Het Achterhuis Anne Frank Amsterdam 1947 Zondag, 14 Juni 1942



Dovnload 0.65 Mb.
Pagina14/18
Datum22.07.2016
Grootte0.65 Mb.
1   ...   10   11   12   13   14   15   16   17   18

Dinsdag, 4 April 1944

Lieve Kitty,


Een hele tijd wist ik helemaal niet meer, waarvoor ik nu werk; het einde van de oorlog is zo ontzettend ver, zo onwerkelijk, sprookjesachtig. Als de oorlog in September nog niet afgelopen is, ga ik niet meer naar school. Want twee jaar wil ik niet achter komen. De dagen bestonden uit Peter, niets dan Peter, dromen en gedachten, totdat ik Zaterdag zo ontzettend lamlendig werd, neen vreselijk. Ik zat maar bij Peter mijn tranen te bedwingen, lachte dan met Van Daan bij de citroen-punch, was opgewekt en opgewonden, maar nauwelijks alleen wist ik, dat ik nu uithuilen moest. Zo in mijn nachtjapon liet ik me op de grond glijden en bad eerst heel intens mijn lang gebed, toen huilde ik met het hoofd op de armen, knieën opgetrokken, op de kale vloer, helemaal samengevouwen. Bij een harde snik kwam ik weer in de kamer terug en bedwong mijn tranen, daar ze binnen niets mochten horen. Toen begon ik mezelf moed in te spreken, ik zei niets anders dan: ‘Ik moet, ik moet, ik moet ...’ Helemaal stijf van de ongewone houding viel ik tegen de bedkant aan en vocht toen verder, totdat ik kort vóór half elf weer in bed stapte. Het was over!

En nu is het helemaal over. Ik moet werken om niet dom te blijven, om vooruit te komen, om journaliste te worden, want dat wil ik! Ik weet dat ik kan schrijven, een paar verhaaltjes zijn goed, mijn Achterhuisbeschrijvingen humoristisch, veel uit mijn dagboek spreekt, maar ... of ik werkelijk talent heb, dat staat nog te bezien.

Eva's droom was mijn beste sprookje en het gekke daarbij is, dat ik heus niet weet, waar het vandaan komt. Veel uit Cady's leven is ook goed, maar het geheel is niets. Ik zelf ben mijn scherpste en beste beoordelaar hier. Ik weet zelf wat goed en niet goed geschreven is. Niemand die niet schrijft weet hoe jn schrijven is; vroeger betreurde ik het altijd, dat ik in het geheel niet tekenen kon, maar nu ben ik overgelukkig dat ik tenminste schrijven kan. En als ik geen talent heb om voor kranten of boeken te schrijven, wel, dan kan ik nog altijd voor mezelf schrijven.

Ik wil verder komen, ik kan me niet voorstellen, dat ik zou moeten leven zoals moeder, mevrouw Van Daan en al die vrouwen, die hun werk doen en die later vergelen zijn. Ik moet iets hebben naast man en kinderen, waar ik me aan wijden kan!

Ik wil nog voortleven ook na mijn dood! En daarom ben ik God zo dankbaar, dat hij me bij mijn geboorte al een mogelijkheid heeft meegegeven om me te ontwikkelen en om te schrijven, dus om uit te drukken alles wat in me is.

Met schrijven word ik alles kwijt, mijn verdriet verdwijnt, mijn moed herleeft. Maar, en dat is de grote vraag, zal ik ooit nog iets groots kunnen schrijven, zal ik ooit eens journaliste en schrijfster worden?

Ik hoop het, o ik hoop het zo, want in schrijven kan ik alles vastleggen, mijn gedachten, mijn idealen en mijn fantasieën.

Aan Cady's leven heb ik lang niet meer gewerkt, in mijn gedachten weet ik precies hoe het verder zal gaan, maar het vlot niet goed. Misschien komt het nooit af, komt het in de prullemand of kachel terecht ... Dat is een naar idee, maar daarna denk ik weer, ‘met 14 jaar en zo weinig ervaring kan je ook nog geen philoso e schrijven’.

Dus maar weer verder, met nieuwe moed, het zal wel lukken, want schrijven wil ik!

Je Anne.


Donderdag, 6 April 1944

Lieve Kitty,


Je hebt me gevraagd, wat mijn hobby's en interessen zijn en daarop wil ik je antwoorden. Ik waarschuw je echter, schrik niet, het zijn er een heleboel.

In de eerste plaats: schrijven, maar dat telt eigenlijk niet als hobby.


No twee: stambomen. Van de Franse, Duitse, Spaanse, Engelse, Oostenrijkse,

Russische, Noorse en Nederlandse vorstenfamilies ben ik in alle kranten, boeken en papieren naar stambomen aan het zoeken. Met velen ben ik al erg ver gevorderd, temeer daar ik al lang uit al de biogra eën of geschiedenisboeken die ik lees, aantekeningen maak. Vele stukken geschiedenis schrijf ik zelfs over.

Mijn derde hobby is dan ook geschiedenis, waartoe vader voor mij al veel boeken gekocht heeft. Ik kan de dag haast niet afwachten, dat ik in de Openbare Bibliotheek alles kan napluizen.

Nummer vier is mythologie van Griekenland en Rome. Ook hierover heb ik verscheidene boeken.

Verdere liefhebberijen zijn lmsterren en familiefoto's. Dol op lezen en op boeken. Voel veel voor kunstgeschie-denis; vooral schrijvers, dichters en schilders. Musici komt misschien later nog. Bepaald antipathie heb ik tegen algebra, meetkunde en rekenen.

Alle overige schoolvakken doe ik met plezier, maar geschiedenis bovenal!


Je Anne.

Dinsdag, 11 April 1944

Lieve Kitty,


Mijn hoofd klopt, ik weet heus niet waarmee te beginnen.
Vrijdag (Goede Vrijdag) speelden we 's middags beursspel, Zaterdagmiddag eveneens. Deze dagen verliepen alle heel gauw en gewoon. Zondagmiddag kwam Peter op mijn uitnodiging om half vijf bij me, om kwart over vijf gingen we naar de voorzolder, waar we tot zes uur bleven. Van zes uur tot kwart over zeven werd er aan de radio een mooi Mozart-concert gegeven, vooral van deKleine Nachtmusik heb ik erg genoten. Ik kan in de kamer haast niet luisteren, omdat bij mooie muziek alles in me in beweging komt.

Zondagavond gingen Peter en ik samen om acht uur naar de voorzolder en om zacht te zitten namen we enige divankussens, die in onze kamer te vinden waren, mee. We namen op één kist plaats. Kist zowel als kussens waren erg smal, we zaten helemaal tegen elkaar aan en leunden alle twee tegen andere kisten. Mouschi hield ons nog gezelschap, dus we waren niet onbespied.

Plotseling, om kwart voor negen, oot mijnheer Van Daan en vroeg of we een kussen van mijnheer Dussel hadden. Alle twee sprongen we op en gingen met kussen, kat en Van Daan naar beneden.

Van dit kussen is nog een hele misère gekomen, want Dussel was kwaad, dat een van zijn kussens er bij was, dat hij als ‘Nachtkussen’ gebruikte. Hij was bang dat er vlooien in zaten en bracht voor dat éne kussen alles in rep en roer.

Peter en ik stopten toen als wraak twee harde borstels in zijn bed. We hebben om dit intermezzo wel gelachen.

Onze pret zou niet lang duren. Om half tien klopte Peter zachtjes aan de deur en vroeg vader of die boven even met een moeilijke Engelse zin wou helpen. ‘Dat is niet pluis’, zei ik tegen Margot, ‘het verzinsel ligt er dik bovenop’. Mijn veronderstelling klopte: in het magazijn waren ze net aan het inbreken. In een minimum van tijd waren vader, Van Daan, Dussel en Peter beneden, Margot, moeder, mevrouw en ik wachtten af.

Vier vrouwen in angst moeten praten, zo ook wij, totdat we beneden een slag hoorden. Daarna werd alles stil, de klok sloeg kwart voor tien. Van ons aller gezicht was de kleur verdwenen; we waren nog rustig, hoewel bang. Waar zouden de heren gebleven zijn? Wat was die slag? Zouden ze misschien met de inbrekers vechten? Tien uur, stappen op de trap: vader bleek en nerveus, kwam binnen, gevolgd door mijnheer Van Daan. ‘Licht uit, zachtjes naar boven, we verwachten politie in huis!’.

Er was geen tijd voor angst, de lichten gingen uit, ik pakte nog gauw een jasje en we zaten boven. ‘Wat is er gebeurd, vertel toch gauw!’ Er was niemand om te vertellen, de heren waren weer beneden. Pas tien over tienen kwamen ze alle vier boven, twee hielden de wacht aan Peters open raam, de deur naar de overloop was afgesloten, de draaikast dicht. Om het nachtlampje hingen we een trui, daarna vertelden ze:

Peter hoorde op de overloop twee harde klappen, liep naar beneden en zag dat aan de linkerkant van de magazijndeur een grote plank miste. Hij holde naar boven, waarschuwde het weerbare deel der familie en met zijn vieren trokken ze naar beneden. De inbrekers waren verder aan het breken, toen ze het magazijn binnenkwamen. Zonder bedenken schreeuwde Van Daan: ‘Politie!’

Haastige stappen buiten, de inbrekers waren gevlucht. Om te voorkomen, dat de politie het gat zou opmerken, werd de plank er weer voor gezet, maar door een inke trap van buiten vloog die nog eens op de grond. De heren waren perplex over zoveel brutaliteit, Van Daan zowel als Peter voelden moordneigingen opkomen; met de bijl sloeg Van Daan hard op de grond, alles was weer stil. Opnieuw wilden ze het plankje voor het gat zetten. Storing! - Een echtpaar buiten, bescheen met het schelle schijnsel van een zaklantaarn het hele magazijn door de opening. ‘Verroest’, mompelde een van de heren en ... nu veranderde hun rol van politie tot inbrekers. Alle vier slopen ze naar boven, Peter opende vlug de deuren en ramen van keuken en privé-kantoor, smeet de telefoon op de grond en ten slotte waren alle vier achter de schuilmuur beland.

Einde van het eerste deel.

Naar alle waarschijnlijkheid zou het echtpaar met de zaklantaarn de politie gewaarschuwd hebben; het was Zondagavond, de avond van de eerste Paasdag, tweede Paasdag niemand op kantoor, dus niemand kon zich verroeren vóór Dinsdagmorgen. Stel je voor, twee nachten en een dag in deze angst te zitten! We stelden ons niets voor, zaten maar in het stikdonker, omdat mevrouw ook al uit angst de lamp helemaal uitgedraaid had, de stemmen uisterden, bij elk gekraak klonk ‘sst. sst.’.

Het werd half elf, elf uur, geen geluid, om de beurt kwamen vader en Van Daan bij ons. Toen kwart over elf, gedruis beneden. Bij ons was de ademhaling van het hele gezin hoorbaar, overigens verroerden we ons niet. Stappen in huis, privé-kantoor, keuken, dan ... onze trap. Niemand ademde nu nog hoorbaar, acht harten bonkten, stappen op onze trap, dan gerammel aan de draaikast. Dit moment is onbeschrijfelijk. ‘Nu zijn we verloren!’ zei ik, en ik zag ons allen diezelfde nacht nog door de Gestapo weggevoerd. Gerammel aan de draaikast twee keer, dan viel iets, de stappen verwijderden zich, tot zover waren we gered. Een rilling voer door ons allen, van onbestemde kant hoorde ik klappertanden, niemand zei nog een woord.

Niets werd meer gehoofd in huis, maar er brandde licht op onze overloop, juist voor de kast. Zou dat zijn, omdat de kast geheimzinnig was? Had de politie misschien het licht vergeten? Kwam er nog iemand om het uit te doen? De tongen kwamen los, niemand was meer in huis, misschien wel een bewaker voor de deur.

Drie dingen deden we nu, veronderstellingen uiten, bibberen van angst en naar de W.C. moeten. De emmers waren op de zolder, alleen de blikken prullemand van Peter kon dienst doen. Van Daan maakte een begin, daarna kwam vader, moeder schaamde zich te veel. Vader bracht de bak mee naar de kamer, waar Margot, mevrouw en ik er graag gebruik van maakten, eindelijk besloot ook moeder. Steeds was er vraag naar wat papier, ik had gelukkig in mijn zak.

De bak stonk, alles uisterde en we waren moe, het was twaalf uur. ‘Ga toch op de grond liggen en slaap’. Margot en ik kregen elk een kussen plus deken, Margot lag een stuk van de voorraadkast af, ik tussen de poten van de tafel. Op de grond stonk het niet zo erg, maar mevrouw haalde toch zachtjes wat bleekpoeder, een droogdoek diende als tweede beschermmiddel over de pot.

Gepraat, ge uister, bangigheid, stank, windjes en aldoor iemand op de pot; slaap daar maar bij! Om half drie werd ik echter te moe en tot half vier hoorde ik niets. Ik werd wakker toen mevrouw met haar hoofd op mijn voet lag.

‘Geeft u me alstublieft wat om aan te doen!’ vroeg ik. Ik kreeg, maar vraag niet wat, een wollen broek over mijn pyama, een rode trui en een zwarte rok, witte onderkousen en kapotte kniekousen. Mevrouw nam vervolgens weer plaats op de stoel en mijnheer kwam op mijn voeten te liggen. Vanaf half vier ging ik denken, ik trilde nog steeds, zodat Van Daan niet slapen kon. Ik bereidde me er op voor, dat de politie terug zou komen, dan moeten we zeggen dat we onderduikers zijn; òf het zijn goede Nederlanders, dan zijn we gered, òf het zijn N.S.B.-ërs, dan moeten we ze omkopen!

‘Doe toch de radio weg’, zuchtte mevrouw. ‘Ja, in het fornuis’, antwoordde mijnheer, ‘als ze ons vinden, mogen ze ook de radio vinden!’

‘Dan vinden ze ook Anne's dagboek’, voegde Vader er aan toe. ‘Verbrand dat dan’, opperde de bangste van ons allen.

Dit en toen de politie aan de kastdeur rammelde, waren mijn bangste ogenblikken. ‘Mijn dagboek niet, mijn dagboek alleen samen met mij!’ Maar vader antwoordde niet meer, gelukkig.

Het heeft geen doel al de gesprekken die ik me nog herinner aan te halen; er werd zoveel gepraat. Ik troostte mevrouw in haar angst. We hadden het over vluchten en uithoren door de Gestapo, over opbellen en moedig zijn.

‘Nu moeten we ons als soldaten gedragen, mevrouw, als we er aan gaan, nu goed, dan maar voor Koningin en Vaderland, voor vrijheid, waarheid en recht, zoals radio Oranje steeds zegt. Het enige, dat ontzettend erg is, is dat we ze allemaal meeslepen in het ongeluk’.

Mijnheer Van Daan ruilde na een uur weer met zijn vrouw, vader kwam bij mij. De heren rookten aan één stuk door, af en toe een diepe zucht, dan weer een plasje en dan begon alles opnieuw.

Vier uur, vijf uur, half zes. Nu ging ik bij Peter in de kamer aan het raam zitten luisteren, zo dicht bijeen, dat we de trillingen van elkanders lichaam voelden, we spraken zo nu en dan een woord en luisterden scherp. Naast ons in de kamer ontduisterden ze. Om zeven uur wilden ze Koophuis opbellen en iemand hier laten komen. Nu schreven ze op wat ze Koophuis aan de telefoon wilden vertellen. Het risico, dat de wacht voor de deur of in het magazijn dat opbellen hoorde, was groot, maar het gevaar, dat de politie weer terugkwam, nog groter.

De punten waren:


Ingebroken: politie in huis geweest tot aan de draaideur, niet verder. Inbrekers blijkbaar gestoord, hebben magazijn geforceerd en zijn door de tuin ontvlucht.

Hoofdingang gegrendeld, Kraler moet door de tweede deur weggegaan zijn. De schrijfmachines en rekenmachine zijn veilig in de zwarte kist op privé-kantoor. Henk trachten te waarschuwen en sleutel bij Elli halen, dan naar kantoor gaan kijken, voorwendsel: poes voeden.

Alles verliep naar wens. Koophuis werd opgebeld, de schrijfmachines, die bij ons boven stonden, in de kist gestopt. Dan zaten we weer aan tafel en wachtten op Henk of de politie.

Peter was ingeslapen, Van Daan en ik lagen op de grond, toen we beneden harde stappen hoorden. Zachtjes stond ik op: ‘Dat is Henk’.

‘Neen, neen, dat is de politie’, hoorde ik van anderen.

Er werd aan onze deur geklopt, Miep oot. Mevrouw Van Daan werd het toen te machtig, lijkwit en slap hing ze in haar stoel en als de spanning nog één minuut aangehouden had, was ze auw gevallen.

Toen Henk en Miep binnenkwamen, leverde onze kamer een heerlijk beeld op, alleen de tafel was al de moeite van een foto waard. Een Cinema & Theater, vol met jam en een middel tegen diarrhee, lag op een dansmeisjesbladzijde open, twee jampotten, een half en een kwart broodje, spiegel, kam, lucifers, as, sigaretten, tabak, asbak, boeken, een onderbroek, zaklantaarn, closetpapier, enz. enz. lagen in bonte mengeling dooreen.

Henk en Miep werden natuurlijk met gejuich en tranen begroet. Henk timmerde het gat met hout dicht en ging al gauw weer weg om de politie van de inbraak op de hoogte te stellen. Miep had onder de magazijndeur ook nog een briefje gevonden van den nachtwaker Slagter, die het gat open gevonden en de politie gewaarschuwd had, die zou hij ook even opzoeken.

Een half uurtje hadden we dus om ons op te knappen. Nog nooit heb ik in een half uur zoveel zien veranderen. Margot en ik legden beneden de bedden uit, gingen naar de W.C., poetsten onze tanden, wasten ons en maakten ons haar op. Daarna ruimde ik de kamer nog een beetje op en ging weer naar boven. De tafel was daar al afgeruimd, we tapten water, zetten kof e en thee, kookten melk en dekten voor het kof e-uurtje, vader en Peter leegden de po's en maakten ze schoon met warm water en bleekpoeder.

Om elf uur zaten we met Henk, die terug was, rond de tafel en het werd langzamerhand weer gezellig. Henks verhaal was als volgt:

‘Bij Slagter vertelde de vrouw, want mijnheer sliep, dat haar man op zijn tocht rond de grachten het gat bij ons ontdekt had en met een er bij gehaalde agent het perceel doorgelopen was. Hij zou Dinsdag bij Kraler komen en dan verder vertellen. Op het politiebureau wisten ze nog niets van de inbraak af, maar noteerden het meteen om ook Dinsdag te komen kijken. Op de terugweg liep Henk toevallig even bij onze aardappelleverancier om de hoek aan en vertelde dat er ingebroken was. ‘Dat weet ik’, zei deze doodleuk, ‘ik kwam gisteravond met mijn vrouw langs uw perceel en zag een gat in de deur. Mijn vrouw wou al doorlopen, maar ik keek even met de lantaarn; toen liepen de dieven meteen weg. Voor alle zekerheid heb ik de politie maar niet opgebeld, daar ik dat bij u niet wou doen, ik weet wel niets, maar ik vermoed veel’.

Henk bedankte en ging heen. Die man vermoedt zeker dat we hier zitten, want hij brengt de aardappels altijd tussen de middaguren. Fijne kerel!

Nadat Henk vertrokken was en wij afgewassen hadden, was het één uur. Alle acht gingen we slapen. Om kwart voor drie werd ik wakker en zag, dat mijnheer Dussel al verdwenen was. Heel toevallig kwam ik met mijn slaperige gezicht Peter in de badkamer tegen, die net van boven kwam. We spraken beneden af.

Ik knapte me op en ging naar beneden. ‘Durf je nog naar de voorzolder te gaan?’ vroeg hij. Ik stemde toe, haalde mijn beddekussen en we gingen naar de voorzolder. Het weer was schitterend en al gauw loeiden dan ook de sirenes; we bleven waar we waren. Peter sloeg zijn arm om mijn schouder, ik sloeg mijn arm om zijn schouder en zo bleven we, de armen om elkaar heen, rustig afwachten tot Margot ons om vier uur voor de kof e kwam halen.

We aten ons brood op, dronken limonade en maakten grapjes, dat ging dus weer, verder liep alles gewoon. Ik bedankte Peter 's avonds, omdat hij de moedigste van allen was.

Geen van ons allen heeft ooit in zulk een gevaar verkeerd als wij die nacht. God heeft ons wel heel erg beschermd; denk eens aan, de politie aan onze schuilkast, het licht er vóór aan en wij blijven nog onopgemerkt.

Als de invasie met bommen komt, kan ieder voor zichzelf opkomen, maar hier was de angst ook voor onze onschuldige en goede beschermers. ‘Wij zijn gered, red ons verder!’ Dat is het enige, wat we kunnen zeggen.

Deze geschiedenis heeft heel wat veranderingen meegebracht. Mijnheer Dussel zit in het vervolg 's avonds niet meer beneden in Kralers kantoor, maar in de badkamer. Peter gaat om half negen en half tien het huis controleren, Peters raam mag 's nachts niet meer open. Er mag op de W.C. na half tien niet meer doorgetrokken worden. Vanavond komt er een timmerman om de magazijndeuren nog te versterken.

Debatten voor en na zijn er nu in het Achterhuis. Kraler heeft ons onze onvoorzichtigheid verweten. Ook Henk zei, dat we in zo'n geval nooit naar beneden mogen. Wij zijn er heel sterk aan herinnerd dat wij onderduikers zijn, dat wij geketende Joden zijn, geketend aan een plek, zonder rechten maar met duizend plichten. Wij Joden mogen ons gevoel niet laten gelden, moeten moedig zijn en sterk, moeten alle ongemakken op ons nemen en niet mopperen, moeten doen wat in onze macht ligt en op God vertrouwen. Eens zal deze verschrikkelijke oorlog toch wel a open, eens zullen we toch weer mensen en niet alleen Joden zijn.

Wie heeft ons dit opgelegd? Wie heeft ons Joden tot een uitzondering onder alle volkeren gemaakt? Wie heeft ons tot nu toe zo laten lijden? Het is God geweest die ons zo heeft gemaakt, maar het zal ook God zijn, die ons opheft. Als wij al dit leed dragen en er toch nog steeds Joden overblijven, dan zullen de Joden eenmaal van gedoemden tot voorbeelden worden. Wie weet mag het ons geloof nog eens zijn, dat de wereld en daarmee alle volkeren het goede leert en daarvoor, dáárvoor alleen moeten wij ook lijden. Wij kunnen nooit alleen Nederlanders, alleen Engelsen, of vertegenwoordigers van welk land ook worden, wij zullen daarnaast altijd Joden blijven, maar wij willen het ook blijven.

Wees moedig! Laten we ons van onze taak bewust blijven en niet mopperen, er zal een uitkomst komen, God heeft ons volk nooit in de steek gelaten. Door alle eeuwen heen zijn er Joden blijven leven, door alle eeuwen heen moesten Joden lijden, maar door alle eeuwen heen zijn ze ook sterk geworden; de zwakken vallen, maar de sterken zullen overblijven en nooit ondergaan!

In die nacht wist ik eigenlijk dat ik sterven moest, ik wachtte op de politie, ik was bereid, bereid zoals de soldaten op het slagveld. Ik wou me graag opofferen voor het vaderland, maar nu, nu ik weer gered ben, nu is mijn eerste wens na de oorlog, maak me Nederlander!

Ik houd van de Nederlanders, ik houd van ons land, ik houd van de taal, en wil hier werken. En al zou ik aan de Koningin zelf moeten schrijven, ik zal niet wijken vóór mijn doel bereikt is.

Steeds onafhankelijker word ik van mijn ouders, zo jong als ik ben heb ik meer levensmoed, meer juist en ongeschonden rechtsgevoel dan moeder. Ik weet wat ik wil, ik heb een doel, een mening, ik heb een geloof en een liefde. Laat me mezelf zijn, dan ben ik tevreden. Ik weet dat ik een vrouw ben, een vrouw met innerlijke sterkte en veel moed.

Als God me laat leven, zal ik meer bereiken dan moeder ooit deed, ik zal niet onbetekenend blijven, ik zal in de wereld en voor de mensen werken!

En nu weet ik dat moed en blijheid het eerst nodig zijn. Je Anne.



Vrijdag, 14 April 1944

Lieve Kitty,


De stemming is hier nog zeer gespannen. Pim staat op kookpunt, mevrouw ligt met verkoudheid in bed en toetert, mijnheer zonder saf aantjes is bleek, Dussel, die veel van zijn gemak opofferde, heeft aanmerkingen enz. enz.

Trouwens, het is waar, we boffen op het ogenblik niet. De W.C. is lek en de kraan doorgedraaid, dank zij de vele relaties is het één zowel als het andere spoedig weer te herstellen.

Soms ben ik sentimenteel, dat weet ik wel, maar ... er is hier soms ook plaats voor sentimentaliteit. Als Peter en ik ergens tussen veel rommel en stof op een harde houten kist zitten, de armen om elkaars schouder dicht naast elkaar, hij met een krul van mij in zijn hand, als buiten de vogels zo trillend uiten, als je de bomen groen ziet worden, als de zon naar buiten lokt, als de lucht zo blauw is, o dan, dan wil ik zoveel!

Niets dan ontevreden en mopperende gezichten ziet men hier, niets dan zuchten en onderdrukt klagen, het lijkt wel of we het opeens verschrikkelijk slecht gekregen hebben. Heus, alles is net zo slecht als je het zelf maakt. Hier in het Achterhuis is er niemand die het goede voorbeeld geeft, hier moet ieder zien hoe hij zijn buien de baas wordt. ‘Was het maar afgelopen’, hoor je iedere dag.

Mijn werk, mijn hoop, mijn liefde, mijn moed, dat alles houdt me rechtop en maakt me goed.

Ik geloof beslist, Kit, dat ik vandaag een beetje getikt ben en ik weet toch niet waarom. Alles staat hier door elkaar, geen verband valt er te bespeuren en ik twijfel er soms ernstig aan, of later iemand mijn gedaas zal interesseren.

‘De ontboezemingen van een lelijk, jong eendje’, wordt dan de titel van al de onzin. Mijnheer Bolkestein of Gerbrandy zullen aan mijn dagboeken heus niet zoveel hebben.

Je Anne.


Zondagmorgen, iets voor 11 uur. 16 April 1944

Liefste Kitty,


Onthoud de dag van gisteren, want hij is heel belangrijk in mijn leven. Is het niet voor ieder meisje belangrijk als ze haar eerste zoen te pakken heeft? Welnu, voor mij is het net zo belangrijk. De zoen van Bram op mijn rechterwang telt niet mee en evenmin die van mr Walker op mijn rechter hand.

Hoe ik zo plotseling aan die zoen gekomen ben, wel, dat zal ik je vertellen.

Gisteravond om acht uur zat ik samen met Peter op zijn divan, al gauw sloeg hij een arm om mij heen. ‘Laten wij een beetje opschikken’, zei ik, ‘dan kan ik mijn hoofd niet aan het kastje stoten’. Hij schikte op, tot haast helemaal in het hoekje, ik legde mijn arm onder de zijne door op zijn rug en hij bedolf me zowat, doordat zijn arm om mijn schouder hing.

Nu hebben we wel meer zo gezeten, maar nooit zo dicht bij elkaar als gisteravond. Hij drukte me stijf tegen zich aan, mijn linkerborst lag op de zijne, mijn hart klopte al sneller, maar we waren nog niet klaar. Hij rustte niet, voordat mijn hoofd op zijn schouder lag en het zijne daar weer bovenop. Toen ik na ongeveer vijf minuten weer wat rechtop ging zitten, nam hij al gauw mijn hoofd in zijn handen en legde het weer tegen zich aan. O, het was zo heerlijk, ik kon niet veel spreken, het genot was te groot. Hij streelde een beetje onhandig mijn wang en arm, prutste aan mijn krullen en onze hoofden lagen de meeste tijd helemaal tegen elkaar aan. Het gevoel dat mij daarbij doorstroomde kan ik je niet vertellen, Kitty, ik was te gelukkig en hij ook, geloof ik.

Om half negen stonden we op, Peter deed zijn gymschoenen aan om zachter te lopen bij de ronde door het huis en ik stond er bij. Hoe het zo plotseling kwam, ik weet het niet, maar voordat wij naar beneden gingen, gaf hij mij een zoen, tussen mijn haar, half op mijn linkerwang, half op mijn oor. Ik rende naar beneden, zonder omkijken en ben erg verlangend naar vandaag.

Je Anne.



1   ...   10   11   12   13   14   15   16   17   18


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina