Het Achterhuis Anne Frank Amsterdam 1947 Zondag, 14 Juni 1942



Dovnload 0.65 Mb.
Pagina12/18
Datum22.07.2016
Grootte0.65 Mb.
1   ...   8   9   10   11   12   13   14   15   ...   18

Zaterdag, 4 Maart 1944

Lieve Kitty,


Deze Zaterdag is sinds maanden en maanden eens niet zo vervelend, treurig en saai als alle vorige. Niemand anders dan Peter is daarvan de oorzaak.

Vanochtend kwam ik op zolder mijn schort ophangen, toen vader vroeg of ik niet wou blijven om wat Frans te spreken. Ik vond het goed, we spraken eerst wat Frans, ik legde Peter wat uit, toen deden we Engels. Vader las uit Dickens voor en ik was de hemel te rijk, want ik zat op vaders stoel dicht naast Peter.

Om 11 uur ging ik naar beneden. Toen ik om half 12 weer boven kwam, stond hij al op de trap op me te wachten. We praatten tot kwart voor één. Als het maar even te pas komt, wanneer ik de deur uitga, bijvoorbeeld na het eten, als niemand het hoort, zegt hij: ‘Dag Anne, tot straks’.

O, ik ben zo blij! Zou hij nu toch van me gaan houden? In ieder geval is hij een leuke kerel en wie weet hoe jn ik met hem praten kan!

Mevrouw vindt het wel goed, als ik met hem praat, maar vandaag vroeg ze plagend: ‘Kan ik jullie tweeën daar boven wel vertrouwen?’

‘Natuurlijk’, zei ik protesterend. ‘U beledigt me, hoor!’


Ik verheug me er van 's ochtends tot 's avonds op Peter te zien. Je Anne.

Maandag, 6 Maart 1944.

Lieve Kitty,


Aan Peters gezicht kan ik zien, dat hij net zoveel denkt als ik en gisteravond heb ik me dan ook geërgerd, toen mevrouw zo spottend zei: ‘De denker!’ Peter werd er rood en verlegen van en ik zat op springen.

Laat die mensen dan toch hun mond houden!

Je kunt je niet voorstellen, hoe naar het is om werkeloos aan te zien hoe eenzaam hij is. Ik kan me voorstellen, alsof ik het zelf meegemaakt had, hoe wanhopig hij soms bij ruzie en liefde moet zijn. Arme Peter, hoezeer heeft hij liefde nodig!

Hoe hard klonk het in mijn oren, toen hij er van sprak, dat hij geen vrienden nodig had. O, hoe vergist hij zich! Ik geloof ook, dat hij van die woorden niets meent!

Hij klampt zich vast aan zijn eenzaamheid, zijn gemaakte onverschilligheid en zijn volwassenheid om maar niet uit zijn rol te vallen, om nooit, nooit te tonen hoe hij zich voelt. Arme Peter, hoe lang kan deze rol nog duren? Zal op die bovenmenselijke inspanning geen verschrikkelijke uitbarsting volgen?

O Peter, kon en mocht ik je maar helpen! Wij samen zouden ons beider eenzaamheid wel verdrijven!

Ik denk veel, maar zeg niet veel. Ik ben blij als ik hem zie en als de zon daarbij nog schijnt. Gisteren was ik bij het hoofdwassen erg uitgelaten; ik wist wel, dat hij in de kamer naast ons zat. Ik kon er niets aan doen, hoe stiller en ernstiger ik van binnen ben, des te luidruchtiger ben ik van buiten.

Wie zal de eerste zijn, die dit pantser ontdekt en doorbreekt? Het is toch goed dat de Van Daans geen meisje hebben, nooit zou mijn verovering zo moeilijk, zo mooi en zo jn kunnen zijn, als niet juist het andere geslacht zou trekken.

Je Anne.

P.S. Je weet, dat ik je eerlijk alles schrijf, daarom moet ik je ook zeggen, dat ik eigenlijk van de ene ontmoeting op de andere leef. Steeds hoop ik te ontdekken, dat hij ook zo op mij wacht en ik ben in mezelf opgetogen, als ik zijn kleine verlegen pogingen merk. Hij zou volgens mij zo graag net zo uit zijn woorden komen als ik; hij weet ook niet, dat juist zijn onbeholpenheid me treft.

Je Anne.

Dinsdag, 7 Maart 1944

Lieve Kitty,


Als ik nu zo over mijn leventje van 1942 nadenk, doet dat alles zo onwerkelijk aan. Dit godenleventje beleefde een heel andere Anne dan die, die hier nu wijs geworden is. Een godenleventje, dat was het. Aan elke hoek aanbidders, een stuk of twintig vriendinnen en kennisjes, de lieveling van het merendeel der leraren, verwend door vader en moeder van boven tot onder, veel snoep, genoeg geld, wat wil je meer?

Je zult me allicht willen vragen hoe ik al die mensen dan zo ingepalmd heb. Wat Peter zegt: ‘Aantrekkelijkheid’, is toch niet helemaal waar. Elke leraar vond mijn gewiekste antwoorden, mijn grappige opmerkingen, mijn lachende gezicht en mijn critische blik leuk, amusant en grappig. Meer was ik ook niet; een verschrikkelijke irt, coquet en amusant. Een paar voordelen had ik, waardoor ik tamelijk in de gunst bleef, namelijk vlijt, eerlijkheid en gulheid. Nooit zou ik wie dan ook geweigerd hebben om af te kijken, snoep verdeelde ik met ruime hand en ik was niet verwaand.

Zou ik van al die bewondering niet overmoedig geworden zijn? Het is één geluk, dat ik middenin, op het hoogtepunt van het feest, opeens in de werkelijkheid kwam te staan, en het heeft ruim een jaar geduurd vóór ik er aan gewend was, dat er nergens meer bewondering kwam.

Hoe zagen ze me op school? De aanvoerster bij grappen en grapjes, altijd haantje de voorste, nooit in een slechte bui of huilerig. Was het een wonder dat iedereen graag met me etste of me een attentie bewees?

Ik kijk op die Anne neer, alsof ze een leuk, maar erg oppervlakkig meisje was, dat met mij niets meer te maken heeft. Peter zei zeer terecht over me: ‘Als ik jou zag, was je steevast door twee of meer jongens en een troep meisjes omringd. Altijd lachte je en was je het middelpunt!’

Wat is er van dit meisje nog overgebleven? O zeker, ik heb mijn lachen en mijn antwoorden nog niet verleerd, ik kan nog net zo goed of nog beter de mensen becritiseren, ik kan nog irten, als ik ... wil. Daar zit het hem in, ik wil nog wel eens voor een avondje, een paar dagen, een week zo leven, schijnbaar onbezorgd en vrolijk. Maar aan het eind van die week zou ik doodaf zijn en de eerste de beste, die over iets behoorlijks zou praten, erg dankbaar zijn. Ik wil geen aanbidders, maar vrienden, geen bewonderaars voor een vleiend lachje, maar voor optreden en karakter. Ik weet heel goed, dat dan de kring om mij heen veel kleiner zou zijn. Maar wat hindert dat, als ik nog maar een paar mensen, oprechte mensen overhoud?

Ondanks alles was ik in 1942 ook niet onverdeeld gelukkig; ik voelde me vaak verlaten, maar omdat ik van 's morgens tot 's avonds in de weer was, dacht ik niet na en maakte pret zoveel ik kon. Bewust of onbewust probeerde ik met grapjes de leegte te verdrijven. Nu bekijk ik mijn eigen leven en werk. Eén tijdperk er van is onherroepelijk afgesloten. De onbezorgde, onbekommerde schooltijd komt nooit meer terug.

Ik verlang er niet eens meer naar, ik ben er boven uit gegroeid, ik kan niet alleen maar plezier maken, een deeltje van me bewaart altijd zijn ernst.

Ik zie mijn leventje tot aan Nieuwjaar 1944 als onder een scherpe loupe. Thuis het leven met veel zon, dan in 1942 hier, de plotselinge overgang, de ruzies, de beschuldigingen. Ik kon het niet vatten, ik was overrompeld en wist niets anders om mijn houding te bewaren dan brutaliteit.

De eerste helft van 1943; mijn huilbuien, de eenzaamheid, het langzame inzien van al die fouten en gebreken, die zo groot zijn en nog dubbel zo groot leken. Ik praatte overdag over alles heen, probeerde Pim naar me toe te trekken; het lukte niet. Ik stond alleen voor de moeilijke taak me zó te maken, dat ik geen verwijten meer zou horen, want die drukten me neer tot een vreselijke moedeloosheid.

De tweede helft van het jaar werd het iets beter, ik werd bakvis, werd meer als volwassene beschouwd. Ik begon te denken, verhalen te schrijven en kwam tot de slotsom, dat de anderen geen recht meer hadden mij als een slingerbol van links naar rechts te trekken. Ik wilde mezelf hervormen naar mijn eigen wil. Maar één ding dat me nog méér raakte was, dat ik inzag, dat ook vader nooit mijn vertrouwde in alles zou worden. Ik wilde niemand meer vertrouwen dan mezelf.

Na Nieuwjaar: de tweede grote verandering, mijn droom ... Daarmee ontdekte ik mijn verlangen naar een jongen; niet naar een meisjesvriendin, maar naar een jongens-vriend. Ontdekte ook het geluk in mezelf en mijn pantser van oppervlakkigheid en vrolijkheid. Bij tijd en wijle werd ik stil, ontdekte mijn grenzenloos verlangen naar alles wat mooi en goed is.

En 's avonds, als ik in bed lig en mijn gebed eindig met de woorden: ‘Ik dank je voor al het Goede en Lieve en Mooie’, dan jubelt het in mij. Dan denk ik aan ‘het Goede’ van het onderduiken, van mijn gezondheid en mijn hele zelf, aan ‘het Lieve’ van Peter, dat wat nog klein en gevoelig is en wat we alle twee nog niet durven noemen of aanraken, dat wat eens komen zal, de liefde, de toekomst, het geluk en aan ‘het Mooie’ dat de wereld is; de wereld, de natuur, de schoonheid en al, al het mooie bij elkaar.

Dan denk ik niet aan al de ellende, maar aan het mooie dat nog overblijft. Hierin ligt voor een groot deel het verschil tussen moeder en mij. Haar raad voor zwaarmoedigheid is: ‘Denk aan al de ellende in de wereld en wees blij, dat jij die niet beleeft!’ Mijn raad is: ‘Ga naar buiten, naar de velden, de natuur en de zon, ga naar buiten en probeer het geluk in jezelf te hervinden en in God. Denk aan al het mooie dat er in en om jezelf nog overblijft en wees gelukkig!’

Volgens mij kan moeders zin niet opgaan, want wat moet je doen, als je zelf de ellende beleeft? Dan ben je verloren. Daarentegen vind ik, dat er nog altijd iets moois overblijft, aan de natuur, de zonneschijn, de vrijheid, aan jezelf, daar heb je wat aan. Kijk daarnaar, dan vind je jezelf weer en God, dan word je evenwichtig.
En wie gelukkig is, zal ook anderen gelukkig maken, wie moed en vertrouwen heeft, zal nooit in de ellende ondergaan!

Je Anne.


Zondag, 12 Maart 1944

Lieve Kitty,


De laatste tijd heb ik geen zitvlees meer; ik loop van boven naar beneden en weer terug. Ik vind het jn met Peter te praten, maar ben aldoor bang, dat ik hem lastig val. Hij heeft me het een en ander over vroeger, zijn ouders en zichzelf verteld. Ik vind het veel te weinig en vraag me af, hoe ik er toe kom méér te verlangen. Hij vond me vroeger onuitstaanbaar; het ging vice versa, nu ben ik van mening veranderd, moet hij dan ook veranderd zijn?

Ik denk van wel, toch sluit dat nog niet in, dat we dikke vrienden moeten worden, hoewel ik van mijn kant daardoor het hele onderduiken lichter zou kunnen dragen. Maar laat ik me niet overstuur maken; ik houd me genoeg met hem bezig en hoef jou niet samen met mij verdrietig te maken, omdat ik me zo lamlendig voel.

Zaterdagmiddag was ik, na een rijtje droevige berichten van buiten, zo doorgedraaid, dat ik op mijn divan ging liggen om te slapen. Ik wou niets dan slapen om niet te moeten nadenken. Ik sliep tot vier uur, moest dan naar binnen. Het viel me heel erg moeilijk om moeder op al haar vragen te antwoorden en voor vader een smoesje te bedenken, dat mijn slapen verklaarde. Ik wendde hoofdpijn voor, wat niet gelogen was, daar ik ook hoofdpijn had ... van binnen!

Gewone mensen, gewone meisjes, bakvissen zoals ik, zullen me wel getikt vinden in mijn zelfbeklag. Maar ja, dat is het juist, ik zeg jou alles wat op mijn hart ligt en ben de verdere dag zo brutaal, vrolijk en zelfbewust als maar mogelijk is, om alle vragen te vermijden en me niet inwendig aan mezelf te ergeren.

Margot is erg lief en zou graag mijn vertrouwde zijn, ik kan haar toch niet alles zeggen. Zij is lief en goed en mooi, maar ze mist de nonchalance om over diepere dingen te spreken; ze neemt me ernstig, veel te ernstig op en denkt lang over haar gekke zusje na, kijkt me bij alles wat ik zeg onderzoekend aan en denkt bij alles: ‘Is het nu komedie of meent ze het werkelijk?’ Dat komt, omdat we aldoor samen zijn en ik mijn vertrouwde niet aldoor om me heen zou kunnen hebben.

Wanneer kom ik weer uit die warboel van gedachten, wanneer zal er weer rust en vrede in me zijn?

Je Anne.

Dinsdag, 14 Maart 1944

Lieve Kitty,


Het is misschien vermakelijk voor jou - voor mij allerminst - om te horen wat we vandaag zullen eten. Op het ogenblik zit ik, daar de werkster beneden is, aan de zeildoektafel bij de Van Daans, heb een zakdoek in mijn mond en tegen mijn neus geduwd, die doordrenkt is van welriekend vóórduiks parfum. Je zult er op die manier niet veel van snappen, dus weer:

‘Bij het begin beginnen’.

Daar onze bonnenleveranciers opgepakt zijn, hebben wij, behalve onze vijf levensmiddelenkaarten geen extra bonnen en geen vet. Daar zowel Miep als Koophuis ziek zijn, kan Elli geen boodschappen doen en daar de hele stemming mistroostig is, is het eten dat ook. Vanaf morgen hebben we geen brokje vet, boter of margarine meer. We ontbijten niet meer met gebakken aardappelen (broodbesparing), maar met pap en daar mevrouw denkt dat we verhongeren, hebben we clandestien volle melk gekocht. Ons middageten van vandaag is boerenkoolstamppot uit het vat. Vandaar de voorzorgsmaatregel met de zakdoek. Ongeloo ijk zoals boerenkool stinken kan, als die een jaar oud is. Het ruikt hier in de kamer naar een mengsel van bedorven pruimen, scherp conserveermiddel en rotte eieren. Bah, ik word al misselijk bij het idee alleen, dat ik die rommel eten moet.

Hierbij komt nog, dat onze aardappels zulke vreemdsoortige ziektes opgelopen hebben, dat van twee emmers pommes de terre er één in de kachel belandt. We vermaken ons er mee precies de verschillende ziektes uit te zoeken en zijn tot de conclusie gekomen, dat kanker, pokken en mazelen elkaar afwisselen. O neen, het is geen pretje om in het vierde oorlogsjaar ondergedoken te zijn. Was al die rotzooi maar afgelopen!

Eerlijk gezegd zou al het eten me niet zoveel kunnen schelen, als het overigens maar wat plezieriger hier was. Daar zit hem de kneep: ons allemaal begint dit saaie leven kregel te maken.

Hier volgt de mening van vijf volwassen onderduikers over de tegenwoordige toestand:

Mevrouw Van Daan:

‘Het baantje van keukenprinses staat me al lang niet meer aan. Zitten en niets onderhanden hebben verveelt, dus kook ik maar weer. Toch moet ik klagen, zonder vet koken is onmogelijk, ik word misselijk van al die vieze geurtjes. Niets dan ondankbaarheid en geschreeuw is het loon voor mijn moeite; ik ben altijd het zwarte schaap, van alles krijg ik de schuld. Verder is mijn opvatting, dat de oorlog niet veel voortgang maakt, de Duitsers zullen tenslotte de overwinning nog wegdragen. Ik ben vreselijk bang, dat we verhongeren en kaffer ieder uit als ik een slecht humeur heb’.

Mijnheer Van Daan:

‘Ik moet roken, roken, roken, dan is eten, politiek, Kerli's humeur allemaal niet zo erg. Kerli is een lieve vrouw’.

Maar als hij niets te roken krijgt, deugt niets, dan hoort men: ‘Ik word ziek, we leven te slecht, ik moet vlees hebben. Verschrikkelijk dom mens, die Kerli van me!’ Daarna volgt er beslist een hooglopende ruzie.

Mevrouw Frank:

‘Het eten is niet erg belangrijk, maar nu zou ik graag een sneetje roggebrood hebben, want ik heb vreselijke honger.

Als ik mevrouw Van Daan was, had ik achter dat eeuwigdurende roken van mijnheer al lang een stokje gestoken. Maar nu moet ik beslist een sigaret hebben, want mijn zenu wen zijn me de baas.

De Engelsen maken veel fouten, maar de oorlog gaat vooruit, ik moet praten en blij zijn dat ik niet in Polen zit’.

Mijnheer Frank:

‘Alles goed, heb niets nodig. Kalm aan, we hebben de tijd. Geef mij mijn aardappels, dan houd ik mijn mond. Gauw van mijn rantsoen nog wat voor Elli apart leggen. De politiek loopt in uitstekende banen, ik ben reuze optimistisch!’

Mijnheer Dussel:

‘Ik moet mijn pensum halen alles op zijn tijd afmaken. Politiek “oitschtekent”, dat we gepakt worden is “unmooglijk”.

Ik, ik, ik,..!’ Je Anne.



Woensdag, 15 Maart 1944

Lieve Kitty,


Pf, hè, hè, eventjes van de sombere voortaferelen bevrijd!
Ik hoor vandaag niets anders dan ‘als dit en dat gebeurt, dan zullen we daarmee moeilijkheden krijgen en als die nog ziek wordt, zitten we als alleen op de wereld, en als dan ...’ En n, de rest weet je wel, ik vermoed tenminste dat je de Achterhuizers intussen voldoende kent om hun gesprekken te kunnen raden.

De aanleiding van de ‘als, als’ is, dat mijnheer Kraler opgeroepen is om te spitten, Elli meer dan snipverkouden is en waarschijnlijk morgen thuis moet blijven, Miep van haar griep nog niet genezen is en Koophuis een maagbloeding met bewusteloosheid heeft gehad. Een ware treurlijst!

De magazijnmensen hebben morgen een dag vrij gekregen; mocht Elli thuisblijven, dan blijft de deur op slot en wij moeten muisstil zijn, opdat de buren ons niet horen. Henk komt dan de verlatenen om één uur bezoeken en speelt als het ware de rol van Artisoppasser. Hij heeft ons vanmiddag voor de eerste keer sinds lange tijd weer eens iets van de grote wereld verteld. Je had ons achten eens om hem heen moeten zien zitten, het leek sprekend op een plaatje: Als grootmoeder aan het vertellen is. - Hij kletste honderd uit voor zijn dankbaar publiek, natuurlijk over het eten en dan over Mieps dokter, waar wij hem naar vroegen. ‘Dokter, praat me niet van den dokter! Ik belde hem vanochtend op, kreeg een assistentje aan de telefoon en vroeg een recept tegen de griep. Het antwoord was, dat ik 's morgens tussen acht en negen een recept kon komen halen. Als je een zeer zware griep hebt, komt de dokter zelf even aan de telefoon en zegt: “Steek uw tong eens uit, zeg eens aah. Ik hoor het al, u hebt een rode keel. Ik schrijf wel een receptje voor u uit, kunt u bij de apotheek bestellen, dag mijnheer.”’ En daarmee basta. Makkelijke praktijk is dat, uitsluitend bediening door de telefoon.

Maar laat ik den dokters niets verwijten, tenslotte heeft ieder mens maar twee handen en in de tegenwoordige tijd is er een overvloed aan patiënten en een minimaal aantal dokters. Toch moesten wij allen even lachen, toen Henk dat telefoongesprek weergaf.

Ik kan me echt voorstellen hoe een dokterswachtkamer er tegenwoordig uitziet. Men kijkt niet meer neer op buspatiënten, maar op mensen die niets ergs mankeert en denkt daarbij: ‘Mens, wat heb jij hier te zoeken, achter in de rij, hoor, erge patiënten hebben voorrang’.

Je Anne.


Donderdag, 16 Maart 1944

Lieve Kitty,


Het weer is heerlijk, niet te beschrijven mooi; ik ga straks gauw naar de zolder. Nu weet ik wel, waarom ik zoveel onrustiger ben dan Peter. Hij heeft een eigen kamer waar hij in werkt, droomt, denkt en slaapt. Ik word van de eene hoek naar de andere geduwd. Alleen in mijn gedeelde kamer ben ik haast nooit en toch verlang ik daarnaar zo erg. Dat is dan ook de reden, dat ik zo vaak naar de zolder vlucht. Daar en bij jou kan ik even, heel even mezelf zijn. Toch wil ik over mijn verlangen niet zeuren, integendeel, ik wil moedig zijn. De anderen kunnen gelukkig niets van mijn innerlijke gevoelens merken, behalve dat ik met de dag koeler tegenover moeder sta, vader minder liefkoos en ook tegenover Margot niets meer loslaat. Ik ben potdicht. Vóór alles moet ik mijn uiterlijke zekerheid bewaren, niemand mag weten, dat er in me nog altijd oorlog heerst. Oorlog tussen mijn verlangen en verstand. Tot nu toe heeft het laatste de overwinning behaald, maar zal niet toch het eerste het sterkste blijken? Soms vrees en vaak verlang ik van wel!

O, het is zo vreselijk moeilijk nooit wat tegenover Peter los te laten, maar ik weet dat hij het eerst moet beginnen; het is zo moeilijk, al die gesprekken en daden, die ik in mijn dromen beleefd heb, overdag weer ongedaan te moeten bevinden! Ja Kitty, Anne is een gek kind, maar ik leef ook in een gekke tijd en in nog gekkere omstandigheden.

Het jnste van alles vind ik nog, dat ik wat ik denk en voel tenminste nog kan opschrijven, anders zou ik compleet stikken! Wat denkt Peter wel over al deze dingen? Steeds weer hoop ik dat ik op een dag met hem daarover kan spreken. Er moet toch iets zijn, dat hij van me geraden heeft, want van de uiterlijke Anne, die hij tot nu toe kent, kan hij toch niet houden.

Hoe kan hij, die zo van rust en vrede houdt, sympathie voor mijn lawaai en drukte voelen? Kan hij de eerste en enige op de wereld zijn, die achter mijn betonnen masker gekeken heeft? Zal hij daarachter dan ook gauw belanden? Is er niet een oud gezegde, dat liefde vaak op medelijden volgt, of dat die twee hand in hand gaan? Is dat niet ook met mij het geval? Want ik heb net zoveel medelijden met hem, als ik het vaak ook met mezelf heb!

Ik weet heus niet, heus niet hoe ik de eerste woorden moet vinden en hoe zou hij het dan kunnen, die nog veel moeilijker spreekt? Kon ik hem maar schrijven, dan wist ik tenminste dat hij weet wat ik wou zeggen, want met woorden is het zo ontzettend moeilijk!

Je Anne.


Vrijdag, 17 Maart 1944

Lieve Kitty,


Door het Achterhuis waait de wind van opluchting. Kraler is door de grote raad vrijgesproken. Elli heeft haar neus een tikje gegeven en hem streng verboden haar vandaag te hinderen. Alles weer all-right, behalve dat Margot en ik onze ouders een beetje moe worden. Je moet me niet verkeerd begrijpen, met moeder kan ik momenteel niet goed opschieten, dat weet je wel, van vader houd ik nog net zo veel en Margot van vader en moeder, maar als je zo oud bent als wij zijn, wil je toch ook een beetje voor jezelf beslissen, wil je ook zelf eens van oudershandje af.

Als ik naar boven ga, wordt er gevraagd wat ik doen wil, zout mag ik bij het eten niet hebben, om kwart over acht vraagt moeder steevast elke avond, of ik me nog niet uitkleden moet, elk boek dat ik lees moet gekeurd worden. Eerlijk gezegd is die keuring helemaal niet streng en ik mag haast alles lezen, en toch, al die op- en aanmerkingen plus al dat vragen de hele dag door vinden we beiden lastig.

Nog iets is vooral bij mij niet naar hun zin, ik wil niet meer zoentjes hier en kusjes daar geven, gefantaseerde naampjes vind ik aanstellerig, kortom, ik zou ze wel een poosje kwijt willen. Margot zei gisteravond nog: ‘Ik vind het echt vervelend, dat ze, als je even met je hand onder je hoofd twee keer zucht, al vragen of je hoofdpijn hebt of je niet goed voelt!’

Het is voor ons allebei een hele klap, dat we nu opeens zien hoe weinig van dat vertrouwelijke en harmonieuze van thuis over is. En dat komt toch voor een groot deel, omdat we zo scheef zitten. Hiermee bedoel ik, dat we als kinderen behandeld worden, wat de uiterlijke dingen betreft en we veel ouder zijn dan meisjes van onze leeftijd in het algemeen, wat innerlijke dingen betreft.

Al ben ik pas 14, ik weet toch heel goed wat ik wil, ik weet wie gelijk en ongelijk heeft, ik heb mijn mening, mijn opvatting en mijn principes en al klinkt het misschien gek voor een bakvis, ik voel me mens, veel meer dan kind, ik voel me helemaal onafhankelijk van welke andere ziel ook.

Ik weet, dat ik beter debatteren of discuteren kan dan moeder, ik weet, dat ik objectiever ben, dat ik niet zo overdrijf, netter en handiger ben en daardoor - je kunt er om lachen - voel ik me in heel veel dingen haar meerdere. Als ik van iemand houd, moet ik in de eerste plaats bewondering voor hem hebben, bewondering en respect. Alles zou goed zijn, als ik Peter maar heb, want voor hem heb ik bewondering in heel veel dingen. Hij is zo'n jne en knappe jongen!

Je Anne.

Zondag, 19 Maart 1944

Lieve Kitty,


Gisteren was een heel belangrijke dag voor mij. Ik had besloten het nu maar met Peter uit te praten. Net voor we aan tafel gingen, uisterde ik hem toe: ‘Doe je vanavond steno, Peter?’ ‘Neen’, was zijn antwoord. ‘Ik wou je dan later even spreken!’ Dat vond hij goed. Na de afwas ging ik fatsoenshalve eerst aan het raam bij zijn ouders staan, maar het duurde niet lang of ik ging naar Peter toe. Hij stond aan de linkerkant van het open raam, ik ging aan de rechter staan en we praatten. Het was veel makkelijker bij het open raam in het betrekkelijk donker te praten dan bij zoveel licht, en ik geloof, dat Peter dat ook vond.

We hebben elkaar zoveel verteld, zo ontzettend veel, dat ik het niet allemaal kan herhalen, maar het was jn; de mooiste avond, die ik ooit in het Achterhuis heb gehad. In het kort zal ik je de verschillende onderwerpen toch wel zeggen. Eerst hadden we het over de ruzies, dat ik daar nu heel anders tegenover sta, dan over de verwijdering van ons tegenover onze ouders.

Ik vertelde Peter van moeder en vader, van Margot en van mijzelf.

Op een gegeven ogenblik vroeg hij: ‘Jullie zeggen elkaar zeker altijd goedennacht met een nachtzoen?’

‘Eén, een heleboel, jij niet, hé?’
‘Neen, ik heb haast nooit iemand een zoen gegeven’.
‘Ook niet voor je verjaardag?’
‘Ja, dan wel’.
We hadden het over vertrouwen, dat we alle twee onzen ouders niet geschonken hebben, dat zijn ouders wel graag zijn vertrouwen wilden hebben, maar dat hij dat niet wilde. Dat ik mijn verdriet in bed uithuil en hij op de vliering gaat vloeken. Dat Margot en ik elkaar ook pas zo kort kennen en dat we elkaar toch niet alles vertellen, omdat we altijd bij elkaar zijn. Over alles en nog wat, o hij was net zoals ik wel wist dat hij was!

Toen kwamen we over 1942 te praten, hoe anders we toen waren. We kennen elkaar nu in die personen alle twee niet meer terug. Hoe we elkaar in het begin niet konden uitstaan. Hij vond me druk en lastig en ik vond al gauw aan die hele jongen niets. Ik begreep niet, dat hij niet irtte, maar nu ben ik blij. Hij had het er ook nog over, dat hij zich zoveel afzonderde. Ik zei, dat tussen mijn lawaai en zijn stilte niet zoveel verschil ligt. Dat ik ook van rust houd en niets voor me alleen heb, behalve mijn dagboek. Dat hij blij is, dat mijn ouders kinderen hier hebben en dat ik blij ben, dat hij hier is. Dat ik hem nu wel begrijp in zijn teruggetrokkenheid en zijn verhouding tot zijn ouders en dat ik hem zo graag zou helpen. ‘Je helpt me toch altijd’, zei hij. ‘Waarmee dan?’ vroeg ik heel verbaasd. ‘Met je vrolijkheid!’ Dat was wel het mooiste, wat hij me gezegd heeft. Het was heerlijk, hij moet van me zijn gaan houden, als kameraad en dat is voorlopig genoeg. Ik heb er geen woorden voor, zo dankbaar en blij ben ik en ik moet me wel bij je verontschuldigen, Kitty, dat mijn stijl beneden peil is vandaag.

Ik heb maar opgeschreven wat me ingevallen is. Nu heb ik het gevoel, dat Peter en ik een geheim delen. Als hij me aankijkt met die ogen, die lach en dat knipoogje, gaat er bij mij van binnen net een lichtje aan. Ik hoop dat het zo blijven mag, dat we nog vele, vele prettige uren samen mogen doorbrengen!

Je dankbare en blijde Anne.




1   ...   8   9   10   11   12   13   14   15   ...   18


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina