Het Achterhuis Anne Frank Amsterdam 1947 Zondag, 14 Juni 1942



Dovnload 0.65 Mb.
Pagina1/18
Datum22.07.2016
Grootte0.65 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   18
Het Achterhuis Anne Frank

Amsterdam 1947



Zondag, 14 Juni 1942

Vrijdag 12 Juni was ik al om 6 uur wakker en dat is heel begrijpelijk, daar ik jarig was. Maar om 6 uur mocht ik toch nog niet opstaan, dus moest ik mijn nieuwsgierigheid bedwingen tot kwart voor zeven. Toen ging het niet langer, ik ging naar de eetkamer, waar ik door Moortje (de kat) met kopjes verwelkomd werd.

Om even na zevenen ging ik naar papa en mama en dan naar de huiskamer, om mijn cadeautjes uit te pakken. Het was in de eerste plaats jou die ik te zien kreeg, wat misschien wel een van mijn jnste cadeau's is. Dan een bos rozen, een plantje, twee takken pinkster-rozen, dat waren die ochtend de kinderen van Flora, die op mijn tafel stonden, maar er kwam nog veel meer.

Van papa en mama heb ik een heleboel gekregen en ook door onze vele kennissen ben ik erg verwend. Zo ontving ik o.a. deCamera Obscura, een gezelschapsspel, veel snoep, chocola, een puzzle, een broche, Nederlandse Sagen en Legenden door Joseph Cohen, Daisy's Bergvacantie, een enig boek, en wat geld, zodat ik me Mythen van Griekenland en Rome kan kopen, jn!

Dan kwam Lies mij halen en wij gingen naar school. In de pauze tracteerde ik leraren en leerlingen op boterkoekjes en toen moesten we weer aan het werk.

Nu moet ik ophouden. Dáág, ik vind je zo jn!



Maandag, 15 Juni 1942

Zondagmiddag had ik mijn verjaardag-partijtje. We hebben een lm gehad, De Vuurtorenwachter met Rin-tin-tin, die zeer in de smaak viel bij mijn klasgenootjes. We hadden veel pret en het was heel gezellig. Er waren veel jongens en meisjes. Moeder wil nog altijd weten met wien ik later zou willen trouwen. Ze kan nooit vermoeden, dat het Peter Wessel is, omdat ik het haar destijds zo zonder blikken af blozen uit het hoofd gepraat heb. Met Lies Goosens en Sanne Houtman ben ik al jaren bevriend, het waren mijn beste vriendinnen. Intussen heb ik Jopie de Waal op het Joodse Lyceum leren kennen. Wij zijn veel samen en zij is nu mijn beste vriendin. Lies is nu meer met een ander meisje samen en Sanne is op een andere school en heeft daar vriendinnen.



Zaterdag, 20 Juni 1942

Ik heb een paar dagen niet geschreven, omdat ik eerst eens goed over het hele dagboek-idee moest nadenken. Het is voor iemand als ik een heel eigenaardige gewaarwording om in een dagboek te schrijven. Niet alleen dat ik nog nooit geschreven heb, maar het komt me zo voor, dat later noch ik, noch iemand anders in de ontboezemingen van een dertienjarig schoolmeisje belang zal stellen. Maar ja, eigenlijk komt dat er niet op aan, ik heb zin om te schrijven en nog veel meer om mijn hart over allerlei dingen eens grondig en helemaal te luchten.

‘Papier is geduldiger dan mensen’, dit gezegde schoot me te binnen toen ik, op een van mijn licht-melancholieke dagen, verveeld met mijn hoofd op mijn handen zat en van lamlendigheid niet wist of ik uit moest gaan dan wel thuis blijven, en zo uiteindelijk op dezelfde plek bleef zitten piekeren. Ja, inderdaad, papier is geduldig, en daar ik niet van plan ben dat gecartonneerde schrift, dat de weidse naam ‘dagboek’ draagt, ooit aan iemand te laten lezen, tenzij ik nog eens ooit in mijn leven een vriend of vriendin krijg die dan ‘de’ vriend of vriendin is, kan het waarschijnlijk niemand schelen. Nu ben ik bij het punt beland, waar het hele dagboekidee om begonnen is: ik heb geen vriendin.

Om nog duidelijker te zijn, moet hierop een verklaring volgen, want niemand kan begrijpen dat een meisje van dertien helemaal alleen op de wereld staat; dat is ook niet waar: ik heb lieve ouders en een zuster van 16, ik heb alles bij elkaar geteld zeker wel 30 kennisjes en wat je dan vriendinnen noemt, - ik heb een stoet aanbidders, die me naar de ogen zien en als het niet anders kan, met een gebroken zakspiegeltje in de klas nog een glimp van me trachten op te vangen. Ik heb familie, lieve tantes en ooms, een goed thuis, neen, ogenschijnlijk ontbreekt het me aan niets, behalve aan ‘de’ vriendin. Ik kan met geen van mijn kennisjes iets anders doen dan pret maken, ik kan er nooit toe komen eens over iets anders te spreken dan over alledaagse dingen. Want wat intiemer te worden is niet mogelijk, en daar zit hem de knoop. Misschien ligt dat gebrek aan vertrouwelijkheid bij mij; in ieder geval, het feit is er en het is jammer genoeg ook niet weg te werken.

Daarom dit dagboek. Om nu het idee van een lang verbeide vriendin nog te verhogen in mijn fantasie, wil ik niet zo maar gewoon als ieder ander de feiten in dit dagboek plaatsen, maar wil dit dagboek de vriendin zelf laten zijn en die vriendin heet Kitty.

Daar niemand iets van mijn verhalen aan Kitty zou snappen, als ik zo met de deur in huis kom vallen, moet ik in het kort mijn levensgeschiedenis weergeven, hoewel niet graag.

Mijn vader trouwde pas op zijn 36ste jaar met mijn moeder, die toen 25 was. Mijn zuster Margot werd in 1926 geboren in Frankfurt a/M., op 12 Juni 1929 volgde ik en daar we volbloed -Joden zijn, emigreerden we in 1933 naar Nederland, waar mijn vader aangesteld werd als directeur van de Travies N.V.. Deze staat in nauwe relatie tot de rma Kolen & Co. in hetzelfde gebouw, waarvan vader mede deelgenoot is.

Ons leven verliep met de nodige opwindingen, daar de overgebleven familie niet door Hitlers Jodenwetten gespaard bleef. In 1938 na de progroms vluchtten mijn twee ooms, broers van mijn moeder en belandden veilig in U.S.A. Mijn oude grootmoeder kwam bij ons, ze was toen 73 jaar. Na Mei 1940 ging het bergaf met de goede tijden: eerst de oorlog, de capitulatie, intocht der Duitsers, waarna de ellende voor ons Joden begon. Jodenwet volgde op Jodenwet.

Joden moeten een Jodenster dragen. Joden moeten hun etsen afgeven. Joden mogen niet in de tram, Joden mogen niet meer in auto's rijden. Joden mogen alleen van 3-5 uur boodschappen doen en alleen in Joodse winkels, waar ‘Joods lokaal’ opstaat. Joden mogen vanaf 8 uur 's avonds niet op straat zijn en ook niet in hun tuin zitten, noch bij kennissen. Joden mogen zich niet in schouwburgen, bioscopen of andere voor vermaak dienende plaatsen ophouden, Joden mogen in het openbaar generlei sport beoefenen, ze mogen geen zwembad, tennisbaan, hockeyveld of andere sportplaats betreden. Joden mogen ook niet bij Christenen aan huis komen. Joden moeten op Joodse scholen gaan en nog veel meer van dergelijke beperkingen.

Zo ging ons leventje door en we mochten dit niet en dat niet. Jopie zei altijd tegen me: ‘Ik durf niets meer te doen, want ik ben bang dat het niet mag’. Onze vrijheid werd dus zeer beknot, maar het is nog uit te houden.

Oma stierf in Januari 1942; niemand weet hoeveel ik aan haar denk en nog van haar houd.

Al in 1934 kwam ik in de kleuterklas van de Montessorischool en ben verder op deze school gebleven. In 6B kwam ik bij de directrice, mevr. K., terecht; wij namen hartroerend afscheid aan het einde van het schooljaar en huilden alle twee. In 1941 werd ik, evenals mijn zuster Margot, naar het Joodse Lyceum overgeplaatst, zij in de 4 de en ik in de 1 ste klas.

Met ons gezin van vier gaat het nog steeds goed en zo ben ik dan op de huidige datum aangeland.

Zaterdag, 20 Juni 1942

Lieve Kitty,


Dan begin ik maar meteen; het is nu zo lekker rustig, vader en moeder zijn uit en Margot is met wat jongelui bij een vriendin gaan ping-pongen.

Ping-pongen doe ik de laatste tijd ook erg veel. Daar wij ping-pongsters vooral in de zomer erg van ijs houden en ping-pong warm maakt, loopt zo'n spel meestal uit op een tochtje naar de dichtstbijzijnde ijswinkels, die voor Joden geoorloofd zijn, namelijk Delphi ofOase. Naar portemonnaie of geld zoeken we al lang niet meer; bij de Oase is het meestal zo druk, dat er onder al de mensen altijd wel wat goedgeefse heren van onze uitgebreide kennissenkring of de een of andere aanbidder te vinden is, die ons meer ijs aanbieden dan we in een week opkunnen.

Ik denk, dat je wel een beetje verbaasd zult zijn over het feit, dat ik, zo jong als ik ben, over aanbidders spreek. Helaas, dit euvel schijnt bij ons op school niet te vermijden te zijn. Zodra een jongen mij vraagt of hij met mij mee naar huis mag etsen en daarop een gesprek begint, kan ik er negen van de tien keer van overtuigd zijn, dat de desbetreffende jongeling de lastige gewoonte heeft dadelijk in vuur en vlam te raken en me niet meer uit het oog laat. Na verloop van tijd zakt die verliefdheid heus wel weer af, vooral omdat ik me van vurige blikken niet veel aantrek en lustig doorpeddel. Als het soms te bont wordt en ze over ‘vader vragen’ gaan bazelen, zwaai ik een beetje met mijn ets, tas valt, de jongeman moet fatsoenshalve afstappen en na de tas weer afgeleverd te hebben, heb ik al lang weer een ander gespreksthema aangeknoopt.

Dit zijn nog maar de onschuldigsten, je hebt er natuurlijk ook onder, die kushandjes sturen of een arm proberen te bemachtigen, maar dan zijn ze beslist aan het verkeerde adres. Ik stap af en weiger verder van zijn gezelschap gebruik te maken, of ben zogenaamd beledigd en zeg hem in kernachtige bewoordingen, dat hij naar huis kan gaan.

Ziezo, de grondslag voor onze vriendschap is gelegd, tot morgen! Je Anne.

Zondag, 21 Juni 1942

Lieve Kitty,


Onze hele 1 B-klas bibbert; de aanleiding is de in het vooruitzicht gestelde leraarsvergadering. De halve klas is aan het wedden over zittenblijven of overgaan. Miep de Jong en ik lachen ons naar om onze twee achterburen Wim en Jacques, die hun hele vacantiekapitaal tegen elkaar verwed hebben. ‘Jij gaat over’, ‘Nietes’, ‘Welles’, van 's morgens vroeg tot 's avonds laat, zelfs Mieps smekende blikken om stilte en mijn boze uitvallen kunnen die twee niet tot kalmte brengen.

Volgens mij moest een vierde van de hele klas blijven zitten, zulke uilen zitten er in, maar leraren zijn de nukkigste mensen die er bestaan, misschien zijn ze nu, bij uitzondering, eens nukkig naar de goede kant.

Voor mijn vriendinnen en mijzelf ben ik niet zo bang, we zullen er wel doorheen rollen. Alleen in wiskunde ben ik onzeker. En n, afwachten maar. Tot zolang spreken we elkander moed in.

Ik kan het met al mijn leraren en leraressen nogal goed vinden, het zijn er negen in getal, waarvan zeven mannelijke en twee vrouwelijke. Mijnheer Kepler, de oude wiskundeleraar, was een tijd lang erg kwaad op me, omdat ik zoveel kletste: vermaning volgde op vermaning, tot ik strafwerk kreeg. Een opstel maken met tot onderwerp ‘Een kletskous’. Een kletskous! Wat kan je daar nu over schrijven? Maar dat was van later zorg en ik stopte mijn agenda na inschrijving in mijn tas en probeerde me rustig te houden.

's Avonds, thuis, toen al mijn andere huiswerk af was, viel mijn oog op de aantekening van het opstel. Met het eindje van mijn vulpen in mijn mond begon ik over het onderwerp na te denken; zo maar gewoon wat bazelen en zo wijd mogelijk uit elkaar schrijven kan iedereen, maar een afdoende bewijs voor de noodzakelijkheid van het praten te vinden, dat was de kunst. Ik dacht en dacht, dan had ik opeens een idee, ik pende mijn 3 opgegeven kantjes vol en was voldaan. Als argumenten had ik aangevoerd, dat praten vrouwelijk is, dat ik wel mijn best zou doen het een beetje te temperen, maar a eren zou ik het wel nooit, daar mijn moeder net zoveel praatte als ik, zo niet meer en dat aan overgeërfde eigenschappen nu eenmaal weinig te doen is.

Mijnheer Kepler moest erg om mijn argumenten lachen, maar toen ik mijn praat-uurtje in de volgende les toch weer voortzette, volgde ook het tweede opstel. Ditmaal moest het een ‘onverbeterlijke kletskous’ zijn. Ook dit werd ingeleverd en Kepler had twee lessen lang niet te klagen. In de derde les werd het hem echter weer te bont. ‘Anne, als strafwerk voor praten, een opstel over het onderwerp ‘Kwek, kwek, kwek, zei juffrouw Snaterbek’. De klas schaterde. Ik moest wel meelachen, hoewel mijn vindingrijkheid op het gebied van kwebbelopstellen uitgeput was. Ik moest er iets anders, heel origineels op vinden. Het toeval kwam me te hulp, mijn vriendin Sanne, goede dichteres, bood haar hulp aan om het opstel van begin tot eind op rijm in te leveren. Ik juichte. Kepler wou me met dit onzinnige onderwerp in de maling nemen, ik zou hem met mijn gedicht driedubbel in de maling nemen.

Het gedicht kwam af en was prachtig. Het handelde over een moeder eend en een vader zwaan, met drie kleine eendjes, die wegens te veel kwebbelen door den vader doodgebeten werden. Kepler verstond de grap gelukkig goed, hij las het gedicht met commentaar in de klas voor en in verschillende andere klassen ook nog.

Sindsdien mocht ik praten en kreeg nooit meer strafwerk, integendeel, Kepler maakt nu altijd grapjes.

Je Anne.

Woensdag, 24 Juni 1942

Lieve Kitty,


Het is smoorheet, iedereen puft en bakt en in die hitte moet ik alles belopen. Nu

zie ik pas hoe jn een tram toch is, vooral een open, maar dat genot is voor ons Joden niet langer weggelegd, voor ons is de benenwagen goed genoeg. Gisteren moest ik tussen de middag naar de Jan Luykenstraat naar de tandarts. Het is van onze school in de Stadstimmertuinen een lange weg; op school viel ik 's middags dan ook haast in slaap. Gelukkig dat de mensen je vanzelf al iets te drinken aanbieden, de zuster van den tandarts is werkelijk een hartelijk mens.

Het enige waarop we nog mogen is de pont. Over de Josef Israëlskade vaart een kleine boot, waarvan de veerman ons dadelijk meenam, toen we hem vroegen ons over te zetten. Aan de Hollanders ligt het heus niet, dat wij Joden het zo ellendig hebben.

Ik wou maar, dat ik niet naar school moest, mijn ets is in de Paasvacantie gestolen en die van moeder heeft vader bij Christenmensen in bewaring gegeven. Maar gelukkig nadert de vacantie met snelle schreden, nog een week en het leed is geleden.

Gistermorgen is me wat leuks overkomen. Ik kwam langs de rijwielstalling, toen iemand me riep. Ik keek om en zag een aardigen jongen achter me staan, dien ik de avond tevoren bij Eva, een kennisje, ontmoet had. Hij kwam een beetje verlegen dichterbij en stelde zich voor als Harry Goldberg. Ik was een beetje verbaasd en wist niet goed wat hij wilde, maar dat bleek al spoedig. Harry wou van mijn gezelschap gebruik maken en me naar school brengen. ‘Als je toch dezelfde kant op moet, ga ik wel mee’, antwoordde ik en zo gingen we samen. Harry is al 16 en weet over allerlei dingen leuk te vertellen. Vanochtend wachtte hij weer op me en in het vervolg zal het nu wel zo blijven.

Je Anne.


Dinsdag, 30 Juni 1942

Lieve Kitty,


Tot vandaag toe kon ik heus geen tijd vinden om weer te schrijven. Donderdag was ik de hele middag bij kennissen, Vrijdag hadden we visite en zo ging het door tot vandaag. Harry en ik hebben elkaar in die week goed leren kennen, hij heeft me veel van zijn leven verteld; hij is zonder zijn ouders hier in Nederland gekomen bij zijn grootouders. Zijn ouders zijn in België.

Harry had een meisje, Fanny, ik ken haar als een voorbeeld van zachtheid en saaiheid. Sinds hij mij ontmoet heeft, is Harry tot de ontdekking gekomen, dat hij aan Fanny's zijde inslaapt. Ik ben dus zo'n soort wakkerhoudmiddel, een mens weet nooit waar hij nog eens voor gebruikt wordt.

Zaterdagavond heeft Jopie bij me geslapen, maar Zondagmiddag was ze bij Lies en ik heb me doodverveeld. Harry zou 's avonds bij mij komen, maar bij zessen belde hij op. Ik ging naar de telefoon, toen zei hij: ‘Hier is Harry Goldberg, mag ik Anne alstublieft even spreken?’

‘Ja, Harry, hier is Anne’.


‘Dag Anne, hoe gaat het met je?’
‘Goed, dank je wel’.
‘Ik moet je tot mijn spijt zeggen, dat ik vanavond niet bij je kan komen, maar ik

zou je nu nog wel even willen spreken; is het goed dat ik over tien minuten voor je deur ben?’

‘Ja, dat is goed, nou dáág!!!’
‘Dáág, ik kom direct’.
Hoorn neer.
Ik ben me gauw gaan verkleden en heb mijn haar een beetje opgedoft. Toen ben

ik zenuwachtig uit het raam gaan hangen. Eindelijk kwam hij er aan. Wonder boven wonder ben ik niet meteen de trap afgesuisd, maar heb rustig afgewacht tot hij gebeld heeft. Ik ging naar beneden en hij viel meteen met de deur in huis.

‘Zeg Anne, mijn grootmoeder vindt jou nog te jong om geregeld mee om te gaan en ze zegt, dat ik naar de Leurs moet gaan, maar je weet misschien, dat ik niet meer met Fanny omga!’

‘Neen, hoezo, hebben jullie ruzie gehad?’

‘Neen, integendeel, ik heb tegen Fanny gezegd, dat we toch niet goed met elkaar konden opschieten en dat we daarom maar niet meer met elkaar om moesten gaan, maar dat Fanny bij ons nog heel welkom was, en dat ik hoopte, dat ik dat ook bij haar was. Ik dacht namelijk dat Fanny met een anderen jongen rondzwierf en heb haar daar ook naar behandeld. Maar dat was helemaal niet waar, en nu zei mijn oom dat ik Fanny excuus moest aanbieden, maar dat wilde ik natuurlijk niet en daarom heb ik het uitgemaakt. Maar dat was maar een van de vele redenen. Mijn grootmoeder wil namelijk dat ik naar Fanny ga, en niet naar jou, maar daar denk ik niet over; oude mensen hebben soms erg ouderwetse begrippen en daar kan ik me niet naar richten. Ik heb mijn grootouders wel nodig, maar in zekere zin hebben zij mij toch ook nodig.

Nu heb ik voortaan Woensdagavonds altijd vrij, omdat ik voor mijn grootouders naar houtsnijles ga, maar in werkelijkheid ga ik naar zo'n clubje van de zionistische beweging. Dat mag ik niet, omdat mijn grootouders erg tegen het zionisme zijn. Ik ben er ook niet fanatiek vóór, maar ik voel er wel wat voor en interesseer me er voor. Maar de laatste tijd is het daar ook zo'n rommelzootje, dat ik van plan ben er uit te gaan en daarom is Woensdagavond de laatste avond dat ik er naar toe ga. Dan kan ik dus Woensdagavond, Zaterdagmiddag, Zaterdagavond, Zondagmiddag en misschien nog wel vaker met jou omgaan’.

‘Maar als je grootouders het nu niet willen, dan moet jij het toch niet achter hun rug doen!’

‘Liefde laat zich nu eenmaal niet dwingen’.

Toen kwamen we langs de boekhandel op de hoek en daar stond Peter Wessel met nog twee jongens; het is voor het eerst in lange tijd dat hij me weer groette en ik had er echt plezier in.

Harry en ik liepen intussen steeds maar blokjes en het eind van het liedje was een afspraak, dat ik de volgende avond om vijf minuten voor zeven in Harry's stoep zou staan.

Je Anne.

Vrijdag, 3 Juli 1942

Lieve Kitty,


Gisteren was Harry bij ons thuis om met mijn ouders kennis te maken. Ik had taart en snoep gehaald, thee en koekjes, van alles was er, maar Harry noch ik hadden zin om zo naast elkaar op een stoel te blijven zitten, we zijn gaan wandelen en pas om 10 over 8 werd ik thuis afgeleverd. Vader was erg kwaad, vond het geen manier dat ik te laat thuis was, omdat het voor Joden gevaarlijk is na 8 uur buiten te zijn en ik moest beloven in het vervolg al om 10 minuten vóór acht binnen te zijn.

Morgen ben ik bij hem gevraagd. Mijn vriendin Jopie plaagt me steeds met Harry. Ik ben heus niet verliefd, o neen, ik mag toch wel vrienden hebben, niemand ziet er iets in, dat ik een vriendje heb of, zoals moeder het uitdrukt, een cavalier.

Eva heeft me verteld, dat Harry op een avond bij haar was en dat zij aan hem vroeg: ‘Wie vind je aardiger, Fanny of Anne?’ Toen zei hij: ‘Dat gaat je niets aan’. Maar toen hij de deur uitging, (ze hadden de hele avond niet meer samen gekletst) zei hij: ‘Nou, Anne hoor, daag, en aan niemand vertellen’. Floep, ging hij de deur uit.

Je kunt aan alles merken dat Harry nu verliefd op mij is, en dat vind ik voor de afwisseling wel leuk. Margot zou zeggen: ‘Harry is een erg geschikt joch’, en dat vind ik ook en nog wel meer dan dat. Moeder zit hem ook ontzettend te roemen, een knap joch (van gezicht dan), een beleefde jongen en een aardige jongen; ik ben blij dat Harry bij alle huisgenoten zo in de smaak valt. Hij mag ze ook graag. Maar mijn vriendinnen vindt hij erg kinderachtig en daar heeft hij gelijk in.

Je Anne.

Zondagochtend, 5 Juli 1942

Lieve Kitty,


De promotie Vrijdag in de Joodse Schouwburg is naar wens verlopen. Mijn rapport is helemaal niet zo slecht, ik heb één onvoldoende, een vijf voor algebra, twee zessen, verder allemaal zevens en twee achten. Thuis waren ze wel blij, maar mijn ouders zijn in cijferaangelegenheden heel anders dan andere ouders. Ze trekken zich nooit iets van goede of slechte rapporten aan en letten er alleen op of ik gezond ben, niet te brutaal en pret heb; als deze dingen in orde zijn, komt al het andere wel vanzelf. Ik ben het tegendeel, ik wil geen slechte leerling zijn, ik ben voorwaardelijk op het Lyceum aangenomen, omdat ik eigenlijk nog in de zevende klas van de 6de Montessorischool had moeten blijven. Maar toen alle Joodse kinderen naar Joodse scholen moesten, nam de directeur mij en Lies, na wat heen en weer gepraat, voorwaardelijk op. En ik wil zijn vertrouwen niet beschamen. Mijn zuster Margot heeft ook haar rapport, schitterend zoals gewoonlijk. Als cum laude bij ons zou bestaan, was ze zeker met lof overgegaan, zo'n knappe bol!

Vader is de laatste tijd veel thuis, in de zaak heeft hij niets meer te zoeken; naar gevoel moet dat zijn om je nu zo overbodig te voelen. Mijnheer Koophuis heeft de Travies overgenomen en mijnheer Kraler de rma Kolen & Co. Toen we een paar dagen geleden samen om ons pleintje wandelden, begon vader over onderduiken te praten. Hij had het er over, dat het erg moeilijk voor ons zal zijn om helemaal afgescheiden van de wereld te leven. Ik vroeg hem, waarom hij daar nu al over sprak. ‘Ja, Anne’, zei hij daarop, ‘je weet dat we al meer dan een jaar kleren, levensmiddelen en meubelen naar andere mensen brengen. Wij willen onze goederen niet in de handen van de Duitsers laten vallen, maar nog minder willen wij zelf gepakt worden. Wij zullen daarom uit onszelf weggaan en niet wachten, tot we gehaald worden’.

‘Maar vader, wanneer dan?’ Ik werd angstig door de ernst, waarmee vader dit zo zei.

‘Maak je daar maar niet ongerust over, dat regelen wij wel, geniet van je onbezorgd leventje, zolang je er van genieten kunt’. Dat was alles. O laat de vervulling van deze sombere woorden nog lang verre blijven!

Je Anne.

Woensdag, 8 Juli 1942

Lieve Kitty,


Vanaf Zondagmorgen tot nu lijkt een afstand van jaren. Er is zoveel gebeurd, dat

het is alsof de hele wereld zich plotseling omgedraaid heeft. Maar Kitty, je merkt dat ik nog leef en dat is de hoofdzaak, zegt vader.

Ja, inderdaad, ik leef nog, maar vraag niet waar en hoe. Ik denk dat je vandaag helemaal niets van me begrijpt, daarom zal ik maar beginnen met je te vertellen wat er Zondagmiddag gebeurd is.

Om 3 uur (Harry was even weggegaan, om later terug te komen) belde er iemand aan de deur. Ik hoorde het niet, daar ik lui in een ligstoel op de veranda in de zon lag te lezen. Even later verscheen Margot in opgewonden toestand aan de keukendeur. ‘Er is een oproep van de S.S. voor vader gekomen’, uisterde ze, ‘moeder is al naar mijnheer van Daan gegaan’. (Van Daan is een goede kennis en medewerker in papa's zaak.) Ik schrok ontzettend, een oproep, iedereen weet wat dat betekent; concentratiekampen en eenzame cellen zag ik al in mijn geest opdoemen en daarnaartoe zouden wij vader laten vertrekken. ‘Hij gaat natuurlijk niet’, verklaarde Margot mij, toen wij in de kamer op moeder zaten te wachten.

‘Moeder is naar Van Daan om te bespreken, of we morgen naar onze schuilplaats zullen vertrekken. De Van Daans gaan met ons mee onderduiken, we zijn dan met ons zevenen’. Stilte. We konden niet meer spreken, de gedachte aan vader, die geen kwaad vermoedend op bezoek was bij oude mensen in de Joodse Invalide, het wachten op moeder, de warmte, de spanning, dat alles deed ons zwijgen.

Plotseling werd er weer gebeld. ‘Dat is Harry’, zei ik.

‘Niet open doen’, hield Margot mij tegen, maar dat was overbodig, we hoorden moeder en mijnheer Van Daan beneden met Harry praten, toen kwamen ze binnen en sloten de deur achter zich dicht. Bij elke bel moesten Margot of ik nu zachtjes naar beneden om te zien of het vader was, andere mensen lieten we niet toe.

Margot en ik werden uit de kamer gestuurd. Van Daan wou met moeder alleen spreken. Toen Margot en ik in onze slaapkamer zaten, vertelde zij, dat de oproep niet vader maar haar betrof. Ik schrok opnieuw en begon toen te huilen. Margot is zestien; zulke jonge meisjes willen ze dus alleen weg laten gaan. Maar gelukkig zou ze niet gaan, moeder had het zelf gezegd en daarop zouden dan ook vaders woorden wel gedoeld hebben, toen hij het met mij over onderduiken had.

Onderduiken, waar zouden we gaan onderduiken, in de stad, op het land, in een huis, in een hut, wanneer, hoe, waar...? Dat waren vragen, die ik niet mocht stellen, en die toch steeds weer terugkwamen. Margot en ik begonnen het nodigste in een schooltas te pakken. Het eerste wat ik er in stopte, was dit gecartonneerde schrift, daarna krulpennen, zakdoeken, schoolboeken, kam, oude brieven; ik dacht aan het onderduiken en stopte daardoor de gekste onzin in de tas. Maar ik heb er geen spijt van; geef meer om herinneringen dan om jurken.

Om 5 uur kwam vader eindelijk thuis, we belden mijnheer Koophuis op en vroegen of hij nog 's avonds zou kunnen komen. Van Daan ging weg en haalde Miep. Miep is vanaf 1933 bij vader in de zaak en een intieme kennis geworden, evenals haar nieuwbakken echtgenoot Henk. Miep kwam, nam wat schoenen, jurken, jasjes, ondergoed en kousen in een tas mee en beloofde 's avonds terug te komen. Daarna was het stil in onze woning; geen van vieren wilden we eten, het was nog warm en alles was erg vreemd. Onze grote bovenkamer hadden we verhuurd aan een zekeren mijnheer Goudsmit, gescheiden man van in de dertig, die deze avond schijnbaar niets te doen had; daarom bleef hij tot 10 uur bij ons rondhangen en was met goede woorden niet weg te krijgen. Om elf uur kwamen Miep en Henk van Santen. Weer verdwenen schoenen, kousen, boeken en ondergoed in Mieps tas en Henks diepe zakken, om half 12 waren ook zij verdwenen. Ik was doodmoe en hoewel ik wist, dat het de laatste nacht in mijn bed zou zijn, sliep ik dadelijk en werd pas om half zes in de ochtend door moeder gewekt. Gelukkig was de hitte iets minder dan Zondag; een warme regen stroomde de hele dag door. We kleedden ons alle vier zo dik aan, alsof we in een ijskast zouden moeten overnachten en dat alleen om nog wat kleren mee te nemen. Geen Jood zou het in onze toestand gewaagd hebben met een koffer vol kleren uit huis te gaan. Ik had 2 hemdjes, 3 broeken, een jurk, daarover rok, jasje, zomerjas, twee paar kousen, dichte schoenen, muts, sjaal en nog meer aan, ik stikte thuis al, maar daar vroeg niemand naar.

Margot stopte haar schooltas vol met schoolboeken, haalde haar ets uit de stalling en reed achter Miep aan weg naar voor mij onbekende verten. Ik wist namelijk nog steeds niet, waar de geheimzinnige plaats van onze bestemming zou zijn. Om half acht sloten ook wij de deur achter ons; de enige van wie ik afscheid te nemen had was Moortje, mijn kleine poesje, dat een goed tehuis bij de buren zou krijgen, zoals aangegeven stond op een briefje aan mijnheer Goudsmit geadresseerd.

In de keuken een pond vlees voor de kat, de ontbijtboel op tafel, de bedden afgehaald, dat alles wekte de indruk alsof we hals over kop vertrokken waren. Indrukken konden ons niet schelen, weg wilden we, alleen maar weg en veilig aankomen, anders niets.

Morgen vervolg. Je Anne.



  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   18


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina