Het Achterhuis Anne Frank Amsterdam 1947 Zondag, 14 Juni 1942



Dovnload 0.65 Mb.
Pagina17/18
Datum22.07.2016
Grootte0.65 Mb.
1   ...   10   11   12   13   14   15   16   17   18

Vrijdag, 9 Juni 1944

Lieve Kitty,


Met de invasie gaat het prima-prima. De geallieerden hebben Bayeux, een dorpje aan de Franse kust ingenomen en strijden nu om Caen. Het is duidelijk, dat het de bedoeling is, om het schiereiland waarop Cherbourg ligt, af te snijden. Iedere avond vertellen oorlogscorrespondenten van de moeilijkheden, moed en geestdrift van het leger; de ongelofelijkste staaltjes wisten ze te vertellen. Ook gewonden, die nu alweer in Engeland terug zijn, waren voor de microfoon. Ondanks het miserabele weer vliegen ze vlijtig. Het is ons via de B.B.C. ter ore gekomen, dat Churchill de invasie met de troepen wou meemaken, alleen op afraden van Eisenhower en andere Generaals is dit plan niet doorgegaan. Denk eens aan, wat een moed van zo'n ouden man, hij is zeker al 70 jaar.

Hier is de opwinding weer wat bedaard, toch hopen wij dat de oorlog eind van het jaar eindelijk afgelopen zal zijn. Het zal tijd worden! Mevrouw Van Daans gezeur is niet om aan te horen, nu ze ons met de invasie niet meer gek kan maken, zanikt ze de hele dag over het slechte weer. Je zou zin hebben haar in een emmer koud water op de vliering te zetten.

Je Anne.

Dinsdag, 13 Juni 1944

Lieve Kitty,


Mijn verjaardag is weer voorbij, nu ben ik dus 15. Ik heb nogal veel gekregen. De vijf delen Springer Kunstgeschiedenis, een stel ondergoed, twee ceintuurs, een zakdoek, twee esjes yoghurt, een potje jam, een kruidkoek, een plantkundeboek van vader en moeder. Doublé armband van Margot, Patria-boek van de Van Daans, biomals en lathyrus van Dussel, snoep en schriften van Miep en Elli en het hoogtepunt: het boek Maria Theresia en drie plakjes volvette kaas van Kraler. Van Peter een jne bos pioenrozen, de arme jongen heeft zich zoveel moeite gegeven om wat te vinden, maar niets is gelukt.

Met de invasie gaat het nog steeds uitstekend, ondanks het miserabele weer, de talloze stormen, gietbuien en hoge zeeën.

Churchill, Smuts, Eisenhower en Arnold waren gisteren in de Franse dorpen, die door de Engelsen veroverd en bevrijd zijn. Churchill was op een torpedoboot die de kust beschoot. Die man schijnt, als zovele mannen, geen angst te kennen, benijdenswaardig!

De stemming in Nederland is vanuit ons Achterfort niet te peilen. Ongetwijfeld zijn de mensen blij, dat het nietsdoende (!) Engeland eindelijk ook zelf eens de handen uit de mouwen steekt. Alle Nederlanders die nu nog op de Engelsen neerkijken, Engeland en de oude-heren-regering beschimpen, Engelsen laf noemen, maar toch de Duitsers haten, moeten eens net zo opgeschud worden als dat met een kussen gebeurt. Misschien leggen zich die verwarde hersenen dan in een wat betere plooi.

Je Anne.

Woensdag, 14 Juni 1944

Lieve Kitty,


Veel wensen, veel gedachten, veel beschuldigingen en veel verwijten spoken er in mijn hoofd om. Ik ben heus niet vol verbeelding, zoals vele mensen menen, ik weet mijn talloze fouten en gebreken beter dan wie ook, alleen met dit verschil dat ik ook weet, dat ik me ook beteren wil, beteren zal en me al veel verbeterd heb.

Hoe komt het dan, vraag ik me zo vaak af, dat iedereen me nog zo ontzettend eigenwijs en onbescheiden vindt? Ben ik zo eigenwijs? Ben ik het werkelijk, of zijn het misschien niet ook de anderen? Dat klinkt gek, ik merk het, maar ik streep mijn laatste zin niet door, omdat hij heus niet zo gek is. Mevrouw Van Daan, een van mijn voornaamste beschuldigers, staat bekend als onintelligent en laat ik het maar gerust uitspreken ‘dom’. Domme mensen kunnen het meestal niet verkroppen, als anderen iets beter doen dan zijzelf.

Mevrouw vindt mij dom, omdat ik niet in zo grote mate als zijzelf in begrip tekort schiet, ze vindt mij onbescheiden, omdat zij het nog erger is, ze vindt mijn jurken te kort, omdat de hare nog korter zijn. En daarom vindt zij mij ook eigenwijs, omdat zij zelf nog wel tweemaal zoveel als ik meepraat over onderwerpen, waarvan zij totaal geen verstand heeft. Maar één van mijn meest geliefde spreuken is: ‘Van ieder verwijt is wel wat waar’, en ik geef dan ook grif toe, dat ik eigenwijs ben.

Nu is het lastige van mijn natuur, dat ik van niemand zoveel standjes en zoveel kritiek krijg als van mijzelf. Als moeder daar nog haar portie raadgevingen aan toevoegt, wordt de hoop preken zo onoverkomelijk groot, dat ik van wanhoop om er nog ooit uit te komen, brutaal word en ga tegenspreken en dan komt vanzelf het bekende en al zo oude Anne-woord terug: ‘Niemand begrijpt me ook!’

Dit woord zit in me en hoe onwaar het ook mag schijnen, ook hier is een tipje waarheid in. Mijn zelf beschuldigingen nemen vaak zo'n omvang aan, dat ik naar een troostende stem snak, die ze weer in gezonde vormen terugbrengt en zich ook iets van mijn binnenkamer aantrekt, maar helaas, ik kan lang zoeken, gevonden is diegene nog niet.

Ik weet, dat je nu aan Peter denkt, hé Kit? Het is zo, Peter houdt van me, niet als verliefde maar als vriend, zijn toegenegenheid stijgt met de dag, maar wat dat geheimzinnige is, dat ons alle twee tegenhoudt, dat begrijp ik zelf niet. Soms denk ik wel eens, dat dat verschrikkelijke verlangen van mij naar hem overdreven was, maar dat is toch heus niet zo, want als ik eens twee dagen niet boven was, verlang ik weer zo hevig naar hem als nooit te voren. Peter is lief en goed, toch mag ik niet loochenen, dat veel in hem mij teleurstelt. Vooral zijn godsdienstafkeer, eetgesprekken en nog meer van dergelijke uiteenlopende dingen bevallen me niet. Toch ben ik er vast van overtuigd, dat wij naar onze eerlijke afspraak nooit ruzie zullen krijgen, Peet is vredelievend, verdraagzaam en erg toegevend. Hij laat zich door mij veel meer dingen zeggen dan hij zijn moeder toestaat, hij probeert met veel hardnekkigheid orde op zijn zaken te houden. Maar toch, waarom blijft zijn binnenste dan binnen en mag ik daar nooit aan raken? Hij is een veel meer gesloten natuur dan ik, dat is waar, maar ik weet - en nu werkelijk uit de praktijk - dat zelfs de meest gesloten naturen op hun tijd net zo hard of nog harder naar een vertrouwde verlangen.

Peter en ik hebben alle twee onze denkjaren in het Achterhuis doorgebracht, we praten vaak over toekomst, verleden en heden, maar zoals gezegd, het echte mis ik en toch weet ik zeker dat het er is.

Je Anne.


Donderdag, 15 Juni 1944

Lieve Kitty,


Zou het komen, omdat ik zolang mijn neus niet in de buitenlucht kon steken, dat ik zo dol ben geworden op alles wat natuur is? Ik weet nog heel goed, dat een stralend blauwe hemel, piepende vogels, maneschijn en bloeiende bloemen mijn aandacht vroeger nog lang niet konden vasthouden. Hier is dat anders geworden.

Ik heb met Pinksteren bijvoorbeeld, toen het zo warm was, 's avonds met geweld mijn ogen open gehouden, om bij half 12 de maan aan het open raam eens één keer goed en alleen te kunnen bekijken. Helaas liep deze opoffering op niets uit, daar de maan te veel licht verspreidde en ik een open raam niet mocht riskeren. Een andere keer, alweer heel wat maanden geleden, was ik toevallig boven, toen het raam 's avonds open was. Ik ging niet eerder naar beneden, voordat de luchttijd afgelopen was. De donkere regenachtige avond, de storm, de jagende wolken hielden me in hun macht gevangen; na anderhalf jaar had ik voor het eerst weer de nacht van aangezicht tot aangezicht gezien. Na die avond was mijn verlangen dit nog eens te zien groter dan mijn angst voor dieven, donker rattenhuis of overvallen. Ik ging geheel alleen naar beneden en keek naar buiten uit het raam van het privé-kantoor en de keuken. Vele mensen vinden de natuur mooi, velen slapen eens onder de blote hemel, velen verlangen in gevangenissen of ziekenhuizen naar de dag, dat ze weer vrij van de natuur kunnen genieten, maar weinigen zijn met hun verlangen zo afgesloten en geïsoleerd van datgene wat voor arm en rijk hetzelfde is.

Het is geen verbeelding dat het zien van de hemel, de wolken, de maan en de sterren mij rustig en afwachtend maakt. Dit middel is veel beter dan valeriaan of broom, de natuur maakt mij deemoedig en gereed om alle slagen dapper op te vangen.

Het heeft helaas zo moeten zijn, dat ik de natuur - en dan nog maar bij uitzondering - door dikbestoven en vuil begordijnde ramen mag zien. En om daardoor te kijken is geen plezier meer, want de natuur is het enige dat werkelijk geen surrogaat kan verdragen.

Je Anne.

Vrijdag, 16 Juni 1944

Lieve Kitty,


Nieuwe problemen: mevrouw is wanhopig, spreekt van een kogel door de kop, gevangenis, ophangen en zelfmoord. Zij is jaloers, dat Peter mij wel en haar niet zijn vertrouwen schenkt. Ze is beledigd dat Dussel niet voldoende op haar irterijen ingaat, bang dat haar man al het bontmantel-geld oprookt, maakt ruzie, scheldt, huilt, beklaagt zich, lacht en begint dan weer met ruzie.

Wat moet je nu met zo'n snotterend en mal exemplaar beginnen? Au sérieux wordt ze door niemand genomen, karakter heeft ze niet, klagen doet ze bij ieder en ze loopt rond als: von hinten Lyceum, von vorne Museum. Daarbij is nog het ergste dat Peter brutaal, mijnheer Van Daan prikkelbaar en moeder cynisch wordt. Ja, dat is me een toestand! Er is maar één regel die je goed voor ogen moet houden: lach om alles en stoor je niet aan anderen! Het lijkt egoïstisch, het is in werkelijkheid het enige geneesmiddel voor wie troost bij zichzelf moet vinden.

Kraler heeft weer een oproep om vier weken te gaan spitten.
Hij probeert vrij te komen door een dokters-attest en een brief van de zaak.

Koophuis wil een maagoperatie ondergaan. Gisteren om 11 uur is van alle particulieren de telefoon afgesneden.

Je Anne.

Vrijdag, 23 Juni 1944

Lieve Kitty,


Niets bijzonders aan de hand hier. De Engelsen zijn de grote aanval op Cherbourg begonnen, volgens Pim en Van Daan zijn we op 10 October zeker vrij! De Russen nemen deel aan de actie, gisteren is hun offensief bij Witebsk begonnen, dat is precies op de dag af drie jaar na de Duitse inval.

We hebben haast geen aardappels, in het vervolg willen we de aardappels voor alle acht aftellen, dan kan ieder zien wat hij doet.

Je Anne.

Dinsdag, 27 Juni 1944

Liefste Kitty,


De stemming is omgeslagen, het gaat enorm goed. Cherbourg, Witebsk en Slobin zijn vandaag gevallen. Veel buit en gevangenen. Nu kunnen de Engelsen aan land brengen wat ze willen, want ze hebben een haven, het hele Cotentin, drie weken na de invasie Engels! Geweldige prestatie. In de drie weken na de D.-day is nog geen dag zonder regen en storm geweest, zowel hier als in Frankrijk, maar die pech verhindert den Engelsen en Amerikanen niet hun enorme kracht te tonen en hoe te tonen! Wel is de Wuwa (wonderwapen) in volle actie, maar wat beduidt zo'n sisser anders dan wat schade in Engeland en volle kranten bij de moffen? Trouwens als ze in dat Moffrika merken, dat het ‘Bolsjewistische gevaar’ nu werkelijk in aantocht is, zullen ze nog meer de bibberatie krijgen.

Alle Duitse vrouwen en kinderen die niet voor de Weermacht werken, worden uit de kuststreken geëvacueerd naar Groningen, Friesland en Gelderland. Mussert heeft verklaard, dat hij, als de invasie hier komt, een soldatenpakje aantrekt. Wil de dikkert misschien gaan vechten? Had ie wel eerder in Rusland kunnen doen. Finland heeft het vredesaanbod toentertijd geweigerd, ook nu zijn de onderhandelingen dienaangaande weer afgebroken, wat zullen die een berouw krijgen, die stomkoppen!

Hoever denk je, dat we op 27 Juli zijn? Je Anne.

Vrijdag, 30 Juni 1944

Lieve Kitty,


Slecht weer of: bad weather at a stretch to the 30th of June.
Is dat niet netjes, o zeker, ik kan al een mondje vol Engels; om dat te bewijzen lees ik: An ideal husband met woordenboek. Oorlog uitstekend! Bobroisk, Mogilef en Orsja gevallen, veel gevangenen.

Hier alles allright, humeuren gaan vooruit. Onze hyperoptimisten triomferen. Elli heeft haar kapsel veranderd, Miep heeft een week vrij. Dat is het laatste nieuws.

Je Anne.

Donderdag, 6 Juli 1944

Lieve Kitty,


Mij wordt het bang om het hart als Peter er van spreekt, dat hij later misschien

misdadiger wordt of gaat speculeren; hoewel het natuurlijk als grap bedoeld is, heb ik toch het gevoel, dat hij zelf bang voor zijn karakterzwakheid is. Steeds weer hoor ik, zowel van Margot als van Peter: ‘Ja, als ik zo sterk en moedig was als jij, als ik zo precies mijn wil doorzette, als ik zo'n volhardende energie had, ja dan ...!’

Is het werkelijk een goede eigenschap, dat ik me niet laat beïnvloeden? Is het wel goed, dat ik haast uitsluitend de weg van mijn eigen geweten volg?

Eerlijk gezegd kan ik me niet goed indenken hoe iemand zeggen kan: ‘Ik ben zwak’, en dan nog zwak blijft. Als men zoiets toch al weet, waarom dan niet er tegen in gewerkt, waarom zijn karakter niet trainen? Het antwoord was: ‘Omdat het zoveel makkelijker is!’ Dat antwoord heeft me een beetje mismoedig gemaakt. Makkelijk? Betekent een lui en bedrieglijk leven, dat het ook een makkelijk leven is? O neen, het kan niet waar zijn, het mag niet zo zijn, dat slapheid en ... geld iemand zo gauw verleiden kunnen.

Ik heb er lang over nagedacht wat ik dan wel voor een antwoord moet geven, hoe ik Peet er toe moet brengen in zichzelf te geloven en vooral zichzelf te verbeteren; of mijn gedachtengang juist is, weet ik niet.

Ik heb me zo vaak voorgesteld hoe jn het zou zijn als iemand me zijn vertrouwen schenkt, maar nu, nu het zover is, zie ik pas hoe moeilijk het is helemaal met de gedachte van die ander te denken en dan het antwoord te vinden. Vooral omdat ‘makkelijk’ en ‘geld’-begrip voor mij iets volkomen vreemds en nieuws is. Peter begint een beetje op mij te steunen en dat mag onder geen omstandigheid. Op eigen benen in het leven staan is moeilijk voor een type als Peter, maar nog moeilijker is het om op eigen benen te staan, als bewust levend mens. Want als je dat bent, is het dubbel zwaar de weg te vinden door de zee van problemen en toch standvastig te blijven. Ik dobber maar zo'n beetje rond, zoek al dagenlang, zoek naar een volkomen afdoend middel tegen het vreselijke woord: ‘makkelijk’.

Hoe kan ik hem duidelijk maken, dat wat zo makkelijk en mooi lijkt hem naar de diepte zal trekken, de diepte waar geen vrienden, geen steun en niets moois meer is, de diepte vanwaar opstaan haast onmogelijk is?

Wij leven allen, maar weten niet waarom en waarvoor, wij leven allen met het doel gelukkig te worden, we leven allen verschillend en toch gelijk. Wij drieën zijn opgevoed in een goede kring, wij kunnen leren, wij hebben de mogelijkheid iets te bereiken, wij hebben veel redenen om op een mooi geluk te hopen, maar ... wij moeten dat zelf verdienen. En dat is wat nooit met iets makkelijks te bereiken valt. Geluk verdienen betekent er voor werken en goed te doen en niet te speculeren en lui te zijn. Luiheid mag aantrekkelijk schijnen, werken geeft bevrediging.

Mensen die niet van werken houden kan ik niet begrijpen, maar dat is bij Peter ook niet het geval; hij heeft alleen maar geen vast doel voor ogen, vindt zichzelf te dom en te min om iets te presteren. Arme jongen, hij heeft nog nooit het gevoel van anderen gelukkig maken gekend en dat kan ik hem ook niet leren. Hij heeft geen godsdienst, spreekt spottend over Jezus Christus, vloekt met de naam van God; hoewel ik ook niet orthodox ben, doet het me elke keer weer pijn als ik merk hoe verlaten, hoe minachtend, hoe arm hij is.

Mensen die een godsdienst hebben, mogen blij zijn, want het is niet elk gegeven aan bovenaardse dingen te geloven. Het is niet eens nodig bang te zijn voor straffen na de dood; het vagevuur, de hel en de hemel zijn dingen die velen niet aannemen kunnen, maar toch houdt de een of andere godsdienst, welke het is doet niets ter zake, den mens op het goede pad. Het is geen angst voor God, maar de hooghouding van eigen eer en geweten. Hoe mooi en goed zouden alle mensen zijn, als ze elke avond voor het inslapen zich de gebeurtenissen van de hele dag voor ogen riepen en dan precies zouden nagaan wat goed en slecht geweest is in hun eigen optreden. Onwillekeurig probeer je elke dag weer van voren af aan je te verbeteren, allicht dat je dan na verloop van tijd heel wat bereikt. Dit middeltje is voor ieder te gebruiken, het kost niets en is beslist erg nuttig. Want wie het niet weet, moet het leren en ervaren: ‘Een rustig geweten maakt sterk!’

Je Anne.

Zaterdag, 8 Juli 1944

Lieve Kitty,


De hoofdvertegenwoordiger van de zaak, mijnheer B. was in Beverwijk en heeft zo van de veiling aardbeien gekregen. Ze kwamen hier aan, stof g, vol zand, maar in grote mate. Niet minder dan 24 kistjes voor kantoor en ons. Dadelijk 's avonds werden de eerste zes glazen geweckt en acht potjes jam gemaakt. De volgende ochtend wilde Miep voor kantoor jam koken.

Om half één geen vreemden in huis, buitendeur op slot, kistjes afhalen, Peter, vader, Van Daan, stommelen op de trap: Anne warm water van de geyser tappen, Margot emmer halen, alle hens aan dek! Met een heel gek gevoel in mijn maag stapte ik de overvolle kantoorkeuken binnen. Miep, Elli, Koophuis, Henk, vader, Peter: onderduikers en ravitaillerings-colonne, alles door elkaar en dat midden op de dag!

Door de gordijnen kan men niet naar binnen kijken, maar hard gepraat, slaande deuren, ik kreeg de bibberatie van opwinding. Ja, maar zijn we heus nog ondergedoken, ging het door mij heen, zo'n gevoel moet je hebben, als je je weer aan de wereld mag vertonen. De pan was vol, gauw naar boven. In onze keuken aan tafel stond de rest van de familie en plukte, het moest tenminste plukken verbeelden; er ging meer in de monden dan in de emmers. Nog een emmer was weldra nodig, Peter ging weer naar de keuken beneden - er werd twee keer gebeld; de emmer bleef staan, Peter holde naar boven, de kastdeur op slot! We trappelden van ongeduld, de kraan moest dicht blijven en al wachtten de half gewassen aardbeien nog zo op hun bad, de duikregel: ‘Iemand in huis, alle kranen dicht voor het lawaai dat de watertoevoer maakt’, bleef gehandhaafd.

Om één uur komt Henk met de mededeling, het was de postbode. Peter snelt de trap weer af. Rang, de bel, rechtsomkeert. Ik ga luisteren of er iemand komt, eerst aan de kastdeur, dan zachtjes boven aan de trap. Ten slotte hangen Peter en ik als twee dieven over de leuning en luisteren naar het lawaai dat van beneden komt. Geen vreemde stem, Peter gaat stiekem de trap af, blijft halverwege staan en roept: ‘Elli!’ Geen antwoord, nog eens: ‘Elli!’ Het lawaai in de keuken is harder dan Peters stem. Hij de trap af, de keuken in. Ik sta gespannen naar beneden te kijken: ‘Maak dat je naar boven komt, Peter, de accountant is er, je moet weg!’ Het is de stem van Koophuis. Zuchtend komt Peter boven, de kastdeur gaat dicht. Half twee komt Kraler eindelijk. ‘O jeminee, ik zie niets anders meer dan aardbeien, mijn ontbijt aardbeien, Henk eet aardbeien, Koophuis snoept aardbeien, Miep kookt aardbeien, ik ruik aardbeien, wil ik dat rode goedje kwijt en ga naar boven, dan worden hier gewassen ... aardbeien’.

De rest van de aardbeien gaat in de weck. 's Avonds: twee potten open. Vader maakt er gauw jam van. De volgende ochtend: twee weckglazen open, 's middags vier weckglazen open, Van Daan had ze niet heet genoeg gesteriliseerd. Nu kookt vader elke avond jam.

We eten pap met aardbeien, karnemelk met aardbeien, boterham met aardbeien, aardbeien als dessert, aardbeien met suiker, aardbeien met zand. Twee dagen dansten overal aardbeien, aardbeien, aardbeien, toen was de voorraad op of achter slot en grendel in de potten.

‘Hoor eens, Anne’, roept Margot, ‘we hebben doppertjes gekregen van den groenteboer om de hoek, 19 pond’. ‘Dat is aardig van hem’, antwoord ik. Inderdaad is het aardig, maar het werk ... poeh!

‘Jullie moeten Zaterdagochtend allemaal meedoppen’, kondigt moeder aan tafel aan. En werkelijk, vanochtend na het ontbijt verscheen de grote emaille pan op tafel, tot aan de rand met doppers gevuld. Het doppen is een vervelend werk, maar dan moet je eens het ‘schilletjes uithalen’ proberen. Ik denk dat het merendeel van de mensen niet weet hoe lekker en zacht de peul van de erwt smaakt als het binnenste velletje er uit gehaald wordt. De net aangehaalde voordelen halen het echter nog niet bij het geweldige voordeel, dat de portie die gegeten kan worden wel drie maal zo groot is als wanneer je alleen de erwtjes eet.

Dit velletje trekken is een buitengewoon nauwkeurig en pietepeuterig werkje, dat misschien wel voor pedante tandartsen of preciese kantoormensen geschikt is; voor een ongeduldige bakvis als ik is het verschrikkelijk. Om half tien zijn we begonnen, om half elf sta ik op, om half twaalf ga ik weer zitten. Het gonst in mijn oren: hoekje knikken, velletje trekken, draadje halen, peultje gooien en zo voort en zo voort, het draait voor mijn ogen, groen, groen, wormpje, draadje, rotte peul, groen, groen, groen.

Van lamlendigheid om toch wat te doen, klets ik de hele ochtend alle onzin die er bestaat, maak ze allen aan het lachen en voel me zelf haast vergaan van stompzinnigheid. Met elk draadje dat ik trek weet ik weer beter, dat ik nooit, nooit alleen maar huisvrouw wil zijn!

Om 12 uur gaan we eindelijk ontbijten, maar van half één tot kwart over één moeten we weer velletjes trekken. Ik ben zowat zeeziek als ik ophoud, de anderen ook een beetje. Ik ga slapen tot vier uur en ben dan nog in de war door die ellendige erwten.

Je Anne.


Zaterdag, 15 Juli 1944

Lieve Kitty,


We hebben van de bibliotheek een boek gehad met de uitdagende titel: Hoe vindt u het moderne jonge meisje? Over dit onderwerp zou ik het vandaag graag eens hebben.

De schrijfster van het boek becritiseert ‘de jeugd van tegenwoordig’ van top tot teen, zonder echter alles wat jong is helemaal af te wijzen als: tot niets goeds in staat. Integendeel, zij is eerder van mening, dat als de jeugd zou willen, zij een grote, mooiere en betere wereld zou kunnen opbouwen, dat de jeugd de middelen heeft, maar zich bezig houdt met oppervlakkige dingen zonder het wezenlijk mooie een blik te gunnen.

Bij enkele passages had ik sterk het gevoel, dat de schrijfster mij bedoelde met haar afkeuringen en daarom wil ik me nu eindelijk eens helemaal aan je openleggen en me verdedigen tegen deze aanval. Ik heb een sterk uitkomende karaktertrek die iedereen die me langer kent moet opvallen, en wel mijn zelfkennis. Ik kan mezelf bij al mijn handelingen bekijken, alsof ik een vreemde was. Helemaal niet vooringenomen of met een zak verontschuldigingen sta ik dan tegenover de Anne van elke dag en kijk toe wat die goed en wat ze slecht doet. Dat ‘zelfgevoel’ laat me nooit los en bij elk woord dat ik uitspreek weet ik dadelijk als het uitgesproken is: ‘Dit had anders moeten zijn’, of ‘Dat is goed zo als het is’. Ik veroordeel mezelf in zo onnoemelijk veel dingen en zie steeds meer hoe waar dat woord van vader was: ‘Ieder kind moet zichzelf opvoeden’. Ouders kunnen alleen raad of goede aanwijzingen meegeven, de uiteindelijke vorming van iemands karakter ligt in zijn eigen hand.

Daarbij komt nog, dat ik buitengewoon veel levensmoed heb, ik voel me altijd zo sterk en tot dragen in staat, zo vrij en zo jong! Toen ik dat voor het eerst opmerkte was ik blij, want ik geloof niet, dat ik gauw zal buigen voor de slagen die ieder moet opvangen.

Maar over die dingen heb ik het al zo vaak gehad, ik wilde nu even op het hoofdstuk ‘vader en moeder begrijpen me niet’ komen. Mijn vader en moeder hebben me altijd erg verwend, waren lief voor me, verdedigden me en hebben gedaan wat ouders maar doen kunnen. En toch heb ik me lang zo ontzettend eenzaam gevoeld, buitengesloten, verwaarloosd en niet begrepen. Vader probeerde al het mogelijke om mijn opstandigheid te temperen, het baatte niet, zelf heb ik me genezen door mezelf het verkeerde van mijn doen en laten voor te houden.

Hoe komt het nu, dat vader me in mijn strijd nooit tot steun is geweest, dat hij helemaal missloeg toen hij me de helpende hand wou bieden? Vader heeft de verkeerde middelen aangepakt, hij heeft altijd tot me gesproken als tot een kind, dat moeilijke kindertijden moest doormaken. Dat klinkt gek, want niemand anders dan vader heeft me steeds veel vertrouwen geschonken en niemand anders dan vader heeft me het gevoel gegeven, dat ik verstandig ben. Maar één ding heeft hij verwaarloosd: hij heeft er namelijk niet aan gedacht, dat mijn vechten om er bovenop te komen voor mij belangrijker was dan al het andere. Ik wou niet van ‘leeftijdsverschijnsels’, ‘andere meisjes’, ‘gaat vanzelf over’ horen, ik wou niet als meisje-zoals-alle-anderen, maar als Anne-op-zichzelf behandeld worden. Dat begreep Pim niet. Trouwens ik kan iemand niet mijn vertrouwen geven, die mij ook niet heel veel van zichzelf vertelt en omdat ik van Pim zeer weinig afweet, zal ik de weg naar het intieme tussen ons niet kunnen betreden.

Pim stelt zich altijd op het standpunt van den ouderen vader, die ook wel eens zulke voorbijgaande neigingen gehad heeft, maar die met mij toch niet meer als vriend kan meeleven, hoe ijverig hij daar ook naar zoekt.

Door deze dingen ben ik er toe gekomen mijn levensbeschouwingen en mijn goed overdachte theorieën nooit aan iemand anders mee te delen dan aan mijn dagboek en een enkele keer aan Margot. Voor vader verborg ik alles wat mezelf beroerde: ik heb hem nooit in mijn idealen laten delen, heb hem willens en wetens van me vervreemd.

Ik kon niet anders, ik heb helemaal volgens mijn gevoel gehandeld, maar ik heb gehandeld, zoals het voor mijn rust goed was. Want mijn rust en zelfvertrouwen, dat ik zo wankel opgebouwd heb, zou ik weer helemaal verliezen, als ik nu kritiek op mijn half-affe werk zou moeten doorstaan. En dat heb ik zelfs voor Pim niet over, hoe hard het ook mag klinken, want niet alleen heb ik Pim in niets in mijn innerlijk leven laten delen, ik stoot hem vaak door mijn geprikkeldheid nog verder van me af.

Dit is een punt waarover ik veel denk: hoe komt het, dat Pim me zo ergert? Dat ik haast niet met hem leren kan, dat zijn liefkozingen me gemaakt lijken, dat ik rust wil hebben en het liefst zag, dat hij me een beetje links liet liggen, tot ik weer zekerder tegenover hem sta? Want nog steeds knaagt het verwijt aan me van die gemene brief, die ik hem in mijn opgewondenheid durfde schrijven. O, wat is het moeilijk om werkelijk naar alle kanten sterk en moedig te zijn!

Toch heeft dit me niet mijn ergste teleurstelling bezorgd, neen, nog veel meer dan over vader peins ik over Peter. Ik weet heel goed, dat ik hem veroverd heb inplaats van omgekeerd: ik heb me een droombeeld van hem geschapen, zag hem als een stillen, gevoeligen, lieven jongen, die liefde en vriendschap zo nodig heeft. Ik moest me eens uitspreken bij een levende, ik wou een vriend hebben die me weer op weg hielp, ik heb het moeilijke werk volbracht en heb hem langzaam maar zeker naar me toegedraaid. Toen ik hem ten slotte tot vriendschappelijke gevoelens voor mij gebracht had, kwamen we vanzelf tot intimiteiten, die me nu bij nader inzien ongehoord lijken.

We spraken over de meest verborgen dingen, maar over de dingen waarvan mijn hart vol was en is, hebben we tot nu toe gezwegen. Ik kan nog steeds niet goed uit Peter wijs, is hij oppervlakkig, of is het verlegenheid die hem zelfs tegenover mij tegenhoudt? Maar dat achterwege gelaten, ik heb één fout begaan door alle andere mogelijkheden om tot vriendschap te komen uit te schakelen en door te trachten met intimiteiten hem nader te komen. Hij hunkert naar liefde en hij begint me elke dag liever te vinden, dat merk ik heel goed. Hem geven onze ontmoetingen bevrediging, bij mij werken ze alleen maar de drang uit om het steeds weer opnieuw met hem te proberen. En toch kom ik er niet toe de onderwerpen aan te raken, die ik zo graag aan het licht zou laten komen. Ik heb Peter, meer dan hijzelf weet, met geweld naar mij toegehaald. Nu houdt hij zich aan me vast en ik zie voorlopig nog geen afdoend middel hem weer van me te scheiden en op eigen benen te zetten. Toen ik namelijk al heel gauw bemerkte, dat hij geen vriend voor mijn begrip kon zijn, heb ik er naar gestreefd hem dan tenminste op te heffen uit zijn bekrompenheid en hem groot te maken in zijn jeugd.

‘Want in zijn diepste grond is de jeugd eenzamer dan de ouderdom’. Dit gezegde is mij uit een of ander boek bijgebleven en heb ik waar bevonden.

Is het dan wel waar, dat de volwassenen het hier moeilijker hebben dan de jeugd? Neen, dat is zeker niet waar. Oudere mensen hebben een mening over alles en wankelen niet meer in hun daden door het leven. Wij jongeren, hebben dubbele moeite onze meningen te handhaven in een tijd waar alle idealisme vermeld en verpletterd wordt, waar de mensen zich van hun lelijkste kant laten zien, waar getwijfeld wordt aan waarheid en recht en God.

Iemand die dan nog beweert, dat de ouderen het hier in het Achterhuis veel moeilijker hebben, realiseert zich dan zeker niet in hoeveel groter omvang de problemen op ons toe komen stormen, de problemen waarvoor we misschien nog veel te jong zijn, maar die zich toch zolang aan ons opdringen, totdat we na heel lange tijd een oplossing gevonden menen te hebben, een oplossing meestal die niet bestand blijkt tegen de feiten, die haar weer te niet doen. Dat is het moeilijke in deze tijd: idealen, dromen, mooie verwachtingen komen nog niet bij ons op of ze worden door de gruwelijke werkelijkheid getroffen en zo totaal verwoest.

Het is een groot wonder, dat ik niet al mijn verwachtingen heb opgegeven, want ze lijken absurd en onuitvoerbaar. Toch houd ik ze vast, ondanks alles, omdat ik nog steeds aan de innerlijke goedheid van den mens geloof. Het is me ten enenmale onmogelijk alles op te bouwen op de basis van dood, ellende en verwarring. Ik zie hoe de wereld langzaam steeds meer in een woestijn herschapen wordt, ik hoor steeds harder de aanrollende donder, die ook ons zal doden, ik voel het leed van millioenen mensen mee en toch, als ik naar de hemel kijk, denk ik, dat alles zich weer ten goede zal wenden, dat ook deze hardheid zal ophouden, dat er weer rust en vrede in de wereldorde zal komen.

Intussen moet ik mijn denkbeelden hoog en droog houden, in de tijden die komen zijn ze misschien toch nog uit te voeren.

Je Anne.



1   ...   10   11   12   13   14   15   16   17   18


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina