eigendom. O, dat moet u tot dagelijkse aanbidding brengen en tot dagelijkse vertroosting zijn.

Ge zoekt de troost vaak vèr weg en overal in deze wereld. Maar hier is ze voor ‘t grijpen."Ik ben uw God !" De Almachtige buigt Zich heen over u, zwak mensenkind. Hij geeft Zich weg aan u. Hij legt een band tussen Zich en u, onlosmakelijk, onverbrekelijk. Hoe ontzaglijk rijk is het, dit te weten. Zeker, er is een oneindig verre afstand tussen God en ons. Dat mogen Ezechiël en wij nooit vergeten. Vandaar telkens de aanspraak: "Mensenkind". Maar des te heerlijker wordt nu de gemeenschap die ons altoos met God verbindt, en die zo wonderlijk is aangebracht in den Immanuël, God met ons, de goede van God gezonden Herder.

Aan de Godsnaam verbindt zich tenslotte nog de Naam Here HERE. "Spreekt de Here HERE". In deze combinatie ligt de verbinding van het Heerzijn van God over alles en Zijn genadige Verbondsbetrekking tot Zijn volk. Het eerste "Here" wijst ons God aan als de Eigenaar van hemel en aarde. We hebben dus een ondenkbaar machtig God, broeders en zusters. Maar het tweede "HERE" met hoofdletters, is hier het. voornaamste. Dat is de Verbondsnaam, Jahweh, Ik zal zijn, Die Ik zijn zal. Ik ben, Die Ik ben. Ik ben altoos Dezelfde. En dat zegt Hij tot u, gemeente, om u op 't hart te binden:


Mijn liefde en trouw jegens u zijn onveranderlijk.

Al stort de ganse wereld in

en wordt de zon gedoofd,

't Verbond van Gods genade en trouw

is vast en wankelt niet.
Dàt zegt u, 't woord "HERE". Grijp dat gelovig vast, gemeente! Dan ziet ge onze tent in eeuwigheidslicht! "Gij nu, o mijn schapen, schapen Mijner weide, Gij zijt mensen, maar Ik ben uw God, spreekt de Here HERE, de VerbondsGod".

Nu weet ge het: In deze verbondsverhouding rust Zijn betrekking tot Zijn kudde en de band van de schapen aan Hem. Alles gaat van Hem uit. Alles gaat ook om Hem. Ik doe het niet om uwentwil, spreekt de Here HERE maar om Mijnentwil. Om mij te verheerlijken aan u.

Als het dan zó staat, als die Here, die onveranderlijk Getrouwe, uw God wil zijn, weest dan, als Zijn schapen, van Zijn trouwen liefde verzekerd. Al breken vandaag de banden tussen herder en gemeente, hier, de bovenwaartse verbinding blijft volledig intact.

Want het is toch zó:

Mijn Herder is de Levensvorst;

Zijn goedheid zal mij leiden.

Daar ik ben Zijn' en Hij is mijn'

Zal Hij van mij niet scheiden.


Maar, nu vraagt dit ook iets van u, schapen Zijner wei,de. Ge moet in geloofsgehoorzaamheid Hem volgen. De weelde van de gemeenschap met uw Herder wordt alleen genoten in de volle levenserkenning dat Hij uw God en uw Here is. Voor 't laatst wil ik u daartoe, als uw eigen dienaar des Woords, opwekken. Hoort en gehoorzaamt toch Zijn stem alléén. Ik heb u geopend de grazige weiden van 's Heren levende en levendmakende Woord. Ik heb u aangewezen Satans gifkruiden der zonde. Ik heb u aangeprezen het toevluchtnemen tot uw heerlijke Herder, en u gewaarschuwd tegen het afdolen op de paden van de machtige moordenaar der schapen. Daarom zal de Here uw bloed van mijn hand niet eisen, zo ge geen volgzaam schaap zijt, maar een onwillige bok. Hij Zelf zal eens u allen ter ver- antwoording roepen en Hij zal schiften tussen schapen en bokken. Dat is dus een schifting, niet alleen tussen kerk en wereld, maar ook dwars door de Kerk heen Het zijn niet allen schapen, die zich bij de kudde gevoegd hebben! Maar dat behoeft in 't geheel niet beangstigen als ge gelovig de goede Herder alléén wilt volgen, als ge gehoorzaam binnen de veilige omheining van Gods verbond alléén wilt leven, als ge getrouw in de welige weiden van Zijn genadevol Woord alléén wilt grazen. Dan hebt ge niets te vrezen.

Wèl hebt ge misschien véél te klagen over uw afkerig hart ,en uw dwaze afdolingen, maar een dolend en dolérend schaap is gelukkig geen bozo bok.

Als ge rouw draagt over uw veelvuldige zonden en u door uw Herder wilt laten terugleiden, telkens weer, dan hoort ge bij de kudde op reis naar het Kanaän der rust. Al zulken ontvangen een merkteken, zoals schapen soms gemerkt worden ten teken dat ze iemand toebehoren.

Ezechiël9 geeft ons daarvan de O.T. beschrijving. Daar krijgt de Engel des Heren, Jezus Christus, dus de goede Herder opdracht: " Teken met een kruis het voorhoofd der mannen die zuchten en klagen over al de gruweldaden die in Jeruzalem geschieden". Jeruzalem wordt dan met het vuur van Gods gericht verwoest Maar de heilige rest, die verzegeld is met het kruisteken, die dus onder bijzondere bescherming des Heren staat, zal gespaard blijven. In Openbaring 7 vinden we de N-Testamentische beschrijving daarvan. Daar komt weer die wondere Engel naar voren om het zegel in te drukken in de voorhoofden van de 144000 uit alle geslachten der kinderen Israëls. Wie dat merkteken heeft, 't teken van toebehoren aan de God des Verbonds, die zal beveiligd zijn tegen het eenmaal losbarstend laatste oordeel, die zal verzameld worden tot die ene grote kudde, die niemand tellen kan, uit alle natie en geslacht en volk en taal. Dan is het één kudde onder één Herder. Dan zal de Here al Zijn beloften aan die kudde vervullen: "Zij zullen niet meer hongeren en zullen niet meer dorsten, en de zon zal op hen niet vallen, noch enige hitte. Want het Lam, dat in het midden des troons is, zal hen weiden, en zal hun een Leidsman zijn tot levende fonteinen der wateren. (Op. 7)


Amen.
Zoo zullen wij, de schapen Uwer weiden,

In eeuwigheid Uw lof, Uw eer verbreiden,

En zingen, van geslachten tot geslachten

Uw trouw, Uw roem,

Uw onverwinb're krachten.

(Psalm 79 : 7)



Afscheidswoord :
Geliefde broeders ,en zusters. Met een persoonlijk woord wil ik nu afscheid nemen. Ik kan het vanmiddag algemeen houden, omdat we morgenavond nog intiem zullen samenzijn. En dan wil ik u dit zeggen: al mijn arbeid is geweest een drijven van de ganse kudde, onder de heerschappij van het Woord Gods. Een brengen onder de staf lieflijkheid en samenbinding, ,die Christus over Zijn volk opheft. Ik heb niet willen binden aan persoonlijke gedachten maar alleen aan het goede Woord Gods. En ik had de zekerheid in mij, dat zó alléén Christus vergaderende arbeid onder u gelukkig kon voortgaan. En ik wist dat zo alleen dit Woord zijn werking zou doen, zodat de een zich al vrijwilliger zou laten leiden, en de ander zich al meer en meer zou verharden. Maar het welbehagen Gods zou triumferen èn in de bekering èn in de verharding. Echter, wie zou, z'n arbeid overziende, niet moeten erkennen, hoe onvolkomen het geweest is! De Opperherder vergeve mij de vele zonden en gebreken, die mijn arbeid hebben aangekleefd. Maar Hij weet van mijn roepingsbesef en mijn sterke begeerte u allen te binden aan de grote Herder der schapen, ten eeuwigen leven. Dat heb ik begeerd in mijn preekwerk, catechisatiearbeid, ziekenbezoek, vermaanbezoek en huisbezoek. En, u bindend aan Hem, heb ik geloofd, dat Hij Zelf het grote werk zou doen, nl. het wekken van geloof en bekering, het schenken van rechtvaardigmaking en heiligmaking. U bindend aan Hem, heb ik geloofd, dat Hij Zelf roepen zou het schone getal der verkiezing, Zijn Kerk bewarend en vermeerderend.

Ja, u bindend aan Hem en aan Zijn Woord, was het mijn grote begeerte, u allen straks te zien aan de bruiloft des Lams en met u allen te komen tot de dag der verheerlijking.


In al deze arbeid heb ik u leren liefkrijgen om 's Heren wil, de ouderen en de jongeren. Ik heb met vele zieken en stervenden meegeworsteld om ze te brengen in Gods trouwe Herdershanden. Ik heb me vaak verwonderd over de rustige overgave en het vast geloofsvertrouwen bij velen van de 76 broeders en zusters die opgeroepen zijn tijdens mijn ambtsperiode hier. Ik heb het een wondere weelde gevonden zulke grote scharen jonge mensen te Ieren luisteren naar de lokroep van hun goede Herder. En het is mij bijkans te machtig te bedenken dat er 158 naar Zijn stem hebben gehoord en door de belijdenis toonden dat ze Hem wilden volgen, waar Hij ook met hen heen zou gaan. Ik heb in de onvergeetlijke oorlogstijd in grote spanning met u meegeleefd en gebeden, zoals gij met mij, toen de huilende wolven wilden verscheuren de kudde van Christus en de dieven en moordenaars wilden inklimmen van elders.

Ik heb in de grote verwarring door de kerkstrijd met u alle zelfgenoegzaamheid en hooggevoelendheid afgeleerd, in diepe beschaamdheid over ons onvermogen de kudde van Christus bijeen te houden. Ik heb óók hoe langer hoe meer de nukken en grillen, de afdolingen en dwaasheden van de onderscheiden schapen en lammeren leren kennen, waardoor in mij een diepe verbazing groeide over de grote liefde van Jezus Christus en Zijn taai geduld met zoveel balorige schapen. Op Hem ziende, heb ik geleerd niet te wanhopen, ook niet bij droeve dingen, die zich in de kudde hebben voorgedaan en nog voordoen. Wij weten: naarmate Zijn dag nadert, komt óók de grote afval. Deze voltrekt zich in het verlaten van de Herder Jezus Christus.


Dit zeg ik tot de ouderlingen bijzonder. Nu moet de liefde tot haar grootste kracht komen om de afvalligen te vermanen en de ganse kudde te bewaren bij het goede Woord Gods. Nu de tijden zich verzwaren, moet de liefde zich verdiepen. Ik ben dankbaar, broeders van de Kerkeraad dat ik met u heb mogen arbeiden. Steeds gewillig, hebt ge veel werk voor mij weggenomen, en zijt ge mij tot grote steun geweest. Dat wij, niettegenstaande verschillen in zienswijze elkaar steeds weer konden dragen is niet onze verdienste, maar Christus herderlijke zorg geweest, waar~ voor we Hem diep hebben te danken. Hij schenke u óók straks alle wijsheid in het re- geren en alle liefde in het leiden der kudde, die Hij u toevertrouwd heeft om voor Hem te bewaren! Ook zende Hij spoedig, mede door uw biddende activiteit een getrouwe nieuwe onderherder.
Ik wil ook de Commissie van Beheer, inzonderheid de boekhouder, dank zeggen voor de goede wijze, waarop zij voor mij en mijn gezin gezorgd heeft. Christus heeft gezorgd, dat er genoeg was, ja méér dan dat, zodat ge de drukkende schuldenlast hebt kunnen wegdoen. Gelooft, broeders, dat er genoeg zal zijn, totdat Christus' samenvergaderend werk ten einde is.
Ik wil ook de arbeid der diakenen niet vergeten. U hebt altijd wel gemerkt, dat dit werk de liefde van mijn hart had Het heeft mij zeer verheugd, dat de zorgende liefde van Christus voor elk schaap der kudde kon getoond worden, tengevolge van de goede offervaardigheid. Dat de barmhartigheid zich verdiepe, naarmate het geven moeilijker wordt. Waar ge toch samen verzadiging ontvangt in Christus' weide ten eeuwigen leven, laat dan niemand uwer gebrek lijden voor het tijdelijk leven.
Ook de kerken in classicaal verband, wil ik in U, Ds. Mout, die straks óók als consulent zult optreden, dank zeggen voor de samenwerking in breder verband De nood der tijden heeft ons dichter bij elkaar gebracht en de strijd in de kerk heeft de broederlijke liefde toch niet uitgeblust in ons classicaal ressort. Moge de classis in volstrekte gebondenheid aan Gods Woord en op haar door Christus gegeven plaats, gezegend werken voor de kerken, ook tot herstel der eenheid. Tegen 't werk als consulent behoeft u niet bovenmachtig op te zien, want de kerkeraad hier zal niet zwaar op u gaan leunen, en de catechisanten zijn weliswaar dartele lammeren, maar zij mogen graag naar de herder horen, als hij ze om zich verzamelt.
Genabuurde kerken en collega's, u hier te zien vertegenwoordigd als blijk van uw belangstelling en meeleven, doet ons allen goed. Wij zijn samen op weg naar Christus' grote toekomst. Moge de band met het oog daarop steeds sterker gaan trekken. De laatste tocht is immers de zwaarste Maar Christus' congregerende arbeid zal gelukkiglijk voortgaan.
Tenslotte wil ik u; gemeente van Zwagerveen nog openlijk danken voor de liefde en de waardering, waarmee ge mij omringd hebt. Die liefde en waardering was vrucht van de liefde tot het Woord Gods en van de begeerte om met Christus te komen tot de eeuwige vreugde. Stel u bij den voortduur onder Zijn Woord. Laat u gewillig en met vreugde door Hem vergaderen. Het einde van de tocht is in 't zicht. Wees dan bij het -einde ook zéér dicht bij de Herder.
De God nu des Vredes, die onze Here Jezus Christus, de grote Herder der schapen, door het bloed van een eeuwig verbond uit de dood heeft teruggebracht, bevestige u in alle goed werk, om Zijn wil te doen. "Hem zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid.".
Halleluja I eeuwig dank en eere,

Lof, aanbidding, wijsheid, kracht,

Word' op aard' en in den hemel, Heere

Voor uw liefd' U toegebracht

Vader ! sla ons steeds in liefde gade

Zoon des Vaders! schenk ons uw genade';

Uw gemeenschap, Geest van God

Amen!I zij ons eeuwig lot.



(Gezang 29)
Slotzegen:
De genade van onzen Here Jezus Christus en de liefde Gods en de gemeenschap des Heiligen Geestes, zij met u allen. Amen



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina