Het Achterhuis Anne Frank Amsterdam 1947 Zondag, 14 Juni 1942



Dovnload 0.65 Mb.
Pagina11/18
Datum22.07.2016
Grootte0.65 Mb.
1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   ...   18

Zaterdag, 12 Februari 1944

Lieve Kitty,


De zon schijnt, de hemel is diep-blauw, er waait een heerlijke wind en ik verlang zo -, verlang zo - naar alles ..... Naar praten, naar vrijheid, naar vrienden, naar alleen-zijn. Ik verlang zo ... naar huilen! Ik heb een gevoel in me of ik spring en ik weet dat het met huilen beter zou worden; ik kan het niet. Ik ben onrustig, loop van de ene naar de andere kamer, adem door de kier van een dicht raam, voel mijn hart kloppen, alsof het zegt: ‘Voldoe toch eindelijk aan mijn verlangen’.

Ik geloof, dat ik het voorjaar in me voel, ik voel het lente-ontwaken, ik voel het in mijn hele lichaam en in mijn ziel. Ik moet me in bedwang houden om gewoon te doen, ik ben totaal in de war, weet niet wat te lezen, wat te schrijven, wat te doen, weet alleen, dat ik verlang ...!

Je Anne.

Zondag, 13 Februari 1944

Lieve Kitty,


Sinds Zaterdag is er voor mij veel veranderd. Dat komt zo. Ik verlangde - en ik verlang nog - maar ... voor een klein, heel klein deeltje ben ik al geholpen. Zondagochtend merkte ik al - ik zal eerlijk zijn - tot mijn grote vreugde dat Peter me aldoor zo aankeek. Zo heel anders dan gewoonlijk, ik weet niet, ik kan het niet uitleggen hoe.

Vroeger had ik gedacht, dat Peter verliefd op Margot was, nu had ik opeens het gevoel, dat dit niet zo is. De hele dag keek ik hem expres niet veel aan, want als ik dat deed, keek hij ook steeds en dan -, ja dan, dan kreeg ik een jn gevoel in me, dat ik toch niet te vaak mocht krijgen.

Ik heb een sterke behoefte om alleen te zijn. Vader merkt, dat ik niet gewoon ben, maar ik kan hem ook niet alles vertellen. ‘Laat me met rust, laat me alleen!’ dat zou ik steeds maar willen uitroepen. Wie weet, word ik nog eens meer alleen gelaten dan me lief is!

Je Anne.


Maandag, 14 Februari 1944

Lieve Kitty,


Zondagavond zaten ze allen aan de radio, behalve Pim en ik, naar de ‘Unsterbliche Musik Deutscher Meister’ te luisteren. Dussel draaide aanhoudend aan het toestel. Peter ergerde zich en de anderen ook. Na een half uur van ingehouden zenuwachtigheid verzocht Peter enigszins geprikkeld dat gedraai te staken. Dussel antwoordde op zijn hooghartigste toontje: ‘Ich mach' das schon’. Peter werd kwaad, werd brutaal, mijnheer Van Daan viel hem bij en Dussel moest toegeven. Dat was alles.

De aanleiding was op zichzelf niet zo buitengewoon belangrijk, maar het schijnt, dat Peter zich de zaak erg aangetrokken heeft. Hij kwam in ieder geval vanochtend, toen ik in de boekenkist op zolder rommelde, naar me toe en begon de kwestie te vertellen. Ik wist van niets af, Peter merkte dat hij een aandachtige toehoorster gevonden had, en kwam op dreef.

‘Ja, en zie je’, zo zei hij, ‘ik zeg niet gauw iets, want ik weet al vooruit, dat ik niet uit mijn woorden zal komen. Ik ga stotteren, krijg een kleur en draai de woorden, die ik zeggen wilde om, tot ik mijn beweringen moet afbreken, omdat ik zelf de woorden niet meer vind. Gisteren ging het me net zo, ik wilde heel iets anders zeggen, maar toen ik eenmaal begonnen was, raakte ik de kluts kwijt en dat is vreselijk. Ik had vroeger een slechte gewoonte, die ik nu nog het liefst zou willen toepassen. Als ik kwaad op iemand was, dan bewerkte ik hem liever met mijn vuisten dan dat ik met hem redetwistte. Ik weet wel, dat ik met deze methode niet verder kom en daarom bewonder ik jou, jij komt tenminste recht uit je woorden, zegt de mensen wat je te zeggen hebt en bent in het minst niet verlegen’.

‘Dan vergis je je erg’, antwoordde ik, ‘ik zeg in de meeste gevallen de dingen heel anders dan ik me oorspronkelijk voorgenomen had en dan praat ik veel te veel en veel te lang, dat is net zo'n erge kwaal’.

In stilte moest ik om deze laatste zin lachen, wilde hem echter gerust verder over zichzelf laten spreken, liet hem van mijn vrolijkheid niets merken, ging op een kussen op de grond zitten, sloeg mijn armen om mijn opgetrokken benen en keek hem opmerkzaam aan.

Ik ben reuze blij, dat er nog iemand in huis is, die precies zulke woedeaanvallen kan krijgen als ik. Het deed Peter zichtbaar goed, dat hij in de ergste bewoordingen Dussel mocht becritiseren, zonder dat hij bang voor klikken moest zijn. En ik, ik vond het ook jn, omdat ik een sterk gevoel van gemeenschap merkte, wat ik vroeger alleen maar met mijn vriendinnen had.

Je Anne.

Woensdag, 16 Februari 1944

Lieve Kitty,


Margot is jarig.
Om half een kwam Peter de cadeautjes bekijken en bleef veel langer praten dan volstrekt nodig was, wat hij anders nooit gedaan zou hebben. 's Middags ging ik de kof e halen en haalde daarna de aardappels, omdat ik Margot één keer in het jaar verwennen wilde. Ik kwam door Peters kamer, hij haalde direct al zijn papieren van de trap af en ik vroeg of ik het luik naar de vliering moest sluiten. ‘Ja’, antwoordde hij, ‘doe dat maar. Als je terugkomt klop je, dan doe ik het wel voor je open’.

Ik bedankte hem, ging naar boven en zocht wel tien minuten lang de kleinste aardappels uit de grote ton. Toen kreeg ik pijn in mijn rug en werd koud. Ik klopte natuurlijk niet, deed zelf het luik open, maar hij kwam me toch zeer gedienstig tegemoet en pakte de pan aan. ‘Ik heb lang gezocht, ik kon geen kleinere vinden’, zei ik.

‘Heb je in de grote ton gekeken?’
‘Ja, ik heb alles met mijn handen omgewoeld’.
Ik stond intussen onder aan de trap en hij keek onderzoekend in de pan, die hij nog in zijn handen hield. ‘O, maar ze zijn best’, zei hij en voegde er aan toe, toen ik de pan van hem overnam: ‘Mijn compliment, hoor!’ Daarbij keek hij me aan met zo'n warme, zachte blik, dat ik ook warm en zacht van binnen werd. Ik kon zo echt merken, dat hij me plezier wilde doen en omdat hij geen grote lofrede kon houden, legde hij zijn woorden in zijn blik. Ik begreep hem o zo goed en was hem reuze dankbaar. Nu nog word ik blij, als ik me de woorden en die blik voor ogen haal.

Toen ik beneden kwam, zei moeder, dat ik nog meer aardappels moest halen, nu voor het avondeten. Ik bood heel gewillig aan nog eens naar boven te gaan.

Toen ik bij Peter kwam, verontschuldigde ik me, dat ik hem nog eens moest storen. Hij stond op, ging tussen de trap en de muur staan, pakte mijn arm vast toen ik al op de trap stond en wilde me met alle geweld tegenhouden. ‘Ik ga wel’, zei hij. Ik antwoordde, dat dat heus niet nodig was en dat ik nu geen kleine behoefde te halen. Toen was hij overtuigd en liet mijn arm los. Op de terugweg kwam hij het luik openen en pakte weer de pan van me aan. Bij de deur vroeg ik: ‘Wat ben je aan het doen?’ ‘Frans’, was het antwoord. Ik vroeg of ik de lessen eens mocht inkijken, waste mijn handen en ging tegenover hem op de divan zitten.

Nadat ik hem van Frans wat uitgelegd had, gingen we al gauw aan het praten. Hij vertelde me dat hij later naar Nederlands-Indië wou en daar in de plantages leven. Hij sprak over zijn leven thuis, over het zwart-handelen en dat hij zo'n nietsnut was. Ik zei, dat hij wel een heel sterk minderwaardigheidsgevoel had. Hij sprak ook over de Joden. Hij zou het veel gemakkelijker gevonden hebben, als hij Christen was en als hij na de oorlog Christen zou kunnen zijn. Ik vroeg, of hij zich wou laten dopen, maar dat was ook niet het geval. Na de oorlog zou toch niemand weten of hij Christen of Jood was, zei hij.

Daarbij ging me even een steek door het hart, ik vind het zo jammer, dat hij nog altijd een rest oneerlijkheid in zich heeft. Verder spraken we heel gezellig over vader en over mensenkennis en over alle mogelijke dingen, ik weet zelf niet meer wat.

Om half vijf ging ik pas weg.

's Avonds zei hij nog iets, dat ik mooi vond. We hadden het over een lmster die hij eens van mij gekregen heeft en die nu zeker al anderhalf jaar in zijn kamer hangt. Hij vond die zo leuk en ik bood hem aan hem eens wat andere lmsterren te geven.

‘Neen’, antwoordde hij toen, ‘ik laat het liever zo; deze hier, daar kijk ik elke dag tegen aan en dat zijn mijn vrienden geworden’.

Waarom hij Mouschi altijd zo tegen zich aandrukt, begrijp ik nu ook beter. Hij heeft natuurlijk ook behoefte aan tederheid.

Nog iets heb ik vergeten, waar hij over sprak. Hij zei: ‘Bangheid ken ik niet; alleen wanneer mijzelf iets mankeert. Maar dat leer ik ook al af’.

Dat minderwaardigheidsgevoel bij Peter is heel erg. Zo denkt hij bijvoorbeeld altijd, dat hij zo stom is en wij zo knap zijn. Als ik hem met Frans help, bedankt hij duizend maal. Ik zal beslist eens zeggen: ‘Schei uit met die praatjes, jij kent Engels en aardrijkskunde weer veel beter’.

Je Anne.


Vrijdag, 18 Februari 1944

Lieve Kitty,


Als ik, wanneer ook, naar boven ga, heeft dat altijd ten doel dat ik ‘hem’ zal zien.

Mijn leven hier is dus eigenlijk veel beter geworden, omdat het nu weer een doel heeft en ik me op iets kan verheugen.

Het voorwerp van mijn vriendschap is tenminste altijd in huis en ik hoef, behalve voor Margot, niet bang voor rivalen te zijn. Denk niet, dat ik verliefd ben, dat is niet waar, maar ik heb aldoor het gevoel, dat er tussen Peter en mij nog eens iets moois zal groeien, iets dat vriendschap is en vertrouwen geeft. Als het maar even kan ga ik naar hem toe en het is niet meer zoals vroeger, dat hij niet goed weet wat met me te beginnen. Integendeel, hij praat nog als ik al haast de deur uit ben.

Moeder ziet het niet graag dat ik naar boven ga, ze zegt altijd dat ik Peter lastig val en dat ik hem met rust moet laten. Zou ze nu heus niet begrijpen, dat ik ook nog intuïtie heb?

Altijd als ik naar binnen ga in het kleine kamertje, kijkt ze me zo gek aan. Als ik van boven naar beneden kom, vraagt ze, waar ik geweest ben. Ik kan dat niet hebben en vind het erg.

Je Anne.


Zaterdag, 19 Februari 1944

Lieve Kitty,


Het is weer Zaterdag en dat zegt op zichzelf eigenlijk al genoeg.
De ochtend was rustig. Ik heb boven wat geholpen, maar ‘hem’ heb ik niet meer dan vluchtig gesproken. Toen om half drie allen hun kamers hadden opgezocht óf om te lezen óf om te slapen, toog ik met deken en al naar het privé-kantoor beneden om aan de schrijftafel te gaan zitten lezen of schrijven. Het duurde niet erg lang, toen werd het me te machtig, mijn hoofd viel voorover op mijn arm en ik snikte het uit. De tranen stroomden en ik voelde me diep ongelukkig. O, was ‘hij’ maar gekomen om me te troosten. Het was al vier uur toen ik weer naar boven ging. Ik haalde aardappels met weer nieuwe hoop in mijn hart op een ontmoeting, maar toen ik nog in de badkamer mijn haar aan het opdoffen was, ging hij naar Mof in het magazijn.

Opeens voelde ik weer de tranen opkomen en snelde naar de W.C., nog vlug onderweg de handspiegel meepakkend. Daar zat ik dan nu, geheel aangekleed, terwijl mijn tranen donkere vlekken op het rood van mijn schort maakten en ik diep bedroefd was.

Ik dacht zo ongeveer: ‘O, zo bereik ik Peter nooit. Wie weet vindt hij me helemaal niet aardig en heeft hij geen behoefte aan vertrouwen. Misschien denkt hij wel nooit meer dan oppervlakkig aan me. Ik moet weer alleen verder, zonder vertrouwen en zonder Peter. Wellicht gauw weer zonder hoop, troost en verwachting. O, kon ik mijn hoofd nu maar tegen zijn schouder aanvlijen en me niet zo hopeloos alleen en verlaten voelen! Wie weet, geeft hij wel helemaal niet om me en kijkt hij de anderen ook zo zacht aan. Heb ik het me misschien wel verbeeld, dat dit voor mij was? O Peter, kon je me maar horen of zien. Doch de waarheid, die misschien zo teleurstellend is, zou ik niet kunnen verdragen’.

Maar even later voelde ik me toch weer hoopvol en vol verwachting, terwijl de tranen in me nog vloeiden.

Je Anne.

Woensdag, 23 Februari 1944

Lieve Kitty,


Sinds gisteren is het buiten heerlijk weer en ik ben helemaal opgekikkerd. Ik ga haast elke ochtend naar de zolder waar Peter werkt om de bedompte kamerlucht uit mijn longen te laten waaien. Vanuit mijn lievelingsplekje op de grond kijk ik naar de blauwe hemel, naar de kale kastanjeboom aan wiens takken kleine druppeltjes schitteren, naar de meeuwen en de andere vogels, die in hun scheervlucht wel van zilver lijken.

Hij stond met zijn hoofd tegen de dikke balk aangeleund, ik zat, we ademden de lucht in, keken naar buiten en voelden, dat dit iets was om niet met woorden te onderbreken. We keken heel lang naar buiten en toen hij moest gaan om hout te hakken op de vliering, wist ik, dat hij een jne kerel is. Hij klom de trap op, ik volgde en gedurende het kwartier dat hij hout hakte spraken we weer geen woord. Ik keek van mijn standplaats naar hem, hoe hij zichtbaar zijn best deed goed te hakken, om zijn kracht aan mij te tonen. Maar ik keek ook uit het open raam, over een groot stuk van Amsterdam heen, over alle daken tot aan de horizon, die zo licht blauw was, dat de scheidingslijn niet duidelijk te zien was. ‘Zolang dit nog bestaat’, dacht ik ‘en ik het mag beleven, deze zonneschijn, die hemel waaraan geen wolk is, zolang kan ik niet treurig zijn’.

Voor ieder die bang, eenzaam of ongelukkig is, is stellig het beste middel naar buiten te gaan, ergens waar hij helemaal alleen is, alleen met de hemel, de natuur en God. Want dan pas, dan alleen voelt men, dat alles is, zoals het zijn moet en dat God de mensen in de eenvoudige, maar mooie natuur gelukkig wil zien. Zolang dit bestaat en dat zal wel altijd zo zijn, weet ik, dat er in welke omstandigheden ook, een troost voor elk verdriet is. En ik geloof stellig, dat bij elke ellende de natuur veel ergs kan wegnemen.

O, wie weet duurt het niet lang meer, dat ik dit overstelpende geluksgevoel kan delen met iemand, die het net zo ondergaat als ik.

Je Anne.

Gedachte:


Wij missen hier veel, zeer veel en zeer lang en ik mis het ook net zoals jij. Ik heb het niet over uiterlijke dingen, daarvan zijn we hier voorzien, neen, ik bedoel de innerlijke dingen. Ik verlang net zoals jij naar vrijheid en lucht, maar nu geloof ik, dat we voor deze ontberingen ruimschoots vergoeding hebben gekregen. Dit besefte ik plotseling toen ik vanmorgen voor het raam zat. Ik bedoel vergoeding van binnen.

Toen ik naar buiten keek en eigenlijk God en de natuur recht en diep aankeek, toen was ik gelukkig, niet anders dan gelukkig. En Peter, zolang er dat geluk van binnen is, dat geluk om natuur, gezondheid en nog heel veel meer, zolang men dat met zich meedraagt, zal men altijd weer gelukkig worden.

Rijkdom, aanzien, alles kan je verliezen, maar dat geluk in eigen hart kan alleen maar versluierd worden, en zal je steeds opnieuw, zolang je leeft, weer gelukkig maken. Zolang je onbevreesd tot de Hemel kunt opzien, zolang weet je, dat je zuiver van binnen bent en dat je toch weer gelukkig zult worden.

Zondag, 27 Februari 1944

Liefste Kitty,


Van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat doe ik eigenlijk niets anders dan aan Peter denken. Ik slaap met zijn beeld voor ogen in, droom van hem en word weer wakker als hij me nog aankijkt.

Ik heb sterk het gevoel, dat Peter en ik helemaal niet zoveel verschillen als dat van buiten wel lijkt en ik zal je ook uitleggen waarom. Peter en ik missen alle twee een moeder. De zijne is te oppervlakkig, irt graag en bekommert zich niet veel om zijn gedachten. De mijne bemoeit zich wel met me, maar mist het jne gevoel, het moederbegrip.

Peter en ik worstelen alle twee met ons binnenste, we zijn alle twee nog onzeker en eigenlijk te teer en te zacht van innerlijk om hard aangepakt te worden. Doet men dat toch, dan is mijn reactie daarop de drang van ‘er uit te willen’. Maar omdat dat onmogelijk is, verberg ik mijn binnenste, gooi met pannen en water en ben luidruchtig, zodat iedereen maar wou, dat ik weg was.

Hij daarentegen sluit zich op, spreekt haast niet, is stil, droomt en verbergt zich daardoor ook angstvallig.

Maar hoe en wanneer zullen wij elkaar eindelijk bereiken?
Ik weet niet hoelang ik met mijn verstand dit verlangen nog de baas kan blijven. Je Anne.

Maandag, 28 Februari 1944

Liefste Kitty,


Het wordt een nacht- en dagmerrie. Ik zie hem haast elk uur en kan niet bij hem komen, ik mag niets tonen, moet vrolijk zijn, terwijl binnen in me alles wanhopig is.

Peter Wessel en Peter van Daan zijn samengevloeid tot één Peter, die goed en lief is en waar ik verschrikkelijk naar verlang.

Moeder is lastig, vader lief en daardoor nog lastiger, Margot het lastigste, want ze maakt aanspraak op een lief gezicht en ik wil rust hebben.

Peter kwam niet bij me op zolder, hij ging naar de vliering en timmerde daar wat. Met elk gekraak en elke slag brokkelde er een stukje van mijn moed af en werd ik nog verdrietiger. En in de verte speelde een klok: ‘Rechtop van lijf, rechtop van ziel!’ Ik ben sentimenteel, - ik weet het. Ik ben wanhopig en onverstandig, - dat weet ik ook.

O help mij! Je Anne.

Woensdag, 1 Maart 1944

Lieve Kitty,


Mijn eigen aangelegenheden zijn op de achtergrond gedrongen en wel ... door een inbraak. Ik word vervelend met mijn inbraken, maar wat kan ik er aan doen, dat de inbrekers er zo'n plezier in hebben Kolen & Co. met een bezoek te vereren? Deze inbraak is veel ingewikkelder dan de vorige van Juli 1943.

Toen mijnheer Van Daan gisteravond als gewoonlijk om half acht naar Kralers kantoor ging, zag hij de glazen tussendeuren en de kantoordeur open staan. Dit verwonderde hem, hij liep door en werd steeds verbaasder, toen de kabinetdeuren eveneens geopend waren en op het voorkantoor een vreselijke rommel heerste. ‘Hier was een dief’, itste het door zijn hoofd en om dadelijk zekerheid omtrent het geval te hebben liep hij de trap af, onderzocht de voordeur, voelde aan het Lipsslot, alles was dicht. ‘Och, dan zullen zowel Peter als Elli vanavond erg slordig geweest zijn’, veronderstelde hij nu. Hij bleef een poosje in Kralers kamer zitten, draaide dan de lamp uit, ging naar boven en maakte zich noch over de open deuren, noch over het rommelige voorkantoor veel zorgen.

Vanochtend klopte Peter al vroeg aan onze kamerdeur en kwam met het minder prettige nieuwtje, dat de voordeur wijd openstond. Verder wist hij te vertellen, dat het projectietoestel en Kralers nieuwe actetas uit de muurkast verdwenen waren. Peter kreeg opdracht de deur te sluiten, Van Daan vertelde zijn ondervindingen van de vorige avond en wij waren danig ongerust.

Het hele geval kan niet anders uitgelegd worden dan dat de dief een namaaksleutel van de deur heeft, want die was in het geheel niet opengebroken. Hij moet 's avonds al heel vroeg hier binnengeslopen zijn, de deur achter zich gesloten hebben en door Van Daan gestoord zich verstopt hebben, tot deze weggegaan was om vervolgens met zijn buit te vluchten, waarbij hij in de haast de deur open liet staan. Wie kan onze sleutel hebben? Waarom is de dief niet naar het magazijn gegaan? Zou misschien één van onze eigen magazijnmannen de dader zijn en zou hij ons nu niet gaan verraden, daar hij Van Daan toch gehoord en misschien zelfs gezien heeft?

Het is erg griezelig, omdat we niet weten, of de desbetreffende inbreker het niet in zijn hoofd haalt nog een keer onze deur te openen. Of zou hij misschien zelf van den man, die hier rondliep, geschrokken zijn?

Je Anne.


Donderdag, 2 Maart 1944

Lieve Kitty,


Margot en ik waren vandaag boven op zolder; al kan ik met haar samen niet zo genieten als ik me dat had voorgesteld, toch weet ik, dat zij bij de meeste dingen net zo voelt als ik.

Aan de afwas begon Elli met moeder en mevrouw Van Daan over haar mismoedigheid te praten. Hoe helpen die twee haar?

Weet je wat moeder haar voor raad gaf? Ze moest maar aan al die andere mensen denken, die ondergaan in deze wereld! Wie helpt de gedachte aan ellende nu, als hij zelf al ellendig is? Dit zei ik ook, het antwoord was: ‘Jij kunt over zulke dingen niet meepraten’.

Wat zijn de volwassenen toch idioot en stom! Alsof Peter, Margot, Elli en ik niet allen hetzelfde voelen en daartegen helpt alleen moederliefde of liefde van heel, heel goede vrienden. Maar die moeders hier hebben nog niet zo'n greintje verstand van ons. Mevrouw Van Daan misschien nog iets meer dan moeder. O, ik zou die arme Elli zo graag iets gezegd hebben, iets waarvan ik bij ervaring weet, dat het helpt. Maar vader kwam er tussen en duwde me opzij.

Wat zijn ze allemaal stom! Wij mogen geen oordeel hebben. Ja, ze zijn verschrikkelijk modern. Geen oordeel hebben! Men kan zeggen, je moet je mond houden, maar geen oordeel hebben bestaat niet. Niemand kan een ander zijn oordeel verbieden, al is die ander nog zo jong.

Voor Elli, Margot, Peter en mij helpt alleen een grote en toegewijde liefde, die we alle vier niet krijgen. En niemand, vooral die idiote wijzen hier kunnen ons begrijpen, want we zijn veel gevoeliger en veel verder met onze gedachten dan iemand van hier maar in de verste verte zou vermoeden.

Op het ogenblik zit moeder weer te mopperen; ze is zichtbaar jaloers, omdat ik tegenwoordig meer met mevrouw Van Daan praat dan met haar.

Vanmiddag heb ik Peter te pakken gekregen, we hebben minstens drie kwartier samen gepraat. Peter had erg veel moeite om wat van zichzelf te vertellen, het kwam heel langzaam. Hij vertelde dat zijn ouders zo vaak ruzie hadden over politiek, sigaretten en over allerlei meer. Hij was erg verlegen.

Ik vertelde hem dan over mijn ouders. Vader verdedigde hij: hij vond hem een ‘moordkerel’. Dan hadden we het nog over beneden en boven; hij was heus een beetje verbaasd, dat wij zijn ouders nog altijd niet graag mogen. ‘Peter’, zei ik, ‘je weet dat ik eerlijk ben, waarom zou ik het jou niet vertellen, wij weten hun fouten toch ook’. Onder andere zei ik nog: ‘Peter, ik zou je zo graag willen helpen, kan ik dat niet? Je zit hier zo tussen en ik weet, al zeg je het niet, dat je je het toch wel aantrekt’.

‘O, ik zou altijd van je hulp gebruik willen maken’. ‘Misschien kan je beter naar vader toegaan, die vertelt ook niets verder, die kun je het gerust vertellen, hoor!’

‘Ja, die is een echte kameraad’.
‘Je houdt veel van hem, hè?’ Peter knikte en ik vervolgde: ‘Nou, hij ook van jou, hoor!’

Hij keek vlug en rood op, het was werkelijk ontroerend hoe blij hij met die paar woorden was.

‘Denk je?’ vroeg hij.
‘Ja’, zei ik, ‘dat kun je wel opmaken uit wat hij zo af en toe loslaat!’ Peter is, net als vader, ook een ‘moordkerel’!

Je Anne.


Vrijdag, 3 Maart 1944

Lieve Kitty,


Toen ik vanavond in het kaarsje keek1., werd ik weer blij en rustig. Oma zit eigenlijk in dat kaarsje en Oma is het ook, die me behoedt en beschut en die me weer blij maakt.

Maar ... er is een ander, die mijn hele stemming beheerst en dat is ... Peter. Toen ik vandaag de aardappels haalde en nog met de volle pan op de trap stond, vroeg hij al: ‘Wat heb je tussen-de-middag gedaan?’

Ik ging op de trap zitten en we begonnen te praten. Om kwart over vijf (een uur na het halen) kwamen de aardappels, die ik intussen op de grond had gezet, pas in de kamer aan.

Peter sprak geen woord meer over zijn ouders, we praatten alleen over boeken en over vroeger. Wat heeft die jongen een warme blik; het scheelt, geloof ik, niet veel meer of ik word verliefd op hem. Daar had hij het vanavond over. Ik kwam bij hem binnen, na het aardappelschillen, en zei, dat ik het zo warm had.

‘Aan Margot en mij kun je zo de temperatuur zien, als het koud is zijn we wit, als het warm is rood’, zei ik.

‘Verliefd?’ vroeg hij.

‘Waarom zou ik verliefd zijn?’ Mijn antwoord was vrij onnozel.
‘Waarom niet!’ zei hij, en toen moesten we gaan eten.
Zou hij met die vraag iets bedoeld hebben? Ik ben er vandaag eindelijk toe gekomen om hem te vragen of hij mijn kletsen niet lastig vond, hij zei alleen: ‘Ik vind het goed, hoor!’

In hoeverre dit antwoord nu verlegen is, kan ik niet beoordelen.

Kitty, ik ben net als een verliefde, die niets anders te vertellen weet dan van haar schat. Peter is ook inderdaad een schat. Wanneer zou ik hem dat eens kunnen vertellen? Natuurlijk alleen als hij mij ook een schat vindt, maar ik ben geen katje om zonder handschoenen aan te pakken, dat weet ik heus wel. En hij houdt van zijn rust, dus in hoeverre hij mij aardig vindt, daar heb ik geen idee van. In ieder geval leren we elkaar een beetje kennen, ik wou maar vast, dat we voor veel meer dingen zouden durven uitkomen. Wie weet komt die tijd gauwer dan ik denk! Zo'n paar keer per dag krijg ik een blik van verstandhouding van hem, ik knipoog terug en we zijn alle twee blij.

Ik lijk wel gek om van zijn blijheid te praten, maar ik heb het onweerstaanbare gevoel, dat hij net zo denkt als ik.

Je Anne.



1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   ...   18


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina