Het Achterhuis Anne Frank Amsterdam 1947 Zondag, 14 Juni 1942



Dovnload 0.65 Mb.
Pagina10/18
Datum22.07.2016
Grootte0.65 Mb.
1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   ...   18

Woensdag, 12 Januari 1944

Lieve Kitty,


Sinds 14 dagen is Elli weer bij ons. Miep en Henk konden twee dagen niet op hun

plaats zijn, ze hadden alle twee hun maag bedorven. Ik heb op het ogenblik dans- en balletbevliegingen en oefen elke avond vlijtig danspassen. Uit een lichtblauwe onderjurk met kant van Mansa heb ik een hypermoderne dansjurk vervaardigd. Van boven is er een bandje doorgetrokken, dat boven de borst sluit; een rose geribbeld lint voltooit het geheel. Tevergeefs probeerde ik van mijn gymschoenen echte ballet adden te maken. Mijn stijve ledematen zijn hard op weg om, zoals vroeger, soepel te worden. Een knaloefening vind ik op de grond zitten, met elke hand een hiel vasthouden en dan beide benen in de hoogte tillen. Ik moet wel een kussen als onderlegsel gebruiken, anders wordt mijn arme stuitje te zeer mishandeld.

Hier lezen ze een boek Ochtend zonder wolken getiteld. Moeder vond het buitengewoon goed; er zijn veel jeugdproblemen in beschreven. Een beetje ironisch dacht ik bij mezelf: ‘Bemoei je maar eerst meer met je eigen jeugd’.

Ik geloof dat moeder denkt, dat Margot en ik de beste verhouding tot onze ouders hebben, die er maar bestaat, en dat niemand zich meer met het leven van zijn kinderen bemoeit dan zij. Ze kijkt in deze stellig alleen naar Margot, want ik geloof dat zij zulke problemen en gedachten als ik heb nooit heeft. Moeder wil ik helemaal niet op de gedachten brengen, dat het bij één van haar spruiten er heel anders uitziet dan zij zich dat voorstelt, want zij zou geheel verbijsterd staan en toch niet weten hoe de zaak dan anders aan te pakken; het verdriet dat daardoor voor haar zou volgen wil ik haar besparen, vooral omdat ik weet, dat alles voor mij toch hetzelfde zou blijven.

Moeder voelt wel, dat Margot veel meer van haar houdt dan ik, maar zij denkt dat dit bij periodes zo is! Margot is zo lief geworden, zij lijkt mij heel anders dan vroeger, ze is lang zo kattig niet meer en wordt een echte vriendin. Ze beschouwt me in het geheel niet meer als de kleine uk waar je geen rekening mee te houden hebt.

Het is een gek verschijnsel dat ik mij soms zie als door de ogen van een ander. Ik bekijk me de zaken van een zekere ‘Anne’ dan op mijn dooie gemak en zit in mijn eigen levensboek te bladeren, alsof het van een vreemde was. Vroeger, thuis, toen ik nog niet zoveel nadacht, had ik bij tijd en wijle het gevoel, dat ik niet bij Mansa, Pim en Margot hoorde en altijd een buitenbeentje zou blijven. Soms speelde ik dan wel een tijdje de rol van een weeskind, totdat ik mezelf bestrafte en me verweet, dat het niets dan mijn eigen schuld was, dat ik de lijdenspersoon speelde, terwijl ik het altijd zo goed had. Dan volgde een periode waarin ik me dwong vriendelijk te zijn. Elke morgen als iemand de trap afkwam hoopte ik, dat het moeder zou zijn, die me goeden morgen zou zeggen en ik begroette haar lief, omdat ik me er ook werkelijk in verheugde, dat ze me zo lief aankeek. Dan, door de een of andere opmerking, was ze onvriendelijk tegen me en dan ging ik geheel ontmoedigd naar school. Op weg naar huis verontschuldigde ik haar, dacht bij mezelf dat ze zorgen had, kwam opgewekt thuis, praatte honderd uit, totdat zich hetzelfde herhaalde en ik met een peinzend gezicht met mijn schooltas de deur uitging. Soms nam ik me voor boos te blijven, maar uit school thuisgekomen had ik zoveel nieuws, dat ik mijn voornemen al lang vergeten was en moeder onder alle omstandigheden een open oor voor al mijn belevenissen moest hebben. Dan kreeg ik weer de tijd, waarin ik 's morgens niet meer naar stappen op de trap luisterde, me eenzaam voelde en 's avonds mijn kussentje met tranen overgoot.

Hier is alles veel erger geworden, en n, je weet het.
Eén hulp in deze dingen heeft God me nu gestuurd. ‘Peter’...
Ik voel even aan mijn hangertje, druk er een zoen op, en denk: ‘Wat kan me de

hele rommel ook schelen! Peter hoort bij mij en niemand weet er van’. Op die manier kan ik elke afsnauwing overwinnen.

Wie zou weten, hoeveel er in een bakvisziel omgaat? Je Anne.

Zaterdag, 15 Januari 1944

Lieve Kitty,


Het heeft geen doel, dat ik je steeds weer tot in de kleinste bijzonderheden ruzies en disputen beschrijf. Ik vind het voldoende als ik je vertel, dat we zeer veel dingen, zoals vet, boter en vlees gedeeld hebben en onze eigen aardappels bakken. Sinds enige tijd eten we er wat roggebrood extra bij, omdat we om vier uur al reikhalzend naar het middageten uitzagen en onze rammelende magen haast niet in bedwang konden houden.

Moeders verjaardag nadert met rasse schreden. Zij heeft van Kraler extra suiker gekregen, een aanleiding voor jaloezie van de kant van de Van Daans, omdat bij mevrouws verjaardag de tractatie overgeslagen was. Maar waar dient het voor elkaar nog verder met harde woorden, huilbuien en nijdige gesprekken te vervelen! Wees er van overtuigd, Kitty, dat ze ons nòg meer vervelen. Moeder heeft de voorlopig onuitvoerbare wens geuit, dat ze de Van Daans 14 dagen niet behoeft te zien.

Ik vraag me herhaaldelijk af, of men met alle mensen, waar men zo lang mee samenwoont, op den duur ruzie zou krijgen. Of hebben wij misschien erg gewanboft? Is het merendeel van de mensheid dan zo egoïstisch en schraperig? Ik vind het best, dat ik hier een klem beetje mensenkennis gekregen heb, maar het lijkt me nu voldoende. De oorlog stoort zich toch niet aan onze ruzies, vrijheids- en lucht-neigingen en daarom moeten we proberen het beste van ons verblijf te maken. Ik zit te preken, maar ik geloof ook dat ik, als ik hier nog lang blijf, een uitgedroogde bonenstaak word. En ik zou zo graag nog een echte bakvis zijn!

Je Anne.


Zaterdag, 22 Januari 1944

Lieve Kitty,


Kan jij me misschien vertellen hoe het komt, dat alle mensen hun innerlijk zo angstvallig verbergen? Hoe het komt, dat ik in gezelschap altijd heel anders doe dan ik moest doen?

Waarom vertrouwt de een de ander zo weinig? Ik weet het, er zal zeker een reden zijn, maar soms vind ik het erg naar dat je nergens, zelfs bij de mensen die je het naast staan, vertrouwelijkheid vindt.

Het lijkt me, alsof ik sinds de nacht van mijn droom ouder geworden ben, veel meer ‘een persoon op zichzelf’. Je zult wel heel erg gek opkijken als ik je zeg, dat zelfs de Van Daans een andere plaats bij mij ingenomen hebben. Ik bekijk ineens al die discussies enzovoort enzovoort niet meer vanuit ons vooringenomen standpunt.

Hoe kom ik zo veranderd? Ja, zie je, ik dacht er opeens aan dat, als moeder anders was, een echte mams, onze verhouding dan heel en heel anders geweest zou zijn. Het is natuurlijk wel waar, dat mevrouw Van Daan allesbehalve een jn mens is, maar toch denk ik dat, als moeder niet óók moeilijk te hanteren werd bij elk puntig gesprek, de helft van alle ruzies vermeden had kunnen worden.

Mevrouw Van Daan heeft namelijk één zonzijde en dat is, dat je met haar praten kunt. Ondanks alle egoïsme, schraperigheid en achterbaksheid kun je haar makkelijk tot toegeven bewegen, als je haar maar niet prikkelt en weerbarstig maakt. Tot de volgende aanleiding werkt dit middel niet, maar als je een geduldig iemand bent, kun je dan opnieuw proberen hoe ver je komt.

Al onze opvoedingskwesties, de verwennerij, het eten, alles en alles had een heel andere loop genomen, als men open en vriendschappelijk was gebleven en niet steeds alleen de slechte kanten voor ogen had gehad.

Ik weet precies wat je zult zeggen, Kitty. ‘Maar Anne, komen deze woorden heus van jou? Van jou, die zoveel harde woorden van boven hebt moeten horen, van jou, die al het onrecht weet, dat er gebeurd is?’ En toch, het komt van mij.

Ik wil opnieuw alles doorgronden en daarbij niet volgens het spreekwoord: ‘Zoals de ouden zongen, piepen de jongen’ te werk gaan. Ik wil zelf de Van Daans onderzoeken en zien wat waar en wat overdreven is. Als ik dan zelf de teleurstelling ondervonden heb, kan ik weer eenzelfde lijn trekken met vader en moeder, zo niet, dan zal ik eerst proberen hen van hun verkeerde voorstelling af te brengen en als dat niet mocht lukken, dan zal ik toch mijn eigen mening en oordeel hoog houden. Ik zal elke gelegenheid aangrijpen om openlijk met mevrouw over vele twistpunten te praten en niet bang zijn om, ondanks de naam van wijsneus, mijn neutrale mening te zeggen.

Ik moet nu niet tegen mijn eigen familie ingaan, maar roddelen van mijn kant behoort, van vandaag af, tot het verleden.

Tot nu toe dacht ik rotsvast, dat alle schuld van de ruzies bij de Van Daans ligt, maar een deel lag zeker ook bij ons. Wij hadden wel gelijk met wat de onderwerpen betreft, maar van verstandige mensen (waartoe wij ons rekenen!) verwacht men toch wat meer inzicht, hoe andere mensen te behandelen. Ik hoop dat ik een tikkeltje van dat inzicht gekresen heb en de gelegenheid zal vinden het goed aan te wenden.

Je Anne.

Maandag, 24 Januari 1944

Lieve Kitty,


Mij is iets overkomen, of eigenlijk kan ik van overkomen niet spreken, dat ik zelf gek vind.

Vroeger thuis en op school werd er over geslachtsvraagstukken òf geheimzinnig òf weerzinwekkend gesproken. Woorden die daar betrekking op hadden werden ge uisterd en vaak werd iemand, als hij niets wist, uitgelachen. Ik vond dat raar en dacht: ‘Waarom spreekt men over deze dingen zo geheimzinnig en vervelend?’ Maar omdat daar toch niets aan te veranderen scheen, hield ik zoveel mogelijk mijn mond of vroeg soms ook vriendinnen om inlichtingen.

Toen ik van veel op de hoogte was en ook met mijn ouders gesproken had, zei moeder op een dag: ‘Anne, ik geef je een goede raad, spreek over dit onderwerp nooit met jongens en geef geen antwoord als zij er over beginnen’. Ik weet mijn antwoord heel precies, ik zei: ‘Neen, natuurlijk niet, stel je voor!’

En daar is het bij gebleven.

In het begin van de onderduiktijd vertelde vader dikwijls wat van dingen, die ik liever van moeder gehoord had en de rest kwam ik uit boeken of gesprekken wel te weten. Peter van Daan was nooit zo vervelend op dit gebied als de jongens op school, in het begin misschien een enkele keer, maar nooit om mij aan het praten te krijgen.

Mevrouw had ons eens verteld dat zij met Peter over deze dingen nooit gesproken had en naar zij wist, ook haar man niet. Schijnbaar wist ze niet eens in hoeverre Peter ingelicht was.

Gisteren, toen Margot, Peter en ik aan het aardappelschillen waren, kwam het gesprek vanzelf op Mof . ‘We weten nog steeds niet, van welk geslacht Mof is, hè?’ vroeg ik.

‘Toch wel’, antwoordde hij, ‘het is een kater’. Ik begon te lachen. ‘Mooie kater die in verwachting is’. Peter en Margot lachten mee om die grappige vergissing. Peter had namelijk een maand of twee geleden geconstateerd, dat het niet lang zou duren of Mof had kinderen, haar buik werd opzienbarend dik. De dikte bleek echter van de vele gestolen boutjes te komen en de kindertjes groeiden niet hard, laat staan, dat ze geboren werden.

Peter moest zich tegen die beschuldiging toch even verdedigen. ‘Neen’, zei hij, ‘Je kunt zelf meegaan om hem te bekijken, ik heb, toen ik eens met hem ravotte, heel goed gezien, dat hij een kater is’.

Ik was niet in staat mijn nieuwsgierigheid te bedwingen en ging mee naar het magazijn. Mof had echter geen ontvanguur en was nergens te bekennen. Wij wachtten een poosje, kregen het koud en stegen al de trappen weer op. Later op de middag hoorde ik hem voor de tweede keer naar beneden gaan. Ik raapte al mijn moed samen om alleen het stille huis door te lopen, en belandde in het magazijn. Op de paktafel stond Mof te spelen met Peter, die hem juist op de weegschaal zette om zijn gewicht te controleren.

‘Hallo, wil je hem zien?’ Hij maakte geen lange toebereidselen, pakte het dier op, draaide hem op zijn rug, hield heel handig kop en poten vast en de les begon. ‘Dit is het mannelijk geslachtsdeel, dit zijn een paar losse haartjes en dat is zijn achterste’. De kat maakte nogmaals een halve draai en stond weer op zijn witte sokjes.

Iedere andere jongen, die me ‘het mannelijk geslachtsdeel’ zou hebben gewezen, zou ik niet meer aangekeken hebben.

Maar Peter sprak doodgewoon verder over het anders zo penibele onderwerp, had helemaal geen nare bijbedoelingen en stelde me ten slotte in zoverre gerust, dat ik ook gewoon werd. We speelden met Mof , amuseerden ons, kletsten samen en gingen daarna slenterend het uitgestrekte pakhuis door naar de deur.

‘Ik vind wat ik wil weten altijd toevallig in het een of andere boek, jij niet?’ vroeg ik.

‘Waarom, ik vraag het boven wel. Mijn vader weet dat beter dan ik en heeft meer ervaring in die dingen’.

We stonden al op de trap en ik hield verder mijn mond.

‘'t Kan verkeren’, zei Bredero. Ja werkelijk, zo gewoon zou ik er nooit met een meisje over gesproken hebben. Ik weet ook zeker dat moeder dit nooit bedoelde, toen ze me voor de jongens waarschuwde. Ondanks alles was ik de hele dag een beetje uit mijn gewone doen, toen ik over ons gesprek nadacht, leek het me toch eigenaardig. Maar op één punt ben ik tenminste wijzer geworden: er zijn ook jonge mensen en nog wel van de andere sexe, die ongedwongen en zonder grappen kunnen spreken.

Zou Peter werkelijk veel aan zijn ouders vragen, zou hij dan heus zo zijn als hij zich gisteren voordeed?

Ach, wat weet ik er vanaf!!! Je Anne.

Donderdag, 27 Januari 1944

Lieve Kitty,


In de laatste tijd heb ik een sterke liefde voor stambomen en genealogische tabellen van koninklijke huizen opgevat en ben tot de conclusie gekomen, dat men, als men eenmaal met zoeken begint, steeds verder in de oudheid moet graven en tot steeds interessanter ontdekkingen komt.

Hoewel ik buitengewoon ijverig ben, wat mijn leervakken betreft, al tamelijk goed de home-service van de Engelse radio kan volgen, besteed ik nog veel Zondagen aan het uitzoeken en sorteren van mijn grote lmsterren-verzameling, die een zeer respectabele omvang aangenomen heeft.

Mijnheer Kraler maakt me elke Maandag blij, als hij de Cinema & Theater meebrengt. Hoewel deze verwennerij vaak betiteld wordt als geldverspilling, door de onmondaine huisgenoten, staan ze elke keer weer verbaasd over de nauwkeurigheid, waarmee ik na een jaar nog precies de medespelers in een bepaalde lm kan opnoemen. Elli, die dikwijls haar vrije dagen met haar vriend in de bios doorbrengt, deelt me de titel van de voorgenomen lms zaterdags mee en ik ratel haar zowel de hoofdrolvertolkers als de kritiek in enen af. Het is nog niet lang geleden, dat Mans zei, dat ik later niet naar de bioscoop hoefde, omdat ik inhoud, sterren en kritiek zo goed in mijn hoofd had.

Als ik op een dag met een nieuw kapsel aan kom zeilen, kijken ze me allemaal met afkeurende gezichten aan en ik kan er op rekenen dat er eentje vraagt welke lmster deze coiffure op haar hoofd heeft prijken. Als ik antwoord, dat het eigen vinding is, geloven ze me nog maar half.

Wat het kapsel aangaat, dat zit niet langer dan een half uur goed, dan ben ik zo beu van de afwijzende oordelen, dat ik me naar de badkamer spoed en gauw mijn gewone huis-, tuin- en keukenkapsel herstel.

Je Anne.


Vrijdag, 28 Januari 1944

Lieve Kitty,


Vanochtend heb ik me afgevraagd, of jij je niet voorkomt als een koe, die al de

oude nieuwtjes steeds opnieuw weer moet herkauwen en die van het eenzijdige voedsel ten slotte hard gaapt en in stilte wenst, dat Anne eens wat nieuws opduikelt. Helaas, ik weet, het oude is vervelend voor jou, maar denk je eens in, hoe zeurderig

ik van de oude koeien word, die steeds opnieuw uit de sloot gehaald worden. Als een tafelgesprek niet over politiek of een heerlijke maaltijd gaat, wel dan komen moeder of mevrouw maar weer met al lang vertelde jeugdverhalen op de proppen, of bazelt Dussel over de uitgebreide klerenkast van zijn vrouw, mooie renpaarden, lekke roeiboten, jongens die met vier jaar zwemmen, spierpijn en angstige patiënten. Het komt alles hier op neer, dat, als een van de acht zijn mond open doet, de andere zeven zijn begonnen verhaal kunnen afmaken. De pointe van elke mop weten we al van te voren en de verteller lacht in zijn eentje om de geestigheid. De diverse melkboeren, kruideniers en slagers van de ex-huisvrouwen zien wij in onze verbeelding al met een baard, zoveel zijn ze aan tafel opgehemeld of afgemaakt; het is onmogelijk dat iets nog jong en fris is, als het in het Achterhuis ter sprake komt.

Dat alles zou nog te dragen zijn, als de volwassenen er niet zo'n handje van hadden, verhalen die Koophuis, Henk of Miep ten beste geven, tien keer over te vertellen en het elke volgende keer opsieren met hun eigen bedenksels, zodat ik me vaak onder tafel in mijn arm moet knijpen om den enthousiasten verteller niet de juiste weg te wijzen. Kleine kinderen, zoals Anne er een is, mogen volwassenen onder geen omstandigheid verbeteren, welke blunders ze ook mogen slaan of welke onwaarheden en bedenksels ze uit hun duim zuigen.

Een onderwerp dat Koophuis en Henk nogal eens eer aan doen, is het schuilen of onderduiken. Zij weten heel goed dat alles, wat op andere onderduikers of verstopte mensen betrekking heeft, ons brandend interesseert en dat wij oprecht meeleven met opgepakte onderduikers in hun leed, zowel als met bevrijde gevangenen in hun vreugde.

Onderduiken en schuilen zijn net zo'n gewoon begrip geworden als vroeger de pantoffels van papa, die voor de kachel moesten staan. Instellingen als ‘Vrij Nederland’, die persoonsbewijzen vervalsen, geld aan onderduikers verstrekken, plaatsen om onder te duiken vrijmaken, ondergedoken Christenjongens werk verlenen, zijn er heel veel en het is verbazingwekkend hoe veel, hoe nobel en hoe ons baatzuchtig werk er door de mensen wordt verricht, die met inzet van hun eigen leven anderen helpen en anderen redden. Het beste voorbeeld daarvan zijn toch wel onze helpers die ons er tot nu toe doorheengetrokken hebben en ons hopelijk helemaal op het droge zullen a everen, anders zullen zij zelf het lot moeten delen van allen, die gezocht worden. Nooit hebben wij één woord gehoord, dat op de last duidt, die wij toch zeer zeker zijn, nooit klaagt één van hen, dat wij hun te veel moeite veroorzaken.

Elke dag komen ze allen boven, spreken met de heren over zaak en politiek, met de dames over eten en de lasten van de oorlogstijd, met de kinderen over boeken en kranten. Zij zetten zoveel mogelijk een vrolijk gezicht, brengen bloemen en cadeau's voor verjaar- en feestdagen mee, staan altijd en overal voor ons klaar. Dat is wat wij nooit mogen vergeten, dat, hoewel anderen heldenmoed in de oorlog of tegenover de Duitsers tonen, onze helpers heldenmoed in hun opgewektheid en liefde aan de dag leggen.

De gekste praatjes doen de ronde en toch zijn de feiten meestal werkelijk gebeurd. Koophuis deelde ons bijvoorbeeld van de week mee, dat er in Gelderland twee elftallen tegen elkaar gevoetbald hebben, het ene bestond uitsluitend uit onderduikers en het tweede was samengesteld uit elf leden van de marechaussée. In Hilversum worden nieuwe stamkaarten uitgereikt. Opdat de vele onderduikers ook hun deel van de rantsoenering krijgen, hebben ambtenaren van de uitreiking alle onderduikers uit de omtrek op een bepaald uur besteld, dan kunnen zij hun bescheiden aan een apart tafeltje afhalen. Je moet toch maar voorzichtig zijn, dat dergelijke staaltjes de moffen niet ter ore komen.

Je Anne.

Donderdag, 3 Februari 1944

Lieve Kitty,


De invasie-stemming stijgt in het land met de dag en als je hier zou zijn, dan zou je zeker aan de ene kant net als ik onder de indruk komen van al die voorbereidingen, maar aan de andere kant zou je ons uitlachen, omdat we zo'n drukte maken, wie weet voor niets.

Alle kranten staan vol over de invasie en maken de mensen gek, omdat ze schrijven: ‘Als de Engelsen eventueel in Nederland zouden landen, zullen de Duitse autoriteiten alles in het werk stellen om het land te verdedigen, zo nodig het ook onder water laten lopen’. Daarbij zijn kaartjes gepubliceerd waarop de delen van Nederland, die onder water gezet kunnen worden, gearceerd zijn. Daar grote delen van Amsterdam tot het gearceerde behoren, was de eerste vraag wat te doen als het water een meter hoog in de straten komt te staan.

Op deze moeilijke vraag kwamen van alle kanten de meest verschillende antwoorden:

‘Omdat etsen of lopen uitgesloten is, zullen we dan door het stilstaande water moeten waden’.

‘Welneen, men moet proberen te zwemmen. We doen allemaal een badmuts en badpak aan en zwemmen zoveel mogelijk onder water, dan ziet niemand dat we Joden zijn’.

‘Ach, wat een praats, ik zie de dames al zwemmen, als de ratjes in hun benen bijten!’ (Dat was natuurlijk een man, zien wie het hardst gilt!)

‘We zullen het huis niet meer uit kunnen, het magazijn is zo wankel, dat zakt bij zo'n overstroming beslist in elkaar’.

‘Hoor eens jongens, nu alle gekheid op een stokje, we zullen een bootje zien te krijgen’.

‘Waarvoor is dat nodig? Ik weet iets veel beters, we nemen elk een melksuikerkist van de voorzolder en roeien met een pollepel’.

‘Ik ga stelten lopen, dat kon ik in mijn jeugd primissima’.


‘Henk van Santen heeft dat niet nodig, die neemt zijn vrouw zeker op zijn rug, dan heeft Miep stelten’.

Nu weet je het wel zo ongeveer, niet Kit? Dit geklets is allemaal erg grappig; de waarheid zal het anders leren.

De tweede invasie-vraag kon niet uitblijven. Wat te doen, als de Duitsers Amsterdam evacueren?

‘Meegaan, ons zo goed mogelijk vermommen’.


‘In geen geval meegaan. Het enige is hier blijven! De Duitsers zijn in staat de hele bevolking steeds verder mee terug te drijven, totdat ze in Duitsland doodgaan’.

‘Ja natuurlijk, we blijven hier, hier is het het veiligst. We zullen proberen Koophuis over te halen om met zijn familie hier te komen wonen. We zullen zien een zak houtwol te krijgen, dan kunnen we op de grond slapen. Laat Miep en Koophuis alvast dekens hierheen brengen’.

‘We zullen nog bij onze 60 pond wat graan bestellen. Laat Henk peulvruchten zien te krijgen, we hebben nu ongeveer 60 pond bonen en 10 pond erwten in huis. Vergeet de 50 blikken groente niet’. ‘Moeder, tel de andere etenswaren eens even!’ ‘10 Blikjes vis, 40 blikjes melk, 10 kg melkpoeder, 3 essen olie, 4 weckpotten boter, 4 dito's vlees, 2 mand essen aardbeien, 2 essen frambozen-bessen, 20 essen tomaten, 10 pond havermout, 8 pond rijst, dat is alles’.

‘Onze voorraad valt nogal mee, maar als je bedenkt, dat we er nog visite bij zullen moeten voeden en er elke week van gebruikt wordt, dan lijkt het enormer dan het is. Kolen en brandhout zijn voldoende in huis, kaarsen ook. Laten we allemaal borstzakjes naaien, om zo nodig al ons geld mee te nemen.

We zullen lijsten opmaken van wat bij vluchten het eerst meemoet en nu maar vast rugzakken pakken. Als het zover is zetten we twee uitkijkposten op wacht, één op de voor- en één op de achtervliering. Zeg, wat beginnen we met zoveel etenswaren, als we geen water, gas en electra hebben?’

‘Dan moeten we op de kachel koken. Water ltreren en koken. We zullen grote mand essen schoonmaken en daar water in bewaren’.

Deze praatjes hoor ik de hele dag, invasie voor, invasie na, disputen over hongerlijden, sterven, bommen, brandspuiten, slaapzakken, Jodenbewijzen, gifgassen enzovoort enzovoort. Allemaal niet opwekkend. Een goed voorbeeld van de ondubbelzinnige waarschuwingen van de heren uit het Achterhuis is het volgende gesprek met Henk:

Achterhuis: ‘We zijn bang, dat de Duitsers, als ze terugtrekken, de hele bevolking met zich mee zullen nemen’.

Henk: ‘Dat is niet mogelijk, daarvoor hebben ze geen treinen ter beschikking’.

A.: ‘Treinen? Dacht u, dat ze de burgers ook nog in een wagentje zouden zetten? Geen kwestie van, de benenwagen kunnen ze gebruiken’. (Per pedes apostolorum, zegt Dussel altijd.)

H.: ‘Ik geloof er niets van, u ziet alles door een veel te zwarte bril. Wat zouden ze er voor belang bij hebben alle burgers mee te drijven?’

A.: ‘Weet u niet, dat Goebbels gezegd heeft: ‘Als wij zullen moeten terugtrekken, slaan we achter ons de deur van alle bezette gebieden dicht?’

H.: ‘Ze hebben al zoveel gezegd’.

A.: ‘Denkt u, dat de Duitsers voor zo'n daad te edel of te menslievend zijn? Die denken: “Als wij ten onder moeten gaan, dan zullen alle mensen, die binnen het bereik van onze macht liggen, ook ten onder gaan”’.

H.: ‘U kunt me veel vertellen, ik geloof er niets van!’

A.: ‘Het is altijd weer hetzelfde liedje; niemand wil het gevaar inzien dat hem bedreigt, voordat het zijn eigen lijf geraakt heeft’.

H.: ‘U weet toch ook niets positiefs; u veronderstelt het toch ook maar’. A.: ‘We hebben het allemaal toch zelf meegemaakt, eerst in Duitsland en toen hier. En wat gebeurt er in Rusland?’

H.: ‘De Joden moet u even buiten beschouwing laten, ik geloof dat niemand weet wat er in Rusland aan de hand is. De Engelsen en Russen zullen, net als de Duitsers, voor propagandadoeleinden overdrijven’.

A.: ‘Geen kwestie van, de Engelse radio heeft altijd de waarheid gezegd. En stel, dat de berichten overdreven zijn, dan zijn de feiten nog erg genoeg, want u kunt niet ontkennen, dat het een feit is, dat er in Polen en Rusland vele millioenen vreedzame mensen zonder veel omwegen vermoord of vergast worden’.

Verder zal ik je onze gesprekken sparen, ik ben heel rustig en trek me van alle drukte niets aan. Ik ben zover gekomen, dat het me niet veel meer kan schelen of ik doodga of blijf leven. De wereld zak ook zonder mij verder draaien en ik kan me tegen de gebeurtenissen toch niet verzetten.

Ik laat het er op aankomen en doe niets anders dan leren en op een goed einde hopen.

Je Anne.



1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   ...   18


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina