Het Achterhuis Anne Frank Amsterdam 1947 Zondag, 14 Juni 1942



Dovnload 0.65 Mb.
Pagina13/18
Datum22.07.2016
Grootte0.65 Mb.
1   ...   10   11   12   13   14   15   16   17   18

Maandag, 20 Maart 1944

Lieve Kitty,


Vanmorgen vroeg Peter, of ik 's avonds eens meer kwam en zei, dat ik hem heus niet stoorde, dat er bij hem in de kamer, zo goed als er plaats voor één is, ook plaats voor twee is. Ik zei dat ik niet elke avond kon, dat ze dat beneden niet goed vonden, maar hij vond, dat ik me daar niet aan moest storen. Ik zei toen, dat ik 's Zaterdagavonds graag eens zou komen en vroeg hem me vooral eens te waarschuwen als de maan er was. ‘Dan gaan we naar beneden’, antwoordde hij, ‘daar de maan bekijken’.

Intussen is er een schaduw op mijn geluk gevallen. Ik dacht het wel al lang, dat ook Margot Peter meer dan aardig vond. In hoeverre ze van hem houdt weet ik niet, maar ik vind het erg naar. Elke keer, dat ik Peter nu ontmoet, moet ik haar opzettelijk pijn doen en het mooiste is, dat zij haast niets laat merken.

Ik weet wel, dat ik wanhopig van jaloezie zou zijn, maar Margot zegt alleen, dat ik geen medelijden met haar moet hebben.

‘Ik vind het zo naar, dat jij er als derde beentje bijstaat’, voegde ik er nog aan toe. ‘Dat ben ik gewend’, antwoordde zij enigszins bitter.

Dit durf ik Peter toch nog niet te vertellen, misschien later eens, we moeten eerst nog zo ontzettend veel uitpraten.

Moeder heeft me gisteravond een kleine opstopper gegeven, die ik heus wel verdiend heb. Ik mag me in mijn onverschilligheid tegenover haar niet te ver laten gaan. Dus maar weer proberen ondanks alles vriendelijk te zijn en mijn aanmerkingen achterwege te laten.

Ook Pim is niet meer zo hartelijk. Hij probeert nu me minder kinderachtig te behandelen en is nu veel te koud. Zien wat daarvan komt!

Voorlopig genoeg, ik kan niets anders dan naar Peter kijken en ben boordevol! Je Anne.

Bewijs van Margots goedheid; dit ontving ik vandaag de 20ste Maart 1944:

‘Anne, toen ik gisteren zei dat ik niet jaloers op je was, was ik maar voor 50 % eerlijk. Het geval is namelijk zo, dat ik noch op jou, noch op Peter jaloers ben. Ik vind het alleen voor mezelf een beetje jammer, dat ik nog niemand gevonden heb en voorlopig zeker niet zal vinden, met wien ik over mijn gedachten en gevoelens zou kunnen spreken. Maar daarom zou ik het jullie alle twee van harte gunnen, als jullie elkaar iets van je vertrouwen zou kunnen schenken. Je mist hier al genoeg, wat voor vele anderen zo vanzelfsprekend is.

Aan de andere kant weet ik zeker, dat ik met Peter toch nooit zover gekomen zou zijn, omdat ik het gevoel heb dat ik met dengene, met wien ik veel zou willen bespreken, op een tamelijk intieme voet zou moeten staan. Ik zou het gevoel moeten hebben dat hij mij, ook zonder dat ik veel zeg, door en door begrijpt. Maar daarom moet het iemand zijn, in wien ik geestelijk mijn meerdere voel en dat is bij Peter nooit het geval. Bij jou zou ik mij het bovenstaande wel met Peter kunnen indenken.

Je hoeft je dus helemaal geen verwijten te maken, dat ik te kort kom en dat jij iets doet wat mij toekwam; niets is minder waar. Jij en Peter zullen beiden slechts kunnen winnen in de omgang met elkaar’.

Antwoord van mij:

‘Lieve Margot,


Je briefje vond ik buitengewoon lief, maar ik ben er toch nog niet helemaal gerust op en zal dat ook niet worden.

Van vertrouwen in die mate als jij bedoelt is tussen Peter en mij voorlopig nog geen sprake, maar aan een open en donker raam zeg je elkaar meer dan in de lichte zonneschijn. Ook kun je je gevoelens beter uisterend oververtellen dan als je ze zo moet uitbazuinen. Ik geloof dat jij voor Peter een soort zusterlijke genegenheid bent gaan voelen en hem graag wilt helpen, minstens zo graag als ik. Misschien zal je dat ook nog eens kunnen doen, hoewel dat geen vertrouwen volgens onze bedoeling is. Want ik vind, dat vertrouwen van twee kanten moet komen; ik geloof dat dat ook de reden is, dat het tussen vader en mij nooit zo ver is gekomen.

Laten wij er nu over uitscheiden en praat er ook niet meer over; als je nog iets wilt, doe het dan alsjeblieft schriftelijk, want zo kan ik veel beter zeggen wat ik bedoel dan mondeling.

Je weet niet hoe ik je bewonder en ik hoop alleen, dat ik nog eens iets van vaders en jouw goedheid krijg, want daarin zie ik tussen jullie beiden niet veel verschil meer.

Je Anne’.

Woensdag, 22 Maart 1944

Lieve Kitty,


Dit ontving ik gisteravond van Margot:

‘Beste Anne,


Na je briefje van gisteren heb ik het onaangename gevoel, dat je gewetenswroeging voelt als je bij Peter gaat werken of praten; daar is heus geen reden toe. In mijn binnenste heeft iemand recht op wederzijds vertrouwen en ik zou Peter nog niet in zijn plaats kunnen dulden.

Het is echter zo, net als jij schreef, dat ik het gevoel heb, dat Peter een soort broer is, maar ... een jongere broer en dat onze gevoelens voelhorens naar elkaar uitsteken om elkaar misschien later, misschien ook nooit, in een genegenheid als van broer en zuster te raken; zover is het echter nog lang niet.

Je hoeft dus heus geen medelijden met mij te hebben. Geniet maar zoveel je kunt van het gezelschap, dat je nu hebt gevonden’.

Het wordt hier intussen steeds mooier. Ik geloof, Kitty, dat we hier in het Achterhuis misschien nog een echte, grote liefde krijgen. Ik denk heus niet over trouwen met hem, hoor, ik weet niet hoe hij, als hij volwassen is, eens zal worden. Ik weet ook niet of we eens zoveel van elkaar zullen houden, dat we graag zouden trouwen. Dat Peter ook van mij houdt, daarvan ben ik intussen zeker; op welke manier hij van me houdt, weet ik niet.

Of hij alleen een goede kameraad wenst, of dat ik hem als meisje aantrek, of wel als zuster, ik kom er niet goed achter.

Toen hij zei, dat ik hem in de ruzies tussen zijn ouders altijd help, was ik reuze blij en al een stap op weg om aan zijn vriendschap te geloven. Gisteren nu vroeg ik hem wat hij zou doen als er een dozijn van die Anne's hier waren en altijd bij hem zouden komen. Zijn antwoord was: ‘Als ze allemaal waren zoals jij, zou dat heus niet zo erg zijn!’ Hij is voor mij reuze gastvrij en ik geloof wel, dat hij me werkelijk graag ziet komen. Frans leert hij intussen erg ijverig, zelfs tot 's avonds kwart over tienen in bed. O, als ik nog aan Zaterdagavond denk, aan onze woorden, onze stemming, dan ben ik voor de eerste keer over mezelf tevreden; ik bedoel dan, dat ik nu hetzelfde zeggen zou en niet alles anders, wat anders meestal het geval is.

Hij is zo mooi, zowel als hij lacht als wanneer hij zo stil voor zich uitkijkt, hij is zo lief en goed. Volgens mij is hij het meest door mij overrompeld, toen hij merkte, dat ik helemaal niet de oppervlakkige Anne van de wereld ben, maar net zo'n dromerig exemplaar met net zoveel moeilijkheden als hijzelf.

Je Anne.


Antwoord:

‘Lieve Margot,


Het beste vind ik, dat we nu maar afwachten wat er van komt. Het kan niet meer zo heel lang duren, dat de beslissing tussen Peter en mij valt, òf weer gewoon òf anders. Hoe dat moet gaan weet ik niet, ik denk in deze nog maar niet verder dan mijn neus lang is. Maar één ding doe ik zeker, als Peter en ik vriendschap sluiten, dan vertel ik hem ook, dat jij ook veel van hem houdt en klaar voor hem zoudt staan, als dat nodig was. Dit laatste zul je zeker niet willen, maar dat kan me nu niets schelen; wat Peter over jou denkt weet ik niet, maar dat zal ik hem dan ook wel vragen.

Slecht is het zeker niet, integendeel! Kom gerust op zolder of waar we ook zijn, je stoort ons werkelijk niet, daar we, geloof ik, alle twee stilzwijgend afgesproken hebben, dat als we praten, we het 's avonds in het donker doen.

Houd moed! Ik doe het ook, hoewel het niet altijd makkelijk is; jouw tijd komt misschien gauwer dan je denkt.

Je Anne’.



Donderdag, 23 Maart 1944

Lieve Kitty,


Hier rolt alles weer een beetje. Onze bonnenmannen zijn uit de gevangenis ontslagen, gelukkig!

Miep is sinds gisteren weer hier, Elli is beter, hoewel de hoest aanhoudt, Koophuis zal nog lang thuis moeten blijven.

Gisteren is hier een vliegtuig neergestort, de inzittenden sprongen bijtijds met parachutes naar beneden. Het toestel kwam neer op een school waar geen kinderen in waren. Een kleine brand en een paar doden zijn uit het geval voortgekomen. De Duitsers hebben verschrikkelijk op de dalende vliegers geschoten. De toekijkende Amsterdammers barstten zowat van woede over zo'n laffe daad. Wij, dat betekent de dames, schrokken ons een mik, ik vind schieten belabberd.

Ik ga tegenwoordig 's avonds vaak naar boven en hap in Peters kamer de frisse avondlucht in. Ik vind het gezellig boven op een stoel naast hem te zitten en naar buiten te kijken.

Van Daan en Dussel doen erg auw, als ik in zijn kamer verdwijn. ‘Anne's zweite Heimat’ heet het dan, of ‘past het voor jonge heren 's avonds nog laat in het donker jonge meisjes op visite te hebben?’ Peter heeft een verbazende tegenwoordigheid van geest bij dergelijke zogenaamd geestige opmerkingen.

Mijn moeder is trouwens ook niet weinig nieuwsgierig en zou heel graag naar de onderwerpen van onze gesprekken vragen, als ze niet in stilte bang was voor een afwijzend antwoord. Peter zegt, dat de volwassenen niets dan afgunst voelen, omdat wij jong zijn en ons van hun hatelijkheden niet veel aantrekken. Soms haalt hij me van beneden af, maar hij krijgt ondanks alle voorzorgsmaatregelen een vuurrod gezicht en kan haast niet uit zijn woorden komen. Ik ben toch maar blij, dat ik nooit rood word, het lijkt me beslist een hoogst onaangename gewaarwording.

Vader zegt altijd dat ik een nuf ben, dat is niet waar, ik ben alleen maar ijdel! Ik heb nog niet van veel mensen gehoord, dat ze me knap van uiterlijk vinden. Behalve dan van een jongen op school, die zei dat ik er zo leuk uitzag als ik lachte. Gisteren nu kreeg ik een oprecht compliment van Peter en ik zal voor de aardigheid ons gesprek zo ongeveer weergeven:

Peter zei zo vaak: ‘Lach eens!’ Dat viel me op en ik vroeg: ‘Waarom moet ik toch altijd lachen?’

‘Omdat dat leuk is; je krijgt dan kuiltjes in je wangen, hoe komt dat eigenlijk?’ ‘Daar ben ik mee geboren. Dat zit ook in mijn kin. Dat is het enige schoonheidsding dat ik bezit’.

‘Welneen, dat is niet waar’.


‘Jawel, ik weet wel dat ik geen mooi meisje ben, dat ben ik nooit geweest en zal het ook wel nooit worden’.

‘Dat vind ik helemaal niet, ik vind je knap’.


‘Dat is niet waar’.
‘Als ik dat zeg, dan kun je dat van mij aannemen!’
Ik zei toen natuurlijk hetzelfde van hem.
Ik moet van allen heel wat over de plotselinge vriendschap horen. We trekken ons van al die ouderkletsjes niet veel aan, hun opmerkingen zijn zo auw. Zouden de diverse ouders hun jeugd vergeten zijn? Het schijnt van wel, ze nemen ons tenminste altijd ernstig op als we een grapje maken en lachen om ons als we ernstig zijn.

Je Anne.


Maandag, 27 Maart 1944

Lieve Kitty,


Een heel groot hoofdstuk in onze onderduikgeschiedenis op papier moet eigenlijk de politiek innemen, maar daar dit onderwerp mij persoonlijk niet zo erg bezighoudt, heb ik het veel te veel links laten liggen. Daarom zal ik vandaag eens een hele brief aan de politiek wijden.

Dat er zeer veel verschillende opvattingen omtrent dit vraagstuk bestaan is vanzelfsprekend, dat er in benarde oorlogstijden ook veel over gesproken wordt is nog logischer, maar ... dat er zoveel ruzie om gemaakt wordt is eenvoudig dom.

Laat ze wedden, lachen, schelden, mopperen, laat ze alles doen, als ze maar in hun eigen vet smoren, maar laat ze geen ruzie maken, want dat heeft meestal minder goede gevolgen.

De mensen die van buiten komen, brengen zeer veel onwaar nieuws mee; onze radio heeft echter tot nu toe nooit gelogen. Henk, Miep, Koophuis, Elli en Kraler vertonen allen in hun politieke stemmingen ups en downs, Henk nog het minst van hen.

Hier in het Achterhuis is de stemming wat de politiek aangaat wel altijd dezelfde. Bij de talloze debatten over invasie, luchtbombardementen, speeches enzovoort enzovoort hoort men ook talloze uitroepen als ‘onmogelijk’, ‘Um Gottes Willen, als ze nu pas beginnen willen, wat moet dat dan wel worden!’ ‘Het gaat uitstekend, prima, best!’ Optimisten en pessimisten, vooral de realisten niet te vergeten, geven met onvermoeide energie hun mening ten beste en zoals dat met alles gaat, denkt ieder dat hij alleen gelijk heeft. Een zekere dame ergert zich aan het weergaloze vertrouwen dat haar heer gemaal in de Engelsen stelt, een zekere heer valt zijn dame aan wegens haar plagende en geringschattende opmerkingen aangaande zijn geliefde natie.

Het gaat hen nooit vervelen. Ik heb iets uitgevonden en de uitwerking daarvan is denderend; het is net of je iemand met een speld prikt en hem daardoor op laat springen. Precies zo werkt mijn middel: begin over de politiek; één vraag, één woord, één zin en dadelijk zit de hele familie er midden in!

Alsof nu de Duitse Weermachtberichten en de Engelse B.B.C. nog niet genoeg waren, is er sinds een tijdje een ‘Luftlagemeldung’ ingeschakeld. Magni ek in één woord, maar aan de andere kant ook vaak teleurstellend. De Engelsen maken van hun luchtwapen een continubedrijf - alleen te vergelijken met de Duitse leugens, die dito dito zijn -. Dus, de radio staat al vroeg 's ochtends aan en wordt elk uur gehoord, tot 's avonds negen, tien of vaak ook elf uur.

Dit is het schoonste bewijs, dat de volwassenen weliswaar geduld, maar moeilijk te bereiken hersenen hebben - behoudens uitzonderingen natuurlijk, ik wil niemand beledigen -. Wij zouden na één, hoogstens twee uitzendingen voor de hele dag genoeg hebben! Maar die oude ganzen, en n, ik zei immers al!

Arbeiter-Programm, Oranje, Frank Philips of Hare Majesteit Wilhelmina, alles krijgt een beurt en een even gewillig oor. En zijn ze niet aan het eten of aan het slapen, dan zitten ze aan de radio en praten over eten, slapen en politiek.

Oef, het wordt vervelend en een hele toer om er geen saaie bes bij te worden. Bij de ouelui kan dat laatste zo'n kwaad niet meer!

Om een lichtend voorbeeld te geven is een rede van den bij ons allen zeer geliefden Winston Churchill ideaal.

Zondagavond, negen uur. De thee onder de muts op tafel, de gasten komen binnen. Dussel naast de radio links, mijnheer er voor, Peter er naast. Moeder naast mijnheer, mevrouw achteraan en Pim aan tafel, Margot en ik ernaast. Ik merk, dat ik niet erg duidelijk schrijf hoe ze zitten. De heren paffen, Peters ogen vallen van het inspannende luisteren toe, mama in lang donker négligé en mevrouw aan het bibberen wegens de vliegers die zich van de rede niets aantrekken en lustig naar Essen vliegen, vader thee slurpend, Margot en ik zusterlijk vereend door de slapende Mouschi die beslag op twee verschillende knieën heeft gelegd. Margot heeft krulpennen in het haar; ik ben gekleed in een veel te klein, te nauw en te kort nachtkostuum.

Het lijkt intiem gezellig, vredig, het is voor deze keer ook zo; toch wacht ik met schrik de gevolgen van de rede af. Ze kunnen het slot immers haast niet afwachten, trappelen van ongeduld om er over te kunnen discuteren. Kst, kst, kst, zo prikkelen ze elkaar, totdat uit de discussie ruzie en onenigheid ontstaat.

Je Anne.


Dinsdag, 28 Maart 1944

Liefste Kitty,


Ik zou over de politiek nog veel meer kunnen schrijven, maar ik heb vandaag eerst weer een heleboel andere dingen te berichten. Ten eerste heeft moeder me eigenlijk verboden zo vaak naar boven te gaan, daar volgens haar mevrouw Van Daan jaloers is. Ten tweede heeft Peter Margot mee uitgenodigd om naar boven te komen: of het beleefdheid is of menens weet ik niet. Ten derde ben ik aan vader gaan vragen, of die vond, dat ik me aan die jaloersheid veel moest storen en die vond van niet. Wat nu? Moeder is kwaad, misschien ook jaloers. Vader gunt Peter en mij best die uurtjes en vindt het jn dat wij het zo goed met elkaar kunnen vinden. Margot houdt ook van Peter, maar voelt, dat je niet met zijn drieën kunt bepraten wat je wel met zijn tweeën kunt.

Moeder denkt dat Peter verliefd op mij is, eerlijk gezegd wou ik maar dat het waar was, dan zijn we quitte en kunnen elkaar veel makkelijker bereiken. Ze zegt verder, dat hij mij zoveel aankijkt. Nu is het wel waar, dat we elkaar meer dan eens in de kamer beknipogen en dat hij naar mijn wangenkuiltjes kijkt, daar kan ik toch niets aan doen! Is het wel?

Ik zit in een heel moeilijke positie. Moeder is tegen me en ik tegen haar, vader sluit voor de stille strijd tussen moeder en mij zijn ogen. Moeder is verdrietig, daar zij toch veel van mij houdt, ik ben helemaal niet verdrietig, daar ik voel, dat zij me niet begrijpt. En Peter ... Peter wil ik niet opgeven, hij is zo lief, ik bewonder hem zo, het zal zo mooi tussen ons kunnen worden, waarom steken die ‘ouwen’ dan hun neuzen er weer in? Gelukkig ben ik gewend mijn innerlijk te verbergen en het lukt me dan ook uitstekend niet te laten zien hoe dol ik op hem ben. Zal hij ooit wat zeggen? Zal ik ooit zijn wang voelen, zoals ik Petels wang in mijn droom gevoeld heb? O Peter en Petel, jullie zijn hetzelfde! Zij begrijpen ons niet, zouden nooit snappen dat wij al tevreden zijn, als we maar bij elkaar zitten en niet praten. Zij begrijpen niet wat ons zo naar elkaar toedrijft. O, wanneer zouden al die moeilijkheden overwonnen zijn en toch is het goed ze te overwinnen, want dan is het einde des te mooier. Als hij zo met zijn hoofd op zijn armen met zijn ogen dicht ligt, dan is hij nog een kind, als hij met Mouschi speelt, dan is hij liefdevol, als hij aardappels of andere zware dingen draagt, dan is hij krachtig, als hij gaat kijken bij het schieten of in het donker naar de dieven, dan is hij moedig en als hij zo onbeholpen en onhandig doet, dan is hij juist lief.

Ik vind het veel prettiger als hij mij wat uitlegt dan als ik hem wat moet leren: ik zou zo graag hebben dat hij in bijna alles een overwicht over mij had.

Wat kunnen mij die vele moeders schelen! O, als hij maar wou spreken. Je Anne.

Woensdag, 29 Maart 1944

Lieve Kitty,


Gisteravond sprak minister Bolkestein voor de Oranjezender er over, dat er na de oorlog een inzameling van dagboeken en brieven van deze oorlog zou worden gehouden. Natuurlijk stormden ze allemaal direct op mijn dagboek af. Stel je eens voor hoe interessant het zou zijn, als ik een roman van het Achterhuis zou uitgeven. Aan de titel alleen zouden de mensen denken, dat het een detectiveroman was.

Maar nu in ernst. Het moet ongeveer tien jaar na de oorlog al grappig aandoen, als wij vertellen hoe we als Joden hier geleefd, gegeten en gesproken hebben. Al vertel ik je veel van ons, toch weet je nog maar een heel klein beetje van ons leven af.

Hoeveel angst de dames hebben als ze bombarderen, bijvoorbeeld Zondag, toen 350 Engelse machines een half millioen kilo bommen op IJmuiden gegooid hebben, hoe dan de huizen trillen als een grassprietje in de wind, hoeveel epidemieën hier heersen. Van al deze dingen weet jij niets af en ik zou de hele dag aan het schrijven moeten blijven als ik alles in de nesses zou moeten navertellen. De mensen staan in de rij voor groenten en alle mogelijke andere dingen, de dokters kunnen niet bij de zieken komen, omdat om de haverklap hun voertuig wordt gestolen, inbraken en diefstallen zijn er plenty, zo zelfs dat je je gaat afvragen wat de Nederlanders bezielt dat ze opeens zo stelerig geworden zijn. Kleine kinderen van acht en elf jaar slaan de ruiten van woningen in en stelen wat los en vast zit. Niemand durft voor vijf minuten zijn huis te verlaten, want als je weg bent is je boel ook weg. Iedere dag staan advertenties in de krant met beloningen voor het terugbezorgen van gestolen schrijfmachines, perzische kleden, electrische klokken, stoffen enz. enz. Electrische straatklokken worden gedemonteerd, de telefoons in de cellen tot op de laatste draad uit elkaar gehaald. De stemming onder de bevolking kan niet goed zijn: iedereen heeft honger, met het weekrantsoen kan je nog geen twee dagen uitkomen, behalve met kof esurrogaat. De invasie laat lang op zich wachten, de mannen moeten naar Duitsland. De kinderen worden ziek of zijn ondervoed, iedereen heeft slechte kleren en slechte schoenen.

Een zool kost clandestien ƒ 7.50; daarbij nemen de meeste schoenmakers geen klanten aan of je moet vier maanden op de schoenen wachten, die dikwijls intussen verdwenen zijn.

Eén ding is hierbij goed, namelijk dat de sabotage tegen de overheid steeds erger wordt, naarmate het voedsel slechter wordt en de maatregelen tegen het volk strenger worden. De distributiedienst, de politie, de ambtenaren, alles doet òf mee om de medeburgers te helpen òf om hen te verklikken en daardoor in de gevangenis te laten zetten. Gelukkig staat maar een klein percentage van de Nederlandse burgers aan de verkeerde kant.

Je Anne.


Vrijdag, 31 Maart 1944

Lieve Kitty,


Stel je voor, het is nog tamelijk koud, maar de meeste mensen zitten al ongeveer een maand lang zonder kolen, plezierig hè! De stemming in het algemeen is weer optimistisch voor het Russische front, want dat is geweldig! Ik schrijf wel niet veel over de politiek, maar waar ze nu staan moet ik je toch even mededelen, ze staan vlak voor het Generaal-Gouvernement en bij Roemenië aan de Proeth. Vlak bij Odessa staan ze. Hier wachten ze elke avond op een extra communiqué van Stalin.

In Moskou schieten ze zoveel saluutschoten af, dat de stad elke dag wel dreunen moet; of ze het nu leuk vinden om te doen of de oorlog weer in de buurt is, of dat ze geen andere manier weten om hun vreugde te uiten, ik weet het niet!

Hongarije is door Duitse troepen bezet, daar zijn nog een millioen Joden, die zullen er nu ook wel aangaan.

Het geklets over Peter en mij is een beetje bedaard. Wij zijn erge goede vrienden, veel bij elkaar en praten over alle mogelijke onderwerpen. Het is zo jn, dat ik me nooit moet inhouden zoals bij andere jongens het geval zou zijn, als we op précair gebied komen.

Mijn leven hier is beter geworden, veel beter. God heeft mij niet alleen gelaten en zal me niet alleen laten.

Je Anne.


Zaterdag, 1 April 1944

Lieve Kitty,


En toch is alles nog zo moeilijk, je weet zeker wel wat ik bedoel, hé? Ik verlang zo ontzettend naar een kus, de kus die zo lang uitblijft. Zou hij mij aldoor nog als een kameraad beschouwen? Ben ik dan niet méér?

Jij weet en ik weet, dat ik sterk ben, dat ik de meeste lasten wel alleen kan dragen. Ik ben het nooit gewend geweest mijn lasten met iemand te delen, aan mijn moeder heb ik me nooit vastgeklemd, maar nu zou ik zo graag eens mijn hoofd tegen zijn schouder leggen en alleen maar rustig zijn.

Ik kan niet, kan nooit de droom van Peters wang vergeten, toen alles, alles zo goed was! Zou hij niet ook daarnaar verlangen? Zou hij alleen maar te verlegen zijn om zijn liefde te bekennen? Waarom wil hij mij zo vaak bij zich hebben? O, waarom spreekt hij niet?

Laat me ophouden, laat me rustig zijn, ik zal me wel sterk houden en met wat geduld zal dat andere ook wel komen, maar ... en dat is het erge, het ziet er zo erg naar uit of ik hem naloop, altijd moet ik naar boven, niet hij gaat naar mij.

Maar dat ligt aan de kamers en hij begrijpt dat bezwaar wel. O ja, hij zal wel meer begrijpen.
Je Anne.

Maandag, 3 April 1944

Lieve Kitty,


Geheel tegen mijn gewoonte in zal ik je toch maar eens uitvoerig over het eten schrijven, want het is niet alleen in het Achterhuis, maar ook in heel Nederland, in heel Europa en nog verder een zeer voorname en moeilijke factor geworden.

We hebben in de 21 maanden, die we nu hier zijn al heel wat ‘eet-periodes’ meegemaakt, wat dat betekent zal je direct horen. Onder ‘eet-periodes’ versta ik periodes waarin men niets anders te eten krijgt dan een bepaald gerecht of een bepaalde groente. Een tijdlang hadden we niets anders te eten dan elke dag andijvie met zand, zonder zand, stamppot, los en in de vuurvaste schotel, toen was het spinazie, daarna volgden koolrabie, schorseneren, komkommers, tomaten, zuurkool enzovoort enzovoort.

Het is heus niet leuk om elke middag en elke avond bijvoorbeeld zuurkool te eten, maar je doet veel als je honger hebt. Nu hebben we echter de mooiste periode, want we krijgen helemaal geen verse groente. Ons weekmenu van 's middags bestaat uit: bruine bonen, erwtensoep, aardappels met meelballen, aardappel-chalet, bij de gratie Gods nog eens raapstelen of rotte wortelen en dan maar weer bruine bonen. Aardappels eten we voor elke maaltijd, te beginnen bij het ontbijt wegens gebrek aan brood. Voor soep nemen we bruine of witte bonen, aardappels, julienne uit pakjes, koninginne uit pakjes, bruine bonen uit pakjes. In alles zit bruine bonen, niet het minst in het brood.

's Avonds eten we altijd aardappels met kunst-jus en, dat hebben we gelukkig nog, rode-bieten-sla. Over de meelballen moet ik nog spreken, die maken we van regeringsbloem met water en gist. Ze zijn zo plakkerig en taai, dat het is of er stenen in je maag liggen, maar a jn!

Onze grote attractie is een plakje leverworst elke week en de jam op droog brood. Maar we leven nog en vaak vinden we onze schamele maaltijd zelfs nog lekker.

Je Anne.



1   ...   10   11   12   13   14   15   16   17   18


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina